RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.082492.26 en 08.229213.26 (gev.ttz) (P)
Datum vonnis: 17 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ,
nu verblijvende in P.I. [verblijfsplaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
2 juli en 3 september 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. L.J. Krijgsman, advocaat in Enter, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door of namens [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] voorgedragen slachtofferverklaringen en van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt, kort en zakelijk weergegeven, erop neer dat verdachte:
08.082492.26 (na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv))
feit 1: de beschikking had over een wederrechtelijk vervaardigde foto van seksuele aard van [slachtoffer 1] ;
feit 2: [slachtoffer 1] heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden;
feit 3: [slachtoffer 1] heeft gestalkt;
feit 4: [slachtoffer 2] heeft bedreigd;
08.229213.26
[slachtoffer 3] heeft gestalkt.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
08.082492.26
1
hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2026 tot en met 12 maart 2026 te Holten, gemeente Rijssen-Holten, althans in Nederland, de beschikking had over een visuele weergave van seksuele aard, te weten een foto van een persoon, te weten [slachtoffer 1] , waarop te zien was dat voornoemde [slachtoffer 1] het geslachtsdeel van een man in haar mond heeft,
terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze opzettelijk en wederrechtelijk was vervaardigd;
2
hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2026 tot en met 14 maart 2026 te Holten, gemeente Rijssen-Holten, althans in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer 1] ,
door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of een of meer derden, te weten [slachtoffer 4]
wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door:
- die [slachtoffer 1] een brief te sturen met daarin, zakelijk weergegeven, twee afbeeldingen van seksuele aard van voornoemde [slachtoffer 1] , en/of
- die [slachtoffer 4] (indirect) een (WhatsApp-)bericht te sturen met daarin, zakelijk weergegeven, een deadline waarop voornoemde [slachtoffer 1] haar excuses moet maken en/of dat bij het uitblijven van een excuses één of meerdere afbeeldingen, video's, screenshots en/of geluidsfragmenten van seksuele aard van die [slachtoffer 1] openbaar worden gemaakt;
3
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2026 tot en met 17 maart 2026 te Holten, gemeente Rijssen-Holten, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] ,
door:
- die [slachtoffer 1] veelvuldig te bellen, en/of
- die [slachtoffer 1] meermaals via verschillende mailadressen (e-mail)berichten te sturen, en/of
- die [slachtoffer 1] meermaals brieven te sturen, en/of
- contact op te nemen met [naam] en/of langs te gaan op het adres van [naam] en daarbij bedreigende en/of beledigende en/of intimiderende teksten uit te spreken en/of
- veelvuldig bij de woning van die [slachtoffer 1] langs te gaan en/of door voornoemde [slachtoffer 1] te filmen,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
4
hij op of omstreeks 12 augustus 2019 te Wierden en/of te Haaksbergen, althans in Nederland,
[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] (telefonisch) dreigend de woorden toe te voegen: "Als jij komt bij mij, en ik kom je onder ogen, zul jij sterven voor de deur ook al zijn je kinderen er bij" en/of "Waar de kinderen bij zijn snij ik je strot nog door", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
08.229213.26
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 05-06-2026 t/m 27-07-2026 te Wierden en/of te Zwolle, althans op een of meer plaatsen in Nederland, (telkens)wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] , door- die [slachtoffer 3] veelvuldig (vanuit de PI) te bellen en/of de voicemail in te spreken (al dan niet met intimiderende woorden/tekst) en/of- meermalen brieven te sturen naar die [slachtoffer 3] en/of- meermalen brieven over die [slachtoffer 3] naar familieleden en/of bekenden van die [slachtoffer 3] te sturen en/of- een of meer brieven mee te geven aan hun gezamenlijke dochter voor die [slachtoffer 3] en/of- die [slachtoffer 3] meermalen door (een) ander(en) in de gaten te laten houden en/of (een) ander(en) de woning van die [slachtoffer 3] in de gaten te laten houden en/of een of meer filmpjes te maken van en/of in de buurt van de woning van die [slachtoffer 3] ,
met het oogmerk die [slachtoffer 3] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
3. De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Onder feit 4 van parketnummer 08.082492.26 is tenlastegelegd dat verdachte zich op of omstreeks 12 augustus 2019 heeft schuldig gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.
Dit feit is in artikel 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht (Sr) strafbaar gesteld als misdrijf waarop ten tijde van de tenlastegelegde pleegdatum een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren was gesteld. Op grond van artikel 70 lid 1 onder 2° Sr vervalt het recht tot strafvordering (vervolging) van dit feit na zes jaren door verjaring. Ingevolge artikel 71 Sr vangt de verjaringstermijn aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd.
Dat betekent dat de verjaringstermijn van de tenlastegelegde bedreiging is gaan lopen op 13 augustus 2019 en dat het vervolgingsrecht verviel wegens verjaring op 12 augustus 2025. Dit zou enkel anders zijn als vóór 12 augustus 2025 een daad van vervolging heeft plaatsgevonden waardoor de verjaring is gestuit en een nieuwe verjaringstermijn is aangevangen, als bedoeld in artikel 72 lid 1 Sr.
Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat de aangifte van [slachtoffer 2] ten aanzien van de tenlastegelegde bedreiging is opgenomen op 18 maart 2026 terwijl in de periode tussen 13 augustus 2019 en 12 augustus 2025 geen daad van vervolging voor dit feit heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het tenlastegelegde feit al was verjaard ten tijde van het doen van aangifte en de daarop gevolgde dagvaarding voor dit feit. Daarom zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte voor feit 4 van parketnummer 08-082492-26.
Ten aanzien van de overige feiten heeft de rechtbank vastgesteld dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.
4. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten, met uitzondering van feit 1 van parketnummer 08-082492-26. Ten aanzien van laatstgenoemd feit heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat de foto niet wederrechtelijk was vervaardigd.
Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast.
Verdachte is getrouwd met [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ). In de zomer van 2024 heeft verdachte een buitenechtelijke relatie gekregen met [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). Tijdens die relatie heeft verdachte foto’s van seksuele aard gemaakt van [slachtoffer 1] . Vanaf 2025 zijn er meerdere meldingen binnengekomen bij de politie met betrekking tot incidenten die te maken hebben met de relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] . Tussen verdachte en [slachtoffer 1] was sprake van afwisselend wel en geen contact. De politie heeft op twee momenten stopgesprekken met verdachte gevoerd naar aanleiding van meldingen van [slachtoffer 1] dat zij lastig werd gevallen door verdachte. Elke keer als door haar het contact werd verbroken, werd de reactie van verdachte heftiger. Nadat de relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] uitging, ontving zij veelvuldig berichten van verdachte, werd zij meermalen gebeld door verdachte en kwam verdachte langs bij haar woning. In verband met het gedrag van verdachte, had [slachtoffer 1] een Aware knop gekregen waarmee zij in nood de politie kon bereiken. Op 16 maart 2026 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan met betrekking tot misbruik van seksueel beeldmateriaal. Op 20 maart 2026 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van stalking/dwang. Verdachte zit gedetineerd sinds 16 maart 2026. Gedurende zijn detentie heeft verdachte veelvuldig naar [slachtoffer 3] gebeld, voicemailberichten ingesproken, meermalen brieven naar [slachtoffer 3] en haar familieleden gestuurd en haar woning in de gaten laten houden. [slachtoffer 3] heeft daarop op 24 juni 2026 aangifte gedaan van stalking. Verdachte heeft bekend dat hij de tenlastegelegde feitelijke handelingen heeft begaan.
Redengevende feiten en omstandigheden
08.082492.26 feit 1
Uit het dossier komt een beeld van stalking en intieme terreur richting [slachtoffer 1] naar voren in de tenlastegelegde periode, waarbij sprake was van controle en dwingend gedrag door verdachte. [slachtoffer 1] heeft duidelijk verklaard over hoe verdachte zich gedroeg tijdens de relatie en hoe hij zich gedroeg op het moment dat de relatie eindigde en daarna. Verdachte heeft ter terechtzitting toegegeven dat hij zich verkeerd heeft gedragen tegen [slachtoffer 1] .
Verdachte had in de tenlastegelegde periode nog altijd de beschikking over foto’s van [slachtoffer 1] die een zodanig intiem en seksueel karakter hadden dat die door ieder redelijk denkend mens als privé zouden worden beschouwd. [slachtoffer 1] heeft over de in de tenlastelegging beschreven foto, waarop zij zichtbaar een mannelijk geslachtsdeel in haar mond heeft, verklaard dat zij wel wist dat verdachte deze tijdens hun relatie had gemaakt maar dat hij niet had gevraagd om dit te mogen doen en zij hem hiervoor geen (expliciete) toestemming heeft gegeven.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte, gelet op de aard van de relatie tussen hem en [slachtoffer 1] en de omstandigheden waaronder de foto is gemaakt, op zijn minst redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer 1] geen daadwerkelijke instemming had gegeven en de foto daarmee wederrechtelijk is vervaardigd.
De rechtbank is aldus van oordeel dat op grond van voorgaande overwegingen in samenhang met de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.
08.082492.26 feiten 2 en 3 en 08.229213.26
De rechtbank komt ook tot bewezenverklaring van de overige ten laste gelegde feiten, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), in de bijlage zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
08.082492.26
1
hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2026 tot en met 12 maart 2026 te Holten, gemeente Rijssen-Holten, althans in Nederland, de beschikking had over een visuele weergave van seksuele aard, te weten een foto van een persoon, te weten [slachtoffer 1] , waarop te zien was dat voornoemde [slachtoffer 1] het geslachtsdeel van een man in haar mond heeft,
terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze opzettelijk en wederrechtelijk was vervaardigd;
2
hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2026 tot en met 14 maart 2026 te Holten, gemeente Rijssen-Holten, althans in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer 1] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of een of meer derden, te weten [slachtoffer 4] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door:
- die [slachtoffer 1] een brief te sturen met daarin, zakelijk weergegeven, twee afbeeldingen van seksuele aard van voornoemde [slachtoffer 1] , en/of
- die [slachtoffer 4] (indirect) een (WhatsApp-)bericht te sturen met daarin, zakelijk weergegeven, een deadline waarop voornoemde [slachtoffer 1] haar excuses moet maken en/of dat bij het uitblijven van een excuses één of meerdere afbeeldingen, video's, screenshots en/of geluidsfragmenten van seksuele aard van die [slachtoffer 1] openbaar worden gemaakt;
3
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2026 tot en met 17 maart 2026 te Holten, gemeente Rijssen-Holten, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door:
- die [slachtoffer 1] veelvuldig te bellen, en/of
- die [slachtoffer 1] meermaals via verschillende mailadressen (e-mail)berichten te sturen, en/of
- die [slachtoffer 1] meermaals brieven te sturen, en/of
- contact op te nemen met [naam] en/of langs te gaan op het adres van [naam] en daarbij bedreigende en/of beledigende en/of intimiderende teksten uit te spreken en/of
- veelvuldig bij de woning van die [slachtoffer 1] langs te gaan en/of door voornoemde [slachtoffer 1] te filmen,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
08-229213-26
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 05 juni 2026 tot en met 27 juli 2026 te Wierden en/of te Zwolle, althans op een of meer plaatsen in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] , door- die [slachtoffer 3] veelvuldig (vanuit de PI) te bellen en/of de voicemail in te spreken (al dan niet met intimiderende woorden/tekst) en/of- meermalen brieven te sturen naar die [slachtoffer 3] en/of- meermalen brieven over die [slachtoffer 3] naar familieleden en/of bekenden van die [slachtoffer 3] te sturen en/of- een of meer brieven mee te geven aan hun gezamenlijke dochter voor die [slachtoffer 3] en/of- die [slachtoffer 3] meermalen door (een) ander(en) in de gaten te laten houden en/of (een) ander(en) de woning van die [slachtoffer 3] in de gaten te laten houden en/of een of meer filmpjes te maken van en/of in de buurt van de woning van die [slachtoffer 3] ,
met het oogmerk die [slachtoffer 3] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder parketnummer 08.082492.26 feit 1, feit 2 en feit 3 en parketnummer 08.229213.26 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 254ba, 284 en 285b Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
08.082492.26
feit 1
het misdrijf: beschikken over een seksuele afbeelding van een persoon terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat deze door of als gevolg van het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een afbeelding van seksuele aard van een persoon is verkregen;
feit 2
het misdrijf: een ander door een feitelijkheid en bedreiging met een feitelijkheid, gericht tegen die ander en een derde, wederrechtelijk dwingen iets te dulden;
feit 3
het misdrijf: belaging;
08.229213.26
het misdrijf: belaging.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
7. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.
Verder heeft de officier van justitie oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel gevorderd (artikel 38v Sr) voor de duur van drie jaren, in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer 1] en een contact- en locatieverbod met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , en vervangende hechtenis voor de duur van 1 week voor iedere keer dat de maatregel wordt overtreden. De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft - onder verwijzing naar de gerapporteerde verminderde toerekenbaarheid van verdachte - verzocht om aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van gelijke duur als de reeds ondergane voorlopige hechtenis en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarbij heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte de voorkeur geeft aan een ambulante behandeling voor de geconstateerde problematiek maar dat hij ook bereid is mee te werken met een klinisch behandeltraject.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer intimiderende en angstaanjagende feiten richting meerdere (ex-)partners, namelijk stalking, dwang en het toesturen van een compromitterende foto met de dreiging deze openbaar te maken. Verdachte heeft met zijn zeer dwingende handelen ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en ervoor gezorgd dat zij vrees, angst en onveiligheid (hebben) ervaren. Hoewel het verdachte op alle mogelijke manieren duidelijk werd gemaakt dat de slachtoffers op geen enkele manier contact met hem wilden, bleef hij volhouden in het zoeken van contact en het proberen te controleren van de levens van de slachtoffers. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen blijkt de forse impact die het gedrag van verdachte heeft gehad en dat de gevolgen voor de slachtoffers tot op de dag van vandaag erg groot zijn. Alleen al gelet op de ernst van de gepleegde feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt en die aanzienlijk langer is dan door de officier van justitie is gevorderd.
De rechtbank weegt ook de proceshouding van verdachte in strafverzwarende zin mee. Hoewel verdachte uiteindelijk heeft erkend dat wat hij heeft gedaan fout was en hij heeft verklaard dat hij daarvan spijt heeft, werden deze woorden telkens gevolgd door een “maar”. Zo vond verdachte dat hij telkens een goede reden had voor zijn gedrag, herkent hij het beeld van dwingende controle niet en zegt hij dat eigenlijk sprake is van een gezamenlijke wraakactie van de slachtoffers met het doel om hem kapot te maken. Daaruit volgt dat verdachte nog altijd niet bereid is de volle verantwoordelijkheid te nemen voor zijn handelen en de schuld voor een groot deel bij de slachtoffers legt. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De persoon van verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:
- een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van
24 augustus 2026;
- een pro justitia rapport van 1 juli 2026, opgemaakt door D.R. van der Velden, GZ-psycholoog;
- een reclasseringsadvies van 24 augustus 2026 en aanvullend reclasseringsadvies van 2 september 2026, opgemaakt door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte vaker met politie en
justitie in aanraking is geweest en eerder voor (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld.
In het pro justitia rapport van de psycholoog is onder meer beschreven, zakelijk weergegeven, dat bij verdachte sprake is van een benedengemiddeld tot laaggemiddeld
cognitief niveau, een persoonlijkheidsstoornis met cluster B-trekken, zoals borderline, narcistische en antisociale trekken, en een ongespecificeerde disruptieve,
impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis. Verdachte herkent zijn persoonlijkheidsproblematiek niet tot nauwelijks, hetgeen is te begrijpen vanuit een beperkt zelfinzicht en een gering reflectief vermogen. In periodes van (hoog) oplopende spanning komt de problematiek duidelijk naar de oppervlakte, met name bij problemen in de partnerrelatie, ervaren onrecht of wanneer zijn leven niet verloopt zoals hij dat wenst. Er wordt een sociaal en emotioneel onrijpe man gezien met een flink aantal blinde vlekken voor wat hemzelf en anderen beweegt. De combinatie van narcistische kwetsbaarheid, antisociale trekken en de hierboven beschreven emotionele ontregelbaarheid maakt verdachte in situaties van hoog oplopende spanning, en met name in situaties waarin zijn zelfbeeld wordt aangetast, moeilijk voorspelbaar en vatbaar voor escalatie. Alle stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De stoornissen hebben doorgewerkt in het ten laste gelegde. Verdachte hield ten tijde van de tenlastegelegde feiten geen rekening met de strafbaarheid en schadelijkheid van zijn gedrag (inschattingsvermogen). Bovendien schoot de remming van zijn frustratie en woede (sturingsvermogen) volledig tekort, hetgeen te begrijpen is vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis, gebrekkige hanteringsmechanismen (coping) en disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis. Geadviseerd wordt om de ten laste gelegde feiten verminderd aan verdachte toe te rekenen. Het gevaar van herhaling van (dreigen met) gewelddadig gedrag en van stalkingsgedrag wordt als matig tot hoog ingeschat. Om dit recidiverisico te verminderen, wordt geadviseerd een intensieve ambulante forensische dagbehandeling op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. De behandeling zou moeten zijn gericht op onder andere het opstellen van een delictketen en terugvalpreventieplan, het verminderen van het recidiverisico, het creëren van meer bewustzijn over verdachtes gevoels- en relatiedynamiek en zijn persoonlijkheidsstoornis, meer grip krijgen op oplopende spanning en het aanleren van alternatieve manieren van zelfregulatie, hanteringsvaardigheden en zelfcontrole. De verwachting is dat zo een behandeling niet gemakkelijk zal verlopen door verdachtes beperkte zelfinzicht, reflectieve vermogen en mentaliserend vermogen. Een klinische start van een behandeling zou daarom goed aansluiten op zijn problematiek.
De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog omtrent de (mate van) toerekenbaarheid van verdachte over en maakt het oordeel tot de hare. De rechtbank zal bij de straftoemeting rekening houden met de omstandigheid dat de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.
Het advies van de reclassering sluit grotendeels aan bij de bevindingen van de psycholoog. Verdachte ontkent het beeld van stalking en intieme controle dat uit het proces-verbaal naar voren komt. Zorgwekkend is het terugkerende patroon aangaande dwang, controle en verhoogde emotionaliteit zodra er spanningen ontstaan. Het risico op recidive en letsel wordt ingeschat als hoog. De reclassering acht een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden aangewezen. Hoewel verdachte zich bereid toont medewerking te verlenen aan bijzondere voorwaarden en behandeling, maakt zijn externaliserende houding dat de responsiviteit laag is. Bovendien is met zekerheid te stellen dat er geen passend aanbod beschikbaar is in een forensisch ambulant behandelkader. Inmiddels is voor verdachte een indicatie afgegeven voor een klinische forensische behandeling op F2 hoog niveau in een FPA (of soortgelijke instelling). De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling en een contactverbod met aangeefsters.
Strafoplegging
Zoals hierboven is overwogen maakt de ernst van de feiten dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijk langere duur moet worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd. Daarnaast maakt de bij verdachte aanwezige diepgewortelde problematiek dat een intensieve klinische behandeling nodig is en dat ook daarna nog langdurige begeleiding en verdere hulpverlening nodig zal zijn om de kans op recidive te verminderen. Om die noodzakelijke hulpverlening te bieden, verdachte te stimuleren om aan zijn problematiek te werken en ook om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal een fors voorwaardelijk strafdeel worden opgelegd. Het moet voor verdachte duidelijk zijn dat als hij zich onttrekt aan de voorwaarden, dat dan een gevangenisstraf volgt die langer is dan de duur van een behandeling. Op deze wijze hoopt de rechtbank het ontbreken van intrinsieke motivatie tot behandeling te ondervangen. De behandeling en begeleiding is noodzakelijk om het gevaar op herhaling te verminderen. Gelet op de naar verwachting lange duur die zal zijn gemoeid met het behandel- en begeleidingstraject stelt de rechtbank de proeftijd vast op een periode van drie jaren.
Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van tweeënveertig maanden waarvan achttien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met daaraan gekoppeld de in het dictum opgenomen bijzondere voorwaarden en met aftrek van de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er, gelet op de aard van de gepleegde feiten, de persoon van verdachte en het nog altijd aanwezige recidiverisico, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.
Maatregel artikel 38v Sr
Ook zal de rechtbank aan verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr opleggen, ter voorkoming van strafbare feiten. Deze maatregel behelst contact- en locatieverboden ten aanzien van de drie aangeefsters.
Hoewel de rechtbank de officier van justitie ten aanzien van de bedreiging van [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging, staat dit niet in de weg aan het opleggen van deze maatregel. Uit artikel 38v Sr volgt immers dat deze maatregel kan worden opgelegd indien dit als doel heeft ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. Naar het oordeel van de rechtbank wordt hieraan voldaan, nu uit (de aard van) het gedrag en de problematiek van verdachte volgt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich belastend zal gedragen jegens haar.
Het contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact mag opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Het locatieverbod houdt in dat verdachte zich niet zal bevinden in de straten waar voornoemde personen (gaan) wonen en ten aanzien van [slachtoffer 1] ook in de straat waar zij werkt.
Met de contact- en locatieverboden beoogt de rechtbank dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich veiliger voelen gelet op de impact die de strafbare feiten hebben gehad en nog steeds hebben voor hen. De rechtbank beslist dat het contact omtrent de dochter van [slachtoffer 3] en verdachte is uitgezonderd van het contactverbod, op de wijze zoals hierna in het dictum omschreven. De contact- en locatieverboden gelden voor de duur van vijf (5) jaren. Voor iedere keer dat verdachte een van de verboden overtreedt, zal vervangende hechtenis van één week worden opgelegd, met een maximum van zes maanden.
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu gelet op de aanwezige problematiek bij en houding van verdachte er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens de aangeefsters.
8. De schade van benadeelde
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 11.509,93, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
-Beveiligingsmaatregelen € 256,41;
-CAK bijdrage € 87,20;
-Urgentie woningcorporatie € 30,00;
-Forfaitaire verhuiskosten € 7.673,00;
-Reiskosten € 463,32.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 3.000,- gevorderd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij ook een aanzienlijke rol heeft gespeeld in de onderhavige zaak. Een niet-ontvankelijkverklaring van de vordering zou daarom op zijn plaats zijn. De raadsman heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de volledige gevorderde materiële schade niet dient te worden toegekend nu met betrekking tot alle bedragen kan worden gesteld dat die onvoldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat kan worden gesteld dat het gevorderde bedrag vele malen te hoog is.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij als bedoeld in artikel 6:101 BW. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Dat de benadeelde partij mogelijk een rol heeft gespeeld in de gebeurtenissen, waarvan overigens niet is gebleken, is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een aan de benadeelde partij toe te rekenen omstandigheid die in zodanig causaal verband staat met de door haar geleden schade dat deze schade op grond van artikel 6:101 BW geheel of gedeeltelijk voor haar rekening dient te blijven.
Materiële schade
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en aannemelijk. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 17 maart 2026.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, sub b, BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. De benadeelde partij heeft onweersproken het volgende gesteld “Daarnaast ontvangt benadeelde begeleiding van een psycholoog van Kadera. Deze heeft geconcludeerd dat er voldoende aanwijzingen zijn voor een posttraumatische stressstoornis, waarvoor traumabehandeling passend is (zie bijlage 5: Intakeverslag Kadera). Inmiddels heeft zij meerdere EMDR-behandelingen gehad en merkt zij dat deze behandelingen haar helpen (zie bijlage 6: Afsprakenoverzicht).” De rechtbank is van oordeel dat op grond deze met stukken onderbouwde stelling sprake is van geestelijk letsel.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 82 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
9. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.
10. De beslissing
De rechtbank:
ontvankelijkheid
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte in de zaak met parketnummer 08.082492.26 ten aanzien van feit 4;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 08.082492.26 feiten 1, 2 en 3 en 08.229213.26 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
08.082492.26
feit 1
het misdrijf: beschikken over een seksuele afbeelding van een persoon terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat deze door of als gevolg van het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een afbeelding van seksuele aard van een persoon is verkregen;
feit 2
het misdrijf: een ander door een feitelijkheid en bedreiging met een feitelijkheid, gericht tegen die ander en een derde, wederrechtelijk dwingen iets te doen/niet te doen/te dulden;
feit 3
het misdrijf: belaging;
08.229213.26
het misdrijf: belaging.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 08.082492.26 feiten 1, 2 en 3 en 08.229213.26 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 18 (achttien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en
zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 7 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Leger des Heils [plaats] , op het adres: [adres 1] . De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- zich tijdens de proeftijd gedurende maximaal één jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in, diagnostisch laat onderzoeken en behandelen door een nader te bepalen kliniek op F2 hoog niveau of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren;
- indien de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, verdachte meewerkt aan de indicatiestelling en plaatsing. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de instelling en de begeleiding;
- zich diagnostisch laat onderzoeken en ambulant laat behandelen bij een ambulant forensisch psychiatrische polikliniek of een soortgelijke instelling, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van de polikliniek of instelling zullen worden gegeven;
- verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, indien en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als
bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 5 (vijf) jaren;
- beveelt dat verdachte gedurende 5 jaren op geen enkele wijze – direct of
indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , waarbij ten aanzien van [slachtoffer 3] heeft te gelden dat uitgezonderd is noodzakelijk contact over (de zorg voor) de dochter van haar en verdachte, uitsluitend voor zover dit contact plaatsvindt via een geëigende instantie,
dan wel conform een eventueel door de familierechter vast te stellen omgangsregeling;
- beveelt dat verdachte zich gedurende 5 jaren niet in de [adres 2] , de [adres 3] , de [adres 4] en de [adres 5] mag bevinden;
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 1 (één) week hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;
- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet
worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich
belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ;
- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
schadevergoeding
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 11.509,93 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026);
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 11.509,93, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 82 dagen kan worden toegepast, Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijink, voorzitter, en mr. B.T.C. Jordaans en
mr. P. de Mos, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.
Buiten staat
Mr. P. de Mos is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2026126805 (08.082492.26) en PL0600-2026288492 (08.229213.26). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Ten aanzien van 08.082492.26 feit 1:
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 september 2026, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik heb de foto gemaakt die in de tenlastelegging is beschreven.
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 16 maart 2026, pagina’s 31 t/m 35, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:
Tijdens onze relatie was [verdachte] heel bezitterig. Hij schreeuwde vaak tegen mij en begon met dingen te dreigen, zoals dat ik mijn woning zou verliezen. Nadat ik eind 2025 de relatie had verbroken, is het gedoe echt begonnen: dreigementen, mijn baas en werk berichten, langskomen bij mijn adres, mij zwart maken en manipuleren, veelvuldig e-mailen en brieven sturen. Zo ontving ik op 12 maart 2026 een brief op mijn adres in [woonplaats] . Ik weet niet zeker of de brief al eerder was bezorgd, omdat ik niet elke dag in mijn brievenbus kijk. In de brief zaten twee foto's van mij, waaronder een pikante foto die [verdachte] heeft gemaakt.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , van 22 maart 2026, pagina 25, voor zover inhoudende, als bevindingen van verbalisant:
Op maandag 16 maart 2026 nam de politie een brief met twee foto's in ontvangst
van aangeefster [slachtoffer 1] . Foto 2 betreft een foto waarbij een gedeelte van het onderlichaam van een man te zien is. Ter hoogte van het geslachtsdeel van de man is een vrouwelijk gezicht te zien. De vrouw heeft het geslachtsdeel in haar mond.
4.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , van 26 maart 2026, pagina 39, voor zover inhoudende, als bevindingen van verbalisant:
Vandaag 26 maart 2026 had ik telefonisch contact met aangeefster [slachtoffer 1] omdat ik enkele vragen had over de foto's die bij de brieven waren bijgevoegd. Ik vroeg haar of zij had ingestemd met het maken van foto 2. Ik hoorde dat ze zei dat verdachte dat niet aan haar had gevraagd.
Ten aanzien van 08.082492.26 feiten 2 en 3, en 08.229213.26
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 september 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 16 maart 2026, pagina’s 31 t/m 35;
3.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 20 maart 2026, pagina’s 88 t/m 100;
4.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 24 juni 2026, pagina’s 16 t/m 19.