RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.089970.26 (P)
Datum vonnis: 22 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] ,
hierna: verdachte.
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
8 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J. Ruarus, advocaat in Almelo, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 30 mei 2025 te Haarle als bestuurder van een voertuig:
primair: een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor aan [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), (zwaar) lichamelijk letsel is toegebracht;
subsidiair: gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer heeft gehinderd;
meer subsidiair: zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast waardoor hij niet in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen, waardoor hij is gebotst tegen een stilstaand voertuig.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 30 mei 2025 te Haarle, gemeente Hellendoorn als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Almeloseweg/N35, aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl op zijn rijbaan sprake was van filevorming,- zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een voor hem uit langzamer rijdend en/of stilstaand ander voertuig (personenauto),en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 mei 2025 te Haarle, gemeente Hellendoorn als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Almeloseweg/N35, terwijl op zijn rijbaan sprake was van filevorming, - zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een voor hem uit langzamer rijdend en/of stilstaand ander voertuig (personenauto),door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 mei 2025 te Haarle, gemeente Hellendoorn als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Almeloseweg/N35, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een voor hem uit langzamer rijdend en/of stilstaand ander voertuig (personenauto).
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat verdachte schuldig is aan het primair ten laste gelegde feit. Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gereden. [slachtoffer] heeft als gevolg daarvan zodanig letsel opgelopen, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van zijn normale bezigheden is ontstaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt de rechtbank om verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit. Hij voert daartoe aan dat verdachte slechts door tijdelijke onoplettendheid een verkeersfout heeft gemaakt en dat dit onvoldoende is voor het aannemen van aanmerkelijke schuld. Er zou hoogstens sprake kunnen zijn van het subsidiair ten laste gelegde feit.
Voor zover nodig wordt onder paragraaf 3.3. ingegaan op de (overige) verweren van de raadsman.
Het oordeel van de rechtbank
Vaststelling feiten en omstandigheden
Op 30 mei 2025 omstreeks 11:48 uur vindt op de N35 (de Almeloseweg) te Haarle een verkeersongeval plaats. Verdachte, als bestuurder van een bedrijfsauto, en [slachtoffer] , als bestuurder van een personenauto, zijn daarbij betrokken.
Verdachte rijdt met zijn voertuig op de N35, komende vanuit de richting van Raalte en gaande richting Nijverdal. Op dezelfde weghelft rijdt voor hem [slachtoffer] met zijn personenauto. Naast [slachtoffer] zit zijn echtgenote als bijrijder. Ter hoogte van Haarle is op de N35 sprake van filevorming. [slachtoffer] komt daardoor tot stilstand achter een voor hem staande vrachtwagen. [slachtoffer] ziet vervolgens in zijn binnenspiegel verdachte naderen, die op dat moment ongeveer 70 km/u rijdt. Omdat verdachte geen snelheid lijkt te minderen, drukt [slachtoffer] een aantal keer op zijn rem om via zijn knipperende remlichten verdachte te waarschuwen. Verdachte is in gedachten verzonken en merkt de stilstaande auto met daarin [slachtoffer] te laat op. Verdachte probeert nog te remmen, maar botst met zijn voertuig achterop het voertuig van [slachtoffer] .
[slachtoffer] is als gevolg van het ongeval met letsel naar ziekenhuis overgebracht. Bij hem is onder meer een whiplash vastgesteld. Ook zijn echtgenote is naar het ziekenhuis overgebracht, bij haar is onder meer een bloeduitstorting in het hoofd geconstateerd.
Verklaring verdachte
Verdachte reed op 30 mei 2025 met zijn bedrijfsauto op de N35 in Haarle. Hij was halverwege zijn werkdag als bezorger. Verdachte reed ongeveer 70 km/u en direct voor hem reed [slachtoffer] in zijn personenauto. Verdachte was op dat moment afgeleid en in gedachten verzonken. Hij keek naar schatting een vijftal seconden van zich af, naar links de weilanden in. Pas toen hij weer terugkeek zag hij de remlichten van de personenauto van [slachtoffer] oplichten. Verdachte heeft nog geprobeerd te remmen maar een botsing met de personenauto van [slachtoffer] was onvermijdelijk.
Juridisch kader
De rechtbank moet beoordelen of verdachte door zijn rijgedrag schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), en zo ja, in welke mate, dan wel -indien de vereiste mate van schuld niet is bewezen- of sprake is van gevaarzettend rijgedrag als bedoeld in artikel 5 WVW of een overtreding van het verkeersreglement.
Bij de beoordeling of verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW kijkt de rechtbank naar het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Van schuld als hiervoor bedoeld is sprake als verdachte zich roekeloos, dan wel in hoge of aanzienlijke mate onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen. Een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft geen schuld in de zin van artikel 6 WVW op te leveren. Het rijgedrag van verdachte moet worden vergeleken met dat wat van de gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in voornoemde zin.
Overwegingen
De rechtbank komt tot het oordeel dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij tot dat oordeel komt.
Verdachte reed met zijn bedrijfsauto op de N35. De N35 is – op het punt waarop het ongeval plaatsvond – een nagenoeg rechte weg en er was sprake van droog en zonnig weer. Verdachte reed ongeveer 70 km/u en direct voor hem reed [slachtoffer] in zijn personenauto.
Rond 11:48 uur heeft [slachtoffer] vanwege een file voor hem moeten stoppen. Nadat hij zijn auto tot stilstand had gebracht, zag hij in zijn binnenspiegel dat verdachte achter hem met een aanzienlijke snelheid naderde. [slachtoffer] zag dat verdachte, ondanks de filevorming, geen enkele snelheid minderde. Hij heeft een aantal keer op zijn rempedaal gedrukt om verdachte proberen te waarschuwen. Verdachte heeft de stilstaande personenauto van [slachtoffer] noch de file, die zich recht voor hem bevond, (tijdig) opgemerkt. Pas op het allerlaatste moment heeft verdachte zijn blik weer op de weg gericht en de remlichten van [slachtoffer] zien oplichten. Verdachte was [slachtoffer] toen al zo dicht genaderd dat een botsing onvermijdelijk was. Hoewel verdachte nog heeft geprobeerd te remmen, is hij hard achterop de auto gereden waarin [slachtoffer] en zijn vrouw zaten. Gelet op de schade aan (voornamelijk) de auto van [slachtoffer] en de snelheid waarmee verdachte tot op het allerlaatste moment reed – ongeveer 70 km/u – was het een botsing met forse impact.
De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat sprake is geweest van meer dan een tijdelijke onoplettendheid. Verdachte heeft verklaard dat hij naar schatting vijf seconden lang van zich afkeek, de weilanden in. Bij een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur worden in die tijdspanne vele tientallen meters afgelegd. In die tijd/over die afstand had verdachte diverse handelingen moeten en kunnen verrichten om een botsing proberen te voorkomen. Daarbij komt dat de N35 op dat punt een lange rechte weg betreft en er ten tijde van het ongeval goed zicht was. Een enkele blik vooruit was voldoende geweest om de filevorming en de stilstaande personenauto van [slachtoffer] (tijdig) op te merken. Verdachte heeft gedurende langere tijd en over een lange afstand zijn aandacht niet op de weg gehad. De rechtbank acht dit, mede gelet op de snelheid waarmee verdachte reed, laakbaar.
Dit alles betekent dat verdachte niet met de vereiste mate van oplettendheid aan het verkeer heeft deelgenomen. Zulk verkeersgedrag leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Het letsel dat [slachtoffer] als gevolg daarvan heeft opgelopen is naar het oordeel van de rechtbank zodanig dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Conclusie
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 30 mei 2025 te Haarle, gemeente Hellendoorn als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Almeloseweg/N35, aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl op zijn rijbaan sprake was van filevorming,- zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een voor hem uit langzamer rijdend en/of stilstaand ander voertuig (personenauto),en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en zal hem daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 6 en 175 van de WVW. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
primair:
het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete van € 1.000,00 en om aan hem op te leggen een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: ontzegging van de rijbevoegdheid) voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
Ingeval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht om een eventuele geldboete te matigen en om verdachte geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter zitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft door aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Ondanks dat verdachte die desbetreffende dag vermoeid en afgeleid was, is hij toch in de auto gestapt. Verdachte had tot zeer kort voor het ongeval zijn aandacht gedurende langere tijd en over een grote afstand niet op de weg en het verkeer gericht. Hij was afgeleid, in verdachten verzonken en keek de weilanden in. Verdachte heeft daardoor pas op het allerlaatste moment de stilstaande personenauto van [slachtoffer] opgemerkt en is in volle vaart achter op [slachtoffer] en zijn echtgenote ingereden. Dit terwijl [slachtoffer] verwoede pogingen heeft ondernomen om verdachte te waarschuwen.
Het moet voor [slachtoffer] en zijn echtgenote heftig zijn geweest om verdachte in hun binnenspiegel te zien naderen en te zien dat verdachte tot hun grote schrik geen snelheid minderde. Zij hebben de botsing onvermijdelijk zien aankomen, maar waren niet meer bij machte deze te voorkomen. Gezien de snelheid waarmee verdachte op hen afstevende en de (zichtbare) schade aan de auto van [slachtoffer] , is de botsing gepaard gegaan met grote impact. [slachtoffer] en zijn echtgenote hebben als gevolg van het ongeval letsel ondervonden en daar hinder van (gehad). Het is niet aan verdachte te danken dat het ongeval niet voor (nog) ernstiger letsel heeft gezorgd.
De rechtbank weegt in strafverlagende zin mee dat verdachte zich onmiddellijk om de slachtoffers heeft bekommerd en dat verdachte uit beweging contact heeft opgenomen met [slachtoffer] en zijn echtgenote en ook kort na het ongeval bij hen op bezoek is geweest om zijn excuses aan te bieden. De rechtbank acht verder van belang om op te merken dat verdachte – ook ter zitting– zich schuldbewust heeft getoond en open heeft verklaard over (de dag van) het ongeval.
De persoon van de verdachte
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 30 juli 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals hij die ter zitting heeft toegelicht. Verdachte is student en heeft zijn rijbewijs onder meer nodig voor zijn bijbaan als bezorger. Zonder rijbewijs zal ontslag volgen. Ook is het dorp waar hij woont slecht bereikbaar per openbaar vervoer.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf onder meer kennisgenomen van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval met aanmerkelijke schuld waarbij het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen, geldt als uitgangspunt van denken een geldboete van
€ 1.300,00 en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden.
Gelet op alle omstandigheden van het geval ziet de rechtbank aanleiding tot het opleggen van een geldboete van € 1.000,00 en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.
De rechtbank weegt daarbij met name mee dat verdachte afhankelijk is van zijn rijbewijs. Zijn opstelling ten opzichte van het slachtoffer, zijn proceshouding en zijn blanco strafblad. De voorwaardelijke rijontzegging strekt er ook toe verdachte, die ten tijde van het ongeval beginnend bestuurder was, ervan te doordringen in de toekomst gepaste voorzichtigheid in het verkeer in acht te nemen.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de WVW.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair: het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de WVW1994, terwijl
het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1.000,00 (zegge: duizend euro);
- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen;
- ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 (drie) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren;
- bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten als verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Beker, voorzitter, mr. E. Venekatte en mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
Mr. Beker en mr. Wentink zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie-eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025251112. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Op 30 mei 2025 reed ik mijn bedrijfsauto op de N35 in Haarle. Ik reed ongeveer 70 km/u. Ik was in gedachten verzonken. Ik keek naar schatting vijf seconden van mij af, de weilanden in. Toen ik weer keek zag ik de remlichten van een stilstaande auto dicht voor mij oplichten. Ik probeerde nog te remmen, maar botste op de auto.
2.
Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] van 9 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 24:
Ik zag dat er een file stond dus ik remde hiervoor. Ik stond stil. Ik zag een voertuig in mijn binnenspiegel aan komen rijden. Ik zag dat het voertuig geen snelheid minderde. Ik drukte een aantal keer op mijn rem zodat de remlichten knipperden om de aandacht van de bestuurder te wekken. Ik hoorde en voelde het voertuig hard achterop mijn voertuig rijden.
3.
Het proces-verbaal van aanrijding misdrijf dan wel overtreding van 10 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 6 tot en met 9:
Locatie ongeval:
Datum/tijd: 30 mei 2025 om 11:48 uur
Adres: Almelosweg (de N35)
Postcode plaats: Haarle
Wegsituatie: Rechte weg
Betrokken partijen:
1. Voertuig bedrijfsauto [kenteken 1] Renault Express
Bestuurder [verdachte]
Datum eerste afgifte rijbewijs: 25 mei 2021
2. Voertuig Personenauto [kenteken 2] Toyota Prius
Bestuurder [slachtoffer]
Letsel:
Bij het ongeval heeft [slachtoffer] letsel opgelopen. Vervoerd naar het ziekenhuis: Ja. Opgenomen: Nee. Letsel: pijn in zijn rug met mogelijk kans op niet geheel herstel van het opgelopen letsel.
4.
Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van 4 juni 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 11 en 12 van het aanvullend procesdossier 2:
Betrokkene: [slachtoffer]
Als diagnose wordt gesteld dat er sprake is van een “whiplash”.
Genezingsduur: (Blijvende) beperking: Over de genezingsduur en blijvende beperkingen is geen duidelijke uitspraak te doen.