RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Enschede, het college
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/729
Stichting Dassenwerkgroep Twente, uit Hengelo (hierna: de Dassenwerkgroep), eiseres,
en
(gemachtigde: mr. dr. D. Korsse).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [woonplaats] en De Strip B.V. uit Enschede (gemachtigde van beide: mr. dr. A.A. Freriks).
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het gebruiken van de Vliegveld Twenthe Evenementenlocatie voor het organiseren en faciliteren van evenementen. Het college heeft deze omgevingsvergunning verleend aan De Strip B.V. De Dassenwerkgroep is het niet eens met deze vergunning. Zij vreest dat het woon- en leefgebied van de das wordt verstoord en meent dat de vergunning in strijd is met de Wet natuurbescherming. Ook vindt de Dassenwerkgroep dat beschermende maatregelen in de vergunning onvoldoende zijn geconcretiseerd en geborgd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de omgevingsvergunning in stand kan blijven.
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de omgevingsvergunning in stand kan blijven en dat het college voor de verlening daarvan mocht afgaan op de adviezen van TAUW en Eelerwoude. Het college heeft zich op basis van deze adviezen op het standpunt kunnen stellen dat het organiseren en faciliteren van evenementen ten aanzien van de das niet leidt tot een overtreding, mits de geadviseerde maatregelen worden getroffen. Ook oordeelt de rechtbank dat het college deze maatregelen niet nader hoefde te concretiseren in de voorschriften van de vergunning. De Dassenwerkgroep krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Met een besluit van 30 december 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college aan De Strip B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van de voormalige luchtmachtbasis Twenthe in Enschede (hierna: het VTE-terrein) voor het organiseren en faciliteren van evenementen.
De Dassenwerkgroep heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift. [derde belanghebbende] en De Strip B.V. hebben ook schriftelijk gereageerd. De Dassenwerkgroep heeft nog nader beeldmateriaal toegezonden.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Namens de Dassenwerkgroep is [naam 1] verschenen. Namens het college zijn zijn gemachtigde, [naam 2] en [naam 3] verschenen. [derde belanghebbende] en De Strip B.V. werden vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verder zijn namens De Strip B.V. [naam 4] en [naam 5] verschenen.
De rechtbank heeft het beroep van De Dassenwerkgroep gelijktijdig behandeld met de beroepen van de Stichting Lonnekerberg en omgeving en Stichting Lonneker Land met de zaaknummers ZWO 25/754, ZWO 25/756 tot en met ZWO 25/762, ZWO 25/1642 tot en met ZWO 25/1647, ZWO 26/724 en ZWO 26/894 tegen de omgevingsvergunningen die het college aan De Strip B.V. heeft verleend voor het organiseren van zestien afzonderlijke evenementen op het VTE-terrein in de jaren 2023, 2024 en 2025 en het beroep van Stichting Lonnekerberg en omgeving, Stichting Lonneker Land en Stichting Landschap Overijssel met zaaknummer ZWO 26/783 tegen de omgevingsvergunning voor de exploitatie van het VTE-terrein. Op deze beroepen doet de rechtbank afzonderlijk uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Voorgeschiedenis en totstandkoming van het bestreden besluit
3. Hierna volgt een beschrijving van de voorgeschiedenis van het bestreden besluit en de manier waarop dit besluit tot stand is gekomen.
Het VTE-terrein beslaat een deel van de voormalige luchtmachtbasis Twenthe. Het VTE-terrein omvat een als parkeerplaats gebruikt verhard terrein (aangeduid als Deventerpoort), de voormalige taxibaan met bijbehorende gebouwen (aangeduid als De Strip) en een terrein met hangars en andere gebouwen (aangeduid als Oostkamp). Het oostelijke deel van Oostkamp wordt ook wel aangeduid als de Bunkerstrip. Het VTE-terrein is in eigendom van [derde belanghebbende] en wordt geëxploiteerd door De Strip B.V. De Strip B.V. stelt het VTE-terrein ter beschikking aan derden voor het organiseren van evenementen van verschillende aard, duur en omvang. Het VTE-terrein ligt op een afstand van ongeveer 2,4 kilometer (hierna: km) van het Natura 2000-gebied Lonnekermeer en ongeveer 4,9 km van het Natura 2000-gebied Landgoederen Oldenzaal.
Per 1 januari 2008 is de luchtmachtbasis Twenthe gesloten. Sinds 2007 werken het Rijk, de provincie Overijssel en de gemeente Enschede samen aan de gebiedsontwikkeling van de voormalige luchtmachtbasis. In 2012 is de ‘Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente’ in de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) aangewezen als gebiedsontwikkeling met nationale uitstraling. De realisatie van een evenementenlocatie is een onderdeel van die gebiedsontwikkeling. Op 11 juli 2016 is een omgevingsvergunning verleend voor een aantal activiteiten in deelgebied De Strip. Op 12 maart 2018 heeft de gemeenteraad van Enschede (hierna: de raad) het bestemmingsplan ‘Voormalige vliegbasis Twenthe Midden’ (hierna: het bestemmingsplan van 2018) vastgesteld, waarmee werd voorzien in de exploitatie van een evenementenlocatie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft deze vergunning en dit bestemmingsplan vernietigd met uitspraken van 22 januari 2020, respectievelijk 17 juli 2019. Op 29 november 2021 heeft de raad het bestemmingsplan ‘Voormalige vliegbasis Twenthe – Midden 2021’ (hierna: het bestemmingsplan van 2021) vastgesteld, waarmee opnieuw werd voorzien in de exploitatie van een evenementenlocatie. Met een uitspraak van 6 december 2023 heeft de Afdeling ook dit bestemmingsplan vernietigd. De vernietigde besluiten zijn hangende de procedures bij de Afdeling niet geschorst geweest. Daarom heeft de exploitatie van het evenemententerrein tot de uitspraken van de Afdeling plaatsgevonden op basis van die besluiten. Door de vernietiging van de bestemmingsplannen van 2018 en 2021 is het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1996’ (hierna: het bestemmingsplan van 1996) weer gaan gelden. Na de vernietiging van het bestemmingsplan van 2021 heeft de exploitatie van het VTE-terrein plaatsgevonden op basis van omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan en later het omgevingsplan voor specifieke evenementen.
Op 19 december 2023 heeft De Strip B.V. een (overkoepelende) omgevingsvergunning aangevraagd voor het gebruik van het VTE-terrein voor het organiseren en faciliteren van evenementen (hierna ook: de exploitatie van het VTE-terrein).
Voor de planologische bestemming van het VTE-terrein op dat moment, moet gekeken worden naar het bestemmingsplan van 1996. Op grond van dit bestemmingsplan heeft het VTE-terrein de bestemming ‘Vliegveld’. Op grond van artikel 32.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming ‘Vliegveld’ bestemd voor een vliegveld en militaire doeleinden. Het organiseren en faciliteren van evenementen past niet in deze bestemming.
Bij besluit van 30 december 2025 heeft het college aan De Strip B.V. de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. De vergunning heeft betrekking op de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Het college heeft gebruik gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid die is neergelegd in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (hierna: Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (hierna: Iw Ow) in werking getreden. Omdat de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de exploitatie van het VTE-terrein is ingediend vóór 1 januari 2024, blijft daarop op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Iw Ow het oude recht, waaronder de Wabo, de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en de Chw, van toepassing.
De omgevingsvergunning waar het in deze zaak om gaat, is een besluit dat op grond van de Wabo is vereist voor (een onderdeel van) de transformatie van de voormalige vliegbasis Twente in het kader van het ruimtelijke project ‘Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente’. Daarom is op dit besluit de Chw van toepassing.
Kan worden uitgesloten dat de vergunde activiteiten leiden tot verstoring en aantasting van voortplantings- en rustplaatsen van de das?
Standpunt Dassenwerkgroep
5. De Dassenwerkgroep stelt zich op het standpunt dat de vergunning niet had mogen worden verleend, omdat niet kan worden uitgesloten dat het organiseren en faciliteren van evenementen op het VTE-terrein (hierna: het project) zal leiden tot een verstoring en aantasting van de voortplantings- en rustplaatsen van de das en dus tot een overtreding van het verbod dat is neergelegd artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wnb en geen ontheffing van dat verbod is verleend.
Volgens de Dassenwerkgroep zijn de gevolgen van verstoring onvoldoende beoordeeld en is het besluit gebaseerd op incomplete gegevens, aangezien relevante gegevens over het jaar 2025 ontbreken. Zij voert aan dat De Strip B.V. haar verzoeken om de burchten zelf te mogen monitoren heeft afgewezen, waardoor zij de gebruikte onderzoeksmethode en de resultaten daarvan niet kan verifiëren. Volgens de Dassenwerkgroep is het rapport van Eelerwoude van 28 januari 2025 methodologisch onvoldoende om effecten van verstoring op de aanwezigheid van de das vast te stellen. Daarom verzoekt zij de rechtbank om Eelerwoude de onderliggende data volledig aan haar ter beschikking te laten stellen. Verder is de Dassenwerkgroep van mening dat het college het bestreden besluit ten onrechte in doorslaggevende mate heeft gebaseerd op een advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB). Volgens de Dassenwerkgroep had het college zelfstandig moeten toetsen of de gebruikte ecologische uitgangspunten juist zijn, de kennis over dassen correct is toegepast en de relevante richtlijnen zijn betrokken.
De Dassenwerkgroep is van mening dat het college een onjuiste uitleg geeft aan het begrip ‘ecologische functionaliteit’ door vrijwel alleen te kijken naar het fysiek intact blijven van de burchten. Volgens de Dassenwerkgroep omvat ecologische functionaliteit ook de daadwerkelijke bewoning van de burchten, het voortplantingssucces en de ongestoorde toegang tot foerageergebieden. Zij voert aan dat op het VTE-terrein twee bekende dassenburchten liggen op een afstand van ongeveer 1.000 meter van elkaar en dat deze burchten in ieder geval in 2022 nog hebben gefungeerd als kraamburcht. Volgens de Dassenwerkgroep dienen de bossen, grasvelden en grasbermen binnen het VTE-terrein als essentieel foerageergebied. Dit geldt met name voor zogende dassen en hun jongen, omdat zij op korte afstand van de burchten moeten kunnen foerageren. Zij stelt dat als dassen essentiële foerageergebieden niet meer kunnen bereiken, zij genoodzaakt worden de hoofd- of kraamburcht te verlaten.
Volgens de Dassenwerkgroep vormt het organiseren en faciliteren van evenementen op het VTE-terrein op korte afstand van de burchten, ook in de nacht, een risico voor het voortbestaan van de dassenpopulatie, doordat deze activiteiten het voor dassen vrijwel onmogelijk maken om de burchten als hoofd- of kraamburcht te blijven gebruiken. Meerdaagse festivals, nachtelijke evenementenactiviteiten en groepscampings met nachtelijke activiteiten mogen op grond van de vergunning op korte afstand van de burchten plaatsvinden, waardoor deze zodanig kunnen worden verstoord dat ze worden verlaten of alleen nog incidenteel door dassen kunnen worden gebruikt. Daarbij is van belang dat de wet geen onderscheid maakt tussen hoofd- en bijburchten. Buitenactiviteiten kunnen ertoe leiden dat dassen de burcht niet kunnen verlaten of bereiken, waardoor dit geen veilige verblijfplaats meer is. Dit geldt met name voor activiteiten die binnen 200 meter van de burchten plaatsvinden in de kwetsbare periode van de das. Daarbij is van belang dat dassen gevoelig zijn voor verstoring door menselijke geluiden en geuren en de aanwezigheid van mensen rondom de burcht. De Dassenwerkgroep stelt dat de vergunde evenementen juist plaatsvinden in de actieve periode van de das en structurele verstoring veroorzaken door geluid, verlichting en verhoogde menselijke aanwezigheid. Zij stelt dat uit de door Eelerwoude verstrekte informatie en haar eigen waarnemingen kan worden afgeleid dat de gehouden evenementen al tot verstoring hebben geleid. Zij heeft op basis van observaties buiten het VTE-terrein sterk de indruk dat het gebruik van de burchten door dassen in 2025 van een laag niveau was. Zij voert aan dat de burchten sinds 2023 niet meer in gebruik zijn als kraamburcht.
De Dassenwerkgroep is verder van mening dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het landelijk als standaard gehanteerde ‘kennisdocument Das’ van BIJ12. Dit heeft er volgens haar toe geleid dat is nagelaten om (voldoende ruime) verstoringsvrije zones rond de burchten vast te stellen, de functionele samenhang tussen de burchten en het foerageergebied te beoordelen en de cumulatieve effecten van geluid, licht, geur en menselijke aanwezigheid inzichtelijk te maken.
Ten slotte voert de Dassenwerkgroep aan dat de omgevingsvergunning in strijd is met de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2023 over het bestemmingsplan van 2021. Daartoe voert zij aan dat in deze uitspraak haar beroep tegen dit bestemmingsplan gegrond is verklaard. Volgens de Dassenwerkgroep stelt het college ten onrechte dat uit deze uitspraak geen verplichting volgt tot aanvullende bescherming van dassenburchten.
Oordeel rechtbank
6. Samengevat is de rechtbank van oordeel dat het college mocht afgaan op de adviezen van TAUW en Eelerwoude. Het college heeft zich op basis van deze adviezen op het standpunt kunnen stellen dat het project ten aanzien van de das niet leidt tot een overtreding van artikel 3.10, eerste lid, van de Wnb, mits de geadviseerde maatregelen worden getroffen. Het gevolg daarvan is dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat voor de exploitatie van het VTE-terrein een ontheffing op grond van de Wnb is vereist en sprake is van een aanhaakverplichting. De rechtbank legt dit hierna uit.
De aanhaakverplichting
De aanvraag en de omgevingsvergunning hebben betrekking op de activiteit in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Besluit omgevingsrecht, is het verrichten van een handeling als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wnb, aangewezen als omgevingsvergunningplichtige activiteit, voor zover voor die handeling geen ontheffing op grond van de Wnb is aangevraagd of verleend. Dit betekent dat, als er op het moment van het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning geen Wnb-ontheffing is gevraagd of verleend, de verplichting bestaat om tegelijkertijd met de omgevingsvergunning voor die activiteit een natuurtoestemming aan te vragen die aanhaakt bij de omgevingsvergunning.
De rechtbank stelt vast dat er op het moment dat het college het bestreden besluit nam, geen Wnb-ontheffing was aangevraagd of verleend. Daarom moest het college in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning beoordelen of daarbij een aanvraag voor een natuurtoestemming moest aanhaken. De omstandigheid dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: GS) op 14 juli 2022 het bestuurlijk rechtsoordeel had gegeven dat de voorgenomen activiteiten op het VTE-terrein niet leiden tot overtredingen van de verbodsbepalingen in de Wnb en dat deze activiteiten daarom niet ontheffingplichtig zijn, maakt dat niet anders. Dit bestuurlijk rechtsoordeel kan namelijk niet gelijk worden gesteld met een beoordeling van een aangevraagde Wnb-ontheffing. Het college heeft dan ook terecht beoordeeld of het project leidt tot een overtreding van het verbod van artikel 3.10, eerste lid, van de Wnb en of als gevolg daarvan sprake is van een aanhaakverplichting.
De verbodsbepaling van de Wnb
Op grond van artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb, gelezen in combinatie met bijlage A van die wet, is het verboden om de vaste voortplantings- of rustplaatsen van in het wild levende dassen opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Foerageergebieden worden in beginsel niet beschermd via het soortenbeschermingsregime van de Wnb. Op dit uitgangspunt gelden twee uitzonderingen. De eerste uitzondering betreft gevallen waarbij een foerageergebied samenvalt met een vaste voortplantings- of rustplaats. De tweede uitzondering betreft gevallen waarbij essentiële foerageergebieden die niet samenvallen met een vaste voortplantings- of rustplaats, zodanig worden aangetast dat daardoor de functionaliteit van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de betrokken diersoort wordt aangetast. Onder een essentieel foerageergebied wordt daarbij verstaan: een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantings- of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen.
Vaststaat dat op het VTE-terrein in ieder geval voortplantings- of rustplaatsen van de das (burchten) aanwezig zijn, en dat die op zichzelf niet worden beschadigd of vernield door de vergunde activiteiten. Ter discussie staat wel of essentiële foerageergebieden worden aangetast door de activiteiten. Het college heeft onder verwijzing naar verschillende onderzoeksrapporten geconcludeerd dat dit niet het geval is.
De onderzoeksrapporten
Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van een deskundige, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.
De rechtbank constateert dat het college het door de Dassenwerkgroep genoemde verslag van de StAB heeft genoemd in de zienswijzennota, als onderdeel van de reactie op de zienswijze van de Dassenwerkgroep. Dit verslag is echter niet bij de aanvraag of de omgevingsvergunning gevoegd. Bovendien heeft het college op de zitting verklaard dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op dit verslag. Daarom zal de rechtbank in deze uitspraak verder niet ingaan op wat de Dassenwerkgroep heeft aangevoerd over dit verslag.
Het college heeft zijn conclusie dat het verbod van artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb niet wordt overtreden voor wat betreft de das vooral gebaseerd op een rapport van TAUW van 28 april 2021 (hierna: het TAUW-rapport) en op twee rapporten van Eelerwoude van 28 maart 2024 en 18 januari 2025. Tussen partijen is niet in geschil dat TAUW en Eelerwoude deskundig zijn op het gebied van ecologie en soortenbescherming.
Het TAUW-rapport is opgesteld in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan van 2021 en de aanvragen voor een aantal omgevingsvergunningen. In paragraaf 4.3.4 van het TAUW-rapport is uitgebreid ingegaan op de aanwezigheid van dassen(burchten) op het VTE-terrein en de mogelijke gevolgen van de exploitatie van dat terrein voor die dassen(burchten). TAUW concludeert dat er geen risico is voor het opzettelijk doden van dassen, omdat er maatregelen worden getroffen waardoor de burchten worden ontzien. TAUW merkt op dat een burcht zijn functie als verblijfplaats alleen kan behouden als er voor de das voldoende foerageergebied aanwezig is en dit foerageergebied bereikbaar is. TAUW geeft aan dat het territorium van de das 30 hectare (hierna: ha) (in optimaal leefgebied) tot 600 ha (in suboptimaal leefgebied) beslaat en dat rondom een dassenburcht binnen een afstand van 500 meter tot enkele kilometers geschikt foerageergebied aanwezig moet zijn. TAUW concludeert dat voor beide dassenburchten in deze zone rondom de burcht ruim voldoende geschikt foerageergebied ligt. TAUW geeft aan dat de burcht bij de Strip in een bosperceel ligt dat direct grenst aan natuurgebied, dat vanuit deze burcht de foerageergebieden altijd goed bereikbaar zijn en dat er ook tijdens evenementen geen barrièrewerking is tussen deze burcht en de foerageergebieden. TAUW geeft verder aan dat de burcht bij de Bunkerstraat ligt ingeklemd tussen twee verharde wegen en dat geschikte foerageergebieden worden bereikt door deze wegen over te steken naar de overliggende bosgebieden. Daarom gelden volgens TAUW in een deel van het bosperceel restricties ten aanzien van activiteiten in de nacht (actieve periode van de das) die dassen (kunnen) belemmeren om via dit bosperceel foerageergebied in het gebied ‘Lonnekerberg’ te bereiken. TAUW geeft aan dat, hoewel voor de das geen verbod op verstoring geldt, uit voorzorg maatregelen worden genomen om verstoring alsnog zo veel mogelijk te voorkomen. Verstoring kan plaatsvinden als de das zich buiten de burcht begeeft. De das is een nachtdier en verlaat de burcht pas ’s avonds laat en keert in de ochtend terug om te rusten. Volgens TAUW blijkt uit recent onderzoek dat dassen relatief ongevoelig zijn voor werkzaamheden in de nacht. TAUW concludeert dat door de bospercelen met de burchten te ontzien, ervoor wordt gezorgd dat in de directe omgeving van de burcht geen verstoring plaatsvindt en dat de das de mogelijkheid heeft om ongestoord migratieroutes en foerageergebied te bereiken. TAUW geeft aan dat de activiteiten die overdag plaatsvinden met zekerheid geen effect op de das hebben en dat hetzelfde geldt voor activiteiten die (dag en nacht) plaatsvinden in gebouwen. Volgens TAUW is er tijdens evenementen die na zonsondergang plaatsvinden in principe een kans op verstoring en leidt het kamperen op graslanden nabij de dassenburcht bij de Strip tot het tijdelijk ongeschikt maken van dit deel van het grasland, maar is er voor de dassen ruim voldoende onverstoord foerageergebied aanwezig buiten het VTE-terrein en is dit foerageergebied voor de dassen ook goed bereikbaar. TAUW concludeert dat, als de in het rapport genoemde maatregelen worden getroffen, het soortenbeschermingsregime van de Wnb niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en voor de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is gevraagd geen ontheffing van de Wnb nodig is.
In het TAUW-rapport worden de volgende maatregelen genoemd die nodig zijn ter voorkoming van verstoring en aantasting van de voortplantings- en rustplaatsen van de das:
In de boszones met een dassenburcht zijn nieuwbouw en kappen/rooien van bomen en struweel niet toegestaan.
De boszones met de burchten worden voorafgaand aan grootschalige buiten-evenementen of leisure activiteiten ontoegankelijk gemaakt voor bezoekers. Dit is eenvoudig te bewerkstelligen door het gebruik van hekken en/of dichte takkenrillen in de bosranden met voldoende opening aan de onderkant. Dit gebeurt onder begeleiding van een deskundige waarbij zorg gedragen wordt dat de migratieroutes (takkenrillen, dassenwissels) en foerageergebieden bereikbaar blijven.
Voor de zone rond de burcht bij de Bunkerstraat gelden de volgende maatregelen:
- gebruik van de bunkers is toegestaan;
- leisure en evenementen zijn toegestaan van zonsopgang tot zonsondergang;
- gebruik van bestaande verharding is toegestaan van zonsopgang tot zonsondergang;
- buiten de bunkers is geen verlichting toegestaan;
- kappen van bomen en verwijderen van onderbegroeiing is niet toegestaan.
De rechtbank constateert dat deze maatregelen zijn overgenomen in voorschrift D, leden 2 en 3, van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van het VTE-terrein, met dien verstande dat daarin niet wordt gesproken over leisure, nu deze activiteit niet is aangevraagd en ook niet is vergund. Verder merkt de rechtbank op dat het college heeft toegelicht dat bij de burcht op De Strip een permanente voorziening is aangebracht, waarmee wordt voorkomen dat bezoekers in de buurt van de dassenburcht kunnen komen.
In het rapport van 28 maart 2024 gaat Eelerwoude in op de resultaten van de monitoring van de aanwezigheid van (onder meer) de das op het VTE-terrein in de jaren 2021, 2022 en 2023. In dit rapport is geconcludeerd dat het gebruik als evenementenlocatie niet leidt tot andere, afwijkende effecten dan eerder getoetst en beschreven. In het rapport van 18 januari 2025 gaat Eelerwoude in op de resultaten van de monitoring van de aanwezigheid van (onder meer) de das op het VTE-terrein in het jaar 2024.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft opgemerkt, is het TAUW-rapport opgesteld in het kader van (onder meer) de vaststelling van het bestemmingsplan van 2021. De rechtbank is het met het college eens dat de omgevingsvergunning die in deze zaak aan de orde is, een minder intensief gebruik van het VTE-terrein toestaat dan werd voorzien in het bestemmingsplan van 2021. Dit volgt onder meer uit de omstandigheid dat dit bestemmingsplan voorzag in een exploitatie met 500.000 bezoekers per jaar, terwijl de omgevingsvergunning volgens partijen uitgaat van 184.000 bezoekers per jaar. Daarnaast waren op grond van het bestemmingsplan twaalf grootschalige evenementen per jaar toegestaan, terwijl de omgevingsvergunning voorziet in twee van dergelijke evenementen per jaar. Ook bood het bestemmingsplan onder meer mogelijkheden voor bouwactiviteiten en het afsteken van vuurwerk, die de omgevingsvergunning niet biedt. Het college heeft hier terecht uit afgeleid dat de ecologische onderzoeken die ten grondslag zijn gelegd aan het bestemmingsplan, waaronder het TAUW-rapport, uitgaan van een situatie die ongunstiger is voor de das dan de situatie die mogelijk wordt gemaakt met de omgevingsvergunning. Daarom kon het college zijn standpunt in beginsel (mede) baseren op dit rapport. De Dassenwerkgroep heeft niet uitgelegd waarom dat anders zou zijn.
Het college heeft toegelicht dat de rapporten van Eelerwoude van 28 maart 2024 en 28 januari 2025 de resultaten bevatten van de uitgevoerde monitoring en dat deze monitoring inzichtelijk maakt welke beschermde soorten zich in het plangebied vestigen of juist daaruit verdwijnen. Het college heeft als bijlage bij het verweerschrift ook het meest recente monitoringsrapport van 16 maart 2026 overgelegd. Het college heeft erop gewezen dat in deze rapporten geen analyse wordt gemaakt van de potentiële gevolgen van de exploitatie van het VTE-terrein voor de beschermde soorten en dat die analyse is terug te vinden in andere rapporten, waaronder het TAUW-rapport. De rechtbank is van oordeel dat de monitoringsrapporten daarom niet hoefden te voldoen aan het door de Dassenwerkgroep gestelde vereiste en dat het college de conclusies van deze rapporten heeft kunnen gebruiken ter bevestiging van de conclusies van het TAUW-rapport. De rechtbank ziet in wat de Dassenwerkgroep heeft aangevoerd over deze rapporten geen aanleiding om te twijfelen aan de constateringen die in deze rapporten zijn gedaan en de conclusies die daaraan zijn verbonden. Mede omdat de monitoring onverplicht, op eigen initiatief van De Strip B.V. wordt verricht, ziet de rechtbank geen aanleiding om het college en/of Eelerwoude op te dragen om de onderliggende data ter beschikking te (laten) stellen.
De rechtbank is van oordeel dat wat de Dassenwerkgroep heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het TAUW-rapport en de rapporten van Eelerwoude, de begrijpelijkheid van de in die rapporten gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. De rechtbank volgt de Dassenwerkgroep niet in haar standpunt dat het college een onjuiste uitleg geeft aan het begrip ecologische functionaliteit door vrijwel alleen te kijken naar het fysiek intact blijven van de burchten. In het TAUW-rapport is niet alleen beoordeeld of de exploitatie van het VTE-terrein kan leiden tot het vernielen van de burchten maar ook of deze exploitatie kan leiden tot verstoring van de dassen en gevolgen heeft voor de mogelijkheden van de in de burchten verblijvende dassen om essentiële foerageergebieden te bereiken en te gebruiken. In het rapport van Eelerwoude van 28 maart 2024 is beoordeeld of het gebruik als evenementenlocatie leidt tot andere, afwijkende effecten dan eerder getoetst en beschreven in onder meer het TAUW-rapport. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit een afname van het aantal waarnemingen van dassen niet zonder meer worden afgeleid dat de exploitatie van het VTE-terrein leidt tot een zodanige aantasting van essentiële foerageergebieden van de das dat daardoor de functionaliteit van de burchten wordt aangetast. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat na 2022 in de burchten geen jongen meer zijn geboren. Uit het rapport van 28 maart 2024 blijkt dat beide burchten in 2021 en 2022 werden aangemerkt als hoofd- en kraamburcht en dat Eelerwoude, op basis van het aantal waarnemingen, beide burchten in 2023 heeft aangemerkt als bijburcht. In het rapport van 18 januari 2025 heeft Eelerwoude aangegeven dat in 2024, uitgaande van het aantal waarnemingen, de burcht op De Strip waarschijnlijk in gebruik was als bijburcht en de burcht op het Bunkerpark waarschijnlijk een functie had als hoofdburcht. Dit is bevestigd in het door het college genoemde rapport van Eelerwoude van 16 maart 2026. Hieruit blijkt dat de functie van de burchten in de loop der jaren is gewijzigd. De rechtbank is van oordeel dat de Dassenwerkgroep niet aannemelijk heeft gemaakt dat de afname van het gebruik van de burchten en het verliezen van de functie van kraamburcht gevolgen zijn van een aantasting van essentiële foerageergebieden, noch dat deze afname is veroorzaakt door de exploitatie van het VTE-terrein. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de burcht op het Bunkerpark weliswaar in 2023 zijn functie als hoofdburcht heeft verloren, maar deze functie in 2024 ook weer heeft teruggekregen. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat Eelerwoude in het door [derde belanghebbende] en De Strip B.V. overgelegde rapport van 27 mei 2026 aangeeft dat het variëren van de functie als hoofd-, kraam- en bijburcht een natuurlijk gegeven is dat wordt veroorzaakt door diverse aspecten als bijvoorbeeld voedselaanbod en groepssamenstelling. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat TAUW heeft geconcludeerd dat buiten het VTE-terrein in een zone van 500 meter rondom beide burchten ruim voldoende onverstoord foerageergebied aanwezig is en dat dit foerageergebied voor de dassen ook goed bereikbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank geeft wat de Dassenwerkgroep heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om aan deze conclusie van de deskundige te twijfelen. Daarbij komt dat, zoals het college heeft aangevoerd, ook het grootste deel van de bossen, grasvelden en bermen op het VTE-terrein als foerageergebied voor de das beschikbaar blijven, zeker in de nachtelijke uren waarin de das actief is. De enkele omstandigheid dat een deel van die gebieden gedurende een beperkte periode gebruikt kan worden ten behoeve van een evenement (bijvoorbeeld om te kamperen), heeft niet tot gevolg dat de ecologische functionaliteit van de dassenburchten afneemt. Hierbij is mede van belang dat in voorschrift A, leden 4 en 6, van de omgevingsvergunning is bepaald dat in het kader van een evenement uitsluitend mag worden gekampeerd op verhardingen en/of grasvelden, dat de Bunkerstrip uitsluitend mag worden gebruikt voor geluidsarme activiteiten en dat op de Bunkerstrip geen evenementen met muziek of andere versterkte geluidsbronnen mogen plaatsvinden.
De rechtbank is het met het college eens dat het ‘kennisdocument Das’ voor het college niet juridisch bindend is. Het document is opgesteld door BIJ12 in opdracht van het Interprovinciaal Overleg. In het document staat dat de beleidskeuzes uit het document zijn verwijderd. Voor zover het document toch nog beleidskeuzes bevat, gaat het daarbij om beleid van de provincie en niet van de gemeente. Dat het college dit document niet heeft toegepast, is daarom geen reden om te oordelen dat het bestreden besluit onrechtmatig is.
De Afdelings-uitspraak
De rechtbank volgt de Dassenwerkgroep niet in haar standpunt dat de omgevingsvergunning in strijd is met de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 6 december 2023 over het bestemmingsplan van 2021. In deze uitspraak heeft de Afdeling het bestemmingsplan vernietigd omdat het standpunt van de raad en GS over de gevolgen van de ontwikkelingen op het VTE-terrein voor Natura 2000-gebieden niet juist is. De Afdeling is in deze uitspraak niet toegekomen aan de bespreking van de gronden van de Dassenwerkgroep over de gevolgen van deze ontwikkelingen voor beschermde soorten.
Tussenconclusie
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het college mocht afgaan op de adviezen van TAUW en Eelerwoude. Het college heeft zich op basis van deze adviezen op het standpunt kunnen stellen dat het project ten aanzien van de das niet leidt tot een overtreding van artikel 3.10, eerste lid, van de Wnb, mits de door TAUW geadviseerde maatregelen worden getroffen. Voor zover deze maatregelen niet worden getroffen, bijvoorbeeld doordat de boszones met de burchten voorafgaand aan grootschalige buiten-evenementen niet of onvoldoende ontoegankelijk worden gemaakt voor bezoekers, kan daartegen handhavend worden opgetreden.
Hieruit volgt dat wat de Dassenwerkgroep heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat voor de exploitatie van het VTE-terrein een Wnb-ontheffing is vereist en sprake is van een aanhaakverplichting. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
Had het college de maatregelen meer moeten concretiseren en borgen in vergunningsvoorschriften?
7. De Dassenwerkgroep stelt zich op het standpunt dat de in de rapporten genoemde mitigerende maatregelen, zoals het afsluiten van wegen en het niet plaatsen van verlichting, in de vergunning niet concreet zijn vastgelegd, niet objectief zijn begrensd en afhankelijk zijn van de organisatorische keuzes per evenement. Volgens haar zijn deze maatregelen niet voldoende geborgd in voorschriften, waardoor ze niet kunnen worden afgedwongen en gehandhaafd.
8. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zijn de in het TAUW-rapport genoemde maatregelen ter bescherming van de aanwezige dassenburchten overgenomen in voorschrift D, leden 2 en 3, van de omgevingsvergunning. De in een notitie van TAUW van 29 maart 2024 genoemde algemene verlichtingsmaatregelen zijn overgenomen in voorschrift D, lid 1, van de vergunning. De rechtbank ziet in wat de Dassenwerkgroep heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de omschrijving van de maatregelen in deze voorschriften onvoldoende concreet of onvoldoende objectief begrensd is. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college aan de vergunning meer of andere voorschriften had moeten verbinden over het afsluiten van wegen of het niet plaatsen van verlichting. Hieruit volgt dat deze beroepsgrond niet slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beroepsgronden van de Dassenwerkgroep niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Dassenwerkgroep krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, voorzitter, en mr. V.P.K. van Rosmalen en mr. R.F. van Aalst, leden, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
artikel 2.1, eerste lid
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: […]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […];
[…];
i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.
artikel 2.12, eerste lid
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; […].
Wet natuurbescherming (Wnb)
artikel 3.10, eerste lid
Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:
a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;
b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of
c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Crisis- en herstelwet (Chw)
artikel 1.1, eerste lid
Afdeling 2 is van toepassing op:
a. alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist […]voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten; […].
Bijlage II van de Crisis- en herstelwet
Aa. Overige ruimtelijke projecten
[…]
Nr: 13
Aanduiding project: Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente
Omschrijving ligging of locatie: Driehoek tussen Hengelo, Oldenzaal en Enschede
Aard van het project: Integrale gebiedsontwikkeling; transformatie van de voormalige vliegbasis Twente en herontwikkeling voormalige militaire kampen en bijbehorende gronden (ontwikkeling burgerluchthaven, natuurontwikkeling, leisure, bedrijvigheid, evenementen en woningbouw)
[…]
Besluit omgevingsrecht (Bor)
artikel 2.2aa
Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen: […];
b. het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede of zevende lid, 3.8, tweede of zevende lid, 3.10, tweede of derde lid, of 3.31, eerste lid, voor zover die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor die handeling geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste lid, is aangevraagd of verleend.