ECLI:NL:RBOVE:2026:563

ECLI:NL:RBOVE:2026:563

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 06-01-2026
Datum publicatie 05-02-2026
Zaaknummer 11753549 \ CV EXPL 25-1806
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Enschede

Samenvatting

De rechtbank bepaalt dat partij B met uitsluiting van de betrokkene gerechtigd is tot het gebruik van de woning en dat de bewindvoerder het deel van de huurovereenkomst van betrokkene dient op te zeggen en de woning met het van betrokkene zijne zal dienen te verlaten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer: 11753549 \ CV EXPL 25-1806

Vonnis van 6 januari 2026

in de zaak van

[partij A] ,

in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [betrokkene],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

gemachtigde: mr. R.M. Hendriksen,

tegen

[partij B] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [partij B],

gemachtigde: mr. M.A. Knobben.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- nadere stukken van de zijde van de bewindvoerder, ontvangen op 10 november 2025;

- nadere stukken van de zijde van [partij B], ontvangen op 11 en 13 november 2025;

- de mondelinge behandeling van 12 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Tussen [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) en [partij B] heeft vanaf begin 2023 een affectieve relatie bestaan waarbij partijen samen hebben gewoond in het chalet op [locatie] in [plaats]. Uit hun relatie is dochter [naam] geboren op [geboortedatum] 2024 (hierna: [naam]). [betrokkene] en [partij B] hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [naam].

[betrokkene] en [partij B] hebben met ingang van 12 maart 2025 samen een woning gehuurd van De Woonplaats aan de [adres] (hierna: de woning). De huurprijs inclusief voorschot servicekosten bedroeg bij aanvang huur € 850,83 per maand.

Eind april 2025 is de affectieve relatie tussen [betrokkene] en [partij B] geëindigd. Samen met het wijkteam hebben [betrokkene] en [partij B] vanaf eind april 2025 onder meer afgesproken dat zij afwisselend in de woning zullen verblijven en daarbij zorgdragen voor [naam]: om de drie dagen vindt er een wisselmoment plaats om 15:00 uur. Verder is afgesproken dat de ouder die op dat moment in de woning is, zorgt voor de benodigde spullen voor de verzorging van [naam]. In verband met de epilepsie van [betrokkene] zal tijdens de nachten dat de vader bij [naam] is, ook een andere volwassene aanwezig zijn.

De bewindvoerder heeft met [partij B] gecommuniceerd over de bijdrage die [partij B] zal dienen te voldoen voor de woonlasten van de woning. In dat verband is door de bewindvoerder een bedrag van € 431,00 per maand berekend waarbij aan de zijde van [partij B] is uitgegaan van een geschat inkomen van € 900,00 netto per maand en een kindgebonden budget van € 135,00 per maand.

Door [partij B] is in oktober 2025 een kortgedingprocedure gestart waarbij [partij B] onder meer heeft gevorderd dat de kantonrechter bepaalt dat [partij B] met uitsluiting van [betrokkene] gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning en de zich daarin bevindende inboedel. Tijdens de mondelinge behandeling op 10 oktober 2025 hebben partijen een schikking opgenomen in een proces-verbaal welke schikking neerkomt op een herhaling van de afspraken zoals zij die reeds hadden gemaakt vanaf eind april 2025.

[partij B] is in verwachting van haar tweede kindje met een vader niet-zijnde [betrokkene]. Deze zwangerschap verloopt niet ongecompliceerd omdat sprake is van een placenta praevia. Er vinden veel gynaecologische controles plaats in het ziekenhuis. De uitgerekende datum is 15 februari 2026.

3. Het geschil

in conventie en in reconventie

Bewindvoerder vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat [betrokkene] met uitsluiting van [partij B], gerechtigd is tot het gebruik en de bewoning van de woning en de zich daarin bevindende inboedel, met bepaling dat [partij B] haar deel van de huurovereenkomst dient op te zeggen en met ingang van 1 juli 2025 de huur niet langer zal voortzetten en de woning zal verlaten.

[partij B] voert verweer. [partij B] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van bewindvoerder.

In reconventie vordert [partij B] – samengevat – dat de kantonrechter bepaalt dat [betrokkene] de huur van de woning met ingang van 1 september 2025 niet langer zal voorzetten en binnen een nader te bepalen termijn de woning dient te ontruimen en de sleutels aan haar ter beschikking zal stellen. Ook vordert [partij B] nog dat, indien [betrokkene] niet zelf de woning heeft ontruimd binnen de gestelde termijn, zij gemachtigd wordt de woning zelf op kosten van [betrokkene] te laten ontruimen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

Partijen vorderen ieder voor zich in conventie dan wel in reconventie, dat de woning waarvan zij beiden huurders zijn, aan hen afzonderlijk wordt toegewezen met uitsluiting van de ander als medehuurder. Beiden voeren daartoe argumenten aan op basis waarvan zij menen dat de belangenafweging in hun voordeel dient uit te vallen.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:267 lid 7 BW kunnen contractuele medehuurders een vordering indienen bij de kantonrechter om te bepalen dat de andere medehuurder de huur met ingang van een nader te bepalen tijdstip niet langer zal voortzetten. Daartoe dient de kantonrechter een afweging van alle belangen van partijen te maken.

De kantonrechter stelt voorop dat beide partijen gezamenlijk de huurovereenkomst zijn aangegaan en beiden dezelfde rechten en plichten hebben ten aanzien van de woning. Zij zijn ook gelijktijdig de woning gaan bewonen. [betrokkene] heeft onbetwist gesteld dat hij, met uitzondering van de wasmachine en de droger, de inboedelgoederen heeft gekocht voor de woning. Wie heeft zorggedragen voor de stoffering van de woning is door hen niet gesteld zodat de kantonrechter dit punt buiten de beoordeling zal laten. Uit de overgelegde financiële gegevens blijkt dat beiden de financiële lasten, al dan niet met het ontvangen van huurtoeslag, moeten kunnen dragen.

Van de zijde van [betrokkene] is een beroep gedaan op een e-mailbericht van [partij B] van 7 mei 2025 waarin [partij B] meedeelt aan de bewindvoerder dat zij op zoek is naar een andere woning omdat zij [betrokkene] het huis gunt. De kantonrechter is van oordeel dat deze mededeling niet kan meewegen in de belangenafweging. De situatie van [partij B] is ten opzichte van die periode gewijzigd omdat zij inmiddels een tweede kindje verwacht en ondanks haar zoektocht naar een andere woning, deze niet heeft gevonden.

De hiervoor genoemde mededeling kan wel meewegen bij de beoordeling van de vraag of [betrokkene] zich voldoende heeft ingespannen om andere woonruimte te vinden. [betrokkene] heeft daarover desgevraagd ook opgemerkt dat hij vanwege deze mededeling van [partij B] zelf pas vanaf de mondelinge behandeling in kort geding op 10 oktober 2025 is gaan zoeken naar andere woonruimte. De kantonrechter overweegt dat zij [betrokkene] kan volgen daar waar hij niet direct vanaf mei 2025 op zoek is gegaan naar andere woonruimte, maar in de loop van de tijd moet toch ook voor hem duidelijk zijn geworden dat [partij B] een tweede kindje verwacht en dat door haar nog geen andere woonruimte is gevonden. Uit de pleitnota in kort geding die van de zijde van [betrokkene] in het geding is gebracht, blijkt ook dat de rechtbank begin oktober 2025 de procedure die aanhangig is met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de zorg -en contactregeling van [naam] heeft aangehouden met vier maanden. [betrokkene] zal op z’n minst vanaf september 2025 bekend zijn met de omstandigheid dat [partij B] nog geen alternatieve woonruimte heeft gevonden, dat de situatie anders is dan op 7 mei 2025 en dat van hem ook verwacht mag worden op zoek te gaan. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling op 12 december 2025 weliswaar gezegd dat hij vanaf medio oktober 2025 heeft gezocht naar andere woonruimte, maar heeft dat, anders dan [partij B], niet met stukken onderbouwd.

De kantonrechter begrijpt dat [betrokkene] zich door de tweede zwangerschap van [partij B] voor ‘het blok gezet’ voelt, maar bij het afwegen van de wederzijdse belangen zal toch ook rekening gehouden moeten worden met de belangen van het ongeboren kind. Weliswaar zal de zwangerschap op enig moment voorbij zijn, maar dat betekent niet dat daarmee dezelfde situatie herleeft als van omstreeks mei 2025. [partij B] heeft immers een tweede kindje en ook met deze belangen dient rekening gehouden te worden. De kantonrechter acht het niet in het belang van dit nog ongeboren kindje dat de huidige regeling, als gekozen zou worden voor een tijdelijke regeling zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling, na de bevalling wordt voorgezet. Dit zou immers betekenen dat dit kindje met [partij B] om de drie dagen van woonplek zou moeten wisselen, als er door geen van beide partijen tegen die tijd andere woonruimte zou zijn gevonden. Daar komt bij dat uit de medische informatie blijkt dat de zwangerschap niet ongecompliceerd verloopt, veel controles vanuit de afdeling gynaecologie plaatsvinden en een eerdere bevalling goed denkbaar is, zodat [betrokkene] sowieso op korte termijn gedurende een aantal maanden niet in de woning kan blijven op basis van de huidige regeling. Het door [betrokkene] geopperde alternatief van een Ouder Kind Centrum acht de kantonrechter niet opportuun, ook gelet op het belang van [naam].

Tot slot weegt de kantonrechter mee dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de gebrouilleerde relatie tussen [betrokkene] en zijn ouders inmiddels is hersteld en slechts drie nachten sprake is geweest van overnachten bij het Leger des Heils. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat [betrokkene] (en zijn ouders) de voorkeur geven aan een eigen woonruimte, zal [betrokkene] als de woning aan [partij B] wordt toegewezen, niet op straat komen te staan. De woonsituatie van [partij B] is wat lastiger nu ook de vader van het ongeboren kind geen zelfstandige woonruimte heeft en afwisselend bij zijn vader en moeder overnacht. De kantonrechter acht het niet in het belang van ongeboren kind dat zij ook op nog meer wisselende plaatsen de nachten zou moeten doorbrengen.

[betrokkene] heeft nog benoemd dat partijen over en weer meldingen hebben gedaan bij Veilig Thuis Twente waarbij hij gemeld heeft dat van de zijde van [partij B] sprake is van verwaarlozing van [naam]. De kantonrechter is van oordeel dat zij zich daarover in het kader van deze procedure geen oordeel kan vormen. Wel merkt dat de kantonrechter nogmaals op dat ervan uit mag worden gegaan dat partijen volwassen genoeg zijn om [naam] niet de dupe te laten worden van het mislukken van hun relatie.

Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter dan ook tot de conclusie dat belangafweging iets meer doorslaat aan de zijde van [partij B] en dat [partij B] de huur van de woning kan voortzetten, met uitsluiting van [betrokkene]. De kantonrechter heeft daarbij ook oog gehad voor het belang van [betrokkene] om in het kader van een omgangsregeling met [naam] over eigen woonruimte te beschikken, maar dat belang geldt evenzeer als geoordeeld zou zijn dat [partij B] de woning zou dienen te verlaten.

Partijen dienen ten aanzien van het gebruik van de inboedel afspraken te maken aangezien onbetwist is gesteld dat [betrokkene] de inboedelgoederen heeft aangeschaft, met uitzondering van de wasmachine en wasdroger. De kantonrechter kan zich voorstellen dat, als [betrokkene] nog geen andere woonruimte heeft op het moment waarop hij de woning dient te verlaten, de waarde van de inboedelgoederen wordt bepaald en [partij B] [betrokkene] daarvoor een vergoeding betaalt. Uiteraard zijn partijen vrij een andere regeling te treffen ten aanzien van de verdeling van de inboedelgoederen.

De bewindvoerder van) [betrokkene] zal een termijn van 14 dagen na datum vonniswijziging worden gegeven om de woning te ontruimen met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.10 is overwogen. Indien niet binnen de genoemde termijn tot ontruiming is overgegaan, kan [partij B] de ontruiming met behulp van een deurwaarder op kosten van (de bewindvoerder van) [betrokkene] bewerkstelligen.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie en in reconventie

bepaalt dat [partij B] met uitsluiting van [betrokkene] gerechtigd is tot het gebruik en de bewoning van de woning en dat de bewindvoerder het deel van de huurovereenkomst van [betrokkene] dient op te zeggen met ingang van 21 januari 2026 en de woning met het van [betrokkene] zijne zal dienen te verlaten per genoemde datum.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van het in 5.1. bepaalde,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?