ECLI:NL:RBOVE:2026:562

ECLI:NL:RBOVE:2026:562

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 05-02-2026
Zaaknummer 11817189 \ CV EXPL 25-2136
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Enschede

Samenvatting

Partij A heeft van partij B een kamer in een woning gehuurd. Twee andere kamers in de woning werden verhuurd aan derden. De door partij A gehuurde kamer was niet afsluitbaar van de rest van de woning. Gedurende de huurperiode zijn de laptop en oplader van partij A gestolen. Partij A vordert schadevergoeding van partij B voor de gestolen spullen. Partij B is het daar niet mee eens en vordert in reconventie dat partij A een huurachterstand betaalt en de schade vergoedt die is ontstaan toen hij de kamer heeft verlaten. Partij A verweert zich hiertegen. De kantonrechter wijst de vordering van partij A in conventie toe. De vorderingen van partij B in reconventie wijst hij af.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer: 11817189 \ CV EXPL 25-2136

Vonnis van 13 januari 2026

in de zaak van

[partij A] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [partij A] ,

gemachtigde: J.G. Hofstra (Lanco ehf),

tegen

[partij B] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [partij B] ,

procederend in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding;

de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;

het bericht van [partij B] van 2 september 2025 met aanvullende producties;

de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

de mondelinge behandeling van 17 december 2025, waarbij alleen de gemachtigde van [partij A] en [partij B] zijn verschenen, en

het bericht van de gemachtigde van [partij A] met aanvullende productie (de huurovereenkomst).

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De samenvatting

[partij A] heeft van [partij B] een kamer in een woning gehuurd. Twee andere kamers in de woning werden verhuurd aan derden. De door [partij A] gehuurde kamer was niet afsluitbaar van de rest van de woning. Gedurende de huurperiode zijn de laptop en oplader van [partij A] gestolen.

[partij A] vordert schadevergoeding van [partij B] voor de gestolen spullen. [partij B] is het daar niet mee eens en vordert in reconventie dat [partij A] een huurachterstand betaalt en de schade vergoedt die is ontstaan toen hij de kamer heeft verlaten. [partij A] verweert zich hiertegen.

De kantonrechter wijst de vordering van [partij A] in conventie toe. De vorderingen van [partij B] in reconventie wijst hij af.

3. De feiten

[partij A] heeft een kamer in een woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de kamer) gehuurd van [partij B] . De maandelijkse huur bedroeg € 600,– inclusief gas, water en elektra. De huurovereenkomst gold vanaf 7 april 2025 voor een bepaalde periode van aanvankelijk zeven maanden.

De kamer (op de afbeelding hieronder in het rood weergegeven) maakt deel uit van een woning. De andere ruimtes in de woning worden verhuurd aan derden. In de huurovereenkomst is opgenomen dat [partij A] een aantal voorzieningen (keuken, badkamer en het toilet) deelt. De woonkamer – op de plattegrond gelegen onder de kamer – is ook een gemeenschappelijke ruimte. De kamer is niet afsluitbaar van de andere (gedeelde) ruimtes. Tussen de woonkamer en de kamer hing een zeil.

[[afbeelding]]

Op 9 juni 2025 zijn de laptop en een oplader van [partij A] uit de kamer ontvreemd. [partij A] was toen op zijn werk.

Bij brief van 12 juni 2025 heeft [partij A] [partij B] aansprakelijk gesteld voor de schade bestaande uit de waarde van de gestolen spullen.

[partij A] heeft op 24 juni 2025 aangifte van diefstal gedaan bij de politie.

De huurovereenkomst is tussentijds beëindigd en [partij A] heeft de kamer eind juli 2025 verlaten.

4. Het geschil

in conventie

[partij A] vordert – samengevat en na vermindering van eis – veroordeling van [partij B] tot betaling van € 1.103,98, vermeerderd met rente en kosten.

[partij A] legt aan de vordering ten grondslag dat [partij B] als verhuurder is tekortgeschoten in zijn zorgplicht. De kamer was niet afsluitbaar en dat is een gebrek in de zin van artikel 7:204 Burgerlijk Wetboek (BW). [partij A] heeft [partij B] verschillende keren gevraagd de kamer afsluitbaar te maken, maar dat heeft hij niet gedaan. [partij B] heeft het gebrek dus niet hersteld en daardoor is schade ontstaan, bestaande uit de (waarde van de) gestolen spullen. Dat komt voor rekening en risico van [partij B] : hij moet die schade vergoeden.

[partij B] voert verweer. Hij is het er niet mee eens dat hij de schade moet vergoeden, omdat [partij A] wist dat de kamer niet afsluitbaar was. Bovendien was de kamer eigenlijk niet bestemd voor verhuur omdat er geen slot op de deur zat, maar [partij A] wilde het desondanks huren.

in reconventie

[partij B] vordert – samengevat – veroordeling van [partij A] tot betaling van een huurachterstand en schadevergoeding omdat hij de kamer na afloop van de huurovereenkomst met schade heeft achtergelaten. [partij B] heeft de totale schade geschat op een bedrag van € 4.000,–.

[partij A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] , met veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure. Volgens [partij A] heeft [partij B] de schade onvoldoende onderbouwd. Ook heeft [partij B] geen inventarislijst opgemaakt, zodat niet is vast te stellen wat de staat van de kamer en de woning was toen [partij A] de woning verliet.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [partij B] niet de eigenaar is van (de kamer in) de woning. [partij B] heeft ter zitting toegelicht dat de eigenaar hem heeft gemachtigd om namens hem op te treden als verhuurder. Hij staat daarom als verhuurder op de huurovereenkomst en hij heeft zich in die hoedanigheid aan [partij A] gepresenteerd. De kantonrechter oordeelt daarom dat [partij A] er vanuit mocht gaan dat [partij B] de verhuurder was.

in conventie

De kantonrechter constateert dat de kamer een onzelfstandige woonruimte is: een kamer in een woning met een aantal gedeelde voorzieningen. Tussen partijen is niet in discussie dat de kamer niet afsluitbaar is. Uit de plattegrond van de gehele woning (onder rechtsoverweging 3.2), die de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling op internet heeft opgezocht, aan beide partijen heeft getoond en met hen heeft besproken, blijkt dat de kamer die [partij A] huurde één ruimte vormt met de gemeenschappelijke woonkamer. Beide ruimtes zijn alleen met een zeil van elkaar afgesloten.

Dat de kamer niet afsluitbaar was, is een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW. Daarbij is aansluiting gezocht bij lid 7 van Categorie A bij het Besluit huurprijs woonruimte (Bhr). De niet-afsluitbaarheid van een op de gemeenschappelijke ruimte uitkomend vertrek van een onzelfstandige woonruimte wordt daarin gekwalificeerd als “een zeer ernstig gebrek aan en tekortkoming ten aanzien van de woonruimte”.

Op grond van artikel 7:206 lid 1 BW moest [partij B] dit gebrek als verhuurder herstellen. [partij A] heeft onweersproken gesteld dat hij [partij B] meerdere keren heeft gevraagd om de kamer afsluitbaar te maken. [partij B] heeft dat niet gedaan en daarmee is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting om het gebrek te herstellen.

Volgens artikel 7:208 BW is [partij B] als verhuurder verplicht om de schade van [partij A] te vergoeden die het gevolg is van het gebrek. Uit de stellingen van [partij B] zelf blijkt dat het gebrek bij aanvang van de huurovereenkomst al aanwezig was en dat hij het gebrek toen al kende. Dat [partij B] het gebrek niet heeft verholpen is aan hem te wijten. De niet-afsluitbaarheid van de kamer heeft de kans op diefstal vergroot, nu [partij A] de kamer niet kon afsluiten van de gemeenschappelijke ruimtes. Die kans op diefstal heeft zich ook verwezenlijkt en dat is een gevolg van het gebrek. [partij B] is daarom aansprakelijk voor de schade die als gevolg van het gebrek is ontstaan.

Het verweer van [partij B] dat [partij A] bij aanvang van de huurovereenkomst wist dat de kamer niet kon worden afgesloten gaat niet op, omdat overeenkomstig artikelen 7:209 jo. 7:242 BW niet ten nadele van [partij A] als huurder kan worden afgeweken van de gebrekenregeling en het recht op schadevergoeding als gevolg van een gebrek. [partij B] was immers op de hoogte van de aanwezigheid van het gebrek. Hij kan zich niet vrijpleiten van zijn plicht tot herstel van gebreken – en de schade die daar het gevolg van is – door [partij A] enkel te informeren over de aanwezigheid van het gebrek. Van [partij A] kan ook niet verwacht worden dat hij al zijn waardevolle spullen meeneemt naar – bijvoorbeeld – zijn werk: [partij A] moet erop kunnen vertrouwen dat hij zijn spullen veilig in de kamer kon achterlaten.

De conclusie luidt dat [partij B] de schade van [partij A] moet vergoeden. De schade bestaat uit (de waarde van) de gestolen laptop en de oplader, samen een bedrag van € 1.103,98. [partij B] heeft de omvang van deze schade niet (afzonderlijk) weersproken. Dat bedrag zal worden toegewezen.

Wettelijke rente

[partij A] vordert vergoeding van de wettelijke rente vanaf 9 juni 2025. [partij B] heeft daartegen geen (afzonderlijk) verweer gevoerd. De kantonrechter ziet met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente aanleiding om aan te sluiten bij de dag waarop de spullen zijn gestolen, zodat de wettelijke rente vanaf 9 juni 2025 zal worden toegewezen.

Proceskosten in conventie

[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

145,45

- griffierecht

226,00

- salaris gemachtigde

270,00

(2 punten × € 135,–)

- nakosten

67,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

708,95

De kantonrechter merkt hierbij op dat [partij A] zijn eis ter zitting heeft verminderd. Dat heeft tot gevolg dat er een lager griffierecht (€ 226,–) wordt toegewezen, zodat [partij A] een deel van het betaalde griffierecht (€ 257,–) voor eigen rekening dient te nemen. Het salaris gemachtigde is (eveneens) gebaseerd op de hoogte van het toegewezen bedrag (€ 1.103,98).

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

in reconventie

[partij B] heeft ter zitting erkend dat [partij A] alle huurpenningen heeft betaald, zodat geen sprake is van een huurachterstand. Daarom wordt die vordering afgewezen.

De vordering van [partij B] die ziet op door [partij A] veroorzaakte schade bij oplevering wordt ook afgewezen. [partij B] heeft deze vordering op geen enkele wijze onderbouwd. Hij heeft alleen foto’s ingebracht van de toestand waarin [partij A] de kamer volgens hem heeft achtergelaten, maar geen facturen, rekeningen of andere bewijsstukken over de (omvang van de) schade ingebracht. Bovendien is bij aanvang van de huurovereenkomst geen proces-verbaal van oplevering opgemaakt. Daarom veronderstelt de kantonrechter overeenkomstig artikel 7:224 lid 2 BW dat [partij A] de kamer in de staat heeft ontvangen zoals deze bij het einde van de huurovereenkomst was. Van een tekortkoming van [partij A] is dan ook geen sprake.

Proceskosten in reconventie

[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

135,50

(1 punt × factor 0,5 × € 271,–)

Totaal

135,50

6. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 1.103,98 tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 9 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 708,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen van [partij B] af,

veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 135,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en in reconventie

veroordeelt [partij B] tot betaling van de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis wat betreft de in 6.1, 6.2, 6.3 en 6.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?