RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11845817 \ CV EXPL 25-2448
Vonnis van 20 januari 2026
in de zaak van
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Q-Park,
gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord en een daarbij gedeponeerde usb-stick met video-opnamen- de conclusie van repliek en een daarbij gedeponeerde usb-stick met video-opnamen- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Q-Park exploiteert en beheert parkeeraccommodaties in Nederland, waaronder de parkeergarage Hengelo-de Brink (hierna: de parkeergarage).
[gedaagde] heeft op 23 maart 2025 gebruik gemaakt van de parkeergarage en de parkeergarage verlaten door “trein te rijden”. Dat wil zeggen dat hij kort achter een voorganger en zonder te betalen de parkeergarage is uitgereden.
Onderaan de inrit van de parkeergarage staat in een bocht, voor de parkeerticketautomaat en de slagboom, een informatiebord. Op dit informatiebord staan de geldende tarieven, worden de algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing verklaard en wordt naar de vindplaats van de algemene voorwaarden verwezen. Daarnaast staat op het informatiebord het volgende:
‘’Bij doorrijden zonder betalen is het tarief verloren kaart, schadevergoeding ad € 373,81 incl. BTW (prijspeil oktober 2023, indexatie conform CPI) en overige geleden
(gevolg-)schade verschuldigd’’.
In de algemene voorwaarden van Q-Park (versie 14 februari 2025) is, voor zover van belang in deze procedure, het volgende bepaald:
Het met een Motorvoertuig of enig ander voertuig verlaten van de Parkeerfaciliteit zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd Parkeerbewijs (bijvoorbeeld door langs de slagboom te rijden of door middel van het zogenoemde ‘’treintje rijden’’, waarbij de Klant direct achter zijn voorgang onder de slagboom doorrijdt,) is onder geen beding toegestaan. Indien Q-Park het gebruik van de Parkeerfaciliteit in strijd met het bepaalde in dit artikel constateert, is de Klant het voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief ‘’verloren kaart’’ (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd, alsmede een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 382,41 (prijspeil 2025).
Q-Park is vrij het in artikel 5.5 genoemde bedrag aan aanvullende schadevergoeding jaarlijks te indexeren conform CPI.
In geval van verlies of ontbreken van het parkeerbewijs is de Parkeerder het door Q-Park voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief ‘’verloren kaart’’ (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd. De Parkeerder dient dit bedrag vóór het verlaten van de Parkeerfaciliteit te voldoen. Indien de Klant achteraf door middel van de klachtenprocedure aan kan tonen wat de daadwerkelijke parkeertijd was, zal eventuele restitutie op basis daarvan plaats vinden. De bewijslast met betrekking tot de daadwerkelijke parkeertijd berust bij de Klant.
3. Het geschil
Q-Park vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 453,57, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Q-Park legt primair aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] door treintje te rijden tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst en subsidiair dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. Door het treintje rijden heeft Q-Park schade geleden. [gedaagde] moet daarom op grond van de artikelen 5.5 en 5.6 van de toepasselijke algemene voorwaarden het geldende tarief voor een verloren kaart van € 12,00 en een (aanvullende) schadevergoeding van € 382,41 voor het treintje rijden betalen. Daarnaast is [gedaagde] de wettelijke rente en € 59,16 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd, aldus Q-Park.
[gedaagde] concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen van Q-Park en subsidiair tot matiging van de vordering tot het dagtarief voor parkeren, met veroordeling van Q-Park in de kosten van deze procedure. [gedaagde] roept de vernietiging van de algemene voorwaarden in, omdat Q-Park hem geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen (artikel 6:233 sub b BW). [gedaagde] verweert zich verder met de stelling dat Q-Park onredelijk heeft gehandeld en hem in zijn procespositie heeft benadeeld. Ten slotte voert [gedaagde] aan dat hij uit noodzaak treintje heeft gereden en dat de hoogte van de gevorderde schadevergoeding buiten proportioneel is.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[gedaagde] erkent dat hij dicht achter een voorganger de parkeergarage is uitgereden zonder te betalen, waardoor hij zich schuldig heeft gemaakt aan treintje rijden. De vraag in deze procedure is of [gedaagde] daardoor het tarief verloren kaart en de gevorderde schadevergoeding verschuldigd is.
Q-Park baseert haar vordering op de algemene voorwaarden. [gedaagde] heeft een beroep op vernietiging van die algemene voorwaarden gedaan. De kantonrechter zal daarom eerst de vraag beantwoorden of de algemene voorwaarden op de parkeerovereenkomst van toepassing zijn.
De toepasselijkheid van de algemene voorwaarden
De kantonrechter overweegt dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de parkeerovereenkomst als ze van toepassing zijn verklaard door Q-Park, (al dan niet stilzwijgend) door [gedaagde] zijn aanvaard en Q-Park [gedaagde] een redelijke mogelijkheid heeft geboden om voor of bij het sluiten van de overeenkomst kennis te nemen van de algemene voorwaarden. Hoofdregel is dat aan de wederpartij een redelijke mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen als de algemene voorwaarden aan de wederpartij ter hand zijn gesteld voorafgaand aan of op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten. De kantonrechter stelt echter vast dat Q-Park een dienstverrichter is. Gelet op artikel 6:230c jo. 6:230b sub 6 BW is voor een dienstverrichter voor de terhandstelling van algemene voorwaarden voldoende dat de algemene voorwaarden voor de wederpartij eenvoudig toegankelijk zijn op een (door Q-Park medegedeeld) (internet)adres.
De kantonrechter overweegt dat onderaan de inrit van de parkeergarage, maar vóór de parkeerticketautomaat en slagboom, een informatiebord staat. Dit is ook niet in geschil tussen partijen. Op een door Q-Park overgelegde foto is te zien dat er op dat informatiebord staat: “Toegang en gebruik van Q-Park uitsluitend onder toepassing van de Algemene Voorwaarden Parkeren” en ‘’De Algemene Voorwaarden Parkeren zijn op te vragen via
www.q-park.nlalgemenevoorwaarden’’.
[gedaagde] stelt dat dit informatiebord niet voldoende zichtbaar is, omdat sprake is van een complexe verkeerssituatie tijdens het inrijden. De kantonrechter is echter van oordeel dat het informatiebord met de verwijzing naar de algemene voorwaarden op een locatie staat die goed zichtbaar is en de mededeling op het bord voldoende duidelijk is. De gebruiker van de parkeergarage rijdt bij het naar beneden inrijden van de parkeergarage recht op het informatiebord af. Weliswaar is het mogelijk dat er op het moment van inrijden ook tegemoetkomend verkeer omhoog rijdt, maar dit maakt niet dat het informatiebord niet goed zichtbaar is. Daar komt bij dat op het moment dat het informatiebord in de bocht dicht wordt genaderd, de gebruiker veilig kan stoppen of langzaam kan rijden om de inhoud van het bord - dat op ooghoogte en aan de zijde van de bestuurder is geplaatst - te lezen. Dit geldt temeer omdat de verkeerssituatie op dat moment in elk geval overzichtelijk en veilig is en de rijbaan van het inrijdende verkeer volledig gescheiden is van het uitrijdende verkeer. Dat de letters onder de genoemde tekst, die verwijzen naar de vindplaats van de algemene voorwaarden, klein zijn en vanuit een auto mogelijk niet voor iedereen voldoende leesbaar zijn, maakt dit niet anders. Er staat een verwijzing naar de vindplaats en dat is voldoende. De kleine letters zijn niet bedoeld om vanuit de auto aandachtig te gaan lezen. Degene die echt geïnteresseerd is maar het niet kan lezen, kan uitstappen en het bord van dichtbij bekijken.
De kantonrechter overweegt verder dat de algemene voorwaarden gemakkelijk elektronisch toegankelijk zijn, omdat ze zonder noemenswaardige inspanning kunnen worden gevonden op de medegedeelde website en in pdf-vorm kunnen worden opgeslagen. Het mogelijk ontbreken van een internetverbinding in de ondergrondse parkeergarage doet hier niet aan af, aangezien Q-Park daarvoor niet verantwoordelijk is.
De kantonrechter concludeert dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard op de overeenkomst en dat [gedaagde] een redelijke mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. [gedaagde] heeft de algemene voorwaarden bovendien stilzwijgend aanvaard door na het informatiebord met de verwijzing naar de algemene voorwaarden door te rijden en een parkeerovereenkomst met Q-Park aan te gaan. De algemene voorwaarden maken dus deel uit van de gesloten parkeerovereenkomst en het beroep van [gedaagde] op vernietiging slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
De overeenkomst waarop Q-Park zich beroept, is gesloten met een consument. In dat geval moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of Q-Park de informatieplichten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd en of de bedingen in de gesloten overeenkomst oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EG (Richtlijn oneerlijke bedingen).
De overeenkomst is tot stand gekomen binnen de verkoopruimte. Q-Park heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l BW.
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de gevorderde hoofdsom, de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.
Vordering schadevergoeding
Omdat [gedaagde] door treintje te rijden tekort is geschoten in de nakoming van de parkeerovereenkomst, moet hij de schade vergoeden die Q-Park hierdoor heeft geleden. Voor de hoogte van de schade doet Q-Park een beroep op artikel 5.5 van de algemene voorwaarden. Artikel 5.5 is een schadevergoedingsbeding, waarin staat dat een Klant die treintje rijdt het tarief verloren kaart verschuldigd is en een aanvullende schadevergoeding van € 382,41. Q-Park heeft gemotiveerd gesteld dat de schadevergoeding van € 382,41 ziet op de geleden omzetderving, gemaakte kosten voor het achterhalen van degene die heeft treintje gereden, uitgevoerde werkzaamheden, gedane investeringen en dergelijke. Dit gefixeerde bedrag komt de kantonrechter niet onredelijk voor en de kantonrechter ziet geen aanleiding om het bedrag te matigen, zoals [gedaagde] heeft verzocht. Matiging op grond van artikel 6:94 lid 1 BW is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad alleen aan de orde als toepassing van het beding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van het bedrag, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. De kantonrechter overweegt dat de gefixeerde schadevergoeding van € 382,41 dient als prikkel tot nakoming (uitrijden nadat er is betaald) en in dat opzicht mag het afschrikwekkend zijn, om het treintje rijden te ontmoedigen. Bovendien staat het in redelijke verhouding tot de belangen van Q-Park en dient het voor vergoeding van algemene schade, zoals de inzet van personeel en apparatuur met betrekking tot het voorkomen van treintje rijden en klachten over treintje rijden. Verder kan treintje rijden leiden tot kopieergedrag, schade aan de slagboom en/of voorganger bij het uitrijden en een onveilig gevoel in de parkeergarage.
De overige verweren van [gedaagde]
voert aan dat Q-Park niet redelijk heeft gehandeld door geen betalingsregeling te willen aangaan. Dit verweer slaagt niet omdat een schuldeiser niet verplicht is om een betalingsregeling te treffen. Q-Park heeft bovendien gesteld dat pas na de dagvaarding een betalingsregeling is aangeboden. [gedaagde] voert verder aan dat hij in zijn procespositie is benadeeld, omdat Q-Park de log- en cameragegevens niet heeft verstrekt. De kantonrechter constateert echter dat de log- en cameragegevens alsnog bij conclusie van dupliek zijn overgelegd. [gedaagde] heeft gesteld dat de camerabeelden niet compleet zijn, omdat het overleg met andere automobilisten voorafgaand aan het treintje rijden niet op deze camerabeelden te zien is. [gedaagde] heeft echter nagelaten te motiveren waarom dat relevant is, aangezien het beweerdelijk overleg met andere automobilisten niet af doet aan het feit dat [gedaagde] treintje heeft gereden, zoals hij zelf ook heeft erkend. De kantonrechter gaat aan dit verweer daarom voorbij.
[gedaagde] verweert zich ten slotte met de stelling dat hij uit noodzaak treintje moest rijden. Hij kon het verschuldigde parkeertarief niet betalen omdat het betaalsysteem niet werkte en hij kreeg geen gehoor via de intercom. Volgens [gedaagde] is hij daarom geen schadevergoeding verschuldigd. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] hiermee een beroep op overmacht doet. Van overmacht is sprake als de tekortkoming in de nakoming van de parkeerovereenkomst (het treintje rijden) niet aan [gedaagde] kan worden toegerekend. De kantonrechter oordeelt dat het beroep op overmacht niet slaagt, omdat [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld ter onderbouwing van zijn verweer. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat de betaalautomaat een storing had, maar onduidelijk blijft wat er dan niet werkte toen hij wilden betalen en wat er concreet gebeurde. Q-Park heeft bovendien aan de hand van de loggegevens gemotiveerd weersproken dat er een storing was en dat de intercom - waarmee in het geval van een storing een alternatieve betaalmogelijkheid wordt geboden - niet werkte.
De vordering wordt toegewezen
De kantonrechter concludeert dat [gedaagde] door het treintje rijden het tarief verloren kaart (€ 12,--) en de schadevergoeding (€ 382,41) is verschuldigd. De kantonrechter wijst de gevorderde hoofdsom toe.
[gedaagde] moet ook een bedrag van € 59,16 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen. Q-Park heeft aan de wettelijke vereisten voor verschuldigdheid daarvan voldaan. [gedaagde] stelt weliswaar dat hij de aangetekende sommatiebrief van 23 april 2025 niet heeft ontvangen, maar uit de door Q-Park overgelegde producties blijkt dat [gedaagde] de aangetekende brief niet heeft afgehaald bij het PostNL-punt. De gevolgen daarvan komen voor rekening en risico van [gedaagde] . Daar komt bij dat [gedaagde] naar aanleiding van de eerste (niet-aangetekende) sommatiebrief van 2 april 2025 contact heeft opgenomen met de gemachtigde van Q-Park, zodat vast staat dat hij bekend was met de inhoud van die sommatiebrief. Ook in die brief werd [gedaagde] gewaarschuwd dat hij de buitengerechtelijke kosten verschuldigd zal zijn als hij binnen 16 dagen vanaf de datum van bezorging niet betaalt.
Q-Park heeft verder terecht aanspraak gemaakt op de wettelijke rente van artikel 6:119 BW over de hoofdsom van € 394,31 omdat [gedaagde] in gebreke is gebleven met de betaling van de hoofdsom. De kantonrechter zal de wettelijke rente echter niet toewijzen vanaf de datum van het treintje rijden. Het gaat hier immers om een schadevergoedingsbeding. De wettelijke rente over de gefixeerde schadevergoeding is pas verschuldigd na een schriftelijke aanmaning (Hoge Raad 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3127). De wettelijke rente is dus verschuldigd na het verstrijken van de termijn van 16 dagen genoemd in de aanmaning van 2 april 2025 te weten: 18 april 2025.
De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, omdat niet is gesteld of gebleken dat Q-Park deze kosten al daadwerkelijk aan haar gemachtigde heeft betaald of met de betaling daarvan in verzuim verkeert en als zodanig vermogensschade heeft geleden.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Q-Park worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,78
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
164,00
(2 punten × € 82,00)
- nakosten
€
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
460,78
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 394,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 59,16 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 11 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 460,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Wilmink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.