RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11737459 \ CV EXPL 25-1695
Vonnis van 6 januari 2026
in de zaak van
[partij A] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[partij B] B.V.,
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
gemachtigde: mr. L. Wissink.
1. De zaken in het kort
[partij A] heeft een overeenkomst gesloten met [partij B] voor het detacheren van een werknemer. [partij A] heeft daarvoor aan [partij B] facturen gestuurd die grotendeels door [partij B] zijn voldaan. [partij A] vordert betaling door [partij B] van het nog openstaande deel van de facturen. [partij B] betwist dat zij de openstaande facturen moet betalen. Zij voert in dit kader aan dat zij een lager uurtarief verschuldigd is, omdat de werknemer volgens haar niet naar behoren functioneerde. [partij A] heeft de stelling van [partij B] niet weersproken. De kantonrechter oordeelt dat daarmee niet is komen vast te staan dat [partij B] een hoger uurtarief verschuldigd is. De vordering van [partij A] wijst de kantonrechter daarom af.
[partij B] heeft een tegenvordering ingesteld. Zij stelt dat zij aan [partij A] meer heeft betaald dan dat zij op grond van de detacheringsovereenkomst verschuldigd is. Het bedrag dat zij te veel aan [partij A] heeft betaald, vordert zij dan ook terug. [partij A] heeft de stellingen van [partij B] niet weersproken. De kantonrechter zal de vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag toewijzen, maar de vordering tot betaling van de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten wijst hij af.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 22 mei 2025 met producties;
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met productie;
de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, en
de mondelinge behandeling van 5 december 2025.
Partijen zijn op de mondelinge behandeling verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, en hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
[partij A] heeft op 18 april 2024 met [partij B] een overeenkomst gesloten voor het detacheren van een werknemer ([naam 1], verder: [naam 1]) van [partij A]. Zij zijn een proefperiode overeengekomen. [naam 1] heeft 304 uren gewerkt bij [partij B].
[partij A] heeft in de periode van 7 mei tot en met 15 juni 2024 facturen gestuurd aan [partij B] van in totaal € 18.024,16 inclusief btw. In de omschrijving van de facturen staat het aantal uren dat [naam 1] bij [partij B] heeft gewerkt, en een prijs van € 49,– per uur vermeld.
[partij A] heeft op 10 juli 2024 aan [partij B] een creditfactuur gestuurd van € 551,76 inclusief btw. In de omschrijving staat:
‘Totaal gemaakte uren van bovengenoemde facturen bedraagt 304 mu x 1.5 euro/uur als credit’.
[partij A] heeft op 15 juni 2024 aan [partij B] per e-mail een betalingsherinnering gestuurd voor één van de door haar verstuurde facturen. Partijen hebben hier vervolgens via de e-mail over gecorrespondeerd.
[partij B] heeft op 21 oktober 2024 aan [partij A] een e-mail gestuurd, waarin staat:
‘[…] Wij hebben ook even navraag gedaan bij onze loonadviseur […]
Kosten/loon […] € 1.800, - netto per 4 weken. […]
De kosten zijn € 3019,16 per 4 weken (160 uur). Dit komt een bedrag van € 18,87 kale kosten per uur. Hier komt dan nog opslag verzuim (26,29%) bij bovenop. Dus kostprijs per uur is € 18,87 + 26,29% = € 23,83 per uur.’
[partij A] heeft op 30 november 2024 per e-mail een betalingsherinnering aan [partij B] gestuurd voor één van de door haar verstuurde facturen. [partij B] heeft hier op 1 december 2024 per e-mail op gereageerd, waarin onder meer staat dat zij het er niet mee eens is.
[partij A] heeft diezelfde dag de volgende e-mail aan [partij B] gestuurd:
‘[…] Op 16 oktober heb ik [naam 2] geappt dat [naam 1] mij 43.71 euro per uur kost, via de statuten van Bouwend Nederland. Nu heb ik de uurloonprijs gereduceerd (op eigen initiatief) van € 49,– naar € 47.50, en dat vind ik net voorstel. (Deze prijs betaal ik namelijk ook voor een ingehuurde ZZP’er). […]’
[partij B] heeft op 9 december 2024 gereageerd. In deze e-mail staat:
‘[…] [naam 3] heeft afspraken met mij gemaakt. [naam 3] heeft mij gebeld. Jullie wilden hem graag kwijten dus mocht ik [naam 1] voor kostprijs proberen.
Die 43 euro is geen kostprijs voor een 4 weken loon voor 1800 netto. Wij komen op een kale kostprijs van 24 euro.
Kortom: ik ga geen 46 of 43 euro betalen voor [naam 1].
Het zou fijn zijn als we een redelijke prijs kunnen betalen, waarbij we allebei tevreden kunnen zijn. […]’
[partij B] heeft op 8 mei 2025 aan [partij A] een brief gestuurd, waarin staat:
‘[…] Juridisch kader
Er bestaat geen grondslag voor de verstuurde facturen. Hier is geen overeenkomst aan voorafgegaan. Cliënt betwist dan ook de verschuldigdheid van deze facturen. Op basis van het overeengekomen nettoloon is cliënt een uurloon van €24,- per uur verschuldigd. 304 x € 24 = € 7.296, -. Cliënt heeft € 9.484,80 betaald. Cliënt heeft kortom € 11.476,61 betaald inclusief btw, waar hij slechts € 8.828,16 inclusief btw was verschuldigd. Dit betekent dat cliënt € 2.648,45 onverschuldigd heeft betaald.
Voorstel
Cliënt is bereid met gesloten beurzen uit elkaar te gaan. Dit betekent dat de overige bedragen op de facturen worden gecrediteerd en dat cliënt geen vordering uit onverschuldigde betaling zal indienen.
Uw reactie op bovenstaand voorstel zie ik graag binnen veertien dagen tegemoet. Indien reactie uitblijft of het voorstel wordt niet aanvaard, behoudt cliënt al zijn rechten en weren voor om de onverschuldigd betaalde bedragen alsnog terug te vorderen. […]’
[partij B] heeft in totaal € 11.487,37 inclusief btw aan [partij A] betaald. Het gefactureerde bedrag dat nog openstaat, heeft zij niet voldaan.
[naam 1] is na de proefperiode niet door [partij B] overgenomen en hij is ook niet meer werkzaam bij [partij A].
4. Het geschil
in conventie
[partij A] vordert dat de kantonrechter [partij B] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van € 7.343,92, bestaande uit de hoofdsom, de verschenen rente en de buitengerechtelijke incassokosten. [partij A] vordert verder de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) over de gevorderde hoofdsom vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag van volledige betaling. Tot slot vordert [partij A] betaling van de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als [partij B] deze kosten niet binnen veertien dagen na dit vonnis betaalt.
[partij B] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.
in reconventie
[partij B] vordert dat de kantonrechter [partij A] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van € 2.710,98 aan hoofdsom en de buitengerechtelijke incassokosten van € 479,28, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van volledige betaling. Daarnaast vordert [partij B] betaling van de kosten van deze procedure (inclusief de nakosten).
[partij A] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B], met veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.
5. De beoordeling
in conventie
[partij B] hoeft de facturen niet te betalen
[partij A] vordert betaling van € 5.986,03 inclusief btw aan hoofdsom wegens nakoming van de betalingsverplichting van [partij B] uit de overeenkomst voortvloeit. Die overeenkomst houdt volgens [partij A] in dat zij [naam 1] heeft gedetacheerd bij [partij B] voor een uurtarief van € 49,– per uur. Dit uurtarief heeft zij verminderd met € 1,50 en zij heeft € 47,50 per uur voor 304 uren in rekening gebracht: € 17.494,80 inclusief btw. [partij B] heeft € 11.486,37 betaald en is nog € 5.986,03 inclusief btw verschuldigd.
[partij B] betwist dat partijen een uurtarief van € 49,– dan wel € 47,50 zijn overeengekomen: [partij B] zou het nettosalaris van [naam 1] aan [partij A] betalen. Dat komt neer op een uurtarief van € 23,83 en daarmee een totaalbedrag van € 8.765,63 inclusief btw. Met € 11.486,37 inclusief btw heeft zij ruimschoots aan haar betalingsverplichting voldaan.
De kantonrechter stelt vast dat [partij A] en [partij B] twee professionele partijen zijn, zodat het consumentenrecht niet van toepassing is. Partijen twisten over de vraag welk uurtarief [partij B] aan [partij A] moet betalen.
Bij de uitleg van een (mondelinge) overeenkomst en de vraag of deze een leemte laat die moet worden aangevuld, komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de door hen gebezigde bewoordingen mochten toekennen en op wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (‘de Haviltex-maatstaf’). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan acht worden geslagen op het feitelijk handelen van partijen, ook op gedragingen na het sluiten van de overeenkomst.
[partij A] stelt dat [partij B] op grond van de detacheringsovereenkomst een uurtarief van € 47,50 moet betalen voor het aantal uren dat [naam 1] heeft gewerkt. Volgens de hoofdregel van bewijslastverdeling moet [partij A] feiten en omstandigheden stellen – en bij gemotiveerde betwisting door [partij B] bewijzen – die tot het oordeel (kunnen) leiden dat partijen bedoelden dit uurtarief overeen te komen (artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv). De rechter komt niet aan bewijslevering toe als [partij A] niet heeft voldaan aan haar stelplicht of als gestelde feiten al vaststaan (artikel 149 Rv).
Partijen zijn de detacheringsovereenkomst mondeling aangegaan. Bij de mondelinge behandeling hebben zij gezegd dat zij destijds niet (rechtstreeks) hebben gesproken over een uurtarief. [partij B] heeft verwezen naar een aantal e-mails met daarin een verwijzing naar de kostprijsberekening van [naam 1], die een derde heeft gemaakt met betrekking tot [naam 1]. [partij B] heeft bij de mondelinge behandeling gezegd dat het nettosalaris van [naam 1] bij [partij A] € 1.800,– exclusief werkgeverslasten bedraagt. Dit komt volgens [partij B] neer op een kostprijs van € 23,83 per uur.
[partij A] heeft (de inhoud van) de e-mails van [partij B] niet weersproken. Ter zitting heeft [partij A] aangevoerd dat [naam 1] tussen de 50 en 60 jaar oud was en ruim 30 jaar ervaring had als timmerman. Daarmee zou hij conform de cao Bouwend Nederland worden ingeschaald op niveau vier.
[partij B] betwist dit. [naam 1] heeft weliswaar veel werkervaring en zou op basis daarvan hoger moeten worden ingeschaald dan € 1.800,– netto, maar hij heeft geen werkzaamheden verricht van dit niveau. Volgens [partij B] kon [naam 1] niet samenwerken en leverde hij geen goed werk af.
[partij A] heeft ter zitting aangevoerd dat zij beschikt over de loonstrookjes van [naam 1] en dat zij in april 2024 een salaris van € 794,80 per week aan deze werknemer heeft betaald.
Tot bewijslevering komt het niet, want [partij A] heeft de stelling van [partij B] dat [naam 1] niet goed functioneerde niet weersproken, zodat de kantonrechter als onweersproken aanneemt dat [naam 1] niet goed althans niet op zijn niveau functioneerde. De kantonrechter oordeelt dat [partij B] voldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij op grond van de detacheringsovereenkomst een uurtarief van € 47,50 moet betalen.
De conclusie
De kantonrechter oordeelt dat [partij A] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld en onderbouwd dat [partij B] op grond van de detacheringsovereenkomst het door haar gestelde uurtarief moet betalen. Dit betekent dat de vordering tot nakoming niet kan worden toegewezen.
[partij A] heeft geen andere rechtsgronden aan haar vordering ten grondslag gelegd en op grond van de vaststaande feiten is ook geen andere rechtsgrond vast te stellen. Daarom zal de kantonrechter de vorderingen van [partij A] afwijzen.
[partij A] moet de proceskosten betalen
[partij A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij B] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
678,–
(2 punten × € 339,–)
- nakosten
€
135,–
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
813,–
in reconventie
[partij A] moet € 2.710,98 betalen
[partij B] voert aan dat [partij A] op grond van de detacheringsovereenkomst recht had op betaling van € 8.765,63 inclusief btw (304 uren x het uurtarief van € 23,83). [partij B] heeft € 11.476,61 inclusief btw betaald, zodat het verschil van € 2.710,98 (€ 11.476,61 - € 8.765,63) als onverschuldigd dient te worden (terug)betaald door [partij A] (artikel 6:203 BW).
De kantonrechter overweegt dat [partij B] bij de mondelinge behandeling heeft gesteld dat [naam 1] niet naar behoren functioneerde en dat een salaris conform de cao Bouwend Nederland voor niveau vier in dit geval niet passend is. [partij A] heeft de stellingen van [partij B] niet weersproken, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan (zie ook hiervoor onder 5.7). [partij B] heeft daarmee voldoende gesteld en onderbouwd dat zij onverschuldigd heeft betaald aan [partij A]. De kantonrechter zal dit deel van de vordering daarom toewijzen.
De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
[partij B] vordert betaling van € 479,28 aan buitengerechtelijke incassokosten door [partij A]. De kantonrechter wijst dit deel van de vordering af, omdat [partij B] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht waarvoor de gestelde kosten zijn gemaakt. De brief van 8 mei 2025 (zie 3.8) omvat enkel het doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel. De kosten waarvan [partij B] vergoeding vordert, zijn dan ook kosten die onder de proceskostenveroordeling vallen.
De wettelijke rente wordt afgewezen
[partij B] vordert betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van volledige betaling. De kantonrechter begrijpt dat [partij B] de wettelijke rente vordert over het bedrag dat [partij A] als onverschuldigd dient (terug) te betalen.
De kantonrechter overweegt en oordeelt als volgt. Voorop staat dat [partij A] de wettelijke rente verschuldigd is indien zij in verzuim is met haar terugbetalingsverplichting (artikel 6:119 lid 1 BW). Daarvoor gelden de gewone regels van verzuim (artikel 6:81 – 6:83 BW), zodat voor het intreden van verzuim een ingebrekestelling is vereist, tenzij [partij A] als ontvanger te kwader trouw was (artikel 6:205 BW). Dat laatste is niet het geval. Verder heeft [partij B] niet althans onvoldoende gesteld en onderbouwd dat zij een ingebrekestelling heeft gestuurd aan [partij A]. Voor zover [partij B] bedoelt dat de brief van 8 mei 2025 moet worden aangemerkt als een ingebrekestelling, gaat de kantonrechter aan deze stelling voorbij. Deze brief behelst geen ingebrekestelling omdat daarin geen aanmaning staat en ook geen redelijke termijn waarbinnen moet worden gepresteerd.
Voor zover [partij B] bedoelt de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten te vorderen, gaat de kantonrechter aan deze stelling voorbij omdat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
[partij A] moet de proceskosten betalen
[partij A] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [partij B] worden begroot op:
- - salaris gemachtigde
€
238,–
(2 punten × factor 0,5 × € 238,–)
Totaal
€
238,–
6. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
wijst de vorderingen van [partij A] af;
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 813,–, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis;
in reconventie
veroordeelt [partij A] tot betaling van € 2.710,98 aan [partij B];
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 238,–, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis;
wijst het meer of anders gevorderde af;
in conventie en in reconventie
veroordeelt [partij A] tot betaling van de kosten van betekening aan [partij B] als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2, 6.3, 6.4 en 6.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.