RECHTBANK OVERIJSSEL
Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
parketnummer : 08-316065-25
raadkamernummer : 26-021050
Beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats],
wonende op het adres [woonplaats],
vertegenwoordigd door [naam],
bijgestaan door mr. U. Ural, advocaat te Enschede,
hierna te noemen: de veroordeelde.
1. Het verloop van de procedure
Het namens veroordeelde ingediende bezwaarschrift daterende 16 juli 2026 is op diezelfde dag op de griffie van de rechtbank ontvangen. Veroordeelde maakt bezwaar
tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-celmateriaal in de DNA-databank.
De raadkamer heeft kennisgenomen van de relevante stukken van de strafzaak tegen
veroordeelde. Daarnaast heeft de raadkamer acht geslagen op de schriftelijke conclusie van
de officier van justitie van 24 augustus 2026.
Het bezwaar is behandeld op de niet-openbare zitting van de raadkamer van 2 september 2026. Bij die raadkamerbehandeling zijn de officier van justitie mr. G.J. Jansen, de moeder en vertegenwoordiger van veroordeelde, [naam] en de raadsman gehoord. De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
2. De standpunten
Standpunt veroordeelde, moeder en raadsman
De moeder van veroordeelde heeft zich in het bezwaarschrift namens veroordeelde op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift gegrond moet worden verklaard en dat het DNA-
celmateriaal, dat veroordeelde heeft moeten afstaan, moet worden vernietigd. De moeder van veroordeelde heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Veroordeelde is minderjarig en heeft autisme. De opslag van DNA-gegevens heeft een grote impact op zijn privacy en persoonlijke levenssfeer. De procedure rondom de DNA-afname en de dreigende langdurige registratie in een strafrechtelijke databank zorgen voor extreme stress, onzekerheid en een zware psychische belasting. Veroordeelde wordt hierdoor belemmerd in zijn dagelijks functioneren en de noodzakelijke ontwikkeling en structuur die hij vanwege de diagnose juist zo hard nodig heeft. De opslag vormt door deze specifieke kwetsbaarheid een onevenredig zware inbreuk. In aanvulling op het bezwaarschrift, deelt de raadsman, zakelijk weergegeven, het volgende mee. Het bezwaarschrift dient gegrond te worden verklaard omdat er sprake is van een aantal bijzondere omstandigheden. Ik verwijs hiervoor naar een drietal uitspraken. De rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2025-2155) heeft een bezwaarschrift gegrond verklaard nu het ging om een minderjarige, autistische veroordeelde die voldoende aannemelijk had gemaakt dat het bepalen en het verwerken van zijn DNA-profiel in een DNA-databank continu in zijn hoofd blijft spelen en dat dit veel stress oplevert voor hem. Tevens nam de rechtbank daarbij in aanmerking dat aan de veroordeelde een taakstraf lager dan 40 uur was opgelegd. De rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2025:12678) heeft een bezwaarschrift gegrond verklaard omdat de veroordeelde minderjarig was, het om een misdrijf van een relatief geringe ernst ging en omdat het recidivegevaar klein lijkt te zijn. Tot slot heeft de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2025:3524) een bezwaarschrift gegrond verklaard omdat de minderjarige veroordeelde first offender was, hij weliswaar voor twee strafbare feiten was veroordeeld, maar in een periode van slechts één maand gepleegd, zonder dat een tussentijdse interventie heeft plaatsgevonden en de veroordeelde geen werkstraf, maar een leerstraf van 40 uur opgelegd heeft gekregen. In deze zaak is van belang dat veroordeelde een minderjarige jongen betreft met autisme, een voorwaardelijke werkstraf van 30 uren opgelegd heeft gekregen en niet meer in aanmerking is gekomen politie en justitie. Daarbij komt dat veroordeelde is veroordeeld voor een mishandeling gepleegd tegen zijn eigen vader. Vader van veroordeelde heeft enkel aangifte gedaan om ervoor te zorgen zijn zoon de juiste hulp zou krijgen. Er is nu hulp betrokken bij het gezin van veroordeelde en het gaat nu beter.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard. De officier van justitie is verplicht tot het geven van een bevel tot afname van DNA-celmateriaal bij een veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet, als de straf een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf betreft. Dit bevel is - met het oog op de wetsgeschiedenis en het strafbare feit waarvoor in deze strafzaak een veroordeling is gevolgd - proportioneel. Een beroep op de uitzonderingsgronden ‘de aard van het misdrijf’ en ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ kan in dit geval niet slagen.
3. De ontvankelijkheid
Het bezwaarschrift is tijdig ingediend en gemotiveerd. De raadkamer stelt vast dat het
bezwaarschift ook voor het overige ontvankelijk is.
4. De beoordeling
Gang van zaken DNA-afname bij veroordeelde
In het vonnis van de kinderrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 14 april 2026, is geoordeeld dat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen van enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en aan een mishandeling tegen zijn vader. De straf betrof een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en een proeftijd van 2 jaren, met oplegging van een aantal bijzondere voorwaarden.
Vanwege deze veroordeling heeft de officier van justitie op grond van artikel 2 van de Wet op 27 mei 2026 bevolen dat van veroordeelde DNA-celmateriaal moest worden afgenomen voor het bepalen en het verwerken van zijn DNA-profiel. Op 7 juli 2026 is aan dit bevel uitvoering gegeven, door het DNA-celmateriaal (wangslijm) van veroordeelde af te nemen.
Uitzonderingsgronden
Het afnemen van DNA-materiaal is een dwangmaatregel die inbreuk maakt op het door artikel 8, eerste lid, EVRM beschermde grondrecht. Met het oog daarop zijn de uitzonderingsgronden van artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet aangebracht en is de bezwaarschriftprocedure ingesteld als waarborg voor proportionele toepassing van het DNA-onderzoek bij veroordeelden. De reikwijdte van die uitzonderingsgronden is slechts zeer beperkt. Het uitgangspunt is namelijk dat van iedere veroordeelde in de zin van artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet, DNA-celmateriaal wordt afgenomen.
In dit geval is veroordeelde gestraft voor een misdrijf zoals omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Aan veroordeelde is een straf opgelegd zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c van de Wet. In zoverre is dus voldaan aan de in artikel 2, eerste lid, van de Wet gestelde eisen. De officier van justitie was dus verplicht het bevel tot afname van DNA-celmateriaal te geven. Omdat veroordeelde bezwaar heeft gemaakt tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-celmateriaal in de DNA-databank, moet de raadkamer beoordelen of er sprake is van een uitzonderingsgrond op die plicht van de officier van justitie.
De vraag is of het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de ‘aard van het misdrijf’ of ‘de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Er zijn dus twee uitzonderingsgronden mogelijk. Hierbij is geen plaats voor een afweging van andere belangen. Is géén van de uitzonderingsgronden van toepassing,
dan moet het bezwaar ongegrond worden verklaard.
De Hoge Raad heeft op 7 april 2020 een arrest gewezen met betrekking tot (het beoordelen van) de DNA afname en opname van minderjarige veroordeelden. Daarin herhaalt de Hoge Raad de relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BC8234 met betrekking tot de beoordeling van een bezwaarschrift van een ten tijde van het misdrijf minderjarige. Er wordt geen integraal onderscheid gemaakt tussen minderjarigen en meerderjarigen in de Wet DNA V. Hieraan voegt de Hoge Raad toe dat, hoewel er geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen, de rechter bij zijn oordeel of sprake is van “bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd” de omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was moet betrekken. Een relevante factor in dit verband kan volgens de Hoge Raad zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen de veroordeelde minderjarig was. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede
gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven.
Uitzonderingsgrond 1: Aard van het misdrijf
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de uitzonderingsgrond ‘aard van het misdrijf’ op misdrijven ziet waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De wetgever stelde in de jaren 2002-2003 dat hier sprake van was bij misdrijven als valsheid in geschrift, meineed, schuldheling en verduistering. Bij elk strafbaar feit waarbij stoffelijke objecten worden gebruikt of waarbij menselijk contact is, kan DNA-bewijs van betekenis zijn voor de berechting van strafbare feiten, zeker met de voortschrijdende ontwikkeling van technieken om het DNA-profiel te bepalen. Het is niet geheel ondenkbaar dat bij het soort misdrijf waarvoor klager is veroordeeld in zijn algemeenheid DNA-onderzoek uitkomst zou kunnen bieden bij het oplossen daarvan: er kan biologisch sporenmateriaal aanwezig zijn op de plaats delict of op een gebruikt of achtergelaten attribuut. Dat zoiets zich mogelijk in het concrete geval niet heeft voorgedaan, doet niet ter zake. De bepaling en verwerking van het DNA-profiel kunnen vervolgens ook nog eens bijdragen aan de voorkoming van dergelijke strafbare feiten. Een beroep op de uitzonderingsgrond ‘aard van het misdrijf’ kan dus ook in dit geval niet slagen.
Uitzonderingsgrond 2: Bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de uitzonderingsgrond ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ samenhangt met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens een misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Hierbij valt te denken aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd waarbij DNA-onderzoek voor de opsporing van belang zou kunnen zijn en van een veroordeelde die dat in de toekomst ook nooit meer zal kúnnen doen. In
het geval van klager kan geen van beide gezegd worden.
De raadsman van veroordeelde heeft aangevoerd dat sprake is van een minderjarige autistische jongen, er slechts een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren is opgelegd en het recidivegevaar klein is, gelet op het feit dat hij nooit eerder is veroordeeld en na zijn veroordeling niet meer in aanraking met politie en justitie is gekomen. Volgens de raadsman dient het bezwaarschrift om die redenen, met verwijzing naar de door hem aangehaalde jurisprudentie, gegrond te worden verklaard.
De raadkamer overweegt als volgt. Het zijn van first offender is niet redengevend voor gegrondverklaring. Het is bestendige jurisprudentie dat dit geen bijzondere omstandigheid is die tot uitzondering kan leiden. Zou de wetgever hebben gewild dat first offenders niet in de databank zouden worden opgenomen, dan zou dat wel in de wet- en regelgeving zijn verankerd. In zijn algemeenheid geldt immers dat het enkele feit dat iemand niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld, niet altijd betekent dat de persoon in kwestie nooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd (of nog zal plegen). De DNA-databank heeft zijn nut op dat gebied meer dan eens bewezen in het verleden. Ook het feit dat veroordeelde minderjarig was ten tijde van het delict en de omstandigheid dat hij autistisch is, vormen op zichzelf niet voldoende grond om een uitzondering aan te nemen. De raadkamer betrekt in haar overwegingen dat de Raad voor de Kinderbescherming in haar rapportage van 20 maart 2026 het dynamisch recidiverisico heeft ingeschat als hoog. De Raad vermeldt dat veroordeelde in totaal 83(!) meldingen op zijn naam heeft staan en omschrijft hem als een jongen die buitenshuis veelvuldig in aanraking komt met de politie. De politie ziet dat veroordeelde daarin een leidersrol op zich neemt. Al vanaf jonge leeftijd is hij in aanraking met de politie en de Raad maakt zich hierom zorgen. Een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden wordt daarom noodzakelijk geacht om de kans op herhaling van delicten te verkleinen. De Raad heeft een leerstraf overwogen, maar veroordeelde stond hier niet voor open. Een werkstraf zou veroordeelde niet kunnen uitvoeren vanwege zijn problematiek en een geldboete is niet passend geacht omdat veroordeelde geen baan heeft. Om veroordeelde te laten ervaren dat zijn problematiek geen excuus is om een onder een straf uit te komen achtte de Raad een voorwaardelijke werkstraf het meest passend en heeft de rechtbank geadviseerd om voorwaarden op te leggen, teneinde veroordeelde te laten beseffen dat indien hij zich wederom niet aan de voorwaarden houdt, of wederom strafbare feiten pleegt, hij een echte staf zal krijgen. De kinderrechter heeft het advies gevolgd en een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren met proeftijd van 2 jaren opgelegd met oplegging van de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de Raad. Met deze straf heeft de kinderrechter kennelijk een stok achter de deur willen houden om recidive te voorkomen.
De raadkamer ziet aanleiding om nader in te gaan op de door de raadsman aangehaalde jurisprudentie waaruit zou volgen dat in het geval van veroordeelde sprake is van zulke bijzondere omstandigheden dat het bezwaarschrift gegrond moet worden verklaard. De raadkamer overweegt daartoe als volgt. In de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2025-2155) was sprake van slechts één strafbaar feit en is een onvoorwaardelijke taakstraf opgelegd. Veroordeelde heeft twee strafbare feiten gepleegd en hem is nu juist een voorwaardelijke taakstraf opgelegd, vanwege het hoge recidiverisico. De uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2025:12678) betreft een first offender en bleek het strafbare feit als slechts een jeugdzonde te worden beschouwd. Bij veroordeelde kan dit niet gezegd worden, gelet op het rapport van de Raad waarin het veelvuldige politiecontact waarbij veroordeelde als leider wordt gezien, beschreven. Tot slot betreft de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2025:3524) eveneens een first offender die weliswaar voor twee strafbare feiten was veroordeeld, maar die waren in een periode van één maand gepleegd. Daarnaast was aan de veroordeelde een leerstaf opgelegd. In de onderhavige zaak heeft veroordeelde twee strafbare feiten gepleegd met een tussenliggende periode van zes maanden, heeft hij maar liefst 83 meldingen op zijn naam staan en bleek hij niet open te staan voor een leerstraf.
Bij (soortgelijke) ernstige strafbare feiten wordt door de officier van justitie in beginsel altijd een bevel tot afname van celmateriaal afgegeven ten behoeve van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, tenzij er sprake is van een van de uitzonderingen van de Wet DNA-V. Het bevel tot DNA-afname blijft alleen achterwege als vaststaat dat elk opsporingsbelang of recidivegevaar ontbreekt. Gelet op al het voorgaande acht de raadkamer iedere kans op recidive niet uitgesloten. De gestelde conclusie ten aanzien van het (geweken) recidiverisico onderschrijft de raadkamer derhalve niet.
Het overige door veroordeelde aangehaalde, kan evenmin tot een uitzondering leiden.
Veroordeelde is van mening dat het opslaan van zijn DNA schadelijk is omdat het een grote inbreuk maakt op het recht op respect voor het privéleven en de lichamelijke integriteit ex artikel 8 EVRM. Veroordeelde acht het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, mede gezien het eerder aangevoerde, dan ook disproportioneel. Het proces van DNA-onderzoek is zo ingericht dat er geen twijfel kan bestaan over de betrouwbaarheid van het onderzoek. Het NFI toetst het hele werkproces continu en werkt met een geaccrediteerd kwaliteitsmanagementsysteem. De kwaliteit van de diensten van het NFI wordt beoordeeld door de Raad voor Accreditatie (RvA), een onafhankelijk instituut. Het NFI is sinds 1994 geaccrediteerd door de RvA (www.forensischinstituut.nl en www.rva.nl ).
Tot slot verwijst de raadkamer in dat verband naar een uitspraak van het EHRM van 20 januari 2009 inhoudende dat het opslaan van het DNA-profiel bij wet is voorzien en gerechtvaardigd is ter bestrijding van de misdaad en ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Daarbij biedt de Wet DNA volgens het EHRM adequate waarborgen tegen willekeur en onzorgvuldige DNA-opslag. Er zijn immers waarborgen getroffen tegen oneindige en ongedifferentieerde opslag van DNA-gegevens, het DNA materiaal wordt anoniem en gecodeerd opgeslagen en veroordeelde wordt hiermee slechts geconfronteerd als hij eerder een strafbaar feit heeft gepleegd of in de toekomst zal plegen (EHRM 20 januari 2009, 75909/01 en Beschikking Rechtbank Noord-Nederland, 24 november 2020 rekestnummer 20/335). Het is duidelijk dat door de afname van celmateriaal inbreuk wordt gemaakt op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam. Een inbreuk op dat recht is toegestaan op grond van artikel 11 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM, indien dit bij wet is voorzien en met de inbreuk een legitiem doel wordt nagestreefd. Als legitiem doel wordt in artikel 8 EVRM onder meer genoemd het voorkomen van strafbare feiten. Verder eist artikel 8 van het EVRM dat de beperking noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving. Met de wettelijke regeling van DNA-onderzoek bij veroordeelden wordt voldaan aan de eis dat de inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam bij of krachtens de wet is voorzien. Zo is in de artikelen 2 en 8 van de Wet DNA specifiek omschreven in welke gevallen celmateriaal van veroordeelden wordt afgenomen, en in artikel 5 op welke wijze dat gebeurt. Daarnaast wordt met het bepalen en verwerken van DNA een legitiem doel nagestreefd, namelijk de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. In het geval van veroordeelde wordt aan al het voorgaande voldaan en zijn de persoonlijke omstandigheden en de kans op recidive, zoals hiervoor reeds besproken, niet van dien aard dat dit tot een andere conclusie noopt. Bijzondere persoonlijke omstandigheden die tot een uitzondering zouden moeten leiden zijn niet aangevoerd en ook niet anderszins gebleken.
Conclusie
De raadkamer is van oordeel dat een beroep op de uitzonderingsgronden niet kan slagen. Het bezwaar van veroordeelde is dus ongegrond.
5. De beslissing
De raadkamer verklaart het bezwaarschrift ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Venekatte, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I.T.H. Praster, griffier, ondertekend door de rechter en de griffier en uitgesproken op 16 september 2026.