RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-230784-24 (P)
Datum vonnis: 28 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 augustus 2026, 28 augustus 2026 en 14 september 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. U. Ural, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 24 augustus 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in Enschede, althans in Nederland:
feit 1: in de periode van 12 november 2022 tot en met 2 februari 2025, al dan niet samen met anderen, heeft gedeald in cocaïne, MDMA, 3-MMC en/of amfetamine (lijst I van de Opiumwet);
feit 2: op 3 februari 2025, al dan niet samen met anderen, opzettelijk cocaïne, MDMA,
3-MMC en/of methamfetamine (lijst I van de Opiumwet), in een pand aan de [adres 2], aanwezig heeft gehad;
feit 3: op 4 juli 2024 opzettelijk cocaïne, MDMA, 3-MMC en/of 2C-B (lijst I van de Opiumwet) aanwezig heeft gehad;
feit 4: op 4 juli 2024 een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij onder invloed was van cocaïne (83 microgram per liter bloed).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 november 2022 tot en met 2 februari 2025 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad,
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en/of - (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en/of
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende 3-MMC, zijnde 3-MMC en/of
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine,
(telkens) (een) middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk ((in een pand aan de [adres 2]) aanwezig heeft gehad,
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en/of
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en/of
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende 3-MMC, zijnde 3-MMC en/of
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende methamfetamine (crystal meth), zijnde methamfetamine,
(telkens) (een) middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij op of omstreeks 4 juli 2024 te Enschede, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en/of
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en/of
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende 3-MMC, zijnde 3-MMC en/of
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende 2C-B, zijnde 2C-B,
(telkens) (een) middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4
hij op omstreeks 4 juli 2024 te Enschede, althans in Nederland, een voertuig, te weten een personenauto (Volkswagen Polo, kenteken [kenteken]), heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 83 microgram (per liter) bedroeg, in elk geval zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde.
3. De bewijsmotivering
Inleiding
De zaak tegen verdachte maakt deel uit van onderzoek Boerderij24. In dit onderzoek is tegen vijf verdachten, te weten verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2],
[medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] (hierna respectievelijk: [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]) de verdenking gerezen dat zij zich bezig hielden met de handel in harddrugs. Aanleiding voor het onderzoek was de aanhouding van verdachte op 4 juli 2024 wegens verdenking van het besturen van een personenauto onder invloed van drugs en het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs. Bij zijn aanhouding zijn twee telefoons onder hem inbeslaggenomen en deze zijn later onderzocht. In die telefoons trof de politie verschillende chatberichten aan die erop duidden dat verdachte - samen met anderen - betrokken is geweest bij een drugslijn die bekend stond als ‘[alias 1]’. Via Whatsapp werd een prijslijst verspreid van [alias 1] met daarop de diverse soorten drugs. Een afnemer kon via Whatsapp bestellen, waarna de drugs werd bezorgd en veelal contant of via “Tikkies” werd afgerekend. De bevindingen uit het onderzoek in de telefoons van verdachte - en het verdere onderzoek dat als gevolg daarvan werd verricht - hebben geleid tot de aanhoudingen van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op 3 februari 2025. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] zijn op 17 februari 2025 aangehouden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard, met uitzondering van het bereiden en bewerken onder feit 1, het aanwezig hebben van 3-MMC onder feit 2 en het aanwezig hebben van 3-MMC en 2C-B onder feit 3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit onder 1 wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard, met uitzondering van het bereiden en bewerken van harddrugs. Daarbij heeft de raadsman betoogd dat de startdatum van de pleegperiode moet worden vastgesteld op 4 augustus 2023 en dat verdachte daarom partieel moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde periode van 12 november 2022 tot en met 3 augustus 2023. Voor de ten laste gelegde feiten onder 2, 3 en 4 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de bewijsvraag.
Het oordeel van de rechtbank
Vaststaande feiten en omstandigheden
Vaststaat dat [medeverdachte 1] sinds 2022 de drugslijn [alias 1] in beheer had en schuil ging onder de naam ‘[alias 2]’. Hij kocht de harddrugs in, onderhield het contact met klanten, ontving hun bestellingen en was verantwoordelijk voor het bijvullen van de drugsvoorraad van de bezorgers. De drugs werd verstopt op afgesproken plekken in bosschages, waar het van de klanten ontvangen geld door de bezorgers werd achtergelaten. De bezorgers van de drugslijn handelden onder de namen ‘[alias 3]’, ‘[alias 4]’ en ‘[alias 5]’. Verdachte - handelend onder de naam ‘[alias 3]’ - heeft in opdracht van [medeverdachte 1] drugsbestellingen bezorgd voor deze drugslijn. Verdachte maakte daarnaast ook weekplanningen voor de andere bezorgers en verrichtte administratieve taken, zoals het collecteren en wegbrengen van geld.
De beoordeling van de feiten
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
3.4.2.1 Feit 1
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 augustus 2026, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Het proces-verbaal van bevindingen van 14 november 2024 (pag. 187 e.v.);
Het proces-verbaal van bevindingen van 10 december 2024 (pag. 108 e.v.).
Het proces-verbaal van bevindingen van 4 juli 2025 (aanvullend proces-verbaal, pag. 59 e.v.);
Het proces-verbaal van bevindingen van 4 december 2024 (pag. 88 e.v.);
Het proces-verbaal van bevindingen van 5 december 2024 (pag. 230 e.v.);
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 4 februari 2025 (pag. 827 e.v.).
Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte zich ook bezighield met de productie van verdovende middelen. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij voor het ten laste gelegde bereiden en bewerken onder feit 1.
Pleegperiode
De raadsman heeft betoogd dat de startdatum van de pleegperiode ligt op 4 augustus 2023. De rechtbank overweegt op basis van de opgenomen bewijsmiddelen op dit punt het volgende.
In een onderzochte telefoon van [medeverdachte 1] is een chatgesprek met verdachte aangetroffen dat zich uitstrekt over de periode van 12 november 2022 tot en met 27 september 2024. In die periode hebben [medeverdachte 1] en verdachte 25.748 berichten naar elkaar verstuurd. Uit die berichten volgt dat verdachte op 17 november 2022 een opdracht van [medeverdachte 1] ontving om een drugsbestelling af te leveren (hierna ook: dealopdracht). Verdachte gaf een bevestiging nadat de drugs bezorgd waren. Die dealopdrachten worden daarna gedurende het hele gesprek door [medeverdachte 1] aan verdachte verstrekt. Ook uit de onder verdachte in beslag genomen telefoon, de Samsung S23, blijkt dat verdachte op 17 november 2022 wordt gevraagd of hij een “missie” kan doen. Daarnaast heeft verdachte via zijn telefoon op 2, 3 en 24 december 2022 dealopdrachten aan een ander toegestuurd. Ook op 28 mei 2023 krijgt verdachte via die telefoon een dealopdracht van [medeverdachte 1]. Bovendien wordt de naam ‘[alias 2]’ (de schuilnaam van [medeverdachte 1]) ook door verdachte genoemd in chatgesprekken van januari en maart 2023.
De rechtbank merkt op dat het voor een bewezenverklaring van de dealperiode niet gaat om de frequentie van het dealen. Aan de hand van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte vanaf 17 november 2022 dealopdrachten van [medeverdachte 1] heeft ontvangen en heeft uitgevoerd.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het dealen in harddrugs gedurende de periode van 17 november 2022 tot en met 2 februari 2025 wettig en overtuigend bewezen.
3.4.2.2 Feit 2
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 augustus 2026, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Het proces-verbaal van bevindingen van 3 februari 2025 (pag. 649 e.v.);
Het proces-verbaal van bevindingen van 4 juli 2025 (aanvullend proces-verbaal, pag. 18 e.v.);
Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 30 april 2025 (aanvullend proces-verbaal, pag. 21 e.v.);
De NFI-rapporten van 30 april 2025 (aanvullend proces-verbaal, pag. 47-51).
Vrijspraak 3-MMC en medeplegen
Uit het dossier volgt niet dat er 3-MMC is aangetroffen in het pand aan de [adres 2] en ook niet dat verdachte het feit in nauwe en bewuste samenwerking met een ander heeft gepleegd. De rechtbank acht die onderdelen van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
3.4.2.3 Feit 3
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 augustus 2026, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Het proces-verbaal van bevindingen van 4 juli 2024 (pag. 74 e.v.);
Het proces-verbaal van bevindingen van 7 juli 2024 (pag. 85 e.v.);
Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 17 december 2014 (pag. 623 e.v.);
De kennisgevingen van inbeslagneming (pag. 1208, 1219, 1223, 1225, 1227, 1233 en 1237);
De NFI-rapporten van 13 december 2024 (pag. 640-647).
Vrijspraak 2C-B
Het dossier bevat geen NFI-rapport waarin wordt bevestigd dat ook de stof 2C-B onder verdachte is aangetroffen en bevat enkel de vermelding van een Marquis-test die daar een aanwijzing voor geeft. Vanwege het gebrek aan een identificerend onderzoeksrapport acht de rechtbank het onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk een hoeveelheid 2C-B aanwezig heeft gehad en spreekt hem van dat onderdeel van de tenlastelegging vrij.
3.4.2.4 Feit 4
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 augustus 2026, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Het proces-verbaal rijden onder invloed van 4 juli 2024 (pag. 60 e.v.);
Het rapport drugs in het verkeer van 17 juli 2024 (pag. 69 e.v.).
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 17 november 2022 tot en met 2 februari 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd en aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-MMC, zijnde 3-MMC, en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij op 3 februari 2025 te Enschede opzettelijk in een pand aan de [adres 2] aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine (crystal meth), zijnde methamfetamine,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.
hij op en omstreeks 4 juli 2024 te Enschede opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-MMC, zijnde 3-MMC,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4.
hij op 4 juli 2024 te Enschede een voertuig, te weten een personenauto (Volkswagen Polo, kenteken [kenteken]), heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl, ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij de aangewezen stof vermelde meetbare stof 83 microgram (per liter) bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit bij die stof afzonderlijk vermelde grenswaarde.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), in de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en in de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
en
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4
het misdrijf: overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid 3-MMC
De stof 3-MMC is vanaf 16 april 2024 opgenomen op lijst I van de Opiumwet. De rechtbank stelt daarom vast dat de bewezen verklaarde handelingen van verdachte met betrekking tot de stof 3-MMC pas strafbaar zijn vanaf die datum.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van het voorarrest en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en daarnaast een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 240 uur (al dan niet hoger) aan verdachte op te leggen. Als verdachte weer naar de gevangenis moet, zal dit de positieve ontwikkeling doorkruisen die hij heeft doorgemaakt tijdens het schorsingstoezicht. Ook moet rekening worden gehouden met het tijdsverloop. Tot slot is verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op de datum van de uitspraak op te heffen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte is ruim twee jaren bezorger geweest voor de drugslijn ‘[alias 1]’ en heeft samen met anderen op grootschalige wijze in harddrugs gedeald. Deze drugslijn had een groot klantenbestand van ruim 1600 afnemers. [medeverdachte 1] kocht de drugs in, onderhield het klantencontact en ontving alle bestellingen. De rol van verdachte in de drugslijn beperkte zich niet alleen tot het bezorgen van de drugsbestellingen, maar hij maakte ook weekplanningen voor de andere bezorgers. Daarnaast verrichtte hij administratieve werkzaamheden, zoals het collecteren en wegbrengen van geld. Ook volgt uit het dossier dat verdachte wel eens bezorgopdrachten aan anderen stuurde. Daarnaast heeft verdachte zich tot twee keer toe schuldig gemaakt aan het bezit van harddrugs en aan het besturen van een auto onder invloed van cocaïne.
Het is algemeen bekend dat harddrugs zeer verslavend zijn en dat overmatig gebruik ervan kan leiden tot zeer ernstige gezondheidsrisico’s. Door zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van het illegale criminele circuit waarbinnen deze handel in en de productie van harddrugs plaatsvindt. De handel in drugs gaat gepaard met allerlei vormen van zware criminaliteit, zoals geweldsmisdrijven al dan niet in combinatie met wapens en andere ondermijnende criminaliteit. Verdachte heeft zich van dit alles geen rekenschap gegeven en heeft alleen zijn eigen financieel gewin voor ogen gehad. De rechtbank rekent verdachte dit aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 15 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte op 12 december 2023 een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor een Opiumwet-feit, waardoor artikel 63 Sr van toepassing is.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de reclasseringsadviezen van Tactus Reclassering [plaats] over verdachte.
In het reclasseringsadvies van 22 juli 2025 is onder meer te lezen dat er op dat moment sprake was van forse verslavingsproblematiek bij verdachte ten aanzien van gokken, alcohol en drugs.
In het meest recente reclasseringsadvies van 18 augustus 2026 is te lezen dat de financiële druk en het middelengebruik van verdachte belangrijke criminogene factoren vormen. De stoornis in het gebruik van cocaïne lijkt in vroege remissie en er zijn geen aanwijzingen voor nieuw harddrugsgebruik. De problematiek rondom cannabis en alcohol is nog steeds aanwezig. De voornaamste risicofactor blijft het onvoldoende kunnen begrenzen van zijn alcoholgebruik, in combinatie met de schuldenproblematiek en de stress en schaamte die verdachte ervaart. In het verleden zocht hij hiervoor een uitweg in middelengebruik en gokken. Hoewel hij zich binnen de behandeling steeds meer openstelt en zijn zelfinzicht is toegenomen, vraagt dit patroon volgens de reclassering blijvende aandacht vanwege het risico op terugval in middelengebruik en delictgedrag. De huidige behandeling bij JusTact binnen het schorsingstoezicht is een beschermende factor, samen met zijn motivatie en medewerking aan het toezicht, zijn abstinentie in harddrugs en de steun en begrenzing vanuit zijn familie en vriendin. Voor zover bekend, heeft betrokkene gedurende het schorsingstoezicht de bijzondere voorwaarden niet overtreden. Het recidiverisico wordt als gemiddeld ingeschat. De reclassering acht voortzetting van het toezicht en de behandeling aangewezen, zodat verdachte verder kan werken aan het stabiliseren van zijn alcoholgebruik, het aanpakken van zijn schulden en het beperken van het risico op nieuw delictgedrag. Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, aflossing van schulden en beheersing van middelengebruik.
De op te leggen straf
De rechtbank ziet dat verdachte tijdens het schorsingstoezicht hard aan zichzelf heeft gewerkt en dat hij uit het crimineel netwerk is getreden. Dit valt verdachte te prijzen. Dat geldt ook voor het feit dat verdachte gedurende het hele proces een meewerkende houding heeft getoond en openheid van zaken heeft gegeven. Dit zal de rechtbank in positieve zin meewegen bij de strafoplegging.
Hier staat echter tegenover dat voor langdurige handel in harddrugs en op harddrugsbezit in de regel forse onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geven voor het dealen van gebruikershoeveelheden harddrugs voor een periode van zes tot twaalf maanden als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. De pleegperiode in de zaak van verdachte is minstens twee keer zo lang. Voor het opzettelijk aanwezig hebben van de hoeveelheden harddrugs als in de onderhavige zaak hanteren de LOVS-oriëntatiepunten een gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf van tachtig uren. Dat maakt dat - gezien de ernst en veelheid van de gepleegde feiten, de lange pleegperiode en de grotere rol van verdachte in het geheel - niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank onderschrijft de door de reclassering gesignaleerde risicofactoren en is van oordeel dat behandeling en beheersing van middelengebruik zoals voorgesteld kunnen bijdragen aan het verder opbouwen van een positief en delictvrij leven. De rechtbank realiseert zich dat de reeds opgestarte behandeling zal worden gestaakt door oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een groot deel van de op te leggen gevangenisstraf zal in voorwaardelijke zin worden opgelegd met daaraan gekoppeld de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Dit dient - na detentie - als een forse stok achter de deur voor verdachte om niet opnieuw over te gaan tot het plegen van strafbare feiten en als motivatie om de positieve lijn weer voort te zetten.
Alles afwegende, waaronder ook de straffen die aan de medeverdachten worden opgelegd, komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden koppelen zoals die door de reclassering in het rapport van 18 augustus 2026 zijn geadviseerd.
Voorlopige hechtenis
Gelet op voormelde bewezenverklaring en de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf, zal de rechtbank het verzoek van de raadsman tot opheffing van het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis afwijzen. Uit de bewezenverklaring blijkt immers dat sprake is van ernstige bezwaren, en ook de gronden die tot het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid zijn nog onverkort aanwezig. Hoewel het schorsingstoezicht tot op heden goed verloopt, ziet de rechtbank gelet op hetgeen hiervoor over verdachte is beschreven nog altijd een gevaar voor recidive.
De inbeslaggenomen voorwerpen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder verdachte inbeslaggenomen telefoontoestellen en de personenauto verbeurd moeten worden verklaard, omdat deze goederen zijn gebruikt ten behoeve van de drugshandel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over het beslag.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de, op de beslaglijst van 20 januari 2026 vermelde, volgende goederen moeten worden verbeurdverklaard:
telefoontoestel Apple iPhone voorwerp 1, PL0600-2024309609-G3385465,
personenauto ([kenteken]) voorwerp 6, PL0600-2024309609-G3181432,
telefoontoestel Samsung voorwerp 7, PL0600-2024309609-G3246290,
telefoontoestel Samsung voorwerp 8, PL0600-2024309609-G3246294,
omdat het voorwerpen betreffen met betrekking tot welke de feiten zijn begaan.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 Sr.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, met uitzondering van de gedragingen ter zake 3-MMC in de periode van 17 november 2022 tot en met 15 april 2024 (feit 1);
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
en
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4
het misdrijf: overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich meldt bij Tactus Reclassering op het adres [adres 3]. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich laat behandelen door Forensische Polikliniek JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van de psychische toestand kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter via de procedure van artikel 6:6:19 Sv, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en harddrugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
de in beslag genomen voorwerpen
- verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, vermeld op de beslaglijst van
20 januari 2026, onder de volgende voorwerpnummers:
- telefoontoestel Apple iPhone voorwerp 1, PL0600-2024309609-G3385465;
- personenauto ([kenteken]) voorwerp 6, PL0600-2024309609-G3181432;
- telefoontoestel Samsung voorwerp 7, PL0600-2024309609-G3246290;
- telefoontoestel Samsung voorwerp 8, PL0600-2024309609-G3246294;
voorlopige hechtenis
- wijst afhet verzoek tot opheffing van het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. R.A. Heblij en
mr. D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026.