RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummers: 08-363513-24 en 08-197259-22 (vordering tul) (P)
Datum vonnis: 28 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 augustus 2026, 28 augustus 2026 en 14 september 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R. Oude Breuil, advocaat in Hengelo (O), naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 24 augustus 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in Enschede, althans in Nederland, al dan niet samen met anderen:
feit 1: in de periode van 26 april 2022 tot en met 2 februari 2025 heeft gedeald in cocaïne, MDMA, 3-MMC en/of amfetamine (lijst I van de Opiumwet);
feit 2: op 3 februari 2025 opzettelijk cocaïne, MDMA, 3-MMC en/of methamfetamine (lijst I van de Opiumwet) in een pand aan de [adres 2] aanwezig heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 april 2022 tot en met
2 februari 2025 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad,
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en/of
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en/of
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende 3-MMC, zijnde 3-MMC en/of
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine,
(telkens) (een) middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk ((in een pand aan de [adres 2] ) aanwezig heeft gehad,
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en/of
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en/of
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende 3-MMC, zijnde 3-MMC en/of
- ( een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende methamfetamine (crystal meth), zijnde methamfetamine,
(telkens) (een) middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3. De bewijsmotivering
Inleiding
De zaak tegen verdachte maakt deel uit van onderzoek Boerderij24. In dit onderzoek is tegen vijf verdachten, te weten verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en
[medeverdachte 4] (hierna respectievelijk: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] ) de verdenking gerezen dat zij zich bezig hielden met de handel in harddrugs. Aanleiding voor het onderzoek was de aanhouding van [medeverdachte 1] op 4 juli 2024 wegens verdenking van het besturen van een personenauto onder invloed van drugs en het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs. Bij zijn aanhouding zijn twee telefoons onder hem inbeslaggenomen en deze zijn later onderzocht. In die telefoons trof de politie verschillende chatberichten aan die erop duidden dat [medeverdachte 1] - samen met anderen - betrokken is geweest bij een drugslijn die bekend stond als ‘ [alias 1] ’. Via Whatsapp werd een prijslijst verspreid van [alias 1] met daarop de diverse soorten drugs. Een afnemer kon via Whatsapp bestellen, waarna de drugs werd bezorgd en veelal contant of via “Tikkies” werd afgerekend. De bevindingen uit het onderzoek in de telefoons van [medeverdachte 1] - en het verdere onderzoek dat als gevolg daarvan werd verricht - hebben geleid tot de aanhoudingen van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op 3 februari 2025. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] zijn op 17 februari 2025 aangehouden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard, met uitzondering van het bereiden en bewerken onder feit 1 en het aanwezig hebben van 3-MMC onder feit 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard, mede gelet op de bekennende verklaring die verdachte over de handel in harddrugs heeft afgelegd. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het bereiden en bewerken van harddrugs onder feit 1. Daarnaast dient verdachte te worden vrijgesproken van alle gedragingen omtrent 3-MMC over de periode van 26 april 2022 tot en met 10 april 2024, omdat 3-MMC pas per 11 april 2024 op lijst I van de Opiumwet is geplaatst. Verdachte dient ook van het aanwezig hebben van 3-MMC onder feit 2 te worden vrijgesproken, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor die onderdelen van de tenlastelegging.
Het oordeel van de rechtbank
Vaststaande feiten en omstandigheden
Vaststaat dat verdachte al sinds 2020 handelde in drugs. Dit deed hij eerst op kleine schaal aan vrienden en kennissen totdat hij in november 2022 via zijn drugsdealer de beschikking kreeg over de dealtelefoon met het klantenbestand van de drugslijn [alias 1] . Verdachte - handelend onder de naam ‘ [alias 2] ’ - heeft de drugslijn vanaf dat moment in beheer gehad tot de dag van zijn aanhouding. Hij kocht de harddrugs in, onderhield het contact met klanten, ontving hun bestellingen en was verantwoordelijk voor het bijvullen van de drugsvoorraad van de bezorgers. De drugs werd verstopt op afgesproken plekken in bosschages, waar ook het van de klanten ontvangen geld door de bezorgers werd achtergelaten. In de beginperiode van de handel leverde verdachte de drugs zelf bij de klanten af. Naarmate het klantenbestand en daarmee de bestellingen toenamen, kwamen er geleidelijk meer bezorgers bij die in opdracht van verdachte drugsbestellingen gingen afleveren. Deze bezorgers handelden onder de namen ‘ [alias 3] ’, ‘ [alias 4] ’ en ‘ [alias 5] ’.
De beoordeling van de feiten
3.4.2.1 Feit 1
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 augustus 2026, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Het proces-verbaal van bevindingen van 14 november 2024 (pag. 187 e.v.);
Het proces-verbaal van bevindingen van 10 december 2024 (pag. 108 e.v.).
Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte zich ook bezighield met de productie van verdovende middelen. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij voor het ten laste gelegde bereiden en bewerken onder feit 1.
3.4.2.2 Vrijspraak feit 2
Op 3 februari 2025 is in een kluis in een pand aan de [adres 2] een hoeveelheid harddrugs aangetroffen. Verdachte is daarover niet bevraagd door de politie.
Vaststaat dat [medeverdachte 1] beschikking had over de sleutels van de betreffende kluis en het pand. Hij heeft verklaard dat de daar aangetroffen drugs van hem waren.
De vraag die aan de rechtbank voorligt is of bewezen kan worden dat verdachte de aangetroffen drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad. Daarvoor moet komen vast te staan dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs en dat die drugs zich binnen zijn machtssfeer bevonden, met andere woorden dat hij daar daadwerkelijk over kon beschikken.
Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte - net zoals [medeverdachte 1] - over de sleutels van het pand aan de [adres 2] en de desbetreffende kluis beschikte. [medeverdachte 1] heeft juist verklaard dat hij de enige was die een sleutel van de kluis had. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat verdachte de beschikkingsmacht over de aangetroffen drugs had. Daarnaast kan ook niet worden vastgesteld dat de drugs bestemd waren voor de handel via de drugslijn [alias 1] . Dat [medeverdachte 1] wel één van de bezorgers was van die drugslijn maakt dat niet anders.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee niet komen vast te staan dat verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de drugs die aan de [adres 2] zijn aangetroffen. De rechtbank acht daarom niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 26 april 2022 tot en met 2 februari 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en alleen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd en aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-MMC, zijnde 3-MMC, en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: het plegen en medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
en
het plegen en medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid 3-MMC
De stof 3-MMC is vanaf 16 april 2024 opgenomen op lijst I van de Opiumwet. De rechtbank stelt daarom vast dat de bewezen verklaarde handelingen van verdachte met betrekking tot de stof 3-MMC pas strafbaar zijn vanaf die datum.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het onder 1 bewezen verklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van het voorarrest en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met een proeftijd van drie jaren met bijzondere voorwaarden en een taakstraf voor de duur van 240 uren aan verdachte op te leggen. Als verdachte weer naar de gevangenis moet, zal dit de positieve ontwikkeling doorkruisen die hij heeft doorgemaakt tijdens het schorsingstoezicht.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het feit
Verdachte heeft bijna drie jaren lang de drugslijn ‘ [alias 1] ’ in beheer gehad en heeft samen met anderen op grootschalige wijze in harddrugs gedeald. Deze drugslijn had een groot klantenbestand van ruim 1600 afnemers. Verdachte kocht de drugs in, onderhield het klantencontact en ontving alle bestellingen. Na verloop van tijd nam het aantal bestellingen via de drugslijn toe en heeft verdachte hulp gekregen van (minstens) vier andere bezorgers bij het afleveren van de drugsbestellingen. Verdachte zorgde ervoor dat de bezorgers bevoorraad werden door drugs te verstoppen op afgesproken en openbare plekken.
Het is algemeen bekend dat harddrugs zeer verslavend zijn en dat overmatig gebruik ervan kan leiden tot zeer ernstige gezondheidsrisico’s. Door zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van het illegale criminele circuit waarbinnen deze handel in en de productie van harddrugs plaatsvindt. De handel in drugs gaat gepaard met allerlei vormen van zware criminaliteit, zoals geweldsmisdrijven al dan niet in combinatie met wapens en andere ondermijnende criminaliteit. Verdachte heeft zich van dit alles geen rekenschap gegeven en heeft alleen zijn eigen financieel gewin voor ogen gehad. De rechtbank rekent verdachte dit aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 15 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor Opiumwet-feiten. De meest recente veroordeling was op 28 oktober 2022, waardoor artikel 63 Sr van toepassing is. Verdachte liep nog in een proeftijd tijdens het plegen van het onderhavige feit en was een gewaarschuwd mens. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om te stoppen met de drugshandel. Integendeel, na deze veroordeling heeft verdachte de drugshandel meer geïntensiveerd.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over verdachte. In het meest recente reclasseringsadvies van 11 augustus 2026 is te lezen dat verdachte zich tijdens het schorsingstoezicht openstelt en zich van een kwetsbare kant durft te laten zien, waar dit tijdens het eerdere reclasseringstoezicht ontbrak. De behandeling bij Transfore is inmiddels opgestart in de vorm van een cognitieve gedragstherapeutische behandeling. Verdachte grijpt deze behandeling met beide handen aan en zegt gemotiveerd te zijn om aan zichzelf te werken en zijn gedrag duurzaam te veranderen, wat wordt bevestigd door Transfore. Momenteel zijn er spanningen en conflicten binnen de relatie tussen verdachte en de moeder van zijn twee dochters, welke situatie als een mogelijke risicofactor wordt beschouwd, nu dit kan leiden tot een terugval in delictgedrag en middelengebruik. Tegelijkertijd wordt het als een beschermende factor gezien dat verdachte deze problematiek bespreekbaar maakt en hier openheid over geeft. De afgenomen urinecontroles zijn negatief en verdachte heeft zich aan de gestelde schorsingsvoorwaarden en regels gehouden. Verdachte genereert inkomsten uit zijn werkzaamheden als zelfstandig technisch tekenaar en uit de werkzaamheden die hij verricht op de boerderij van zijn vader. Tot op heden heeft verdachte aantoonbaar baat gehad bij zijn behandeling bij Transfore. Om die reden wordt voortzetting van de behandeling als een belangrijke beschermende factor beschouwd. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert bij een bewezenverklaring een forse voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden in de zin van een meldplicht, ambulante behandeling, een verbod op verdovende middelen en een alcoholverbod om de ingezette positieve ontwikkeling vast te houden. Daarnaast wordt een langere proeftijd wenselijk geacht.
De op te leggen straf
De rechtbank ziet dat verdachte tijdens het schorsingstoezicht hard aan zichzelf heeft gewerkt, dat hij zijn leven aantoonbaar op de rit heeft en dat hij uit het crimineel netwerk is getreden. Dit valt verdachte te prijzen. Dat geldt ook voor het feit dat verdachte gedurende het hele proces een meewerkende houding heeft getoond en openheid van zaken heeft gegeven. Dit zal de rechtbank in positieve zin meewegen bij de strafoplegging.
Hier staat echter tegenover dat voor langdurige handel in harddrugs in de regel forse onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geven voor het dealen van gebruikershoeveelheden harddrugs voor een periode van zes tot twaalf maanden als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. De pleegperiode in de zaak van verdachte is minstens drie keer zo lang. Dat maakt dat - gezien de ernst van het gepleegde feit, de lange pleegperiode en de cruciale sturende rol van verdachte in het geheel - niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank onderschrijft de door de reclassering gesignaleerde risicofactoren en is van oordeel dat behandeling en middelenverboden zoals voorgesteld kunnen bijdragen aan het verder opbouwen van een positief en delictvrij leven. De rechtbank realiseert zich dat de reeds opgestarte behandeling zal worden gestaakt door oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een groot deel van de op te leggen gevangenisstraf zal in voorwaardelijke zin worden opgelegd met daaraan gekoppeld de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Dit dient - na detentie - als een forse stok achter de deur voor verdachte om niet opnieuw over te gaan tot het plegen van strafbare feiten en als motivatie om de positieve lijn weer voort te zetten.
Alles afwegende, waaronder ook de straffen die aan de medeverdachten worden opgelegd, komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden koppelen zoals die door de reclassering in het rapport van 11 augustus 2026 zijn geadviseerd.
De inbeslaggenomen voorwerpen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder verdachte inbeslaggenomen telefoon (voorwerp 3, PL0600-2024309609-G3385819) verbeurd moet worden verklaard, omdat deze telefoon als dealtelefoon is gebruikt ten behoeve van het strafbaar feit. Dit zou de Apple 15 Pro zijn. De overige zeven onder verdachte inbeslaggenomen telefoons kunnen worden teruggegeven aan verdachte, omdat uit het onderzoek niet is gebleken dat de strafbare feiten met deze telefoons zijn gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht tot teruggave van de inbeslaggenomen Apple iPhone 15 Pro, omdat dit het privételefoontoestel van verdachte is (gekoppeld aan zijn privételefoonnummer [telefoonnummer]). De inbeslaggenomen Apple iPhone 12 Pro (voorwerpnummer 1, PL0600-2024309609-G3385808) betreft volgens verdachte de dealtelefoon, in tegenstelling tot wat de officier van justitie daarover heeft aangevoerd.
Voor het overige beslag heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank onthoudt zich van het nemen van een beslissing over de inbeslaggenomen telefoons, vermeld op de beslaglijst van 20 januari 2026, met voorwerpnummers 1 (PL0600-2024309609-G3385808) en 3 (PL0600-2024309609-G3385819). De rechtbank kan op grond van het dossier en de beslaglijst namelijk niet vaststellen welke van die twee telefoons de dealtelefoon is geweest waarmee het strafbare feit is gepleegd. De telefoon (onder voorwerp 3) met voorwerpnummer PL0600-2024309609-G3385819 betreft volgens de bijbehorende kennisgeving van inbeslagneming een Apple iPhone 14 Pro, wat maakt dat het voor de rechtbank niet te herleiden is welk goednummer is gekoppeld aan de Apple iPhone 15 Pro.
Verder zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van de volgende aan hem toebehorende, op de beslaglijst van 20 januari 2026 vermelde, telefoons:
voorwerp 2 (PL0600-2024309609-G3385791),
voorwerp 4 (PL0600-2024309609-G3385816),
voorwerp 5 (PL0600-2024309609-G3385805),
voorwerp 6 (PL0600-2024309609-G3385765),
voorwerp 7 (PL0600-2024309609-G3385820),
voorwerp 8 (PL0600-2024309609-G3385806),
aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
7. De vordering tenuitvoerlegging
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, opgelegd door de politierechter in de rechtbank Overijssel van 28 oktober 2022, wordt toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen, maar de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen, nu is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De rechtbank ziet, mede gelet op de in de onderhavige strafzaak opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, geen reden om de eerder opgelegde gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 14c Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, met uitzondering van de gedragingen ter zake 3-MMC in de periode van 26 april 2022 tot en met 15 april 2024;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 1
het misdrijf: het plegen en medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
en
het plegen en medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 18 (achttien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Transfore of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
- gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
de in beslag genomen voorwerpen
- gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen telefoontoestellen, vermeld op de beslaglijst van 20 januari 2026, onder de volgende voorwerpnummers:
- voorwerp 2, PL0600-2024309609-G3385791;
- voorwerp 4, PL0600-2024309609-G3385816;
- voorwerp 5, PL0600-2024309609-G3385805;
- voorwerp 6, PL0600-2024309609-G3385765;
- voorwerp 7, PL0600-2024309609-G3385820;
- voorwerp 8, PL0600-2024309609-G3385806;
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08-197259-22
- beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 28 oktober 2022 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. R.A. Heblij en
mr. D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026.