RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.186867-21 (P)
Datum vonnis: 22 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats],
wonende aan [woonplaats].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
8 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. D.A.J. Spierings, advocaat in Apeldoorn, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en bondig weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 27 augustus 2017 tot en met 5 augustus 2018 in [plaats 1] en/of [plaats 2], althans in Nederland, samen met anderen of alleen geldbedragen/(virtuele) valuta heeft verduisterd;
feit 2: zich in de periode van 27 augustus 2017 tot en met 5 augustus 2018 in [plaats 2], althans in Nederland, samen met anderen of alleen schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van (virtuele) valuta.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 augustus 2017 tot en met 5 augustus 2018 te [plaats 1] en/of [plaats 2], althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk een of meer andere geldbedragen te weten geldbedragen ten behoeve van een investering in virtuele valuta en/of enige hoeveelheid bitcoin en/of litecoin en/of electra en/of x8 en/of eco althans een of meer virtuele valuta (met een minimale totaalwaarde van € 125.493,34) middels de website coinhouse.eu, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of een of meer anderen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als beheerder van de virtuele valuta van voornoemde perso(o)n(en), (telkens) wederrechtelijk zich hebben/heeft toegeëigend;
feit 2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 augustus 2017 tot en met 5 augustus 2018 te [plaats 2], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans een maal (telkens) van een voorwerp te weten:
enige hoeveelheid bitcoin en/of litecoin en/of electra en/of x8 en/of eco althans een of meer virtuele valuta (welke omgerekend een minimale totaalwaarde vertegenwoordigen van € 56.406,99), althans enig bedrag, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op deze virtuele valuta/voorwerpen was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie deze virtuele valuta/voorwerpen voorhanden had en/of deze virtuele valuta/voorwerpen heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad, en/of heeft/hebben overgedragen en/of omgezet en/of van deze virtuele valuta/voorwerpen gebruik heeft/hebben gemaakt (zaaksdossier 1) terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) althans moesten vermoeden dat die voorwerp(en) en/of dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig/eigen misdrijf.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het onder feit 2 ten laste gelegde medeplegen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat verdachte van zowel het onder feit 1 als feit 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Het subsidiaire standpunt van de verdediging is dat het onder feit 1 ten laste gelegde slechts voor een kortere periode en een aanzienlijk lager bedrag kan worden bewezen.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1: Verduistering (Coinhouse.eu)
Inleidende overwegingen: een cryptohandelsplaats
Een cryptovalutahandelsplaats maakt het mogelijk dat klanten hun cryptovaluta kunnen storten, kunnen verhandelen voor andere cryptovaluta en weer kunnen opnemen. De handelsplaats moet een wallet hebben voor de cryptovaluta die zij ondersteunt. Een wallet bevat de toegangscodes (private keys) tot het beheer van één of meerdere coin-adressen. In het geval van een custodial wallet, kunnen klanten van de handelsplaats hun cryptovaluta overmaken naar een adres van de wallet van de handelsplaats. Iedere transactie gaat gepaard met een transaction fee, een vergoeding voor het uitvoeren van een transactie op een blockchain-netwerk. Nadat de transacties voldoende bevestigingen op de blockchain (database) hebben, weet de handelsplaats dat de tegoeden definitief in haar handen zijn gekomen. In de database van de handelsplaats wordt vervolgens een saldo opgenomen bij de stortende klant. De klant krijgt dan een vordering op de handelsplaats ter hoogte van de gestorte tegoeden. De handelsplaats heeft de cryptovaluta hiermee in eigen beheer gekregen en kan deze naar haar eigen inzicht gebruiken, bijvoorbeeld om andere gebruikers uit te betalen. De klant kan met het saldo dat uit de database blijkt handelen. De transacties worden alleen in de database van de handelsplaats verwerkt, door bij de koper en de verkoper het saldo van de ene cryptovaluta te verminderen en van de andere cryptovaluta te verhogen. Er vinden dus geen cryptovalutatransacties op de blockchain plaats. Indien een klant besluit om het saldo op te nemen, wordt dit op de website van de handelsplaats aangegeven. De handelsplaats vermindert vervolgens het saldo van de klant in de database en stuurt de cryptovaluta op de blockchain naar het opgegeven adres van de klant.
Bewijs
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde ‘medeplegen van verduistering’ op grond van de hierna genoemde bewijsmiddelen.
Medeverdachte [medeverdachte] (hierna [medeverdachte]) en verdachte hebben samen cryptovalutahandelsplaats Coinhouse.eu opgezet. Zij communiceerden onder andere via Skype over het cryptobedrijf. [medeverdachte] heeft verklaard dat “[accountnaam 1]” zijn Skype-account betreft en dat de accounts “[accountnaam 2]” en “[accountnaam 3]” van verdachte zijn. Uit Skype-gesprekken tussen [medeverdachte] en verdachte volgt dat zij op enig moment Coinhouse.eu wilden platgooien. Zo stuurde [medeverdachte] op 3 april 2018 naar verdachte: “Zullen we Coinhouse nog tot het einde van de maand geven? Is het dan nog ruk trekken we de stekker eruit”. Uit datzelfde chatgesprek blijkt dat Coinhouse op dat moment 30.000 klanten had en dat er in ieder geval 16 Bitcoins, 144 Litecoins, 16 Bitcoins aan ECA en 20 Bitcoins aan X8 aan klanttegoeden bij Coinhouse in beheer waren. Op 4 april 2018 blijkt dat het handelsvolume laag was. [medeverdachte] stuurde op 5 april 2018: “Als we Coinhouse platgooien, kunnen ze ons dan vinden eventueel?”, waarop verdachte een paar uur later reageerde: “Zullen we hem straks platgooien? Dan moeten we van tevoren de wallets leeghalen.” Hierop antwoordde [medeverdachte]: “Gewoon die withdrawals stilleggen.” De wallets van de klanten van Coinhouse.eu werden op 5 april 2021 daadwerkelijk stilgelegd, zo blijkt uit chatberichten tussen [medeverdachte] en verdachte: “Wallet leeg”, “Die van ons niet”, waarbij over en weer smileys werden verzonden. Op 7 april 2018 stuurde verdachte naar [medeverdachte]: “Je kan geen ECA withdrawen, staat al voor twee weken stil”.
Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij op 19 april 2018 - vanwege het lage handelsvolume - zijn ECA-coins door middel van een withdrawal wilde overboeken naar een andere exchange. Deze transactie werd echter nimmer uitgevoerd. Ook aangever [aangever 2] wilde op diezelfde datum zijn ECA-coins uit zijn wallet bij Coinhouse.eu opnemen, maar dit bleek niet mogelijk.
Hoewel de opname van cryptovaluta van de wallets/tegoeden die in beheer waren bij Coinhouse.eu voor klanten door [medeverdachte] en verdachte niet langer mogelijk werd gemaakt, bleef het storten van cryptovaluta mogelijk. [medeverdachte] stuurde op 3 april 2018 naar verdachte: “Kutcoins, ook zonder verder iets, kunnen gewoon volume opleveren en extra BTC in de wallet voor als we er wel mee stoppen”. De stortfunctie van de wallets werd bewust opengehouden om zoveel mogelijk coins in de door [medeverdachte] en verdachte beheerde wallets te krijgen vóórdat zij definitief de stekker uit Coinhouse.eu zouden trekken. Op 5 april 2018 stuurde [medeverdachte] naar verdachte: “Ja, die wallets wilde ik gewoon laten draaien”. Verdachte reageerde daarop met: “We kunnen de wallets leeghalen en Coinhouse laten draaien”. [medeverdachte]: “Hopelijk storten ze nog een beetje bij”. Op 8 april 2018 chatten [medeverdachte] en verdachte over en weer: “Haha, we hebben weer 9 LTC”. “Ja, gaat lekker he”. “Ze blijven geld geven”. [medeverdachte] stuurde op 28 april 2018 naar verdachte: “0.3 BTC weer in de Coinhouse-wallet. Niet veel, maar wél weer 1.000 euro per de man”. [medeverdachte] en verdachte hebben de cryptovaluta uit de wallets van de klanten van Coinhouse.eu naar hun eigen wallets overgemaakt. De politie heeft geconstateerd dat in de periode van 5 maart 2018 tot en met 5 augustus 2018 (omgerekend) € 69.085,35 is overgemaakt naar de wallet van [medeverdachte] en € 56.406,99 naar de wallets van verdachte. In het geval van verdachte zijn achttien verschillende transacties verricht vanaf het cluster Coinhouse naar Bitcoin-adressen die van hem zijn, met een totale omvang van 9,82371525 Bitcoins.
Overwegingen en oordeel
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte] in de periode van 27 augustus 2017 tot en met 5 augustus 2018 in Nederland schuldig heeft gemaakt aan verduistering van een bedrag van minimaal
€ 125.492,34. Door de (virtuele) valuta van de Coinhouse -gebruikers naar hun eigen wallets over te maken hebben verdachte en [verdachte] zich de valuta immers wederrechtelijk toegeëigend. Uit de chatberichten volgt voorts dat zij beiden daarop ook het oogmerk hadden. Met het bewust openhouden van de stortingsmogelijkheid bewerkstelligden zij dat zij zoveel mogelijk valuta in eigen zak konden steken. In totaal hebben zij (omgerekend) een bedrag van € 125.492,34 naar hun eigen wallets overgemaakt. Uit de bewijsmiddelen, zoals hiervoor vermeld, kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte is daarom te kwalificeren als medepleger.
Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank het door verdachte geschetste scenario niet volgt. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat genoemd geldbedrag grotendeels bestond uit winst, in de vorm van transaction fee’s, en eigen ingelegde cryptovaluta. Dit door verdachte geschetste scenario is niet aannemelijk geworden en is in het licht van de bewijsmiddelen en wat hierover reeds is overwogen ook ongeloofwaardig.
Ten aanzien van feit 2: Eenvoudig witwassen
Bewijs
De rechtbank komt onder verwijzing naar de hiervoor ten aanzien van feit 1 genoemde bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde “eenvoudig witwassen”.
Overwegingen en oordeel
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte in de periode van
27 augustus 2017 tot en met 5 augustus 2018 in Nederland virtuele valuta (welke omgerekend een minimale totaalwaarde van € 56.406,99 vertegenwoordigde) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl dit geheel of gedeeltelijk onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig was. De virtuele valuta betreft immers de opbrengst van het door verdachte onder feit 1 gepleegde medeplegen van verduistering (Coinhouse.eu). Genoemd bedrag aan cryptovaluta is vanaf het cluster van Coinhouse.eu verspreid over meerdere transacties overgemaakt naar Bitcoin-adressen van verdachte, en dus naar zijn eigen wallet. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde “eenvoudig witwassen” wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank acht niet bewezen dat er sprake is van medeplegen en zal verdachte daarvan vrijspreken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:
feit 1 hij in de periode van 27 augustus 2017 tot en met 5 augustus 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk geldbedragen, te weten geldbedragen ten behoeve van een investering in een of meer virtuele valuta (met een minimale totaalwaarde van
€ 125.493,34) middels de website Coinhouse.eu, ten dele toebehorende aan [aangever 1] en [aangever 2] en anderen, in elk geval aan anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als beheerder van de virtuele valuta van voornoemde personen, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
feit 2 hij in de periode van 27 augustus 2017 tot en met 5 augustus 2018 in Nederland van een voorwerp, te weten virtuele valuta (welke omgerekend een minimale totaalwaarde vertegenwoordigen van € 56.406,99), heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk – afkomstig waren uit enig eigen misdrijf.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 321 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van verduistering;
feit 2
het misdrijf: eenvoudig witwassen.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
6. De strafmotivering
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
Als de rechtbank tot een veroordeling komt, verzoekt de verdediging er in strafmatigende zin rekening mee te houden dat de redelijke termijn fors is overschreden. De verdediging verzoekt te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, dan wel de oplegging van een (voorwaardelijke) taakstraf van 120 uren.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van de gepleegde feiten
Verdachte heeft zich meer dan acht jaar geleden samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan verduistering van (omgerekend) een bedrag ter hoogte van minimaal € 125.492,34, door
– zonder daartoe gerechtigd te zijn – dit geldbedrag in de vorm van cryptovaluta van de door hen opgezette cryptovalutahandelsplaats Coinhouse.eu over te maken naar hun eigen wallets. Bovendien hebben verdachte en [verdachte] met het bewust openhouden van de stortingsfunctie ervoor gezorgd dat zij zoveel mogelijk valuta in eigen zak konden steken. Daarmee heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het eenvoudig witwassen van de opbrengsten van de gepleegde verduistering. In het geval van verdachte betreft het een bedrag ter hoogte van minimaal € 56.406,99. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen financieel gewin en niet voor de gevolgen van zijn handelen voor de gedupeerden.
De persoon van verdachte
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 26 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte op een boete voor een overtreding van het Vuurwerkbesluit na niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op wat verdachte ter terechtzitting over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verklaard. Verdachte, nu 27 jaar oud, woont bij zijn ouders en heeft een fulltime baan als tweedelijns klantenservicemedewerker bij een hostingprovider. Hij heeft een vriendin waarmee hij een huis wil kopen, wil samenwonen en een gezin wil stichten. Verdachte handelt nog wel in cryptovaluta, maar in mindere mate dan en op een andere wijze dan voorheen.
De strafoplegging
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor “fraude”, waarbij het bedrag dat met de fraude gemoeid gaat in grote mate bepalend is voor de hoogte van de straf. Voor een benadelingsbedrag van € 10.000,-- tot € 70.000,-- hanteert het LOVS als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vijf maanden of een onvoorwaardelijke taakstraf.
De rechtbank houdt er in strafmatigende zin rekening mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Verdachte is op 20 mei 2021 in verzekering gesteld. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen waarbinnen verdachte dient te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
De datum van dit vonnis betreft 22 september 2026, wat een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn betekent. Van bijzondere omstandigheden die een overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, is niet gebleken.
In beginsel acht de rechtbank, alles afwegend, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats, maar de rechtbank zal, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, verdachte veroordelen tot de maximale taakstraf. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf.
De rechtbank acht, alles afwegend, passend en geboden om aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren met aftrek van het voorarrest.
7. De in beslag genomen voorwerpen
De standpunten van partijen
De officier van justitie vordert dat de in beslag genomen voorwerpen (een Mercedes-auto en cryptovaluta) verbeurd worden verklaard. De verdediging verzoekt de in beslag genomen voorwerpen aan verdachte terug te geven.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen (zoals deze op de beslaglijst staan vermeld: een Mercedes-auto en cryptovaluta) op grond van de artikelen
33 en 33a Sr vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Het gaat immers om voorwerpen die aan verdachte toebehoren en die hij geheel of grotendeels uit de baten van het misdrijf “medeplegen van verduistering” heeft verkregen. Aangezien misdaad niet mag lonen acht de rechtbank verbeurdverklaring passend en geboden.
8. De schade van de benadeelden
De vorderingen van de benadeelde partijen
De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]
heeft zich als benadeelde partij ten aanzien van het onder feit 1 laste gelegde in dit strafproces gevoegd. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 100,--, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade betreft het bedrag dat de benadeelde partij vanwege zijn investering in altcoin ECA zou zijn kwijtgeraakt.
De vordering van de benadeelde partij [aangever 2]
heeft zich als benadeelde partij ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde in dit strafproces gevoegd. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 837,22, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade betreft het bedrag dat de benadeelde partij vanwege zijn investering in de altcoin ECA zou zijn kwijtgeraakt.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de door [aangever 1] en [aangever 2] verzochte schadevergoedingen toewijsbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente en telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de vordering van [aangever 2] aan het oordeel van de rechtbank. Omdat de vordering van [aangever 1] volgens de verdediging onvoldoende is onderbouwd, dient hij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting vast dat voldoende verband bestaat tussen het onder feit 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 2] gestelde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht.
De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]
De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadepost “€ 100,-- aan inleg cryptovaluta”, voldoende met bewijstukken (bij de aangifte door [aangever 1]) is onderbouwd en gelet daarop door de verdediging onvoldoende is betwist. De gevorderde schade is dus toewijsbaar, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 19 april 2018.
Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht.
Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 1 dag gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De vordering van de benadeelde partij [aangever 2]
De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadepost “€ 837,22 aan cryptovaluta”, is voldoende met bewijsstukken is onderbouwd en door de verdediging niet betwist. De gevorderde schade is dus toewijsbaar, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 19 april 2018.
Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht.
Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 8 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
9. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen en de artikelen 9, 22c en 22d Sr.
10. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van verduistering;
feit 2
het misdrijf: eenvoudig witwassen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
- beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de in verzekering doorgebrachte dagen twee uren per dag aftrek plaatsvindt;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 1]
- wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] ten aanzien van het onder feit 1 bewezen verklaarde toe tot een bedrag van € 100,-- (honderd euro) en veroordeelt verdachte tot (hoofdelijke) betaling van dit bedrag, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2018, te weten dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nul, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat verdachte verplicht om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van de benadeelde partij, een bedrag te betalen van € 100,-- (honderd euro), , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2018, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, 1 (één) dag gijzeling kan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Het toepassen van gijzeling ontslaat verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
- bepaalt dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat der Nederlanden vervalt en omgekeerd;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 2]
- wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] ten aanzien van het onder feit 1 bewezen verklaarde toe tot een bedrag van € 837,22 (achthonderdzevenendertig euro en tweeëntwintig cent) en veroordeelt verdachte tot (hoofdelijke) betaling van dit bedrag, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2018, te weten dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nul, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat verdachte verplicht om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van de benadeelde partij, een bedrag te betalen van € 837,22 (achthonderdzevenendertig euro en tweeëntwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2018, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, 8 (acht) dagen gijzeling kan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Het toepassen van gijzeling ontslaat verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
- bepaalt dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat der Nederlanden vervalt en omgekeerd;
de in beslag genomen voorwerpen
- verklaart verbeurd de in beslag genomen Mercedes-auto en cryptovaluta.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Metgod, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. B.T.C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.