RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.142257.21
Datum vonnis: 7 juli 2026
Verstekvonnis van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 341.576,81.
2. De procedure
De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 14 oktober 2025 en 26 mei 2026. De veroordeelde en zijn raadsman zijn niet verschenen.
Op de terechtzitting van 26 mei 2026 heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd.
3. De beoordeling van de vordering
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 5 juni 2024 veroordeeld, voor zover van belang, voor de volgende strafbare feiten:
feit 1
de misdrijven:
als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als
bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet;
en
als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
feit 2
het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet
gegeven verbod;
feit 3
de misdrijven:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet
gegeven verbod meermalen gepleegd;
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet
gegeven verbod meermalen gepleegd;
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet
gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4
de misdrijven:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet
gegeven verbod, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet
gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 6
de misdrijven:
medeplegen van om een feit, als bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/inlichtingen tot het
plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, gelden/andere betaalmiddelen, voorhanden
hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot
het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) volgt dat het Openbaar Ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan indienen tegen degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit.
Op grond van artikel 36e lid 2 Sr kan een ontnemingsmaatregel worden opgelegd met betrekking tot het voordeel dat door de betrokkene is verkregen “door middel van of uit de baten van” het in de hoofdzaak bewezen verklaarde feit of een ander strafbaar feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat dit door de veroordeelde is begaan.
Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan verder plaatsvinden op grond van artikel 36e lid 3 Sr, als – kort gezegd – aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Anders dan het tweede lid stelt het derde lid van artikel 36e Sr niet de eis dat die ‘andere strafbare feiten’ door de veroordeelde zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de veroordeelde uit die andere strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel kan, zoals in casu is gebeurd, berekend worden aan de hand van een eenvoudige kasopstelling. Daarbij wordt berekend hoeveel contant geld de veroordeelde heeft gehad en welk deel daarvan kan worden verklaard uit contant geld dat de veroordeelde al had of dat hij in de onderzochte periode legaal heeft verkregen. Het contante geld dat daardoor niet kan worden verklaard, wordt als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt. Het is aan de veroordeelde om gemotiveerd en onderbouwd aannemelijk te maken dat de berekening incorrect is.
In de ontnemingsrapportage is beschreven dat er geen volledig zicht is gekregen op alle strafrechtelijke activiteiten van de veroordeelde en de daarmee samenhangende opbrengsten. Wel bleek uit het strafrechtelijk- en financieel onderzoek dat de veroordeelde over onverklaarbaar (contant) vermogen beschikte.
Voor de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank acht geslagen op de zogenoemde eenvoudige kasopstelling zoals die door de Politie Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies is opgesteld in het rapport van 28 november 2024 met nummer [nummer]. Daarin is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op € 341.576,81. Daarbij is uitgegaan van de volgende posten in de periode van 6 juni 2017 tot 1 juni 2021:
[afbeelding]
Uit voornoemde kastopstelling blijkt dat de veroordeelde in de periode van 6 juni 2017 tot 1 juni 2021 aanzienlijke contante uitgaven en bankstortingen heeft gedaan die niet met legale inkomsten kunnen worden verklaard. De veroordeelde heeft geen verklaring afgelegd en de berekening niet betwist. Daarbij komt dat de veroordeelde in een OVC-gesprek (over drugstransporten) op 24 oktober 2020 heeft gezegd “heb ik 230 duizend overgehouden van ééntje .. en aan de andere heb ik 180 overgehouden .. Bijvoorbeeld .. Ik heb er bijvoorbeeld 400 aan overgehouden aan twee keer in één maand tijd”.
De rechtbank overweegt dat uit het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel blijkt dat de veroordeelde en zijn echtgenote op 6 juni 2017 beschikten over € 220,-- contant geld. Tijdens de doorzoeking op 1 juni 2021 zijn meerdere contante geldbedragen aangetroffen; in totaal beschikte de veroordeelde over € 56.692,21 contant geld. In de periode van 6 juni 2017 tot 1 juni 2021 hadden de veroordeelde en zijn echtgenote € 33.090,00 aan legale contante inkomsten, inclusief bankopnamen. Van een deel van het aangetroffen contante geld, een bedrag van € 19.382,21, is de herkomst onverklaarbaar.
Ook blijkt dat de veroordeelde in de periode van 6 juni 2017 tot 1 juni 2021 in totaal € 322.194,60 aan contante uitgaven heeft gedaan (inclusief bankstortingen), waaronder contante stortingen op bankrekeningen, contante uitgaven in winkels, contante betalingen bij de aankoop van voertuigen en brandstof, contante betalingen die bekend zijn geworden vanuit OVCgesprekken, contante betalingen voor huur van een loods, contante uitgaven voor de import van metalen, contante uitgaven die bekend zijn geworden vanuit andere strafrechtelijke onderzoeken en contante betalingen die bekend zijn geworden vanuit PGPberichten. Naar het oordeel van de rechtbank beslaat het uit onverklaarbare bron ontvangen geld in totaal aldus een bedrag van € 341.576,81.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen uit strafbare feiten. De rechtbank merkt op dat – nu zij de voordeelsberekening baseert op het derde lid van art. 36e Sr - het niet nodig is om precies is vast te stellen met welke strafbare feiten de veroordeelde dit voordeel heeft behaald.
De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 341.576,81.
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 341.576,81.
4. De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
5. De beslissing
De rechtbank:
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. A.J. de Loor en mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Lautenbag, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.