ECLI:NL:RBOVE:2026:5619

ECLI:NL:RBOVE:2026:5619

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 21-09-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer 08.343570.25 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. De verdachte is schuldig bevonden aan opzetaanranding.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.343570.25 (P)

Datum vonnis: 21 september 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1958 in [geboorteplaats],

wonende aan de [woonplaats].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 september 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. Ph.J.N. Aarnoudse, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

waardoor die [slachtoffer] (telkens) in een weerloze en/of afhankelijke toestand werd gebracht waardoor zij niet of onvolkomen in staat was weerstand te bieden;

De verdenking komt er, na wijziging van de dagvaarding van 7 september 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: tussen 1 april 2024 tot en met 30 juni 2024 te [plaats 1] zich schuldig heeft gemaakt aan aanranding dan wel ontuchtige handelingen heeft gepleegd met iemand die niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken;

feit 2: tussen 1 juli 2024 tot en met 19 februari 2025 te [plaats 1] zich schuldig heeft gemaakt aan opzet- of schuldaanranding.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2024 tot en met 30 juni 2024 te [plaats 1], althans in Nederland, [slachtoffer] door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of met één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het kussen/zoenen op de mond van die [slachtoffer] en/of het betasten van de borst(en) van die [slachtoffer] en/of het tonen van zijn geslachtsdeel aan die [slachtoffer] waarbij dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden en/of de bedreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkheden er in hebben bestaan dat verdachte

- misbruik heeft gemaakt van de geestelijke gesteldheid en/of verstandelijke handicap van die [slachtoffer] en/of

- misbruik heeft gemaakt van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend (psychisch) overwicht van hem, verdachte op die [slachtoffer], te weten het aanzienlijke verschil in ontwikkelingsniveau en/of het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hem, verdachte en die [slachtoffer] en/of

- misbruik heeft gemaakt van het feit dat die [slachtoffer] door haar ouder(s) naar verdachte werd gebracht en niet in staat was om zich zelfstandig te verplaatsen,

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2024 tot en met 30 juni 2024 te [plaats 1], althans in Nederland, [slachtoffer] van wie hij, verdachte, wist dat zij aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het kussen/zoenen op de mond van die [slachtoffer] en/of het betasten van de borst(en) van die [slachtoffer] en/of het tonen van zijn geslachtsdeel aan die [slachtoffer];

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 19 februari 2025 te [plaats 1], althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer], een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het kussen/zoenen op de mond van die [slachtoffer] en/of het betasten van de borst(en) van die [slachtoffer] en/of het tonen van zijn geslachtsdeel aan die [slachtoffer], terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

3. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde in primaire vorm.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde ontbreekt volgens de raadsman het bewijs dat de ten laste gelegde feitelijkheden dwang opleveren. Met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde staat niet vast dat [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) ondanks haar beperking niet of onvoldoende in staat was om haar wil ten aanzien de ten laste gelegde handelingen te bepalen, aldus de raadsman.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde kan volgens de raadsman niet worden vastgesteld dat verdachte wist dan wel had moeten weten dat de wil van het slachtoffer ten aanzien van de ten laste gelegde handelingen ontbrak.

Tot slot heeft de raadsman bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde kussen op de mond van [slachtoffer], nu deze handeling geen seksuele strekking heeft gehad.

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komen de volgende feiten en omstandigheden naar voren.

Verdachte verblijft op een langdurige zorgafdeling van het verzorgingstehuis van [locatie 1] te [plaats 1]. Hij verblijft hier vanwege niet aangeboren hersenletsel vanwege een vroeggeboorte. Hierdoor is verdachte fysiek beperkt. Hij heeft een holle en scheve rug en verplaatst zich in een rolstoel. Verdachte kan zijn armen en handen bewegen. Via Facebook is verdachte in contact gekomen met de moeder van [slachtoffer]. Hieruit is volgens verdachte over een periode van ruim anderhalf jaar tot twee jaren een vriendschap ontstaan tussen verdachte en de moeder van [slachtoffer] en tussen verdachte en [slachtoffer]. Verdachte bezocht regelmatig de woning van de moeder van [slachtoffer].

[slachtoffer] was ten tijde van de ten laste gelegde feiten een zeventien/achttienjarige vrouw, functionerend op het niveau van een anderhalf- tot vierjarige. [slachtoffer] is volgens een oud-begeleider vrijwel niet in staat om zelf keuzes te maken. [slachtoffer] verbleef wisselend in een zorginstelling van [locatie 2] te [plaats 2] of bij haar moeder in [plaats 1]. [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), manager bij [locatie 2], heeft verklaard dat [slachtoffer] in een optimale situatie een IQ van 54 heeft. Daarnaast heeft [getuige 1] verklaard dat [slachtoffer] seksueel getinte toenadering zoekt. Dit uit zich door het wiebelen van haar bibs wanneer zij op schoot zit, het grijpen in het kruis van mannelijke begeleiders en het liggen tussen de borsten van vrouwelijke medewerkers. Wanneer [slachtoffer] stress ervaart, heeft dit volgens [getuige 1] ook invloed op haar gedrag. [slachtoffer] kan dan met haar hoofd bonken, deuren intrappen en om haar heen slaan. Ook verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] hem soms uit het niets kon slaan.

Door [getuige 1] is verklaard dat [slachtoffer] op tweede kerstdag naar haar moeder, stiefvader en zusje ging om kerst te vieren. Nadat er signalen binnen kwamen dat het niet goed ging met [slachtoffer], is zij op 19 februari 2025 opgehaald door medewerkers van [locatie 2]. De medewerkers zagen dat [slachtoffer] vervuild, overstuur, aan het huilen en angstig was. Hierna is door [getuige 1] een melding gemaakt bij de zedenrecherche en heeft zij namens [slachtoffer] aangifte gedaan van seksueel misbruik.

Door [naam] (hierna: [naam]), orthopedagoog en werkzaam bij het Meldteam Seksueel Misbruik van [locatie 2], is een taxatiegesprek gevoerd met [slachtoffer]. Daarin is onder meer door [slachtoffer] gezegd ‘met [verdachte] niet goed’, ‘ik niet leuk’ en ‘hij wilde broek uit doen, helemaal bloot’.

Door [getuige 2] en [getuige 3], twee medewerkers van [locatie 1], is gezien dat verdachte en [slachtoffer] elkaar knuffelden en elkaar meerdere keren op de mond kusten.

Verdachte heeft gedurende het politieverhoor van 23 september 2025 verklaard dat hij in de keuken van de woning van de moeder van [slachtoffer] één keer zijn geslachtsdeel heeft laten zien aan [slachtoffer], nadat zij hier om had gevraagd. Hierna deed [slachtoffer] volgens verdachte haar trui en bh omhoog en liet zij haar borsten zien. Hierna heeft verdachte de borsten van [slachtoffer] aangeraakt. Ter terechtzitting van 7 september 2026 heeft verdachte verklaard dat voorgaande zich twee keer heeft afgespeeld. Naar eigen zeggen stuurde [slachtoffer] haar moeder en anderen in de woning naar boven. Verdachte en [slachtoffer] bevonden zich dan in de keuken, omdat verdachte daar mocht roken. Op eigen initiatief trok [slachtoffer] vervolgens haar trui omhoog, toonde zij haar borsten en raakte verdachte deze aan. Hierna vroeg [slachtoffer] aan verdachte of hij zijn broek los wilde doen, omdat zij het geslachtsdeel van verdachte wilde zien. Verdachte heeft verklaard dat hij voldeed aan de verzoeken van [slachtoffer], omdat hij anders bang was om door haar te worden geslagen.

Ook heeft verdachte bekend dat hij en [slachtoffer] elkaar twee keer op de mond hebben gekust. Verdachte heeft hierover verklaard dat [slachtoffer] vaak een knuffel wilde. Soms wilde zij dan ook een kus van verdachte. Verdachte probeerde naar eigen zeggen zoveel mogelijk een kus op de mond af te houden.

Overwegingen en oordeel

Partiële vrijspraak kus op de mond als ontuchtige/seksuele handeling

Aan verdachte is onder meer ten laste gelegde dat hij een ontuchtige (onder feit 1) dan wel seksuele (onder feit 2) handeling heeft verricht door het geven van een kus op de mond van [slachtoffer]. Voor de bewezenverklaring van een dergelijke handeling is vereist dat de handeling een ontuchtig of seksueel karakter heeft gehad. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het enkel geven van kus op de mond op zichzelf onvoldoende is om daaruit een ontuchtige of seksuele strekking af te leiden. Niet iedere lichamelijk aanraking tussen personen kan zonder meer als ontuchtige/seksuele handeling worden aangemerkt. Voor een bewezenverklaring is vereist dat uit vaststaande feiten en omstandigheden voldoende duidelijk is dat de handeling van verdachte in het licht van de context waarin zij plaatsvinden een ontuchtig of seksueel karakter heeft gehad.

In het licht van voorgaande overweegt de rechtbank dat verdachte heeft verklaard dat een kus op de mond tweemaal heeft plaatsgevonden, maar dat hij daar niet het initiatief toe nam en dat hij met de kus geen enkele seksuele bedoeling heeft gehad. Ook de twee getuigen die de kussen op de mond tussen verdachte en [slachtoffer] hebben gezien, hebben niks verklaard of nader gespecificeerd over de omstandigheden waaronder de kussen hebben plaatsgevonden. Gelet hierop, kan de rechtbank niet zonder enige twijfel vaststellen dat de ten laste gelegde kus op de mond een ontuchtige dan wel seksuele strekking heeft gehad. De rechtbank spreekt de verdachte dan ook partieel vrij ten aanzien van deze ten laste gelegde handeling.

Vrijspraak feit 1

Verdachte heeft verklaard dat hij niet meer precies weet wanneer de hiervoor genoemde handelingen, te weten het aanraken van de borsten van [slachtoffer] en het tonen van zijn geslachtsdeel, hebben plaatsgevonden. Wel weet hij dat tussen beide keren niet meer dan twee weken heeft gezeten. Ook heeft verdachte aangegeven dat de vriendschap met de moeder van [slachtoffer] kort na deze incidenten werd verbroken.

[getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] tussen 26 december 2024 en 19 februari 2025 verbleef bij haar moeder. Ook bevinden zich in het dossier WhatsAppgesprekken tussen verdachte en de moeder van [slachtoffer]. Uit deze gesprekken valt op te maken dat eind februari 2025 en begin maart 2025 het contact tussen verdachte en de moeder van [slachtoffer] is verbroken. Zo stuurt verdachte op 23 februari 2025 ‘Ik wil en kan jullie niet missen! Eerlijker kan ik het niet maken’ en op 8 maart 2025 ‘Lieve [getuige 1] (…) vertel eens in jouw eigen woorden waarom jij geen contact meer met mij wil hebben’.

Gelet op de verklaringen van verdachte en [getuige 1] in combinatie met de door verdachte aan moeder van [slachtoffer] gestuurde WhatsApp gesprekken oordeelt de rechtbank dat de aan verdachte ten laste gelegde handelingen niet in de periode van 1 april 2024 tot en met 30 juni 2024 hebben plaatsgevonden, maar daarna. Hierom zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken van feit 1.

Bewezenverklaring opzetaanranding (feit2)

Verdachte wordt verweten dat hij seksuele handelingen heeft verricht, bestaande uit het betasten van de borsten van die [slachtoffer] en/of het tonen van zijn geslachtsdeel aan [slachtoffer]. Hiervoor is al vastgesteld dat verdachte de borsten van [slachtoffer] heeft betast en zijn geslachtsdeel aan haar heeft getoond. Deze handelingen zijn naar hun aard en onder de naar voren gebrachte omstandigheden zonder meer te kwalificeren als gedragingen met een seksuele strekking.

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte wist (opzetaanranding) dan wel ernstige reden had te vermoeden (schuldaanranding) dat bij [slachtoffer] de wil tot het verrichten van die seksuele handelingen ontbrak.

Door de verdediging is onder meer aangevoerd dat de seksuele handelingen werden geïnitieerd door [slachtoffer] en dat wat verdachte heeft gedaan is gebaseerd op de wil van [slachtoffer], dan wel is gebaseerd op wederzijdse instemming. Ook is door de raadsman aangevoerd dat de verstandelijke beperking van [slachtoffer] niet betekent dat haar wil tot het verrichten van seksuele handelingen ontbreekt.

De rechtbank overweegt dat het ontbreken van de wil langs twee sporen kan worden vastgesteld. Allereerst is het ontbreken van die wil bewezen wanneer wordt vastgesteld dat die ander ten tijde van het seksueel contact die seksuele handelingen niet op prijs heeft gesteld en dat op enigerlei wijze (non-)verbaal tot uiting heeft gebracht. Het tweede bewijsspoor ziet op uitzonderlijke gevallen waarin de ander ten tijde van de seksuele handelingen daarmee feitelijk instemt, maar die positieve wilsuiting niet in vrijheid tot stand is gekomen. Ten aanzien van dit tweede bewijsspoor is van opzet- of schuldaanranding alleen sprake wanneer de dader ‘weet’ of ‘ernstige reden heeft om te vermoeden’ dat de uitzonderlijke situatie zich voordoet dat de ander niet of onvolkomen in staat is een wil te bepalen omtrent het seksueel contact en vervolgens toch met die ander seksueel contact heeft. Binnen de hiervoor genoemde twee sporen zijn in de wetsgeschiedenis meer specifiek vijf gevalstypen uitgelicht waarin dit aan de orde kan zijn.

Eén van de vijf gevalstypen zoals hiervoor bedoeld komt in beeld als seksuele handelingen plaatsvinden met een ander die in een staat verkeert waarin geen vrije positieve wilsuiting mogelijk is. Van de bedoelde staat is sprake als de ander in een positie verkeert van geestelijke of lichamelijke onmacht. Hierbij kan het zowel gaan om een in duur beperkte als om een langdurige staat van geestelijk of lichamelijk onvermogen. In de tweede categorie valt de aanwezigheid van een stoornis, handicap of aandoening als gevolg waarvan de ander niet of niet volledig in staat is tot wilsuiting omtrent seksueel contact. Elk onvermogen tot een vrije positieve wilsuiting bij de ander vereist dat wordt afgezien van seksueel contact, wat ook zijn uitwerking vindt in artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Van opzetaanranding is dan sprake bij het eenvoudigweg negeren van waargenomen signalen dat de ander niet volledig een wil kan bepalen met betrekking tot het seksuele contact.

Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat [slachtoffer] een zeer verstandelijk beperkt persoon is met een IQ van 54 in een optimale situatie, functionerend op het niveau van een twee- tot vierjarige, afhankelijk is van anderen en niet in staat is om zelf keuzes te maken. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] door haar ernstige verstandelijke beperking niet heeft kunnen begrijpen wat de door haar verrichte seksuele handelingen inhielden en daarover een vrije, weloverwogen wil heeft kunnen vormen. De enkele omstandigheid dat [slachtoffer] op het moment van de seksuele handelingen hiertoe het initiatief nam, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat zij de verstandelijke capaciteit had om op dat moment een vrije seksuele wil te vormen. Het nemen van initiatief en het vermogen om een vrije seksuele wil te bepalen, zijn namelijk niet hetzelfde. De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer] als gevolg van haar verstandelijke beperking niet in staat was haar wil te bepalen omtrent de zich afgespeelde seksuele handelingen met verdachte.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte wist dat bij aangeefster de wil tot het verrichten van de seksuele handelingen ontbrak. Uit de bewijsmiddelen, waaronder verdachte zijn eigen verklaring, volgt dat verdachte bekend was met de verstandelijke beperking van [slachtoffer]. Verdachte moet zich dan ook bewust zijn geweest van het feit dat [slachtoffer] door haar verstandelijke beperking niet in staat was om een vrije, weloverwogen wil te vormen ten aanzien van de verrichte seksuele handelingen. Daarmee is voldaan aan het voor artikel 241 Sr vereiste opzet. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte seksuele handelingen heeft verricht met [slachtoffer], terwijl hij wist dat bij haar daartoe de wil ontbrak. Het ten laste gelegde onder 2 kan daardoor worden bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 19 februari 2025 te [plaats 1], met een persoon, te weten [slachtoffer], seksuele handelingen heeft verricht, te weten het betasten van de borsten van die [slachtoffer] en het tonen van zijn geslachtsdeel aan die [slachtoffer], terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 241 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 2

het misdrijf: opzetaanranding.

5. De strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt. Verdachte werd gedwongen tot het verrichten van de seksuele handelingen, nu het initiatief daartoe vanuit [slachtoffer] kwam. In het geval verdachte weigerde, werd door [slachtoffer] fysiek geweld uitgeoefend tegen hem. Verdachte had vanwege zijn fysieke beperking niet de mogelijkheid om [slachtoffer] af te weren of om de woning zelfstandig te verlaten. De rechtbank heeft het verweer van de raadsman opgevat als een verweer inhoudende dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over het verweer van de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is van belang dat sprake moet zijn van een van buiten komende druk waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de rechtbank het aannemelijk acht dat bij verdachte een reële angst is ontstaan vanwege de dreiging met fysiek geweld door [slachtoffer], zijn de naar voren gebrachte feiten en omstandigheden - voor zover in de situatie van verdachte al kan worden gesproken over een dusdanige, van buiten komende druk tot het verrichten van seksuele handelingen - naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om daaruit af te leiden dat verdachte daar op geen enkele wijze redelijkerwijs weerstand aan had kunnen bieden en ook niet behoefde te bieden. Hierbij laat de rechtbank meewegen dat de seksuele handelingen op twee verschillende momenten zijn voorgevallen. De rechtbank is van oordeel dat de fysieke beperking van verdachte dat hij niet weg kon met zijn rolstoel niet direct hoeft te betekenen dat zijn enige uitweg het verrichten van seksuele handelingen was. Verdachte had op enig moment bijvoorbeeld moeder van [slachtoffer] kunnen roepen, hulpverleners van [locatie 1] op de hoogte kunnen stellen of besluiten niet meer met [slachtoffer] in een ruimte te gaan zitten. Dit alles heeft verdachte nagelaten.

Gelet op voorgaande, verwerpt de rechtbank het beroep van de raadsman. Er zijn geen overige feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden gekoppeld aan een proeftijd van vijf jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de fysieke beperkingen van verdachte en aan te sluiten bij het advies zoals neergelegd in het rapport van de reclassering. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om de gevorderde proeftijd te beperken tot een kortere duur.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met iemand die door haar verstandelijke beperking niet in staat was haar wil daaromtrent te bepalen. Verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer, terwijl het slachtoffer zich in een kwetsbare positie bevond. Dat tussen verdachte en het slachtoffer sprake was van een langdurige vriendschappelijke relatie en het slachtoffer mogelijk ook zelf seksuele toenadering zocht, maakt dit niet anders. Juist in deze gevallen dient een dergelijk persoon vanwege zijn of haar verstandelijke beperking extra te worden beschermd. Op verdachte rust in een dergelijke situatie de verantwoordelijkheid om de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer te respecteren, ook op de momenten wanneer hij of zij seksueel gedrag initieert. Verdachte heeft deze verantwoordelijkheid miskend. De rechtbank neemt dit de verdachte kwalijk.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 31 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 10 augustus 2026. Uit het advies volgt dat verdachte een first offender is en geen sprake is van een delictpatroon. De reclassering ziet de belangrijkste delictgerelateerde factoren in het psychosociaal functioneren van verdachte, waaronder zijn verstandelijke beperking, beïnvloedbaarheid, relationele kwetsbaarheid, eenzaamheid en beperkte oplossende vaardigheden. Bij verdachte is sprake van beperkte copingvaardigheden waardoor hij moeite heeft met het zelfstandig beoordelen van situaties, het stellen van grenzen en het adequaat reageren. Volgens de reclassering is het mogelijk dat verdachte vanuit een behoefte aan nabijheid en verbondenheid risico’s neemt zonder de consequenties daarvan te overzien. Deze kwetsbaarheid heeft mogelijk een rol gespeeld in het contact met het slachtoffer en haar gezin, waarbij hij is overgegaan tot grensoverschrijdend gedrag. Het sociale netwerk en middelgebruik worden door de reclassering dan ook gezien als delictgerelateerde risicofactoren. De reclassering ziet geen aanwijzing voor bijkomende psychiatrische problematiek of problematiek in de seksualiteitsbeleving.

Verdachte is al jaren ingebed in een stabiele woon- en zorgsetting. Er is sprake van een Wet Langdurige Zorg-indicatie, waarbij verdachte intensieve begeleiding en zorg ontvangt. Ook staat verdachte onder bewind. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Gelet op dit lage ingeschatte recidiverisico, het ontbreken van een delictpatroon of eerdere justitiële contacten en de al aanwezig ondersteuning vanuit de zorg en bewindvoering, ziet de reclassering geen noodzaak tot het opleggen van bijzondere voorwaarden of gedragsinterventies. De reclassering adviseert om geen taakstraf op te leggen aan verdachte, nu verdachte niet in staat is een dergelijke straf uit te voeren vanwege zijn fysieke beperkingen. Het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf heeft volgens de reclassering de voorkeur. Een voorwaardelijke straf werkt als een ‘stok achter de deur’ en zal de stabiliteit op de verschillende leefgebieden van verdachte niet doorkruisen, aldus de reclassering.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op wat in vergelijkbare zaken wordt opgelegd.

Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank de oplegging van een (forse) taakstraf of een gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals naar voren komt uit de inhoud van het reclasseringsrapport en het verhandelde ter terechtzitting van 7 september 2026, reden om geen taakstraf op te leggen. De rechtbank ziet in diezelfde persoonlijke omstandigheden aanleiding om een geheel voorwaardelijke gevangenisstaf op te leggen. Vanwege het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie zal de rechtbank een lagere gevangenisstraf opleggen dan gevorderd, gekoppeld aan een kortere proeftijd.

Alles afwegende, acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, gekoppeld aan een proeftijd van drie jaren, passend en geboden.

7. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, en 14c Sr.

8. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 2

het misdrijf: opzetaanranding;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. L.J.C. Hangx en

mr. N.J.C. Monincx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. D. ten Boer
  • mr. L.J.C. Hangx
  • mr. N.J.C. Monincx

Griffier

  • mr. M.S. de Bruin

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand