ECLI:NL:RBOVE:2026:5691

ECLI:NL:RBOVE:2026:5691

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 24-09-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer ZWO 25/754, ZWO 25/756 tot en met ZWO 25/762, ZWO 25/1642 tot en met ZWO 25/1647, ZWO 26/724 en ZWO 26/894
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over zestien omgevingsvergunningen voor het organiseren van evenementen op de Vliegveld Twenthe Evenementenlocatie in de jaren 2023, 2024 en 2025. Het college heeft deze vergunningen verleend aan De Strip B.V. Eisers zijn het daar niet mee eens en hebben tegen elke afzonderlijke vergunning beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat eisers geen procesbelang hebben bij een beoordeling van de omgevingsvergunningen voor de negen evenementen die niet terugkeren. Daarom zijn de beroepen tegen het in stand laten van deze vergunningen niet-ontvankelijk en gaat de rechtbank daar niet inhoudelijk op in. Bij de beoordeling van de zeven omgevingsvergunningen voor jaarlijks terugkerende evenementen hebben eisers wel procesbelang. In de beroepen daartegen oordeelt de rechtbank dat het college moet beoordelen of het gebiedsbeschermingsregime in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van de vergunde evenementen en dat de beoordeling daarvan onvoldoende gemotiveerd is. Bij de onderliggende stikstofonderzoeken zijn namelijk niet alle relevante verkeersbewegingen meegenomen terwijl bekend is dat dit de doorslaggevende factor is voor de vraag of de evenementen significante gevolgen hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden. De beroepen tegen deze omgevingsvergunningen zijn daarom gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, het college

Samenvatting

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: ZWO 25/754, ZWO 25/756 tot en met ZWO 25/762, ZWO 25/1642 tot en met ZWO 25/1647, ZWO 26/724 en ZWO 26/894

Stichting Lonnekerberg en omgeving en Stichting Lonneker Land, uit Enschede (hierna tezamen en in meervoud: StiL), eisers (gemachtigden: [gemachtigde] en mr. J.E. Dijk),

en

(gemachtigde: mr. dr. D. Korsse).

Als derde-partijen nemen aan de zaken deel: [derde belanghebbende], uit [woonplaats], en De Strip B.V., uit Enschede (gemachtigde van beide: mr. dr. A.A. Freriks).

1. Deze uitspraak gaat over zestien omgevingsvergunningen voor het organiseren van evenementen op de Vliegveld Twenthe Evenementenlocatie in de jaren 2023, 2024 en 2025. Het college heeft deze vergunningen verleend aan De Strip B.V. StiL zijn het daar niet mee eens en hebben tegen elke afzonderlijke vergunning beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat StiL geen procesbelang hebben bij een beoordeling van de omgevingsvergunningen voor de negen evenementen die niet terugkeren. Daarom zijn de beroepen tegen het in stand laten van deze vergunningen niet-ontvankelijk en gaat de rechtbank daar niet inhoudelijk op in. Bij de beoordeling van de zeven omgevingsvergunningen voor jaarlijks terugkerende evenementen hebben StiL wel procesbelang. In de beroepen daartegen oordeelt de rechtbank dat het college moet beoordelen of het gebiedsbeschermingsregime in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van de vergunde evenementen en dat de beoordeling daarvan onvoldoende gemotiveerd is. Bij de onderliggende stikstofonderzoeken zijn namelijk niet alle relevante verkeersbewegingen meegenomen terwijl bekend is dat dit de doorslaggevende factor is voor de vraag of de evenementen significante gevolgen hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden. De beroepen tegen deze omgevingsvergunningen zijn daarom gegrond.

Procesverloop

2. Met zestien afzonderlijke besluiten heeft het college aan De Strip B.V. omgevingsvergunningen verleend voor het organiseren van zestien evenementen op de Vliegveld Twenthe Evenementenlocatie op de voormalige luchtmachtbasis Twenthe (hierna: het VTE-terrein). Met zestien afzonderlijke besluiten heeft het college de bezwaren van StiL tegen deze omgevingsvergunningen ongegrond verklaard en is het bij de vergunningverlening gebleven.

StiL hebben beroep ingesteld tegen deze besluiten op bezwaar. In het onderstaande schema staan achtereenvolgens de zaaknummers van de door StiL ingestelde beroepen, de (data van) de georganiseerde evenementen, de data waarop de omgevingsvergunningen zijn aangevraagd en verleend, de data waarop de besluiten op bezwaar (hierna ook: bob) zijn genomen en de romeinse cijfers waarmee de rechtbank deze besluiten op bezwaar (en de bijbehorende evenementen) in deze uitspraak zal aanduiden.

ZWO

Evenement (datum)

aanvraag

vergunning

bob

bob

25/754

Politietraining (23-4-2024 en 23-5-2024)

5-3-2024

2-5-2024

14-11-2024

I

25/756

[bedrijf]

(12-4-2024)

5-3-2024

2-5-2024

14-11-2024

II

25/757

Citro Classica

(3/5-5-2024)

5-3-2024

30-4-2024

14-11-2024

III

25/758

Roparun (16/19-5-2024)

18-4-2024

16-5-2024

14-11-2024

IV

25/759

DON Kofferbakmarkt (29/30-6-2024)

23-4-2024

26-6-2024

26-11-2024

V

25/760

Spring Event Petrolhead 2024 (6-7-2024)

15-4-2024

5-7-2024

26-11-2024

VI

25/761

Feestavond Mediant Event Experts (5-7-2024)

17-4-2024

11-6-2024

26-11-2024

VII

25/762

PON Automotive

(1-6-2024)

8-4-2024

31-5-2024

26-11-2024

VIII

25/1642

Filmopnames Signal Stream voor Verstoppertje XXL (11&13-7-2024)

30-5-2024

11-7-2024

9-1-2025

IX

25/1643

Bedrijfsfeest, georganiseerd door [naam 1] (15/16-12-2023)

6-12-2023

10-7-2024

9-1-2025

X

25/1644

JET Candyland

(15/16-12-2023)

6-12-2023

22-7-2024

9-1-2025

XI

25/1645

Event PowerPacker

(15-12-2023)

6-12-2023

22-7-2024

7-1-2025

XII

25/1646

Onder de Radar Festival

(19-8-2024 t/m 5-9-2024)

4-6-2024

23-7-2024

7-1-2025

XIII

25/1647

Event Entrepreneurs

(16/17-12-2023)

6-12-2023

22-7-2024

7-1-2025

XIV

26/724

Hart voor Auto’s ShowTime 2025 (12/14-9-2025)

11-6-2025

04-8-2025

8-1-2026

XV

26/894

Onder de Radar editie 2025

(18-8-2025 t/m 4-9-2025)

23-6-2025

31-7-2025

8-1-2026

XVI

Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. [derde belanghebbende] en De Strip B.V. hebben ook schriftelijk gereageerd.

De rechtbank heeft de beroepen op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Namens StiL zijn hun gemachtigden, [naam 2], [naam 3] en [naam 4] verschenen. Namens het college zijn zijn gemachtigde, [naam 5] en [naam 6] verschenen. [derde belanghebbende] en De Strip B.V. werden vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verder zijn namens De Strip B.V. [naam 7] en [naam 8] verschenen.

De rechtbank heeft deze beroepen gelijktijdig behandeld met de beroepen van StiL en de Stichting Dassenwerkgroep Twente met de zaaknummers ZWO 26/783 en ZWO 26/729 tegen de omgevingsvergunning die het college aan De Strip B.V. heeft verleend voor de exploitatie van het VTE-terrein. Op deze beroepen doet de rechtbank afzonderlijk uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Relevante feiten en omstandigheden

3. Hierna volgt een beschrijving van de feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de beoordeling van de beroepen van StiL.

Het VTE-terrein beslaat een deel van de voormalige luchtmachtbasis Twenthe. Het VTE-terrein is in eigendom van [derde belanghebbende] en wordt geëxploiteerd door De Strip B.V. De Strip B.V. stelt het VTE-terrein ter beschikking aan derden voor het organiseren van evenementen van verschillende aard, duur en omvang. Het VTE-terrein ligt op een afstand van ongeveer 2,4 kilometer (hierna: km) van het Natura 2000-gebied Lonnekermeer en ongeveer 4,9 km van het Natura 2000-gebied Landgoederen Oldenzaal.

Per 1 januari 2008 is de luchtmachtbasis Twenthe gesloten. Sinds 2007 werken het Rijk, de provincie Overijssel en de gemeente Enschede samen aan de gebiedsontwikkeling van de voormalige luchtmachtbasis. De realisatie van een evenementenlocatie is daar een onderdeel van. Over deze gebiedsontwikkeling en de realisatie van een evenementenlocatie zijn nadien meerdere besluiten genomen. Zo heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor een aantal activiteiten op een deel van het VTE-terrein en heeft de gemeenteraad van Enschede zowel in 2018 als in 2021 een bestemmingsplan vastgesteld, waarmee onder meer werd voorzien in de exploitatie van het VTE-terrein. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft deze vergunning en beide bestemmingsplannen vernietigd met uitspraken van respectievelijk 22 januari 2020, 17 juli 2019 en 6 december 2023. Omdat de vernietigde besluiten hangende de procedures niet geschorst zijn geweest, heeft de exploitatie van het VTE-terrein tot de uitspraken van de Afdeling plaatsgevonden op basis van die besluiten. Door de vernietiging van de bestemmingsplannen van 2018 en 2021 is het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1996’ (hierna: het bestemmingsplan van 1996) weer gaan gelden. Na de vernietiging van het bestemmingsplan van 2021 heeft de exploitatie van het VTE-terrein plaatsgevonden op basis van omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan van 1996 respectievelijk van het omgevingsplan, waarvan dit bestemmingsplan met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (hierna: Ow) deel is gaan uitmaken, voor specifieke evenementen.

Op de in het bovenstaande schema genoemde data heeft De Strip B.V. omgevingsvergunningen aangevraagd voor het afwijken van het bestemmingsplan van 1996 of van het omgevingsplan voor het organiseren van de in dat schema genoemde evenementen op het VTE-terrein.

Op 19 december 2023 heeft De Strip B.V. een (overkoepelende) omgevingsvergunning aangevraagd voor het gebruiken van het VTE-terrein voor het organiseren en faciliteren van evenementen. Bij besluit van 30 december 2025 heeft het college de aangevraagde vergunning verleend aan De Strip B.V. Deze omgevingsvergunning wordt door partijen aangeduid als het projectafwijkingsbesluit, afgekort tot ‘het PAB’. De rechtbank zal de vergunning in deze uitspraak ook zo aanduiden.

Hebben StiL nog procesbelang bij een beoordeling van hun beroepen?

4. De evenementen waarvoor de omgevingsvergunningen zijn verleend die in deze procedure in geschil zijn, hebben allemaal al plaatsgevonden in 2023, 2024 en 2025. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om te beoordelen of StiL nog procesbelang hebben bij een inhoudelijk oordeel over de vraag of het college de vergunningen voor de evenementen had mogen verlenen.

Procesbelang is het belang dat een eiser heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de eiser voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de eiser van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van zijn rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.

In beginsel bestaat er geen belang meer bij een inhoudelijk oordeel als een evenement al heeft plaatsgevonden. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als aannemelijk is dat nieuwe besluiten over soortgelijke situaties volgen en een evenement bijvoorbeeld jaarlijks plaatsvindt. Het inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de verleende vergunning kan dan worden betrokken bij te verwachten toekomstige aanvragen voor een vergunning en de toetsing daarvan.

De Strip B.V. heeft op de zitting meegedeeld dat de evenementen I, II, VII, VIII, IX, X, XI, XII en XIV niet terugkerend zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze mededeling te twijfelen. StiL hebben dat op de zitting ook niet weersproken en geen afzonderlijk belang bij een oordeel over deze specifieke evenementen gesteld. Daarom is de rechtbank van oordeel dat StiL geen procesbelang hebben bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de omgevingsvergunningen voor deze evenementen. Dit betekent dat de beroepen tegen (het in stand laten van) deze vergunningen niet-ontvankelijk zijn. Dit gaat om de beroepen met de zaaknummers ZWO 25/754, 25/756, 25/761, 25/762, 25/1642, 25/1643, 25/1644, 25/1645 en 25/1647. De rechtbank zal daarom niet inhoudelijk op deze beroepen ingaan.

De Strip B.V. heeft op de zitting meegedeeld dat de evenementen III, IV, V, VI, XIII, XV en XVI terugkerend zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze mededeling te twijfelen. Mogelijk is voor het opnieuw organiseren van deze evenementen een afzonderlijke omgevingsvergunning nodig. Daarbij is van belang dat de rechtbank met een uitspraak van vandaag het beroep van StiL (met zaaknummer ZWO 26/783) tegen het PAB gegrond heeft verklaard en dit besluit heeft vernietigd. Deze terugkerende evenementen kunnen daarom op dit moment niet plaatsvinden op grond van het PAB. Daarom is de rechtbank van oordeel dat StiL procesbelang hebben bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de omgevingsvergunningen voor de evenementen III, IV, V, VI, XIII, XV en XVI. Dit betekent dat de beroepen met de zaaknummers ZWO 25/757, 25/758, 25/759, 25/760, 25/1646, 26/724 en 26/894 ontvankelijk zijn. De rechtbank zal deze beroepen hierna inhoudelijk beoordelen.

Toetsingskader

5. Op 1 januari 2024 zijn de Ow en de Invoeringswet Omgevingswet (hierna: Iw Ow) in werking getreden. Omdat de aanvragen om de vergunningen voor de evenementen III tot en met VI, XIII, XV en XVI zijn ingediend na 1 januari 2024, is daarop de Ow van toepassing.

Op het VTE-terrein was vóór 1 januari 2024 (onder meer) het bestemmingsplan van 1996 van toepassing. Op grond van dit bestemmingsplan heeft het VTE-terrein de bestemming ‘Vliegveld’. Op grond van artikel 32.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming ‘Vliegveld’ bestemd voor een vliegveld en militaire doeleinden.

Met de inwerkingtreding van de Ow heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Voor de gemeente Enschede is dit het Omgevingsplan gemeente Enschede (hierna: het omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat onder meer uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Het bestemmingsplan van 1996 maakt nu dus deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Staat het gebiedsbeschermingsregime in de weg aan uitvoerbaarheid van de evenementen?

6. StiL stellen zich in de eerste plaats op het standpunt dat het college de omgevingsvergunningen voor de evenementen had moeten weigeren, omdat deze niet uitvoerbaar zijn en daardoor geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zij voeren aan dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de vergunde activiteiten significante gevolgen hebben voor deze gebieden, dat daarom een vergunning voor een Natura 2000-activiteit moet worden aangevraagd en een passende beoordeling moet worden gemaakt en dat niet zeker is of deze vergunning zal worden verleend. StiL zijn van mening dat de aan de evenementen ten grondslag gelegde stikstofrapporten zijn gebaseerd op aannames die niet consequent zijn uitgewerkt en dat de bijbehorende Aerius-berekeningen evident onjuist zijn. Daartoe voeren zij onder meer aan dat de verkeersbewegingen van auto’s, bussen en vrachtwagens zijn onderschat. Verder voeren StiL aan dat het college met zijn handelwijze geen uitvoering geeft aan het oordeel van de Afdeling in de uitspraak van 6 december 2023 dat de activiteiten op het VTE-terrein geen doorgang mogen vinden zonder voorafgaande beoordeling van de gevolgen daarvan voor de omliggende Natura 2000-gebieden. Volgens StiL is geen sprake van een deugdelijke voorafgaande beoordeling. Zij stellen dat de rapporten geen volledige beoordeling bevatten van de cumulatieve gevolgen van alle evenementen, bezien in samenhang met de exploitatie van het VTE-terrein als geheel.

7. Het college stelt zich primair op het standpunt dat de vraag of voor het organiseren van de evenementen een vergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig is, geen deel uitmaakt van het toetsingskader voor de omgevingsvergunningen. Het college wijst erop dat onder de Ow geen aanhaakverplichting geldt en dat de aanvrager zelf bepaalt op welke activiteit(en) zijn aanvraag betrekking heeft. Daarnaast voert het college aan dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: GS) het bevoegd gezag is om een Natura 2000-activiteit te vergunnen. Het college is van mening dat het om die redenen niet bevoegd is om de (vermeende) gevolgen van een aangevraagde activiteit op Natura 2000-gebieden te beoordelen of om het vergunnen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit afhankelijk te stellen van zo’n beoordeling.

Subsidiair stelt het college zich op het standpunt dat er ten tijde van de vergunningverlening geen reden was om op voorhand aan te nemen dat de aangevraagde evenementen niet georganiseerd zouden kunnen worden vanwege het ontbreken van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. Het college voert aan dat, voor zover bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden getoetst aan het uitvoerbaarheidsvereiste, deze toets niet verder strekt dan een marginale beoordeling van de onderbouwing dat de aangevraagde activiteit uitvoerbaar is in het licht van het gebiedsbeschermingsrecht. Volgens het college is de enkele twijfel of zo’n vergunning kan worden verleend niet voldoende voor het standpunt dat de aangevraagde activiteit evident niet uitvoerbaar is. Het college wijst erop dat De Strip B.V. bij GS een aparte vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming (hierna: Wnb) heeft aangevraagd en meent dat de gerechtvaardigde gedachte is dat deze vergunning zal worden verleend omdat De Strip B.V. een PAS-melder is. Verder meent het college dat De Strip B.V. door het beperken van de bezoekersaantallen (en daarmee ook van de verkeersbewegingen) kan voorkomen dat sprake is van stikstofdepositie en – daarmee – van een verplichting om een vergunning aan te vragen voor een Natura 2000-activiteit. Met het oog daarop heeft het college per aangevraagde vergunning gecontroleerd of binnen de beperkte exploitatie werd gebleven waarvoor het PAB is aangevraagd en dit bleek het geval te zijn. Het college is van mening dat met de stikstofberekeningen van TAUW is voldaan aan de vereisten uit de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2023.

De uitvoerbaarheidstoets onder de Ow

8. De rechtbank is van oordeel dat het primaire standpunt van het college niet opgaat omdat ook onder de Ow een uitvoerbaarheidstoets dient plaats te vinden. Deze toets is onderdeel van de beoordeling of een te vergunnen activiteit in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.

Zoals tussen partijen niet in geschil is, past het organiseren en faciliteren van evenementen op het VTE-terrein niet in de bestemming die dit terrein op grond van het bestemmingsplan van 1996 heeft. De Strip B.V. heeft voor de evenementen daarom omgevingsvergunningen aangevraagd voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend als sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoewel het college er terecht op wijst dat bij invoering van de Ow de onlosmakelijke samenhang en de aanhaakverplichting zijn losgelaten, is de rechtbank van oordeel dat in het kader van de vraag of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ook van belang is, of de activiteit uitvoerbaar is. Indien op voorhand aannemelijk is dat de functie op de desbetreffende locatie nooit kan worden verwezenlijkt, kan het toedelen daarvan in strijd worden geacht met deze bepaling. De rechtbank vindt hiervoor steun in de toelichting op het Omgevingsbesluit. Dit deel van de toelichting gaat weliswaar over omgevingsplannen, maar het daar genoemde criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geldt ook voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. De rechtbank leidt hieruit af dat in een procedure als deze over onder de Ow verleende omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten dus ook moet worden beoordeeld of het college op voorhand in redelijkheid had moeten onderkennen dat het gebiedsbeschermingsregime in de Ow in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van de aangevraagde activiteiten.

Is sprake van een voorafgaande beoordeling van de gevolgen voor Natura 2000-gebieden?

9. Naar aanleiding van de beroepsgrond dat geen uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2023 oordeelt de rechtbank dat het college in het kader van de aanvragen van de omgevingsvergunningen een voorafgaande beoordeling van de gevolgen van de exploitatie van het VTE-terrein en de daar gehouden evenementen voor de omliggende Natura 2000-gebieden heeft uitgevoerd. Zij zal dit hierna uitleggen.

In de uitspraak van 6 december 2023 heeft de Afdeling geoordeeld dat de exploitatie van het VTE-terrein en de evenementen die daar plaatsvinden moeten worden aangemerkt als één project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn en artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb (nu: artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Ow, gelezen in combinatie met de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow). Daarom hadden de gevolgen van de exploitatie van het terrein en de daar gehouden evenementen voor Natura 2000-gebieden tezamen moeten worden beoordeeld. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat de activiteiten op het VTE-terrein niet zonder voorafgaande beoordeling van de gevolgen daarvan voor Natura 2000-gebieden doorgang mogen vinden.

In het kader van de beoordeling van de gevolgen van de evenementen waarvoor de omgevingsvergunningen zijn aangevraagd, heeft het college verwezen naar stikstofrapporten van TAUW van 31 maart 2024, 12 juli 2024 en 18 oktober 2024 en de daarbij behorende Aerius-berekeningen van respectievelijk 27 maart 2024, 11 juli 2024 en 17 oktober 2024. In het rapport van 31 maart 2024 staat dat het onderzoek is uitgevoerd door middel van ‘trial and error’. Door het maken van meerdere Aerius-berekeningen is onderzocht wat het maximale gebruik van het VTE-terrein is dat niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op relevante natuur ten opzichte van de referentiesituatie. In de rapporten van 12 juli 2024 en 18 oktober 2024 staat dat het onderzoek is uitgevoerd door een representatieve jaaragenda van het VTE-terrein door te rekenen. In de rapporten is rekening gehouden met de emissies van het verwarmen van gebouwen, het gebruik van machines voor het terreinonderhoud, het gebruik van heftrucks, hoogwerkers en aggregaten voor (de opbouw van) evenementen en het gebruik van personenwagens en vrachtwagens tijdens activiteiten op het VTE-terrein. Ook is daarin rekening gehouden met de emissies van verkeersbewegingen ten behoeve van bezoekers, personeel tijdens evenementen, opbouw van evenementen, opslag op het terrein en personeel van het VTE-terrein.

Op de zitting hebben het college en De Strip B.V. toegelicht dat gedurende het jaar steeds is bijgehouden en aan de gemeente is doorgegeven hoeveel voertuigen op het VTE-terrein werden geparkeerd in het kader van de exploitatie van dat terrein. Daarbij zijn de voertuigen die op het terrein kwamen om bezoekers af te zetten meegeteld als parkerende voertuigen. Aan de hand van de tellingen van de voertuigen heeft de gemeente gemonitord of de maximale aantallen verkeersbewegingen die zijn berekend in de rapporten van TAUW werden overschreven. Volgens het college en De Strip B.V. zijn de in die rapporten genoemde maximale bezoekersaantallen nooit overschreden.

De rechtbank is van oordeel dat uit de rapporten, de bijbehorende Aerius-berekeningen en de op de zitting gegeven toelichting blijkt dat het college de gevolgen van de evenementen, waarvoor de omgevingsvergunningen zijn aangevraagd, voor de omliggende Natura 2000-gebieden heeft beoordeeld in samenhang met de gevolgen van de exploitatie van het VTE-terrein en de andere evenementen die gedurende het kalenderjaar op dat terrein worden georganiseerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de door het college gehanteerde methode om de gevolgen te beoordelen in overeenstemming met het oordeel dat de Afdeling heeft gegeven in de uitspraak van 6 december 2023. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet. De vraag of bij de beoordeling van de gevolgen rekening is gehouden met alle relevante emissies komt hierna aan de orde.

Staat het gebiedsbeschermingsregime in de weg aan uitvoerbaarheid van de evenementen?

10. De rechtbank is van oordeel dat het college zijn standpunt dat het gebiedsbeschermingsregime in de Ow niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van de vergunde evenementen onvoldoende heeft gemotiveerd. Zij legt dit hierna uit.

StiL hebben onder meer aangevoerd dat de verkeersbewegingen van vrachtwagens zijn onderschat. Op de zitting is besproken dat volgens StiL geen rekening is gehouden met de verkeersbewegingen van de vrachtwagens die deelnemen aan het evenement ‘Tukker Truckers’ van en naar het VTE-terrein. De rechtbank begrijpt uit de stikstofrapporten en de toelichting die het college daarop in het verweerschrift en op de zitting heeft gegeven dat (de emissies van) de verkeersbewegingen van voertuigen die deelnemen aan de evenementen van en naar het VTE-terrein onderdeel zijn van (de emissies van) de in tabel 3.4 van de stikstofrapporten genoemde verkeersbewegingen. In deze tabel is alleen rekening gehouden met 365 verkeersbewegingen van middelzwaar vrachtverkeer en 200 verkeersbewegingen van zwaar vrachtverkeer voor ‘personeel en opbouw evenementen’ en voor ‘opslag op terrein’. Zonder nadere motivering – die ontbreekt – valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat hieronder ook de verkeersbewegingen van de vrachtwagens van de deelnemers van het evenement ‘Tukker Truckers’ vallen. Het college heeft op de zitting ook niet kunnen uitleggen op welke manier met deze verkeersbewegingen rekening is gehouden.

Zoals het college zelf ook heeft aangegeven zijn (de emissies van) de verkeersbewegingen van en naar het VTE-terrein doorslaggevend in het kader van de beoordeling of sprake is van een toename van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Doordat in de stikstofrapporten en de bijbehorende Aerius-berekeningen niet alle relevante verkeersbewegingen zijn meegenomen, kan op basis daarvan niet worden uitgesloten dat de vergunde evenementen significante gevolgen hebben voor de omliggende Natura 2000-gebieden. Daarom is voor deze evenementen mogelijk een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit vereist en moet mogelijk een passende beoordeling worden opgesteld, terwijl onzeker is of deze vergunning kan worden verleend. De door het college aangevoerde omstandigheden dat De Strip B.V. bij GS een aparte Wnb-vergunning heeft aangevraagd en dat de verwachting van het college is dat deze zal worden verleend, doen hier niet aan af. Hieruit volgt dat het college in redelijkheid had moeten onderkennen dat het gebiedsbeschermingsregime in de Ow in de weg kan staan aan de uitvoerbaarheid van de aangevraagde activiteiten en dat het college de vergunningverlening niet voldoende heeft gemotiveerd.

Overige beroepsgronden

11. Omdat de hiervoor besproken beroepsgrond slaagt, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen met de zaaknummers ZWO 25/754, 25/756, 25/761, 25/762, 25/1642, 25/1643, 25/1644, 25/1645 en 25/1647 zijn niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank deze beroepen niet inhoudelijk beoordeelt.

13. De beroepen met de zaaknummers ZWO 25/757, 25/758, 25/759, 25/760, 25/1646, 26/724 en 26/894 zijn gegrond omdat de bestreden besluiten III, IV, V, VI, XIII, XV en XVI in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk zijn gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom deze bestreden besluiten. De rechtbank bepaalt dat het college geen nieuwe besluiten hoeft te nemen op de bezwaren van StiL, omdat de evenementen al hebben plaatsgevonden en er daarom geen belang meer bestaat bij nieuwe besluiten op bezwaar.

14. Omdat de onder 13 genoemde beroepen gegrond zijn, moet het college het griffierecht dat StiL voor deze beroepen hebben betaald aan hen vergoeden. StiL hebben voor deze beroepen driemaal griffierecht betaald, te weten € 371, € 385 en € 397. Voor de overige beroepen is bij StiL geen griffierecht in rekening gebracht. Het totale, door het college te vergoeden bedrag aan griffierecht bedraagt daarom € 1.153.

15. Omdat de onder 13 genoemde beroepen gegrond zijn, moet het college de proceskosten die StiL voor deze beroepen hebben gemaakt aan hen vergoeden. De door StiL gemaakte proceskosten bestaan alleen uit de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor deze kosten krijgen StiL een vast bedrag per proceshandeling van € 934. StiL krijgen geen vergoeding voor het indienen van het beroepschrift, omdat dit niet is gedaan door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. StiL werden op de zitting wel bijgestaan door een professionele rechtsbijstandsverlener. Daarom krijgen zij een vergoeding voor het bijwonen van de zitting. Omdat het in dit geval gaat om zeven samenhangende zaken vermenigvuldigd de rechtbank het bedrag voor deze proceshandeling met een factor 1,5. De vergoeding voor rechtsbijstand bedraagt daarom € 1.401.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen met de zaaknummers ZWO 25/754, 25/756, 25/761, 25/762, 25/1642, 25/1643, 25/1644, 25/1645 en 25/1647 niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen met de zaaknummers ZWO 25/757, 25/758, 25/759, 25/760, 25/1646, 26/724 en 26/894 gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten III, IV, V, VI, XIII, XV en XVI;

- bepaalt dat het college geen nieuwe besluiten hoeft te nemen op de bezwaren van StiL;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 1.153 aan StiL moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.401 aan proceskosten aan StiL.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, voorzitter, en mr. V.P.K. van Rosmalen en mr. R.F. van Aalst, leden, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 7:12, eerste lid

De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. […].

Omgevingswet (Ow)

artikel 1.1, eerste lid

De bijlage bij deze wet bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen.

artikel 5.1, eerste lid

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

a. een omgevingsplanactiviteit, […]

e. een Natura 2000-activiteit, […],

tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

Bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: […];

buitenplanse omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:

a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

b. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan; […];

Natura 2000-activiteit: activiteit, inhoudende het realiseren van een project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied; […].

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

artikel 2.1, eerste lid

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: […]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]; […];

i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

artikel 2.12, eerste lid

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. Met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. In de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. In overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; […].

Wet natuurbescherming (Wnb)

artikel 2.7, tweede lid

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

artikel 8.0a, tweede lid

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Besluit omgevingsrecht (Bor)

artikel 2.2aa

Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:

a. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet, voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend; […].

Habitatrichtlijn

artikel 6, derde lid

Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand