ECLI:NL:RBOVE:2026:5782

ECLI:NL:RBOVE:2026:5782

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 07-07-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 71.129436.21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De veroordeelde heeft wederrechtelijk voordeel verkregen. Eenvoudige kasopstelling. De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 680.721,53 en legt de veroordeelde een betalingsverplichting op ter hoogte van dat bedrag.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 71.129436.21

Datum vonnis: 7 juli 2026

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 691.330,38.

2. De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 14 oktober 2025 en 26 mei 2026. De veroordeelde is niet verschenen. De raadsman van de veroordeelde, mr. C.C. Polat, advocaat in Breukelen, is wel verschenen. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier, het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 26 november 2024, de conclusie van antwoord van 6 maart 2026, de conclusie van repliek van 13 april 2026 en de conclusie van dupliek van 3 mei 2026.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar de conclusie van repliek op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op € 691.330,38. De officier van justitie heeft daarbij nog aangevoerde dat de posten 11 tot en met 13 (spaargeld kinderen) naar aanleiding van de opmerkingen van de verdediging alsnog in mindering zijn gebracht op de vordering.

Standpunt van de veroordeelde

De raadsman heeft onder verwijzing naar de conclusie van dupliek verzocht om het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op nul euro.

3. De beoordeling van de vordering

Veroordeling

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 5 juni 2024 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten:

feit 1, de misdrijven:

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als

bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet;

en

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

feit 2, het misdrijf:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod;

feit 3, de misdrijven:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet

gegeven verbod meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet

gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 4, de misdrijven:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet

gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 6, de misdrijven:

medeplegen van om een feit, als bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/inlichtingen tot het

plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, gelden/andere betaalmiddelen, voorhanden

hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot

het plegen van dat feit, meermalen gepleegd..

De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Uit artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) volgt dat het Openbaar Ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan indienen tegen degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit.

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan plaatsvinden op grond van artikel 36e lid 3 Sr, als – kort gezegd – aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Anders dan het tweede lid stelt het derde lid van artikel 36e Sr niet de eis dat die ‘andere strafbare feiten’ door de veroordeelde zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de veroordeelde uit die andere strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel kan, zoals in deze zaak het geval is, berekend worden aan de hand van een eenvoudige kasopstelling. Daarbij wordt berekend hoeveel contant geld de veroordeelde heeft gehad en welk deel daarvan kan worden verklaard uit contant geld dat de veroordeelde al had of dat hij in de onderzochte periode legaal heeft verkregen. Het contante geld dat daardoor niet kan worden verklaard, wordt als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt. Het is aan de veroordeelde om gemotiveerd en onderbouwd aannemelijk te maken dat de berekening incorrect is.

In de ontnemingsrapportage is beschreven dat er geen volledig zicht is gekregen op alle strafrechtelijke activiteiten van de veroordeelde en de daarmee samenhangende opbrengsten. Wel bleek uit het strafrechtelijk- en financieel onderzoek dat de veroordeelde over onverklaarbaar (contant) vermogen heeft beschikt.

Voor de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank acht geslagen op de zogenoemde eenvoudige kasopstelling zoals die door de Politie Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies is opgesteld in het rapport van 26 november 2024 met nummer LERBB20009-01711. In de eenvoudige kasopstelling zijn de totale uitgaven vergeleken met de legale (contante) inkomsten, uitgaande van een begin- en eindsaldo aan contante gelden. In de kasopstelling is berekend dat de veroordeelde en zijn echtgenote [naam 1], die een gezamenlijke huishouding voerden, minder legale inkomsten hebben gehad dan de contante bedragen die zij hebben uitgegeven. Dit betekent dat sprake is van uit onbekende bron afkomstige contante inkomsten. Dit negatieve resultaat is aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel en is berekend op € 691.869,01. Daarbij is uitgegaan van de volgende posten in de periode van 1 januari 2017 tot 1 juni 2021:

De verdediging heeft verweer gevoerd tegen een aantal posten die zijn opgenomen in de eenvoudige kasopstelling. De rechtbank oordeelt met betrekking tot die betreffende posten als volgt en houdt daarbij de nummering aan zoals opgenomen in de ontnemingsrapportage.

Beginsaldo contant geld (5.4)

De verdediging heeft gesteld dat de veroordeelde € 150.000,-- heeft ontvangen voor de verkoop van grond in Turkije en dat dit zou moeten worden opgeteld bij het beginsaldo contant geld.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde € 150.000,-- contant heeft ontvangen in 2017 en/of 2018, omdat de veroordeelde deze inkomsten niet heeft opgegeven in zijn belastingaangiftes over die jaren en omdat de veroordeelde en [naam 1] in dezelfde periode leningen hebben afgesloten bij familieleden, hetgeen erop duidt dat zij, anders dan zij thans stellen, niet de beschikking hadden over het genoemde bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat een legale contante ontvangst van € 150.000,-- , ondanks de door de verdediging overgelegde stukken, niet aannemelijk is geworden nu de veroordeelde dit geldbedrag niet heeft opgegeven in zijn belastingaangifte over die jaren en omdat de veroordeelde en [naam 1] in dezelfde periode leningen hebben afgesloten bij familieleden. . De rechtbank stelt vast dat het beginsaldo contant geld op 1 januari 2017 € 17.000,-- bedroeg.

Contante stortingen bankrekeningen (5.7.1)

De verdediging en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de contante storting van € 538,63 op de rekening van [naam 1] een storting van spaargeld van de kinderen betrof en dat dit bedrag daarom uit de kasopstelling kan worden gehaald. De rechtbank acht daarmee voldoende aannemelijk geworden dat dit bedrag geen wederrechtelijk verkregen voordeel betrof en zal dit bedrag daarom in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat een contante storting van € 20.000, op de rekening van de veroordeelde en [naam 1] niet mag worden meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat dit bedrag in het kader van een transactie met de Staat rondom een gefailleerde vennootschap aan de curator is betaald en dat daarbij is overeengekomen dat geen ontnemingsvordering tegen de veroordeelde zou worden ingediend. Ook heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het meetellen van het bedrag van € 20.000,-- in de kasopstelling neerkomt op een dubbele vermogensontneming.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 20.000,-- dat is betaald in het kader van een transactievoorstel een contante uitgave is, die niet wordt gelegitimeerd door de aard van de betaling.

De rechtbank stelt vast dat in de periode van 12 juni 2017 tot en met 14 juni 2017 in totaal € 20.000,-- contant is gestort op de rekening van de veroordeelde en [naam 1]. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat de contante storting is gedaan om een betaling te doen in het kader van een transactievoorstel, niet afdoet aan de onverklaarbare herkomst van dat contante geld. Daarbij komt dat het bedrag is betaald om vervolging te voorkomen en daarmee ten bate van de veroordeelde komt. Het bedrag zal daarom niet in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Contante uitgave Biletex (5.7.7)

De verdediging heeft aangevoerd dat de veroordeelde de facturen van het reisbureau Biletix B.V. van de boekingen van 4 januari 2019 en 12 april 2021 niet heeft betaald, maar dat de facturen zijn betaald door de vader van [naam 1].

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de facturen en een Whatsappbericht van [naam 1] blijkt dat de contante betalingen aan Biletex B.V. wel degelijk door de veroordeelde zijn gedaan.

De rechtbank stelt vast dat op 4 januari 2019 en 12 april 2021 vliegreizen naar Turkije zijn geboekt voor de veroordeelde, [naam 1] en/of hun familieleden. De kosten voor deze boekingen zijn contant voldaan aan Biletex B.V. [naam 1] heeft in januari 2019 een Whatsappbericht aan Hilmi reizen gestuurd met daarin “de betaling zal ik met [veroordeelde] naar je toe laten komen” en uit Whatsappberichten blijkt dat de vader van [naam 1] ten tijde van de boeking van 12 april 2021 in Turkije verbleef. De rechtbank overweegt dat voldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde de boekingen heeft betaald en dat de verdediging onvoldoende tegenwicht heeft geboden aan de Whatsappberichten waaruit blijkt dat de veroordeelde een betaling heeft gedaan voor de boeking in januari 2019 en dat de vader van [naam 1] ten tijde van de contante betaling voor de boeking van 12 april 2021 in Turkije verbleef, zodat hij de contante betaling feitelijk niet heeft kunnen doen.

Contante uitgave overkapping (5.7.17)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de post overkapping niet kan worden meegenomen in de kasopstelling, omdat onduidelijk is of de factuur is betaald en zo ja, of de factuur contant is betaald.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 3.500,-- voor de levering van de overkapping voldoende aannemelijk is geworden op grond van de verklaring van de leverancier en dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd dat er minder is betaald voor de overkapping.

De rechtbank overweegt dat op grond van de verklaring van de leverancier van de overkapping voldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde € 3.500,-- heeft betaald voor de levering van de overkapping.

Contante uitgave verblijf in Dubai 2020 (5.7.21)

De verdediging heeft bepleit dat het bedrag van € 19.205,-- voor de huur van een villa in Dubai niet is betaald, omdat het een vriendendienst was, en dat dit bedrag daarom niet kan worden meegenomen in de kasopstelling.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van Whatsappberichten voldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde heeft betaald voor het gebruik van de villa in Dubai.

De rechtbank overweegt dat op basis van de in het dossier aanwezige Whatsappberichten inderdaad voldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde vanaf 10 juli 2020 gedurende vier weken in een villa in Dubai heeft verbleven en de kosten hiervoor contant heeft betaald aan een persoon genaamd [getuige 1].

(Voorwaardelijk) verzoek getuigenverhoor [getuige 1]

Ten aanzien van getuige [getuige 1] overweegt de rechtbank dat het horen van deze getuige eerder is afgewezen, omdat het verzoek onvoldoende gemotiveerd was. De raadsman heeft in de conclusie van dupliek van 3 mei 2026 gesteld dat [getuige 1] onder meer kan verklaren of sprake was van een vriendendienst wat betreft de huur van de villa in Dubai. Dit betreft dan in feite een hernieuwd verzoek Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de aannemelijkheid van de vriendendienst in relatie tot de inhoud van de bewuste whatsapp-berichten, acht de rechtbank het horen van [getuige 1] niet noodzakelijk.

Contante uitgave voertuigen [naam 1] (5.7.23)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onjuist is dat een bedrag van € 10.608,85 in de kasopstelling is opgenomen als contante uitgave voor schadeherstel van een voertuig van het type Audi Q5 (met kenteken [kenteken]) van [naam 1], omdat [naam 1] de auto zonder schade heeft ingekocht. Ter onderbouwing heeft de verdediging screenshots van Whatsapp-gesprekken van [naam 1] van 18 oktober 2018 aangeleverd, waarop een Audi Q5 zonder schade zichtbaar is.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voldoende aannemelijk is geworden dat de Audi Q5 van [naam 1] schade had, dat de schade is hersteld en dat dit niet ‘om niet’ is hersteld. De officier van justitie acht voornoemde onderbouwing van de verdediging onvoldoende, omdat niet vastgesteld kan worden dat de Audi op de foto’s het voertuig van [naam 1] betreft.

De rechtbank stelt vast dat de Audi Q5 op 17 oktober 2018 ter taxatie is aangeboden bij Haaglanden Expertise. De waarde van het voertuig is bepaald op € 9.800,-- en het schadebedrag op € 14.497,41. In het taxatierapport is beschreven dat de carrosserie en de velgen in een beschadigde staat verkeerden. [naam 1] heeft verklaard dat zij de Audi op 8 mei 2019 heeft verkocht en daarvoor contant € 23.000,-- à € 24.000,-- heeft ontvangen. De rechtbank stelt vast dat de Audi Q5 in waarde is gestegen, maar overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat schadeherstel heeft plaatsgevonden en dat de kosten daarvoor contant zijn voldaan door de veroordeelde. De rechtbank zal het bedrag van € 10.608,85 daarom in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Contante investeringen in lachgas-onderneming [getuige 2] (5.7.25)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat van drie contante uitgaven aan [getuige 2] die zijn opgenomen in de kasopstelling niet kan worden vastgesteld dat deze daadwerkelijk zijn gedaan. Het betreft de betalingen van € 15.300,-- op 16 september 2019, € 7.500,-- op 12 juni 2019 en € 3.800,-- op 27 september 2019. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de contante betaling van € 7.050,-- op 12 juni 2019.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de Whatsappberichten tussen de veroordeelde en [getuige 2] voldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde in totaal € 33.650,-- aan contante betalingen heeft gedaan aan [getuige 2].

De rechtbank stelt vast dat dat de veroordeelde en [getuige 2] op 15 september 2019 via Whatsapp hebben besproken dat [getuige 2] € 16.500,-- nodig heeft om een bestelling lachgas te betalen en dat zij hebben afgesproken om elkaar te ontmoeten op 16 september 2019 om 10 uur. Op 16 september 2019 is in totaal € 15.300,-- contant gestort op de bankrekening van [getuige 2]. Diezelfde dag is vanaf de bankrekening van [getuige 2] in totaal € 17.425,-- overgemaakt naar de bankrekening van het bedrijf van [getuige 2] en vanaf die rekening naar de Turkse bankrekening van een leverancier van gascilinders. Op 12 juni 2019 is een contante storting van € 7.500, gedaan op de bankrekening van [getuige 2], waarna op 13 juni 2019 een bedrag van € 7.540,-- is overgemaakt naar een Turkse bankrekening. In totaal is er op 10 juni 2019 en 13 juni 2019 € 9.300,-- overgemaakt; dit bedrag komt overeen met het bedrag op een aankoopfactuur van lachgas. Op 25 september 2019 heeft [getuige 2] een Whatsappbericht aan de veroordeelde gestuurd dat hij een factuur van de douane heeft ontvangen en gevraagd hoe laat hij langs kan komen. De veroordeelde heeft daarop geantwoord om het ‘morgen’ (26 september 2019) te geven, waarna [getuige 2] de factuur met een bedrag van € 3.804,06 aan de veroordeelde heeft gestuurd. Op 27 september 2019 is er een contante storting van € 3.800,-- gedaan op de bankrekening van [getuige 2].

De rechtbank overweegt dat op basis van voornoemde Whatsappberichten, de bankstortingen en de aankoopfacturen voor lachgas voldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde in totaal € 33.650, aan contante geldbedragen aan [getuige 2] heeft gegeven.

(Voorwaardelijk) verzoek horen getuige [getuige 2]

De verdediging heeft verzocht om [getuige 2] als getuige te horen, omdat de getuige kan verklaren of de veroordeelde daadwerkelijk contant heeft geïnvesteerd in de lachgasonderneming. Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld, acht de rechtbank deze onderbouwing onvoldoende gemotiveerd en wijst het verzoek tot het horen van [getuige 2] als getuige daarom af.

Contante uitgaven [bedrijf 1] B.V. (5.7.26) en [bedrijf 2] B.V. (5.7.27)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de contante uitgaven aan [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. van in totaal € 62.756,22 een legale herkomst hebben, namelijk het verrichten van arbeid door de veroordeelde en het ontvangen van loon daarvoor.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een schijnconstructie waarbij de veroordeelde contant geld heeft gegeven aan de bedrijven en die betalingen vervolgens giraal als uitbetaling van salaris zijn teruggevloeid naar de veroordeelde.

De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde € 46.800,-- heeft ontvangen van [bedrijf 1] B.V. via zijn eenmanszaak CCE. De veroordeelde en [naam 1] hebben in totaal € 15.956,22 op hun bankrekeningen ontvangen van [bedrijf 2] B.V. De rechtbank overweegt dat op basis van de ontnemingsrapportage voldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde geen werkzaamheden heeft verricht voor voornoemde bedrijven, dat de loonbetalingen schijnconstructies betreffen en dat de veroordeelde contante betalingen heeft gedaan aan [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. ,zodat de loonbetalingen konden worden gedaan. De contante betalingen aan [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. hadden geen legale herkomst.

(Voorwaardelijk) verzoek horen getuigen bestuurders

De verdediging heeft verzocht om [getuige 3] en [getuige 4] (bestuurders van [bedrijf 1] B.V.) en [getuige 5] en [getuige 6] (bestuurders van [bedrijf 2] B.V.) te horen als getuige. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat de verdediging onvoldoende concreet heeft gemotiveerd wat de getuigen zouden kunnen verklaren over de herkomst van het contante geld.

Contante overdracht € 129.900,-- (5.7.28)

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de contante betaling van € 129.900,-- voor de inrichting van een drugslab niet moet worden opgenomen in de kasopstelling, omdat de veroordeelde van het daaraan gerelateerde ten laste gelegde feit had moeten worden vrijgesproken in de strafzaak. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het bedrag geen wederrechtelijk verkregen voordeel betreft, omdat het een investering is die gericht is op het realiseren van nieuw wederrechtelijk verkregen voordeel en dat zou leiden tot een dubbeltelling in de kasopstelling. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het bedrag slechts gedeeltelijk kan worden opgenomen in de kasopstelling, omdat sprake was van medeplegen en de veroordeelde niet zelf het hele bedrag heeft betaald.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een dubbeltelling, omdat een investering in een drugslab niet direct leidt tot wederrechtelijk verkregen voordeel, en dat op basis van het dossier voldoende aannemelijk is dat de veroordeelde het hele bedrag heeft afgegeven.

De rechtbank acht op basis van de in het dossier aanwezige Encrochatberichten voldoende aannemelijk dat de veroordeelde een bedrag van € 129.900,-- heeft afgegeven voor de (her)inrichting van een drugslab. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een dubbeltelling, omdat de uitgave voor een drugslab niet direct heeft geleid tot een wederrechtelijke inkomende geldstroom.

Koop grond in Turkije (5.7.29)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de eigendomsaktes niet blijkt dat de veroordeelde heeft betaald voor de overdracht van grond in Turkije.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd dat de overdracht van de grond ‘om niet’ zou zijn geschied.

De rechtbank stelt vast dat [naam 1] op 9 augustus 2017 in Turkije drie percelen landbouwgrond heeft gekocht voor in totaal € 12.470,02. Op de bankrekeningen van de veroordeelde en [naam 1] zijn geen betalingen zichtbaar voor de aankoop van de grond. De rechtbank acht het daarom voldoende aannemelijk geworden dat de betalingen voor de percelen landbouwgrond contant zijn voldaan. De verdediging heeft onvoldoende onderbouwd dat de veroordeelde de gronden om niet heeft verkregen.

Voorwaardelijk verzoek horen getuigen [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 10]

De verdediging heeft verzocht om [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 10] te horen als getuige. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat het verzoek mede in het licht van het dossier en de verkregen resultaten van het voor de ontnemingszaak relevante onderzoek door de verdediging onvoldoende is onderbouwd.

Betaling € 100.000,-- aan Turkse advocatenmaatschap

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet vastgesteld kan worden dat de veroordeelde een contant bedrag van € 100.000,-- heeft betaald aan een Turkse advocatenmaatschap. Ook heeft de verdediging aangevoerd dat sprake zou zijn van een dubbeltelling als het bedrag zou zijn terugbetaald aan de veroordeelde en van het bedrag nieuwe contante uitgaven zijn gedaan.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de veroordeelde en de advocatenmaatschap voldoende aannemelijk is dat de veroordeelde € 100.000,-- heeft betaald aan de maatschap. De officier van justitie acht voldoende aannemelijk dat het bedrag contant is betaald. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een dubbeltelling, omdat de teruggave van de € 100.000,-- aan de veroordeelde en het storten van het bedrag op een Turkse bankrekening niet is meegenomen in de kasopstelling.

De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde op 27 juli 2018 een overeenkomst heeft gesloten met een Turkse advocatenmaatschap waarin het honorarium is vastgesteld op € 100.000, en dat uit de overeenkomst blijkt dat het bedrag is betaald. Op de bankrekeningen van de veroordeelde en [naam 1] is geen betaling aan de advocatenmaatschap zichtbaar. De rechtbank komt tot het oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat € 100.000, contant is betaald aan de Turkse advocatenmaatschap voor de verdediging van de veroordeelde in een Turkse strafzaak en dat dit bedrag afkomstig is van de veroordeelde.

Contante uitgave appartementen complex ASLI / NISAN (5.7.32) en [bedrijf 3] (5.7.33)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet vastgesteld kan worden dat de veroordeelde heeft betaald voor de koop van een appartement in het complex ASLI / NISAN en van een appartement van bouwbedrijf [bedrijf 3].

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de ontnemingsrapportage voldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde (omgerekend) € 115.044, heeft betaald voor de koop van het appartement in het complex ASLI / NISAN en € 58.043,12 heeft betaald voor het appartement van bouwbedrijf [bedrijf 3] en dat deze bedragen contant zijn voldaan.

De rechtbank stelt vast dat [naam 1] op 27 juli 2018 een appartement heeft gekocht in Istanbul voor 650.000 Turkse lira, omgerekend een bedrag van € 115.044,. Uit een Whatsappgesprek tussen de veroordeelde en een persoon genaamd [naam 2] blijkt dat de veroordeelde het appartement heeft gekocht als investering. De rechtbank stelt ook vast dat [naam 1] op 28 december 2018 een appartement heeft gekocht in het district [locatie] van bouwbedrijf [bedrijf 3] voor 350.000 Turkse lira, omgerekend een bedrag van € 58.043,12. Op de bankrekeningen van [naam 1] en de veroordeelde is geen betaling zichtbaar voor het appartement. De rechtbank overweegt dat het op de weg van de verdediging had gelegen om te onderbouwen dat de appartementen om niet zijn verkregen, gelet op de koopovereenkomst waarin een koopprijs is vastgelegd. Nu de verdediging die stelling onvoldoende heeft onderbouwd, is naar het oordeel van de rechtbank op grond van het ontnemingsdossier voldoende aannemelijk dat [naam 1] contant heeft betaald voor de aankoop van de appartementen.

(Voorwaardelijk) verzoek horen getuigen [getuige 12], [getuige 11] en [bedrijf 3]

De verdediging heeft verzocht om [getuige 12], [getuige 11] en ‘personen die zijn verbonden aan [bedrijf 3]’ als getuigen te horen. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat het verzoek mede in het licht van het dossier en de verkregen resultaten van het voor de ontnemingszaak relevante onderzoek door de verdediging onvoldoende is onderbouwd.

Onderzoekswensen

De verdediging heeft verzocht om de onderzoekswensen die zijn ingediend op de regiezitting van 14 oktober 2025 alsnog toe te wijzen. Nu geen sprake is van nieuwe onderzoekswensen en dit verzoek niet nader is onderbouwd, zal de rechtbank het verzoek afwijzen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit strafbare feiten. De rechtbank merkt op dat – nu zij de voordeelsberekening baseert op het derde lid van art. 36e Sr - het niet nodig is om precies is vast te stellen met welke strafbare feiten de veroordeelde dit voordeel heeft behaald.

De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 680.721,53 (€691.869,01 minus € 538,63 minus € 10.608,85).

De vaststelling van de betalingsverplichting

De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 680.721,53.

4. De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5. De beslissing

De rechtbank:

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. A.J. de Loor en mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Lautenbag, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand