RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.103577.24 (P)
Datum vonnis: 29 september 2026
Verstekvonnis in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ,
zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats.
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 september 2026.
2. De geldigheid van de dagvaarding
Uit de processtukken blijkt het volgende. In de dagvaarding is als adres van verdachte opgenomen [adres 1] . Dit is het adres van de COA opvang te [plaats] . Op 4 juni 2026 is de dagvaarding uitgereikt aan de broer van verdachte, op het adres [adres 2] . Dit is het adres van de kapsalon van de broer van verdachte, waar verdachte gedurende het politieonderzoek regelmatig verbleef.
Uit de SKDB-staat van 13 maart 2026 volgt dat er van verdachte geen adres bekend is. In die
staat is ook geen laatst opgegeven woon- of verblijfplaats vermeld. Voorts blijkt uit het
dossier dat verdachte vermoedelijk is teruggekeerd naar Syrië en derhalve niet verhoord is
(p. 29) en dat hij niet meer terugkomt naar Nederland (WhatsApp-chat tussen verdachte en
zijn broer, waaruit op te maken is dat verdachte teruggekeerd is naar Syrië en de verklaring
van getuige [getuige] , die heeft verklaard dat hij van de broer van verdachte gehoord heeft
dat verdachte terug is naar Syrië en niet meer terugkomt naar Nederland, PV-527A en
PV-500).
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgen geen andere adressen in binnen-
en buitenland van verdachte en verdachte was ten tijde van de betekening en de zitting
blijkens informatie van de officier van justitie ter terechtzitting van 14 september 2026 niet
gedetineerd.
De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat verdachte geen bekende woon- of
verblijfplaats heeft. Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is de betekening in
dat geval in elk geval geldig als de dagvaarding is uitgereikt aan een medewerker van het
Openbaar Ministerie (HR:2026:953 en HR:2002:AD5163). In casu is de dagvaarding niet
uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie, maar wel aan de broer van
verdachte op een adres waar verdachte tijdens het onderzoek regelmatig verbleef, terwijl de
broer van verdachte “beloofd heeft de brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven”.
Gelet op dit alles, bezien in het licht van de genoemde jurisprudentie, acht de rechtbank de
betekening geldig.
3. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 27 augustus 2024 tot en met 11 september 2024 samen met anderen mensensmokkel waarbij levensgevaar voor een ander te duchten was, heeft voorbereid.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 augustus 2024 tot
en met 11 september 2024 te Geleen en/althans (elders) in Nederland en/of in België en/of in
Frankrijk,
althans ook elders, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/althans
alleen,
(telkens) ter voorbereiding van het misdrijf om een of meer perso(o)n(en),
behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door
Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, en/of
die perso(o)n(en) daartoe (telkens) gelegenheid, middelen of inlichtingen te
verschaffen,
terwijl de verdachte en/of zijn mededaders(s) wist(en) of ernstige redenen hadden
te vermoeden dat die toegang en/of die doorreis en/of dat verblijf (telkens)
wederrechtelijk was,
en/of door die/dat misdrijf/ven (telkens) levensgevaar voor de te smokkelen
personen te duchten was, (telkens) een misdrijf als strafbaar gesteld in artikel 197a (lid 5)
Wetboek van Strafrecht,
(door) opzettelijk voorwerpen en/of vervoersmiddel(en) en/of (een) ruimte(n),
bestemd tot het begaan van die/dat misdrijf/misdrijven heeft verworven en/of voorhanden
heeft gehad, te weten:
een of meerdere rubberbo(o)t(en), en/of
een of meerdere bodemplaten,, en/of
een of meerdere zijrails, en/of
een of meerdere opblaaspomp(en), en/of
een geldbedrag ad. € 2000 heeft ontvangen voor de aankoop van rubberbo(o)t(en).
4. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, met dien verstande dat de periode beperkt dient te worden tot en met 6 september 2024.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De juridische kaders
In deze strafzaak gaat het erom of verdachte voorbereidingshandelingen heeft begaan met betrekking tot mensensmokkel.
Strafbare voorbereidingshandelingen
Iemand die behulpzaam is bij de oversteek die moet leiden tot de illegale toegang tot het Verenigd Koninkrijk en weet of moet vermoeden dat die reis wederrechtelijk is, maakt zich schuldig aan mensensmokkel. Het opzettelijk verwerven, voorhanden hebben, invoeren, doorvoeren en uitvoeren van vervoersmiddelen en andere voorwerpen, bedoeld om deze illegale overtocht over het Kanaal te maken, zijn voorbereidingshandelingen, strafbaar gesteld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Voor de bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in dit artikel, is tevens vereist dat de verdachte een misdrijf heeft voorbereid waar een gevangenisstraf van acht jaar of meer op staat. Dat betekent dat het voorbereiden van een misdrijf zoals omschreven in artikel 197a lid 1 Sr, waarvoor een gevangenisstraf voor de duur van ten hoogste zes jaren kan worden opgelegd, op zichzelf niet strafbaar is. Dat is anders als er levensgevaar te duchten was. . Artikel 197a Sr, vijfde lid Sr bepaalt de gevangenisstraf in dat geval op maximaal 15 jaren.
Algemene overweging van de rechtbank over het bestanddeel levensgevaar
Het is algemeen bekend dat de laatste jaren op grote schaal illegale migratie plaatsvindt vanuit Frankrijk naar het Verenigd Koninkrijk door met rubberbootjes met een lengte tussen de 5 en 12 meter, de drukst bevaren zeeroute ter wereld, het Kanaal, over te steken. Bekend zijn de beelden van rubberboten met buitenboordmotor, veelal beladen met meer mensen dan waarvoor die boten geschikt zijn. Die rubberboten voldoen niet aan de voorwaarden voor zeewaardigheid (zo zijn deze onder meer onvoldoende uitgerust met navigatie- en veiligheidsmiddelen, is voortstuwing onvoldoende, en voldoen niet aan stabiliteits- of sterkte-vereisten) en begeven zich desalniettemin op volle zee, blootgesteld aan golven, koud water, sterke stroming, grillige weersomstandigheden en druk scheepvaartverkeer, waarbij de opvarenden vaak niet beschikken over voldoende vaar- en zwemvaardigheden. Meer dan eens belanden de opvarenden van die bootjes in levensgevaarlijke situaties, waarbij mensen daadwerkelijk om het leven komen.
De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het bij mensensmokkel vanuit Frankrijk naar het Verenigd Koninkrijk met behulp van rubberboten met een buitenboordmotor een feit van algemene bekendheid is dat daarbij levensgevaar voor de opvarenden te duchten is.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
In de periode van 27 augustus 2024 tot en met 11 september 2024 heeft verdachte meermalen gesproken met opsporingsambtenaren van het Team Heimelijke Inwinning (inwinners) die zich hebben voorgedaan als personen die rubberboten konden leveren. Verdachte heeft op 27 augustus 2024 en op 29 augustus 2024 tegen de inwinners (via de app respectievelijk telefonisch) gezegd dat er tien boten nodig zijn en hij heeft gevraagd om foto’s, video’s en prijzen van de boten. Verdachte heeft daarbij tegen de inwinners onder meer gezegd dat hij na de afname van die boten er veel kan gebeuren. “De man gaan reizen, de man wordt opgemaakt, de man gaat dood”. Op 5 september 2024 heeft verdachte tegen de inwinners gezegd dat zij niet 1 maar 10 leveren. Vandaag 10 en misschien over een week 10 en misschien helemaal niet meer. Verdachte zegt tegen ze: “Dit is een smokkelaar, misschien gaat hij naar het buitenland, misschien komt hij vast te zitten, misschien gaat hij dood”.
De rechtbank concludeert uit deze bewijsmiddelen, in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, dat verdachte in zijn gesprekken met de inwinners gevraagd heeft om boten die bestemd zijn voor een mensensmokkelaar en dat het risico bestaat dat die smokkelaar wordt aangehouden of sterft.
Op 27 augustus 2024 heeft de broer van verdachte, medeverdachte [medeverdachte] ( [medeverdachte] ), via WhatsApp een filmpje ontvangen van een rubberboot op zee met ongeveer 30 jongemannen (waarvan er slechts 2 een reddingsvest droegen) waarbij wordt gezegd dat de boot onderweg is naar GrootBrittannië.
Uit WhatsApp-gesprekken van 2 september 2024 tussen verdachte en zijn broer volgt dat verdachte die dag 2.000 euro in ontvangst heeft genomen van de zoon van [naam 1] , te weten [naam 2] . Daarna zijn verdachte en zijn broer met het voertuig van zijn broer, een Skoda Fabia, naar Leeuwarden gereden. Bij terugkomst bij de kapperszaak van de broer van verdachte in [vestigingsplaats] op 3 september 2024 om 02.58 uur, wordt gezien dat verdachte en zijn broer een rubberboot en onderdelen daarvan uitladen en in de kapperszaak naar binnen dragen. Op 5 september 2024 heeft verdachte in de kapperszaak [bedrijf] aan de inwinners laten zien dat er een rubberboot in het pand lag. Verdachte heeft toen ook tegen de inwinners gezegd dat de persoon aan hij wie de boten doorverkoopt ‘een smokkelaar’ is, zoals hiervoor al overwogen.
Op 5 september 2024 heeft verdachte een audiobericht aan zijn broer gestuurd waarin hij hem waarschuwt om de goederen niet te vervoeren naar België waar een chauffeur wacht met een motor en benzine. Verdachte heeft daarbij gezegd dat hij bang is dat die chauffeur in de gaten wordt gehouden. Op 6 september 2024 is zijn broer aangehouden door de Koninklijke Marechaussee op de A76 ter hoogte van Geleen terwijl hij reed in de richting van de Belgische grens. In zijn auto werd een rubberboot aangetroffen. Bij de rubberboot werden ook vijf aluminium en twee houten bodemplaten aangetroffen, een voetpomp en vier zijrails. Op 11 september 2024 vertelde verdachte aan de inwinners dat zijn broer door de politie is aangehouden met de boot die de inwinners bij de kapperszaak hadden gezien.
De rechtbank stelt op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, vast dat verdachte samen met anderen een rubberboot, bodemplaten, vier zijrails en een opblaaspomp heeft verworven en voorhanden gehad en dat deze rubberboot bestemd was voor het smokkelen van mensen vanuit Frankrijk naar het Verenigd Koninkrijk Verdachte heeft 2000 euro in ontvangst genomen voor de aankoop van de rubberboot met toebehoren. Daarna heeft hij samen met zijn broer [medeverdachte] de goederen opgehaald en opgeslagen in de kapperszaak van [medeverdachte] . Kort voor aankoop van de goederen heeft [medeverdachte] een filmpje ontvangen van een rubberboot met migranten die onderweg waren naar het Verenigd Koninkrijk. Dit alles duidt erop dat ook deze rubberboot voor een soortgelijke smokkel bestemd was. Het één en ander wordt bevestigd door de gesprekken die verdachte met de inwinners heeft gehad.
Daar komt bij dat Verdachte wist dat de persoon voor wie hij rubberboten kocht een mensensmokkelaar was en had dan ook ernstige redenen om te vermoeden dat de boot met toebehoren bestemd waren voor mensensmokkel, waarbij migranten met een rubberboot een illegale en levensgevaarlijke overtocht van Frankrijk naar het Verenigd Koninkrijk zouden moeten maken.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verdachte samen met anderen opzettelijk voorbereidingshandelingen heeft verricht teneinde mensensmokkel via het Kanaal naar het Verenigd Koninkrijk te faciliteren, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 27 augustus 2024 tot en met 6 september 2024 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
ter voorbereiding van het misdrijf om personen,
behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van toegang tot een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, en
die personen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
terwijl de verdachte en zijn mededaders ernstige redenen hadden te vermoeden dat die toegang wederrechtelijk was,
en door dat misdrijf levensgevaar voor de te smokkelen personen te duchten was, een misdrijf als strafbaar gesteld in artikel 197a (lid 5) Wetboek van Strafrecht,
door opzettelijk voorwerpen en een vervoersmiddel ,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven en voorhanden
heeft gehad, te weten:
een rubberboot, en
bodemplaten, en
zijrails, en
een opblaaspomp, en
een geldbedrag ad. € 2000 voor de aankoop van een rubberboot.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 46, 47 en 197a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het strafbare feit zoals gekwalificeerd in het dictum van dit vonnis.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van drie jaren.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen voorbereiden van mensensmokkel door een rubberboot, bodemplaten, zijrails en een opblaaspomp te verwerven en voorhanden te hebben. Deze spullen waren bedoeld om migranten zonder geldige reispapieren via het Kanaal de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk te laten maken en daarmee illegale migratie te bevorderen. Mede omdat deze goederen niet zeewaardig zijn, is een dergelijke overtocht, naar de algemene ervaring leert, levensgevaarlijk.
Mensensmokkel doorkruist tevens het overheidsbeleid over bestrijding van wederrechtelijke toegang tot en/of doorreis door Europese landen en draagt daarmee bij aan het in stand houden van een illegaal circuit. De handelwijze van verdachte ondermijnt dit beleid en veroorzaakt onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Bovendien leiden dit soort feiten tot vormen van uitbuiting en misbruik van kwetsbare personen, als ook tot levensgevaarlijke situaties waarbij mensen ook daadwerkelijk overlijden. De verdachte was een onmisbare schakel in dit geheel.
De rechtbank betrekt bij haar oordeel over de straftoemeting dat het gaat om voorbereidingshandelingen, waarvan artikel 46, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat het maximum van de hoofdstraf die op het misdrijf wordt gesteld met de helft wordt verminderd.
Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen. Uit het dossier blijkt dat hij vermoedelijk naar zijn geboorteland Syrië is teruggekeerd.
Gezien de ernst van het gepleegde feit en de straffen die doorgaans worden opgelegd in soortgelijke zaken kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De officier van justitie heeft een taakstraf gevorderd. De rechtbank acht oplegging van een taakstraf niet opportuun, omdat verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft en kennelijk op een onbekend adres in Syrië verblijft. Uitvoering van een taakstraf lijkt daarmee schier onmogelijk. Daar komt bij dat een taakstraf zich naar het oordeel van de rechtbank niet verhoudt met de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van zes maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
De inbeslaggenomen voorwerpen
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de inbeslaggenomen goederen moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat deze zijn gebruikt voor het plegen van het strafbare feit.
De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de aan verdachte toebehorende op de beslaglijst vermelde telefoon van het merk Samsung, type Galaxy A58 (goednummer PL2700-24-113992-3) en de telefoon van het merk Oppo (goednummer PL2700241139924), aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: medeplegen van het voorbereiden van mensensmokkel, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;
de in beslag genomen voorwerpen
- gelast de teruggave van de e telefoon van het merk Samsung, type Galaxy A58 (goednummer PL2700-24-113992-3) en de telefoon van het merk Oppo (goednummer PL2700 24 113992 4) aan verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.M. Bordenga, voorzitter, mr. R.M. van Vuure en mr. W.B. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Lautenbag, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Koninklijke Marechaussee met nummer 27FCE240005 (onderzoeksnaam 27Anduramba). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het procesverbaal van bevindingen heimelijke informatie inwinning van 27 augustus 2024 tot en met 11 september 2024, pagina’s 959, 960, 962 en 967, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 27 augustus 2024 werden wij, [afkorting 1] en [afkorting 2] , benaderd met de opdracht om informatie te vergaren over de mogelijke betrokkenheid van [medeverdachte] , hierna te noemen [medeverdachte] , en [verdachte] , hierna te noemen [verdachte] , in relatie tot mensensmokkel.
Op dinsdag 27 augustus 2024, omstreeks 19.52 uur, kreeg ik een WhatsApp bericht op mijn telefoon van bovengenoemd telefoonnummer met 3 spraakmemo's van [verdachte] . Ik hoorde [verdachte] onder andere zeggen: “Bel me alsjeblieft heel snel, ik heb je nodig. De mannen zijn klaar om te kopen”, “ik heb er 10 nodig baas, stuur me foto’s en video's en hoeveel kost 10 zodat ik de
prijs weet”
Op donderdag 29 augustus 2024, omstreeks 15.08 uur heb ik, [afkorting 1] , gebeld naar bovengenoemd telefoonnummer van [verdachte] . [verdachte] vertelde dat de mannen vandaag 10 boten nodig hebben. [verdachte] zei dat na de afname van 10 boten er veel kan gebeuren, zoals: “de man gaat reizen, de man wordt opgepakt, de man gaat dood”.
Op donderdag 5 september 2024, omstreeks 16.00 uur, zijn wij, [afkorting 1] en [afkorting 2] , kapperszaak “ [bedrijf] ”, binnengegaan. Wij hoorden [verdachte] zeggen: “Kijk hier in de gang, hier ligt een boot. Een paar dagen geleden hebben we de boot opgehaald”. Ik, [afkorting 1] , stond op om de boot te bekijken en [verdachte] liep met mij mee.
Wij hoorden [verdachte] zeggen: ‘Jullie leveren niet 1 maar 10. Vandaag 10, misschien over een week 10 of 20 dagen weer, en misschien ook helemaal niet meer. Dit is een smokkelaar, misschien gaat hij naar het buitenland, misschien komt hij vast te zitten, misschien gaat hij dood.”
Op woensdag 11 september, omstreeks 13.32 uur, heb ik, [afkorting 1] ‚ via Whatsapp gebeld met [verdachte] . Ik, [afkorting 1] , vertelde aan [verdachte] dat ik wilde weten of de prijs goed was en wanneer ik kan leveren. Waarop [verdachte] vertelde dat er wat problemen waren en dat zij wat rustiger aan gaan doen. Ik hoorde [verdachte] zeggen: ”de rubberen boot die je paar dagen geleden hebt gezien, de mannen hadden [medeverdachte] gebeld van kan je het komen brengen, was een uurtje rijden na dat hij was weggereden‚ heeft de politie hem aangehouden.”
2.
Het procesverbaal van bevindingen rubberboot met opvarenden naar Engeland van 25 november 2024, pagina’s 881-883, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Tijdens de aanhouding is de mobiele telefoon van verdachte [medeverdachte] heimelijk in beslag genomen. Bij het analyseren van de inhoud van de inbeslaggenomen telefoon van [medeverdachte] werd onder andere een video aangetroffen die op 27-08-2024 te 21:31:25(UTC+2) door verdachte [naam 3] , via WhatsApp, naar verdachte [medeverdachte] werd gestuurd. Op deze video opname is onder andere het volgende te zien:
Een over de zee varende witte/lichtgrijze rubberboot met daarachter een donkerkleurige/zwarte buitenboordmotor. Aan boord zijn ongeveer een dertigtal jongemannen. Een tweetal mannen met een oranjekleurige reddingsvest. De rest van de opvarenden droegen geen reddingvesten. Op deze video is onder andere het volgende, vertaald vanuit het Arabisch, te horen: “de datum is 27-08, hier zijn jouw passagiers richting Brittannië.”
3.
Het procesverbaal van bevindingen Whatsapp-chat [verdachte] van 12 december 2024, pagina’s 910-911 en 914, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op vrijdag 06 september 2024 werd de verdachte [medeverdachte] ,
aangehouden op verdenking van voorbereiding mensensmokkel. Tijdens de aanhouding werd de mobiele telefoon van verdachte [medeverdachte] in beslag genomen en op de voorgeschreven wijze uitgelezen, waarbij de inhoud van de telefoon veilig werd gesteld.
De onderstaande WhatsApp-chat tussen [medeverdachte] en [verdachte] gaat over de periode van 02 september 2024 tot en met 06 september 2024.
02-09-2024 te 14:43 uur [medeverdachte] Daar is [naam 2] de zoon van [naam 1]
02-09-2024 te 14:44 uur [medeverdachte] neem 2000 van hem
02-09-2024 te 14:45 uur [verdachte] ik heb het geld bij me
02-09-2024 te 14:45 uur [verdachte] 2000
02-09-2024 te 14:46 uur [verdachte] Gaan we het vandaag ophalen
02-09-2024 te 14:47 uur [medeverdachte] ik kom nu naar je toe en gaan vertrekken
02-09-2024 te 16:32 uur [medeverdachte] [internetsite]
Opmerking verbalisant: Bovenstaande internetlink van Google maps werd door het onderzoeksteam ingevoerd op internet. Hieruit kwam naar voren dat het een reisroute betreft vanuit de rijksweg N-78 te Maasmechelen (België) naar het adres [adres 3] .
05-09-2024 te 20:03 uur [verdachte] Audiobericht: Pas op [medeverdachte] om de spullen voor hem te vervoeren want de andere chauffeur zal in België wachten en heeft motor en benzine. Ik ben bang dat hij in de gaten wordt gehouden.
4.
Het procesverbaal van bevindingen boot kopen in Leeuwarden van 17 oktober 2024, pagina’s 923, 925 en 926, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op donderdag 28 juni 2024 werd het voertuig dat op naam staat van [medeverdachte] , de Skoda Fabia met het kenteken [kenteken] , voorzien van een peilbaken. Op maandag 2 september 2024 heeft dit peilbaken een route afgelegd vanuit [vestigingsplaats] naar
Leeuwarden en terug.
Bij het vergelijken van de gegevens van het peilbaken, de verkeersgegevens van de telefoons van [medeverdachte] en [verdachte] bleek dat zij allemaal dezelfde route vanuit [vestigingsplaats] naar Leeuwarden en terug hebben afgelegd.
Op 3 september 2024 rond 3:00 uur bevonden de mobiele telefoons van [medeverdachte] , [verdachte] en het peilbaken van de Skoda Fabia zich na de afgelegde route naar Leeuwarden en terug, zich weer in [vestigingsplaats] .
Aan de hand van bovenstaande gegevens werden de camerabeelden van 3 september 2024 rond dit tijdstip bekeken.
Op de camera gericht op de ingang van de kapperszaak zie ik dat om 02:58 uur vanaf de hoge weg voor de ingang van de kapperszaak [bedrijf] een grijs voertuig gelijkend op een Skoda Octavia langsrijden.
Ik zie om 03:02 uur dat [medeverdachte] een langwerpige plaat naar de deur brengt en deze zeer
waarschijnlijk aangepakt wordt vanuit het pand. Een op een lat gelijkend voorwerp wit van kleur en 2 witte peddels worden door [medeverdachte] in de deurstijl gezet. Een op een voetpomp gelijkend voorwerp, licht van kleur, wordt aan de deur aangegeven aan iemand die hem vanuit het pand aanpakt. Hierna worden er door [medeverdachte] 3 witte latten aan [verdachte] gegeven waarna [verdachte] ze naar binnen brengt. Ik zie vervolgens om 03:04 uur dat [verdachte] en [medeverdachte] een groot opgerold object, licht en donker van kleur, uit de auto tillen. Dit voorwerp is gelijkend als zijnde op een voor mij ambtshalve bekende “rubberboot”. [verdachte] loopt het pand in en [medeverdachte] blijft bij het object. [verdachte] komt naar buiten met een touw en doet dit met [medeverdachte] om het object heen. Ik zie om 03:05 uur dat [verdachte] en [medeverdachte] de opgerolde rubberboot omhoogzetten en vervolgens kantelen richting de deur, waarna zij met z'n tweeën de boot het pand naar binnen dragen.
5.
Het procesverbaal van 6 september 2024, pagina’s 1001-1002, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op vrijdag 6 september 2024 omstreeks 17:41 uur zagen wij, verbalisanten, een bestuurder van een personenauto, type Skoda Fabia Combi, grijs van kleur en voorzien van Nederlands kenteken [kenteken] rijden op de autoweg A76 ter hoogte van Geleen richting de Belgische grens. Wij zagen dat het zwaar beladen was.
Ik zag dat de bestuurder mij een Nederlands rijbewijs overhandigde voorzien van een op de bestuurder goed gelijkende pasfoto. Dit document stond op naam van:
NAAM : [medeverdachte]
VOORNAAM : [medeverdachte]
Tijdens de controle zagen wij door het, niet geblindeerde, linker achterportierraam dat in het gebezigde voertuig diverse goederen opgestapeld lagen in de laadruimte alsmede het compartiment voor de achter passagiers. Hier zagen wij verschillende opgestapeld houten
witten platen liggen. Ook zagen wij een groot voorwerp liggen onder de opgestapelde platen. Wij zagen dat dit voorwerp de kenmerken van een rubber materiaal vertoonde. Wij keken vervolgens door de achterruit van voornoemd voertuig en zagen een voetpomp liggen.
Gezien wij, verbalisanten, de bovengenoemde samenstelling van goederen zagen liggen in voornoemd voertuig kregen wij het vermoeden dat er mogelijk sprake was van het vervoer van een zogenoemde 'smallboat' waarmee vreemdelingen worden overgezet over het kanaal
naar Engeland.
6.
Het procesverbaal van bevindingen onderzoek rubberboot van 11 september 2024, pagina , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op maandag 09 september 2024 om 16:00 uur hebben wij, verbalisanten, onderzoek verricht aan de in beslag genomen rubberboot met goednummer PL2700-24-081353-3. Bij de voornoemde rubberboot zijn ook vijf (5) aluminium en twee (2) houten bodemplaten aangetroffen als ook een voetpomp en vier (4) zijrails. De zijrails worden gebruikt om de
bodemplaten vlak en strak te houden.