RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 11924278 \ CV EXPL 25-3063
Vonnis van 20 januari 2026
in de zaak van
de naamloze vennootschap N.V. UNIVÉ ZORG BETREFFENDE ZEKUR ,gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem,
eisende partij, hierna te noemen Univé,
gemachtigde: Inkassier,
tegen
[gedaagde] ,wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,
verschenen in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
Wat vordert Univé?
Univé vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 966,35, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag. Daarbij vordert Univé [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Univé legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] in verzuim is met de tijdige betaling van premiebedragen en zorgkostennota’s over de jaren 2018 en 2019 van in totaal € 1.469,99. Een specificatie hiervan heeft Univé als productie 1 bij de dagvaarding overgelegd. Univé heeft zich als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] genoodzaakt gezien haar vordering ter incasso uit handen te geven aan haar gemachtigde. De kosten daarvan bedragen € 266,81 inclusief btw en komen net als de tot 2 oktober 2025 gevorderde rente van € 51,92 voor rekening van [gedaagde] . Hierop is in de dagvaarding
€ 822,37 aan betalingen van [gedaagde] in mindering gebracht.
Wat vindt [gedaagde] ?
[gedaagde] heeft de vordering van Univé erkend. [gedaagde] stelt dat zij voor deze vordering een betalingsregeling van € 50,00 per maand met Univé heeft gehad, die zij een jaarlang netjes is nagekomen. Univé heeft deze regeling ineens beëindigd en heeft [gedaagde] gezegd dat zij vanaf dat moment € 250,00 per maand moest gaan betalen. [gedaagde] heeft Univé bericht dat zij dat niet kon betalen, maar dat zij tussen de € 50,00 en € 100,00 per maand kon aflossen. Univé is hiermee niet akkoord gegaan. Vervolgens heeft [gedaagde] een inkomsten en uitgaven formulier ingevuld en bij Univé ingediend om een nieuwe regeling te treffen. Landsman heeft hierop geen reactie ontvangen, maar kreeg ineens een dagvaarding. Hier is zij het niet mee eens.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3. De beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] bij Univé een zorgverzekering heeft afgesloten. [gedaagde] heeft de gevorderde achterstallige premiebedragen en zorgkostennota’s erkend. Dit deel van de vordering is daarom toewijsbaar.
Rente en buitengerechtelijke kosten
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.
Vaststaat dat [gedaagde] niet tijdig heeft betaald en hierdoor in verzuim is geraakt. De nadien in rekening gebrachte wettelijke rente is [gedaagde] daarom eveneens verschuldigd.
De door de Univé gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 266,81 zullen worden toegewezen omdat [gedaagde] de hoofdsom niet (op tijd) heeft betaald, terwijl de gemachtigde van Univé hiervoor wel een correcte aanmaning (productie 2) heeft gestuurd.
proceskosten
[gedaagde] heeft in haar verweer aangegeven dat er voor deze vordering sprake was van een lopende betalingsregeling, die door Univé ineens is beëindigd. [gedaagde] stelt dat zij een aanvraag voor een nieuwe regeling (onderbouwd met stukken) bij Univé heeft ingediend en dat zij vervolgens onnodig een dagvaarding heeft gekregen.
Univé stelt in haar conclusie van repliek dat [gedaagde] in het minnelijk stadium zich onvoldoende bereid heeft getoond onderhavige vordering te voldoen, waardoor deze zaak niet in der minne tot een goed einde kon worden gebracht en dat Univé niets anders kon dan het voeren van deze procedure.
Univé heeft in haar conclusie van repliek bevestigd dat er met [gedaagde] een tijdelijke regeling van € 50,00 per maand met ingang van 31 maart 2025 tot en met
30 augustus 2025 is overeengekomen. Volgens Univé is [gedaagde] de regeling in mei 2025 niet nagekomen. Volgens Univé is de stopzetting daarom volledig te wijten aan [gedaagde] . Univé heeft echter niet onderbouwd dat zij de regeling na mei 2025 om die reden heeft beëindigd, een mededeling met die inhoud aan [gedaagde] zit niet bij de stukken. Univé heeft ook niet betwist dat de regeling, ondanks de gemiste aflossing in mei 2025, tot 30 augustus 2025 is doorgelopen zoals door [gedaagde] is gesteld.
Univé heeft in de conclusie van repliek gesteld dat er op 9 september 2025 een nieuwe betalingsregeling tussen partijen is overeengekomen van € 232,10 per maand. Dit staat haaks op wat [gedaagde] hierover in de conclusie van antwoord heeft gesteld. [gedaagde] heeft aangeven dit bedrag niet te kunnen betalen en dat zij een tegenvoorstel heeft gedaan van tussen de € 50,00 en € 100,00 per maand. Volgens [gedaagde] is Univé hiermee niet akkoord gegaan, waarna [gedaagde] formulieren heeft ingevuld en stukken heeft ingediend bij de gemachtigde van Univé. Univé heeft hierover in haar conclusie van repliek slechts gesteld dat [gedaagde] op 22 september 2025 per e-mail bij haar gemachtigde heeft aangegeven dat € 223,10 per maand niet haalbaar voor haar was. Beide partijen hebben hun stellingen niet onderbouwd met stukken.
Dat de gemachtigde van Univé pas op 9 oktober 2025 (2 dagen na het uitbrengen van de dagvaarding) is toegekomen aan de behandeling van de e-mail van 22 september 2025 kan niet aan [gedaagde] worden toegerekend. Zoals door [gedaagde] is gesteld en zover door de kantonrechter op basis van de stukken kan worden beoordeeld, is ook na het uitbrengen van de dagvaarding, de betreffende e-mail niet door (de gemachtigde van) Univé beantwoord.
Univé heeft na de trage postbehandeling van haar gemachtigde, met de vermelding dat op haar geen enkele (wettelijke) verplichting rust tot het treffen van een betalingsregeling ervoor gekozen om de reeds uitgebrachte dagvaarding niet in te trekken.
Uit vaste rechtspraak volgt dat de omstandigheden van het geval aanleiding kunnen geven te oordelen dat er onvoldoende noodzaak heeft bestaan een betalingsregeling te beëindigen en daaropvolgend een gerechtelijke procedure te starten. Daarbij is van belang dat, wanneer blijkt dat een schuldenaar bereid is de opgelopen betalingsachterstand in verband met een zorgverzekering te voldoen, van (de gemachtigde van) de desbetreffende schuldeiser mag worden verwacht dat zij probeert om extra kosten voor de schuldenaar te voorkomen door niet nodeloos te procederen. Univé heeft er evenwel alsnog voor gekozen om opnieuw, na het vonnis van 15 januari 2020 (hetgeen op basis hiervan verschuldigd was, is inmiddels door [gedaagde] voldaan), een gerechtelijke procedure op te starten met alle kosten van dien. Mede gelet hierop kan worden aangenomen dat Univé bekend is met de financiële situatie van [gedaagde] en dat van haar de nodige zorgvuldigheid mag worden verwacht voordat zij overgaat tot beëindiging van een betalingsregeling en het opstarten van nieuwe een procedure. Dit klemt temeer nu Univé niet inzichtelijk heeft gemaakt op basis waarvan zij van mening was dat de betalingsregeling zoals die gold tot en met augustus 2025 van € 50,00 verhoogd kon worden naar een bedrag van € 223,10 per maand. Univé heeft aldus onvoldoende onderbouwd dat zij desalniettemin een rechtens relevant belang heeft bij deze procedure. De kantonrechter ziet daarom aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om tegen kwijting aan Univé te betalen een bedrag van
€ 966,35, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 2 oktober 2025 tot de dag van de volledige betaling,
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026. (PHR(O)
(PHR(O)