ECLI:NL:RBOVE:2026:570

ECLI:NL:RBOVE:2026:570

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 06-02-2026
Zaaknummer 11752936 \ CV EXPL 25-1783
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Enschede

Samenvatting

Eiser en gedaagde hebben een overeenkomst gesloten voor het verrichten van juridische werkzaamheden in een wrakingsprocedure bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ten behoeve van gedaagde. Eiser heeft hiervoor meerdere facturen gestuurd aan gedaagde die hij (grotendeels) niet heeft betaald. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde de facturen volledig moet betalen. De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van gedaagde dat partijen een vast bedrag zijn overeengekomen. In de offerte staat duidelijk en ondubbelzinnig dat eiser de werkzaamheden zou verrichten op basis van een uurtarief. De kantonrechter gaat ook voorbij aan de stelling van gedaagde dat eiser zou hebben gehandeld in strijd met zijn zorgplicht. Niet alleen omdat een schending van de zorgplicht (die overigens door eiser wordt betwist) gedaagde niet ontslaat van zijn betalingsverplichting, maar ook omdat niet is komen vast te staan dat eiser de werkzaamheden voor een vast bedrag zou verrichten of dat hij zijn werkzaamheden kwalitatief slecht zou hebben verricht.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer: 11752936 \ CV EXPL 25-1783

Vonnis van 13 januari 2026

in de zaak van

[eiser] , handelend onder de naam [bedrijf 1],

te [woonplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. [eiser],

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf 2],

te [woonplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1. De zaak in het kort

[eiser] en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten voor het verrichten van juridische werkzaamheden in een wrakingsprocedure bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ten behoeve van [gedaagde]. [eiser] heeft hiervoor meerdere facturen gestuurd aan [gedaagde] die hij (grotendeels) niet heeft betaald. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de facturen volledig moet betalen. De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van [gedaagde] dat partijen een vast bedrag zijn overeengekomen. In de offerte staat duidelijk en ondubbelzinnig dat [eiser] de werkzaamheden zou verrichten op basis van een uurtarief. De kantonrechter gaat ook voorbij aan de stelling van [gedaagde] dat [eiser] zou hebben gehandeld in strijd met zijn zorgplicht. Niet alleen omdat een schending van de zorgplicht (die overigens door [eiser] wordt betwist) [gedaagde] niet ontslaat van zijn betalingsverplichting, maar ook omdat niet is komen vast te staan dat [eiser] de werkzaamheden voor een vast bedrag zou verrichten of dat hij zijn werkzaamheden kwalitatief slecht zou hebben verricht.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 10 juni 2025;

het herstelexploot van 11 juni 2025;

de akte overlegging producties van 24 juni 2025 aan de zijde van [eiser];

de conclusie van antwoord met producties;

de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; en

de mondelinge behandeling van 12 december 2025, waarbij partijen zijn verschenen en [eiser] is bijgestaan door zijn gemachtigde.

Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

[eiser] heeft een advocatenkantoor: [bedrijf 1].

[gedaagde] heeft een eenmanszaak: [bedrijf 2], die zich onder meer bezighoudt met de groothandel en handelsbemiddeling in auto-onderdelen en -accessoires.

[gedaagde] heeft in privé een rechtszaak tegen de ABN Amro Bank N.V. (hierna: ABN Amro) gevoerd bij de rechtbank Overijssel. Daarnaast is [gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf 2], betrokken geweest in een procedure bij de rechtbank Overijssel tegen de ING Bank N.V. (hierna: ING). De rechtbank heeft in beide zaken vonnis gewezen. Tegen beide vonnissen is hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

[eiser] heeft op 26 januari 2024 aan [gedaagde] in privé en aan [naam] (de vader van [gedaagde] als diens belangenbehartiger) een offerte gestuurd, waarin het volgende staat:

‘[…]

II. Werkzaamheden

We hebben besproken dat ik mij in deze zaak uitsluitend zal richten op het alsnog verkrijgen van het P-V. Ik zal dit buitengerechtelijke doen (de rechtbank aanschrijven, evt. klacht indienen etc.) en indien nodig, zal ik hiervoor een procedure starten tegen de Staat. Als het P-V uiteindelijk wordt afgegeven (of bij onherroepelijke uitspraak wordt beslist dat het P-V niet afgegeven hoeft te worden), zit mijn werk erop. Eventueel zouden we alsdan nieuwe afspraken kunnen maken over het vervolg (bijvoorbeeld de Staat aansprakelijk stellen, eventueel herroeping overwegen, etc.), maar die werkzaamheden vallen niet onder het bereik van deze opdracht.

[…]

III. Kosten: min/max tarief

[…] Ik heb gisteren aangegeven dat ik overweeg een vaste prijs aan te bieden voor mijn werkzaamheden ad € 5.000, - incl. btw. Ik heb er toen echter geen rekening mee gehouden dat de Btw wel verrekend kan worden (ik ging uit voor prijzen voor particulieren). […] ben ik bereid om voor deze zaak een vaste prijs te rekenen ad 4750 excl. Btw/5747,50 incl. btw (het ‘min-tarief’). […]

[…] Ik zal voor dit bedrag mijn werkzaamheden verrichten tot het moment waarop (dus mijn werkzaamheden eindigen als):

a. het eindvonnis is gewezen;

[…]’

De vader van [gedaagde] heeft op 28 januari 2024 per e-mail gereageerd op de offerte. In deze e-mail staat:

‘[…] We zijn aan het onderzoeken hoe we de betalingen uit de gestuurde offerte kunnen waarborgen. Kom hier zo snel mogelijk op terug. […]’

De offerte van 26 januari 2024 is niet geaccordeerd.

De mondelinge behandeling in hoger beroep in de zaak van [gedaagde] tegen de ING was op 6 september 2024. Na de mondelinge behandeling maar voordat het Gerechtshof arrest had gewezen, heeft de toenmalige advocaat van [gedaagde], mr. De Jong, zich als advocaat onttrokken.

[gedaagde] heeft op 30 december 2024 in persoon een wrakingsverzoek ingediend van een raadsheer-commissaris ten overstaan van wie de mondelinge behandeling had plaatsgevonden. De wrakingskamer heeft [gedaagde] tot 14 januari 2025 in de gelegenheid gesteld om het wrakingsverzoek in te dienen door tussenkomst van een advocaat.

De vader van [gedaagde] heeft telefonisch contact gehad met [eiser] over het indienen van een wrakingsverzoek. [eiser] heeft naar aanleiding van dit telefoongesprek op 13 januari 2025 aan [gedaagde] een offerte gestuurd, waarin het volgende staat:

‘[…] Vanmiddag heb jij (c.q. heeft jouw vader) mij gebeld of ik mij wil stellen in de zaak en of ik het wrakingsverzoek wil indienen.

[…]

Werkzaamheden

Als er tussen ons een overeenkomst tot stand komt, zal ik - zoals het er nu uit ziet - de volgende werkzaamheden verrichten.

Allereerst zal ik mij vandaag nog stellen in de hoger beroepsprocedure. […]

[…] Ik zal vervolgens jouw kansen/positie inschatten ter zake van het wrakingsverzoek. Als wraking opportuun acht, dan zal ik namens jou alsnog een wrakingsverzoek indienen. […]

Kosten

Met betrekking tot de kosten waar je rekening mee moet houden, geldt het volgende.

Uurtarief

Ik zal voor mijn werkzaamheden een uurtarief ad € 209,75 excl. Btw hanteren (onderstreping door de kantonrechter). Kosten van derden (ook wel 'verschotten' genoemd), zoals bijvoorbeeld kosten voor een aangetekende brief, deurwaarderskosten, griffierecht, etc. zijn daarbij niet inbegrepen. Ook reiskosten zijn daarbij niet inbegrepen. Verschotten zal ik (indien mogelijk vooraf) separaat bij je in rekening brengen. De door mij gewerkte (en te factureren) tijd, noteer ik telkens in eenheden van zes minuten. Eén uur is dus gelijk aan tien (10) eenheden. Ik factureer eens per maand achteraf de door mij aan dit dossier bestede uren. Voorschotfacturen kan ik ook tussentijds toezenden. Dit geldt ook voor facturen waarmee ik (vooraf) verschotten bij je in rekening breng.

Ik streef ernaar om telkens in de eerste week van elke nieuwe maand te factureren. De gewerkte uren en (nog onbetaalde) verschotten worden alsdan in rekening gebracht en - indien van toepassing - verrekend met de voorschotbetaling (althans het bedrag dat daarvan nog in depot is). Bij de factuur tref je telkens een urenspecificatie aan waarop je kan zien welke werkzaamheden ik heb verricht en hoeveel tijd ik aan die werkzaamheden heb besteed. […]

Voorschot

Ik zal een voorschotbetaling ad € 1.048,75 excl. Btw van je vragen. De factuur tref je reeds bijgaand aan. Genoemd bedrag komt overeen met 5 uur werk. […]

Toevoeging

Mr. De Jong heeft de procedure voor jou tot nu toe gevoerd op basis van een toevoeging. Je komt dus zeker in aanmerking voor een toevoeging (ook wel 'door de overheid gefinancierde rechtsbijstand'). Ik zal de toevoeging van mr. De Jong echter niet overnemen/voortzetten. Mijn kantoor neemt geen zaken op basis van een toevoeging aan. Dat hebben wij (althans ik en jouw vader) ook telefonisch zo besproken. Ik zal de zaak dus op basis van mijn uurtarief aannemen. […]

Overeenkomst

Als je instemt met de inhoud van deze offerte, dan verzoek ik je dat in een reply op deze e-mail te bevestigen simpelweg met de mededeling dat de offerte akkoord is. […]’

[eiser] heeft een voorschotnota ter hoogte van € 1.268,99 inclusief btw met de offerte meegestuurd.

[gedaagde] heeft op 14 januari 2025 aan [eiser] de volgende e-mail gestuurd:

‘[…] Ga akkoord met de offerte. […]’

[gedaagde] heeft op 23 januari 2025 € 1.268,99 aan [eiser] betaald. In de omschrijving van de overboeking staat:

‘[…] Voorschot Wrakingsverzoek gerechtshof Arnhem. […]’

[eiser] heeft zich op 13 januari 2025 tegen de roldatum van 14 januari 2025 gesteld als advocaat van [gedaagde] en verzocht om uitstel voor het indienen van het wrakingsverzoek. Hem is daarvoor een termijn van twee weken gegeven en [eiser] heeft het wrakingsverzoek vervolgens op 28 januari 2025 ingediend.

[eiser] heeft op 3 februari 2025 aan [gedaagde] een factuur gestuurd van € 2.423,76 inclusief btw. In de factuur staat dat na verrekening met de voorschotnota € 1.154,77 inclusief btw resteert en dat [gedaagde] dit bedrag binnen veertien dagen moet betalen. [eiser] heeft met de factuur een urenspecificatie meegestuurd, waarin staat:

‘[…] 20-01-2025 […] mogelijk N-O vanwege te laat indienen wrakingsver. […]’

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek was op 14 maart 2025. [gedaagde], de vader van [gedaagde] en [eiser] waren daarbij aanwezig.

[eiser] heeft op 21 maart 2025 een laatste factuur gestuurd van € 2.233,78 inclusief btw, waarbij een urenspecificatie is meegestuurd. In de factuur staat dat in totaal nog € 3.388,55 inclusief btw openstaat (€ 2.233,78 + € 1.154,77). [eiser] heeft [gedaagde] een betalingstermijn van veertien dagen gegeven.

De wrakingskamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft [gedaagde] op 28 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wraking.

[eiser] heeft [gedaagde] bij aangetekende brief van 19 mei 2025 een aanmaning gestuurd, waarin staat dat [gedaagde] de facturen ter hoogte van € 3.388,55 inclusief btw binnen vijftien dagen moet betalen en dat [eiser] aanspraak maakt op de buitengerechtelijke incassokosten van € 463,86 en op de wettelijke handelsrente als [gedaagde] met de betaling in gebreke blijft.

[gedaagde] heeft de facturen niet voldaan.

4. Het geschil

[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van € 3.388,55 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente als bedoeld in artikel 6:119(a) van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vanaf 1 juni 2025 tot aan de dag van volledige betaling. [eiser] vordert verder dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 76,38 aan verschenen wettelijke (handels)rente en € 463,86 aan buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] vordert tot slot dat [gedaagde] de kosten van deze procedure betaalt, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als [gedaagde] deze kosten niet binnen veertien dagen na dit vonnis heeft voldaan.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Als de kantonrechter de vorderingen van [eiser] niet afwijst, voert [gedaagde] subsidiair als verweer dat de vordering van [eiser] wordt toegewezen tot € 1.250, - (conform de gemaakte prijsafspraken, waarvan [gedaagde] € 1.268,99 heeft betaald).

5. De beoordeling

Ambtshalve toetsing

[eiser] en [gedaagde] hebben een overeenkomst van opdracht gesloten voor het verrichten van juridische werkzaamheden in de wrakingsprocedure bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ten behoeve van [gedaagde]. De kantonrechter moet eerst ambtshalve toetsen of [gedaagde] deze overeenkomst als consument (niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf) is aangegaan. [gedaagde] heeft bij de mondelinge behandeling gezegd dat hij met de ING een kredietovereenkomst is aangegaan voor de financiering van zijn bedrijf. Ook heeft hij ter zitting benadrukt dat de onderhavige zaak en de zaak tegen de ING en de ABN Amro onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] gelet op deze omstandigheden geen consument is, zodat aan [gedaagde] geen consumentenbescherming toekomt.

Partijen zijn een uurtarief overeengekomen

[eiser] vordert betaling van € 3.388,55 door [gedaagde] op grond van nakoming van de betalingsverplichting die voor [gedaagde] uit de overeenkomst voortvloeit. Die overeenkomst houdt volgens [eiser] in dat hij in opdracht en ten behoeve van [gedaagde] in de wrakingsprocedure juridische werkzaamheden heeft verricht tegen een uurtarief van € 209,75 exclusief btw. [eiser] verwijst hiervoor naar de door [gedaagde] aanvaarde offerte van 13 januari 2025. [eiser] heeft voor de door hem verrichte werkzaamheden facturen gestuurd, die [gedaagde] niet (volledig) heeft betaald.

[gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat partijen een uurtarief overeen zijn gekomen. Partijen hebben mondeling de duidelijke prijsafspraak gemaakt dat [eiser] [gedaagde] in de wrakingsprocedure zou bijstaan voor een vast bedrag van € 1.250, -. [gedaagde] verwijst hiervoor naar de offerte van 26 januari 2024. [gedaagde] heeft deze offerte niet ondertekend, vanwege zijn (slechte) financiële situatie. [gedaagde] heeft eerder tegen de ING en de ABN Amro geprocedeerd op basis van toevoeging. [eiser] was van de financiële situatie van [gedaagde] op de hoogte. [gedaagde] voert aan dat de offerte van 13 januari 2025 leek op de offerte van 26 januari 2024 en dat hij die eerste offerte heeft geaccepteerd op basis van de toezeggingen van [eiser] en onder de verwachting dat de werkzaamheden in de wrakingsprocedure zouden worden verricht voor een vast bedrag van € 1.250, -. Volgens [gedaagde] mocht hij hier gerechtvaardigd op vertrouwen, omdat [eiser] zeer betrokken was en de aansprakelijkheidstelling van de Staat tegen een vast bedrag van € 5.000, - wilde doen.

De kantonrechter overweegt dat partijen een overeenkomst van opdracht gesloten hebben voor het verrichten van juridische werkzaamheden in de wrakingsprocedure (artikel 7:400 BW). [gedaagde] heeft het bestaan van de overeenkomst als zodanig ook niet weersproken. Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel moet betalen voor de werkzaamheden die [eiser] heeft verricht en dat hij de facturen moet voldoen (artikel 7:405 lid 1 BW). Partijen twisten over de vraag of [eiser] de werkzaamheden zou verrichten op basis van een uurtarief of op basis van een vast bedrag.

Bij de uitleg van een overeenkomst en de vraag of deze een leemte laat die moet worden aangevuld, moet niet alleen worden gekeken naar de schriftelijke bewoordingen in een overeenkomst, maar komt het ook aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de door hen gebezigde bewoordingen mochten toekennen en op wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (‘de Haviltex-maatstaf’). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan acht worden geslagen op het feitelijk handelen van partijen, ook op gedragingen na het sluiten van de overeenkomst.

[eiser] stelt dat [gedaagde] op grond van de overeenkomst van opdracht een uurtarief van € 209,75 exclusief btw moet betalen voor het aantal uren dat hij heeft gewerkt. Volgens de hoofdregel van bewijslastverdeling moet [eiser] feiten en omstandigheden stellen – en bij voldoende gemotiveerde betwisting door [gedaagde] bewijzen – die tot het oordeel (kunnen) leiden dat partijen bedoelden dit uurtarief overeen te komen (artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv). De rechter komt niet toe aan bewijslevering als [eiser] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht of als gestelde feiten al vaststaan (artikel 149 Rv).

[eiser] heeft twee offertes gestuurd aan [gedaagde]: de eerste offerte is van 26 januari 2024 en de tweede offerte is van 13 januari 2025. Vaststaat dat [gedaagde] de offerte van 26 januari 2024 niet heeft geaccepteerd. Partijen hebben bij de mondelinge behandeling gezegd dat [eiser] ook geen werkzaamheden heeft verricht op basis van die offerte. Niet in geschil is dat [gedaagde] de offerte van 13 januari 2025 heeft geaccepteerd. Ter zitting is komen vast te staan dat [eiser] op basis van deze offerte wel verdere werkzaamheden heeft verricht en dat hij in het kader van deze offerte aan [gedaagde] facturen heeft gestuurd. De kantonrechter oordeelt dat uit de schriftelijke bewoordingen van de offerte van 13 januari 2025 niet anders kan worden afgeleid dan dat partijen een uurtarief zijn overeengekomen. Dit staat duidelijk en ondubbelzinnig in de offerte. De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van [gedaagde] dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [eiser] de werkzaamheden voor een vast bedrag van € 1.250, - zou verrichten. Dat [eiser] heeft toegezegd dat hij zijn werkzaamheden in de wrakingsprocedure zou verrichten voor dat bedrag heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd en dit blijkt ook niet uit de stukken in het dossier. Deze uitleg strookt ook niet met het feit dat [gedaagde] € 1.268,99 heeft betaald, het bedrag van de voorschotnota die [eiser] bij de offerte van 13 januari 2025 heeft meegestuurd. De kantonrechter concludeert dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat partijen een uurtarief zijn overeengekomen voor het verrichten van de werkzaamheden in de wrakingsprocedure. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.

De kantonrechter oordeelt dat [eiser] voldoende gemotiveerd heeft gesteld en onderbouwd dat partijen een uurtarief van € 209,75 exclusief btw zijn overeengekomen en dat [gedaagde] dit uurtarief op grond van de overeenkomst moet betalen.

Geen schending van de zorgplicht

[gedaagde] stelt dat [eiser] handelt in strijd met de zorgvuldigheid en transparantie die op basis van de Gedragsregels Advocatuur van een advocaat mag worden verwacht, nu [eiser] ontkent dat partijen een vaste prijs hebben afgesproken en hij [gedaagde] daarmee feitelijk neerzet als onbetrouwbare of liegende partij. Dit geldt temeer nu blijkt dat [eiser] zelf zijn afspraak schriftelijk heeft vastgelegd en later zegt dat hij dit niet heeft gedaan.

De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] een beroep doet op wanprestatie door [eiser]. De kantonrechter gaat aan de stelling van [gedaagde] voorbij. Daarbij geldt allereerst dat [gedaagde] niet wordt ontslagen van zijn betalingsverplichting door het enkele bestaan van een tekortkoming van [eiser] (die hij overigens betwist) zonder dat [gedaagde] daarbij een beroep doet op opschorting of verrekening met schadevergoeding. Voorts geldt dat [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat [eiser] heeft gehandeld in strijd met zijn zorgplicht.

De kantonrechter heeft hiervoor onder 5.7 beslist dat niet is komen vast te staan dat partijen een vast bedrag zijn overeengekomen. [gedaagde] heeft niet weersproken dat [eiser] de gefactureerde werkzaamheden heeft verricht noch (gemotiveerd) gesteld dat [eiser] zijn werkzaamheden kwalitatief slecht heeft verricht. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat uit de urenspecificaties bij de factuur van 3 februari 2025 blijkt dat [eiser] telefonisch contact heeft gehad met [gedaagde] en dat hij [gedaagde] heeft gewezen op een mogelijke niet-ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek. Dit laatste heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd bevestigd en hij heeft daaraan toegevoegd dat [gedaagde] desondanks wilde dat hij het wrakingsverzoek zou indienen. [gedaagde] heeft dit niet weersproken, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan (artikel 149 lid 1 Rv). Dit betekent dat [gedaagde] de facturen moet betalen, zodat de kantonrechter dit deel van de vordering van [eiser] zal toewijzen.

De conclusie

De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de openstaande facturen van € 3.388,55 inclusief btw moet betalen. De kantonrechter zal dit deel van de vordering van [eiser] toewijzen.

[gedaagde] is de wettelijke handelsrente verschuldigd

[eiser] vordert betaling van € 76,38 aan tot 1 juni 2025 verschenen wettelijke handelsrente over de afzonderlijke facturen en vervolgens de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 1 juni 2025. Hij stelt dat partijen een handelsovereenkomst hebben gesloten en dat [gedaagde] de onderhavige facturen onbetaald heeft gelaten. [gedaagde] heeft dit niet weersproken, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan en dit deel van de vordering zal toewijzen

[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen

[eiser] vordert betaling van € 463,86 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De kantonrechter zal dit deel van de vordering daarom toewijzen.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

De kantonrechter begrijpt dat [eiser] zijn vordering ter zitting heeft gespecificeerd in die zin dat hij primair de werkelijke proceskosten vordert althans subsidiair de proceskosten naar liquidatietarief. De kantonrechter wijst een veroordeling in de werkelijke proceskosten af. Niet alleen omdat [eiser] deze eisvermeerdering niet bij akte heeft ingediend (artikel 130 lid 1 Rv), maar ook omdat deze op inhoudelijke gronden niet kan worden toegewezen.

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

120,76

- griffierecht

257,00

- salaris gemachtigde

542,00

(2 punten × € 271,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.054,76

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 3.388,55 aan [eiser], te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 juni 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 76,38 aan tot 1 juni 2025 verschenen wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW aan [eiser];

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 463,86 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser];

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.054,76, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na dit vonnis zijn betaald;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot en in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. Marsman op 13 januari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?