RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.147136.25 (P)
Datum vonnis: 15 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 september 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 30 januari 2025 meineed heeft gepleegd door als beëdigd getuige bij de rechtercommissaris opzettelijk een valse verklaring af te leggen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
Zij op of omstreeks 30 januari 2025 te Zwolle bij de Rechter-Commissaris op 30 januari 2025, als getuige gehoord zijnde tegen verdachten [medeverdachte 1]
(parketnummer 71.301923.23) en [medeverdachte 2] (parketnummer
71.270173.22), nadat zij op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed had afgelegd
de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, in elk geval een geval
waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan
rechtsgevolgen verbindt, mondeling persoonlijk opzettelijk vals en ten dele in strijd
met de waarheid heeft verklaard dat
- zij op 17 juni 2022 op het vliegveld in Nederland is aangekomen, en/of
- zij is aangekomen op het vliegveld van Nederland, en/of
- zij niet op 8 maart 2022 is geland op de luchthaven van Brussel, en/of
- zij [medeverdachte 2] niet kent, en/of
- zij [medeverdachte 1] niet kent, en/of
- zij geen Rwandees paspoort heeft, en/of
- zij de personen op de door de Rechter-Commissaris voorgehouden afbeeldingen
(zaaksdossier 1, p. 464, 504, 468 en 505) niet herkent.
3. De bewijsoverwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor dit feit.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte is op 30 januari 2025 als getuige onder ede gehoord door de rechtercommissaris. Van dit verhoor is een proces-verbaal opgemaakt door de rechter-commissaris. Uit dit proces-verbaal volgt dat verdachte, in de hoedanigheid van getuige, vragen zijn gesteld bij beantwoording waarvan zij zich aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou kunnen blootstellen. Desondanks is zij niet gewezen op het in artikel 219 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde verschoningsrecht. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit proces-verbaal van verhoor dan ook niet bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde en zal dit van het bewijs worden uitgesloten. Daarmee vervalt de grondslag voor vervolging voor meineed, zodat verdachte zal worden vrijgesproken.
De rechtbank merkt nog op dat in casu het wijzen op het verschoningsrecht van groot belang was. Daarbij speelt een rol dat verdachte zichzelf bij beantwoording van vragen hoe dan ook zou belasten. Óf zij zou moeten verklaren over het gebruik van een vals document óf zij zou de verdenking van meineed op zich laden. Onder die omstandigheden klemt het temeer dat de rechterlijke autoriteiten verdachte, in haar toenmalige hoedanigheid van getuige niet bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsman- of vrouw, naast haar plichten ook op haar rechten wijzen.
4. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.M. Bordenga, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. W.B. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Lautenbag, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
Buiten staat
Mr. Melaard is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.