RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.093207.24 (P)
Datum vonnis: 22 september 2026
Vonnis op tegenspraak (artikel 279 van Wetboek van Strafvordering (Sv)) in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [woonplaats] ,
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
8 september 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de gemachtigd raadsman mr. R. Oude Breuil, advocaat in Hengelo, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 8 september 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 26 augustus 2020 tot en met 9 september 2022 samen met een ander, althans alleen, een bedrag van € 114,675,50 heeft witgewassen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 augustus 2020 tot en met 09 september 2022 te [plaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) één of meer geldbedrag(en) (totaal 114,675,50 euro), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van één of meer geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die één of meer geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het tenlastegelegde.
Het oordeel van de rechtbank
De feiten en omstandigheden
Verdachte is de partner van medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). [slachtoffer] heeft in de periode van 26 augustus 2020 tot en met 9 september 2022 in totaal 186 keer geld overgemaakt naar rekeningen die te relateren zijn aan medeverdachte [medeverdachte] , dat wil zeggen rekeningen van haar kinderen, haarzelf en in een enkel geval van verdachte. Het gaat om een totaalbedrag van € 114.925,50. Op een bedrag van zo’n € 10.000,- na, zijn alle betalingen onmiddellijk na overboeking doorgeboekt naar de rekening van verdachte. Vervolgens zijn de geldbedragen contant opgenomen van zijn rekening.
De verklaring van verdachte
Verdachte heeft op 19 december 2023 bij de politie een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij wist dat [slachtoffer] geld overmaakte naar rekeningen van zijn partner of van de kinderen. Het geld werd vervolgens door de medeverdachte [medeverdachte] overgemaakt naar de rekening van verdachte. Verdachte haalde het geld van zijn rekening. Hij was blij met het geld. Ze hebben er goed van geleefd.
Overwegingen
Aan verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen.
Ter beantwoording van de vraag of verdachte het tenlastegelegde witwassen heeft begaan dient onder meer vastgesteld te worden dat de betreffende geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de geldbedragen uit het gronddelict oplichting of verduistering zijn verkregen en heeft de medeverdachte [medeverdachte] daarvan vrijgesproken. Evenmin is uit het dossier af te leiden dat de geldbedragen uit enig ander misdrijf afkomstig waren. De rechtbank zal verdachte daarom eveneens vrijspreken van het tenlastegelegde.
4. De schade van benadeelde
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich namens haar vader [naam] en haar mede-erfgenaam (zuster) als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 117.695,99, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- geleende bedragen € 114.300,--
- reiskosten € 702,--
- aanschaf nieuwe telefoon € 193,99.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 2.500,-- gevorderd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
5. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] , (feit 1): in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. P.J. Beker, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
Mr. Wentink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.