RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11752970 \ CV EXPL 25-1785
Vonnis van 13 januari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. F. Kolkman,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] B.V.,
gemachtigde: mr. A.C. Blankestijn.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 juni 2025;- de conclusie van antwoord;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de door beide partijen nagezonden statuten van [gedaagde] B.V.;
- de mondelinge behandeling van 1 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
In 2022 is [eiser] samen met [naam] (hierna: [naam]) begonnen met de exploitatie van een broodjeszaak genaamd [bedrijf]. Daartoe hebben zij de vennootschap [gedaagde] B.V. opgericht. De naam van de vennootschap bestaat uit de voornamen van [eiser] en [naam]. [eiser] bezit 49% van de aandelen. [naam] bezit 51% van de aandelen en is ook statutair bestuurder van [gedaagde] B.V.
[eiser] was verantwoordelijk voor de dagelijkse aansturing in de broodjeszaak. Zo regelde zij het rooster voor het personeel en hielp ze mee bij de bereiding van de producten. [naam] hielp mee in de weekenden en was onder meer verantwoordelijk voor de financiële boekhouding.
Naast de broodjeszaak exploiteerde [eiser] een oliebollenkraam waar ze de laatste drie maanden van het jaar dagelijks enkele uren per dag werkte.
[eiser] en [naam] waren sinds 9 september 2022 met elkaar getrouwd. Begin 2024 zijn [eiser] en [naam] uit elkaar gegaan. De inschrijving van de ontbinding van het huwelijk heeft op 28 januari 2025 plaatsgevonden.
Nadat de affectieve relatie tussen [eiser] en [naam] is geëindigd, zijn er strubbelingen ontstaan in de samenwerking in de broodjeszaak. [naam] heeft [eiser] de toegang tot de broodjeszaak per 1 mei 2025 ontzegd en een nieuwe bedrijfsleider aangesteld.
3. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - betaling door [gedaagde] B.V. van achterstallig loon en vakantiegeld, vermeerderd met de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast vordert ze afgifte van salarisspecificaties.
[eiser] stelt dat ze sinds 1 maart 2022 als bedrijfsleidster werkzaam is geweest voor de broodjeszaak op basis van een arbeidsovereenkomst en dat ze daarom recht heeft op loon.
[gedaagde] B.V. stelt dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, omdat er geen sprake is van een gezagsverhouding en er geen sprake is van loon. Bovendien stelt [gedaagde] B.V. dat [eiser] te laat is met klagen over het niet ontvangen van loon. Daarom moeten de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
4. De beoordeling
De vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op de stelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Volgens [gedaagde] B.V. is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Allereerst zal dus beoordeeld moeten worden wat partijen hebben afgesproken en of deze afspraken kwalificeren als een arbeidsovereenkomst.
Wat partijen hebben afgesproken moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedoeling van partijen en de wijze waarop zij uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst. Vervolgens moet worden beoordeeld of deze rechten en plichten voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Dat wil zeggen of sprake is van (1) de verplichting tot het verrichten van arbeid, (2) loon en (3) een gezagsverhouding.
Wat hebben partijen afgesproken?
Door [eiser] is niet weersproken dat het idee voor het starten van een broodjeszaak van haar kwam. Vervolgens hebben zij [gedaagde] B.V. opgericht en zijn zij gezamenlijk de broodjeszaak begonnen, waarbij [naam] en [eiser] hun eigen voornaam hebben gebruikt voor de naam van de vennootschap. Verder is afgesproken dat [eiser] 49% van de aandelen zou krijgen en [naam] 51%. [naam] is de statutair bestuurder van [gedaagde] B.V. [naam] heeft een bedrag van € 300.000,00 geleend aan [gedaagde] B.V., waarmee de nodige investeringen zijn gedaan om de broodjeszaak op te starten. Partijen hebben verder afgesproken dat [eiser] verantwoordelijk was voor de dagelijkse aansturing in de broodjeszaak: zo stelde zij het rooster op voor het personeel en bereidde zij diverse producten voor, voor de verkoop. Niet is gebleken dat [eiser] en [naam] afspraken hebben gemaakt over een (management)vergoeding.
De gemaakte afspraken kwalificeren niet als een arbeidsovereenkomst
De kantonrechter oordeelt dat er tussen partijen geen arbeidsovereenkomst bestaat, omdat er geen sprake is van een gezagsverhouding en ook niet is gebleken dat [eiser] recht had op loon. De kantonrechter licht dat oordeel als volg toe.
Geen gezagsverhouding
De gezagsverhouding ziet op de omstandigheid dat de werknemer zich heeft verbonden onder de zeggenschap van de werkgever arbeid te verrichten. De werknemer is hierbij ondergeschikt aan de werkgever. Het feit dat [naam] verantwoordelijk was voor de boekhouding, aan het einde van de werkdag het contante geld ophaalde en [eiser] bepaalde instructies gaf, betekent nog niet dat er sprake is van een gezagsverhouding. Als samen een onderneming wordt geëxploiteerd dan is het gebruikelijk dat taken onderling verdeeld worden. Bovendien heeft [eiser] ter zitting verklaard dat zij zelf haar werktijden bepaalde, dat zij zelf bepaalde wanneer zij verlof had en haar vakantiedagen niet bijhield, terwijl het overige personeel ingepland werd in het rooster en verlof moest aanvragen. [eiser] gaf verder de gewerkte uren en verlofdagen van het overige personeel door aan de boekhouder, maar haar eigen (verlof)uren niet. De positie van [eiser] was dus een wezenlijk andere dan die van het overige personeel. Zij gedroeg zich meer als ondernemer dan als werknemer, ook haar voornaam werd gebruikt voor de naam van de vennootschap. Aan [eiser] kan weliswaar worden toegegeven dat de door haar uitgevoerde werkzaamheden gelijk staan aan het verrichten van arbeid, maar ook een ondernemer kan werkzaamheden verrichten die een werknemer verricht. Drie maanden per jaar hield ze zich bovendien ook bezig met de verkoop van olieballen in haar eigen oliebollenkraam. Zij profileerde zich kortom als ondernemer. Ook het feit dat [naam] 51% van de aandelen bezit, maakt niet dat er sprake is van een gezagsverhouding. Een meerderheid van de aandelen ziet namelijk op zeggenschap in de vennootschap en niet op gezag in arbeidsrechtelijke zin.
Geen loon
Niet is gebleken dat partijen afspraken hebben gemaakt over enige vorm van beloning voor [eiser]. [eiser] stelt weliswaar dat ze meermaals om loon heeft gevraagd, maar dat wordt door [gedaagde] B.V. betwist en is door [eiser] niet nader onderbouwd. [gedaagde] B.V. heeft daarentegen wel toegelicht dat partijen hebben afgesproken dat eerst de geldlening aan [naam] zou worden terugbetaald en dat de aandeelhouders ([eiser] en [naam]) vervolgens jaarlijks dividend zouden ontvangen. Dat is geen ongebruikelijke gang van zaken voor een onderneming die net is gestart.
De vorderingen van [eiser] worden afgewezen
Omdat niet is voldaan aan de elementen gezag en loon, is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Daarom worden de vorderingen van [eiser] afgewezen.
[eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] B.V. worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
2.174,00
(2 punten × € 1.087,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.309,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.309,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.