ECLI:NL:RBOVE:2026:5733

ECLI:NL:RBOVE:2026:5733

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 28-09-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer 08-389206-24 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 30-jarige man tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 185 dagen voorwaardelijk, een taakstraf van 240 uren en een meldplicht bij de reclassering. De verdachte is ruim een jaar bezorger geweest voor een drugslijn en heeft samen met anderen op grootschalige wijze in harddrugs gedeald. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van harddrugs.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-389206-24 (P)

Datum vonnis: 28 september 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] .

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 augustus 2026, 28 augustus 2026 en 14 september 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R. Oude Breuil, advocaat in Hengelo (O), naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 24 augustus 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in Enschede, althans in Nederland,

feit 1: in de periode van 15 december 2022 tot en met 2 februari 2025, al dan niet samen met anderen, heeft gedeald in cocaïne, MDMA, 3-MMC en/of amfetamine (lijst I van de Opiumwet);

feit 2: op 3 februari 2025 opzettelijk amfetamine (lijst I van de Opiumwet) aanwezig heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 december 2023 tot en met 2 februari 2025 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad,

- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en/of

- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en/of

- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende 3-MMC, zijnde 3-MMC en/of

- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine,

(telkens) (een) middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2

hij op of omstreeks 3 februari 2025 Enschede, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine, (telkens) (een) middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3. De bewijsmotivering

Inleiding

De zaak tegen verdachte maakt deel uit van onderzoek Boerderij24. In dit onderzoek is tegen vijf verdachten, te weten verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en

[medeverdachte 4] (hierna respectievelijk: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] ) de verdenking gerezen dat zij zich bezig hielden met de handel in harddrugs. Aanleiding voor het onderzoek was de aanhouding van [medeverdachte 2] op 4 juli 2024 wegens verdenking van het besturen van een personenauto onder invloed van drugs en het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs. Bij zijn aanhouding zijn twee telefoons onder hem inbeslaggenomen en deze zijn later onderzocht. In die telefoons trof de politie verschillende chatberichten aan die erop duidden dat [medeverdachte 2] - samen met anderen - betrokken is geweest bij een drugslijn die bekend stond als ‘ [alias 1] ’. Via Whatsapp werd een prijslijst verspreid van [alias 1] met daarop de diverse soorten drugs. Een afnemer kon via Whatsapp bestellen, waarna de drugs werd bezorgd en veelal contant of via “Tikkies” werd afgerekend. De bevindingen uit het onderzoek in de telefoons van [medeverdachte 2] - en het verdere onderzoek dat als gevolg daarvan werd verricht - hebben geleid tot de aanhoudingen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 3 februari 2025. Verdachte en [medeverdachte 4] zijn op 17 februari 2025 aangehouden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard, met uitzondering van het bereiden en bewerken onder feit 1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard, mede gelet op de bekennende verklaring die verdachte daarover heeft afgelegd. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het bereiden en bewerken van harddrugs onder feit 1, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor die onderdelen van de tenlastelegging. Daarnaast dient verdachte te worden vrijgesproken van alle gedragingen omtrent 3-MMC over de periode van 15 december 2023 tot en met 10 april 2024, omdat 3-MMC pas per 11 april 2024 op lijst I van de Opiumwet is geplaatst.

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaande feiten en omstandigheden

Vaststaat dat [medeverdachte 1] sinds 2022 de drugslijn [alias 1] in beheer had en schuil ging onder de naam ‘ [alias 2] ’. Hij kocht de harddrugs in, onderhield het contact met klanten, ontving hun bestellingen en was verantwoordelijk voor het bijvullen van de drugsvoorraad van de bezorgers. De drugs werd verstopt op afgesproken plekken in bosschages, waar het van de klanten ontvangen geld door de bezorgers vervolgens werd achtergelaten. De bezorgers van de drugslijn handelden onder de namen ‘ [alias 3] ’, ‘ [alias 4] ’ en ‘ [alias 5] ’. Verdachte - handelend onder de naam ‘ [alias 4] ’ - heeft in opdracht van [medeverdachte 1] drugsbestellingen bezorgd voor deze drugslijn.

De beoordeling van de feiten

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Feit 1

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 augustus 2026, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

Het proces-verbaal van bevindingen van 14 november 2024 (pag. 187 e.v.);

Het proces-verbaal van bevindingen van 22 november 2024 (pag. 209 e.v.).

Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte zich ook bezighield met de productie van verdovende middelen. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij voor het ten laste gelegde bereiden en bewerken onder feit 1.

Feit 2

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 augustus 2026, inhoudende de bekennende verklaring verdachte;

Het proces-verbaal van bevindingen van 4 juli 2025 (aanvullend proces-verbaal, pag. 18 e.v.);

Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 30 april 2025 (aanvullend proces-verbaal, pag. 40 e.v.);

De NFI-rapporten van 30 april 2025 (aanvullend proces-verbaal, pag. 57-58).

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 15 december 2023 tot en met 2 februari 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd en aanwezig heeft gehad,

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-MMC, zijnde 3-MMC, en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine,

telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 3 februari 2025 te Enschede opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid 3-MMC

De stof 3-MMC is vanaf 16 april 2024 opgenomen op lijst I van de Opiumwet. De rechtbank stelt daarom vast dat de bewezen verklaarde handelingen van verdachte met betrekking tot de stof 3-MMC pas strafbaar zijn vanaf die datum.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van het voorarrest en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met een proeftijd van drie jaren met bijzondere voorwaarden en een taakstraf voor de duur van 120 uren aan verdachte op te leggen. Als verdachte weer naar de gevangenis moet, zal dit de positieve ontwikkeling doorkruisen die hij heeft doorgemaakt tijdens het schorsingstoezicht.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De ernst van de feiten

Verdachte is ruim een jaar bezorger geweest voor de drugslijn ‘ [alias 1] ’ en heeft samen met anderen op grootschalige wijze in harddrugs gedeald. Deze drugslijn had een groot klantenbestand van ruim 1600 afnemers. [medeverdachte 1] kocht de drugs in, onderhield het klantencontact en ontving alle bestellingen. Verdachte had de taak om de drugsbestellingen in opdracht van [medeverdachte 1] bij de klanten te bezorgen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van harddrugs. Het is algemeen bekend dat harddrugs zeer verslavend zijn en dat overmatig gebruik ervan kan leiden tot zeer ernstige gezondheidsrisico’s. Door zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van het illegale criminele circuit waarbinnen deze handel in en de productie van harddrugs plaatsvindt. De handel in drugs gaat gepaard met allerlei vormen van zware criminaliteit, zoals geweldsmisdrijven al dan niet in combinatie met wapens en andere ondermijnende criminaliteit. Verdachte heeft zich van dit alles geen rekenschap gegeven en heeft alleen zijn eigen financieel gewin voor ogen gehad. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 4 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een Opiumwet-feit. Verdachte is op 7 juli 2025 veroordeeld voor vuurwapenbezit, waardoor de rechtbank rekening zal houden met artikel 63 Sr.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over verdachte.

In het reclasseringsadvies van 11 juni 2026 is onder meer te lezen dat verdachte wordt gezien als een kwetsbare man die veel begeleiding en steun nodig heeft om zijn leven vorm te kunnen geven.

In het meest recente reclasseringsadvies van 7 augustus 2026 is te lezen dat het psychosociaal functioneren van verdachte, zijn sociale netwerk en zijn financiën worden geduid als delictgerelateerde factoren. Verdachte is gediagnosticeerd met een licht-verstandelijke beperking (TIQ 60) waardoor hij mogelijk moeite heeft met het overzien van de gevolgen van zijn keuzes en er sprake is van een verminderde weerbaarheid ten aanzien van negatieve beïnvloeding door anderen. De strafzaak lijkt zijn inzicht in de gevolgen van zijn handelen enigszins te hebben vergroot, hetgeen mogelijk een beschermende werking heeft op toekomstig gedrag. Daarnaast onderhoudt verdachte momenteel enkel contact met familieleden en de begeleiding van Stichting [stichting] , om te voorkomen dat hij zijn vertrouwen vestigt in personen die een negatieve invloed op hem hebben. Deze bewuste gedachtegang kan ook een beschermende werking hebben. Zijn werk wordt ook beschouwd als een beschermende factor. Sinds juni 2025 loopt het schorsingstoezicht. Verdachte komt de afspraken in het kader van de meldplicht goed na. Ook woont verdachte naar tevredenheid al geruime tijd in zijn woning in [plaats] , waarbij sprake is van 24-uurs begeleiding door Stichting [stichting] . In het kader van de behandelverplichting heeft onlangs een intakegesprek plaatsgevonden bij Trajectum. Hoewel de behandeling zich nog in een opstartende fase bevindt, toont verdachte zich tot op heden coöperatief en responsief ten aanzien van zowel de begeleiding/behandeling als het reclasseringstoezicht. Dit zijn positieve aanknopingspunten voor gedragsverandering. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag-gemiddeld. De reclassering acht voortzetting van het toezicht en de daaraan gekoppelde voorwaarden aangewezen, zodat de ingezette behandeling en begeleiding kunnen worden voortgezet en verder kunnen worden bestendigd. Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met bijzondere voorwaarden in de vorm van een meldplicht, ambulante begeleiding en verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De op te leggen straf

De rechtbank ziet dat verdachte tijdens het schorsingstoezicht hard aan zichzelf heeft gewerkt en dat hij uit het crimineel netwerk is getreden. Dit valt verdachte te prijzen. Dat geldt ook voor het feit dat verdachte - hoewel pas in een later stadium van het proces - een meewerkende houding heeft getoond en openheid van zaken heeft gegeven. Dit zal de rechtbank in positieve zin meewegen bij de strafoplegging.

De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geven voor het dealen van gebruikershoeveelheden harddrugs voor een periode van zes tot twaalf maanden als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. Voor het opzettelijk aanwezig hebben van de hoeveelheid harddrugs als in de onderhavige zaak hanteren de LOVS-oriëntatiepunten een taakstraf van 240 uren. Gezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf echter beperken tot de duur van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. In deze zaak is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet opnieuw in detentie moet verblijven, maar zal de rechtbank, naast een aanvullende voorwaardelijke gevangenisstraf, de maximale taakstraf opleggen. Hierbij weegt de rechtbank in het bijzonder mee dat verdachte - in vergelijking met de meeste medeverdachten - voor kortere duur heeft gehandeld in drugs, dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat verdachte dit veelvuldig heeft gedaan en dat verdachte een ondergeschikte rol had in het geheel.

Alles afwegende, waaronder ook de straffen die aan de medeverdachten worden opgelegd, komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, waarvan 185 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden koppelen zoals die door de reclassering in het rapport van 7 augustus 2026 zijn geadviseerd. Daarnaast wordt aan verdachte een maximale taakstraf voor de duur van 240 uren opgelegd.

De inbeslaggenomen voorwerpen

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen telefoon aan verdachte kan worden teruggegeven, omdat uit het onderzoek niet is gebleken dat de strafbare feiten met deze telefoon zijn gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over het beslag.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het telefoontoestel, op de beslaglijst van 20 januari 2026 vermeld onder nummer 1 (PL0600-2024309609-G3385634), aangezien deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, met uitzondering van de gedragingen ter zake 3-MMC in de periode van 15 december 2023 tot en met 15 april 2024;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderd veertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 (driehonderd) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 185 (honderd vijfentachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de

proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen twee werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] ;

- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Trajectum of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op zijn psychische problematiek en zijn cognitieve vaardigheden;

- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de in beslag genomen voorwerpen

- gelast de teruggave van het telefoontoestel, op de beslaglijst van 20 januari 2026 vermeld onder nummer 1 (PL0600-2024309609-G3385634), aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. R.A. Heblij en

mr. D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.M.F. Schreurs
  • mr. R.A. Heblij
  • mr. D.K. ten Cate

Griffier

  • mr. K.J. ten Brink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand