RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Politierechter
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.356056.24 (P)
Datum vonnis: 29 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 september 2026.
De politierechter heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.
Ook heeft de politierechter kennis genomen van wat namens de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) door [naam 1] is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 22 oktober 2020 tot en met 2 maart 2021 samen met anderen of alleen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse en/of vervalste TVL-aanvragen en (kopieën van) aangiften omzetbelasting door deze te verstrekken aan RVO (primair), dan wel hieraan medeplichtig is geweest (subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
Hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 oktober 2020 tot en met 2 maart 2021, in de gemeente Enschede, en/of Almelo, en/of ’s-Gravenhage, en/of Nijmegen, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk gebruik heeft gemaakt van zes, althans één of meer vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het/deze echt en onvervalst, te weten:
een TVL-aanvraag over het tweede en derde kwartaal 2020 (DOC-209) en/of
een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (DOC-212), en/of
een TVL-aanvraag over het eerste kwartaal 2021 (DOC-215), en/of
een kopie aangifte omzetbelasting tweede kwartaal 2019 (DOC-209-01), en/of
een kopie aangifte omzetbelasting derde kwartaal 2019 (DOC-209-02), en/of
een kopie aangifte omzetbelasting eerste kwartaal 2019 (DOC-215-01),
ten name van de besloten vennootschap, [bedrijf 1] B.V,
bestaande die vervalsing en/of die valsheid hierin dat in voornoemde aanvra(a)g(en) en/of (kopie) aangifte(n) omzetbelasting een onjuiste referentieomzet en/of gerealiseerde omzet is aangegeven en/of vermeld,
bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), de hiervoor genoemde TVL-aanvragen en/of (kopie) aangifte(n) omzetbelasting (telkens) aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten behoeve van een aanvraag voor financiële ondersteuning in het kader van de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten heeft/hebben verzonden en/of verstrekt;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
dat (een) ander of anderen, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 oktober 2020 tot en met 2 maart 2021 te Enschede en/of Almelo, en/of ‘s-Gravenhage, en/of Nijmegen, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk gebruik heeft gemaakt van zes, althans één of meer vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het/deze echt en onvervalst, te weten:
een TVL-aanvraag over het tweede en derde kwartaal 2020 (DOC-209) en/of
een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (DOC-212), en/of
een TVL-aanvraag over het eerste kwartaal 2021 (DOC-215), en/of
een kopie aangifte omzetbelasting tweede kwartaal 2019 (DOC-209-01), en/of
een kopie aangifte omzetbelasting derde kwartaal 2019 (DOC-209-02), en/of
een kopie aangifte omzetbelasting eerste kwartaal 2019 (DOC-215-01), en/of
ten name van de besloten vennootschap, [bedrijf 1] B.V,
bestaande die vervalsing en/of die valsheid hierin dat in voornoemde aanvra(a)g(en) en/of (kopie) aangifte(n) omzetbelasting een onjuiste referentieomzet en/of gerealiseerde omzet is aangegeven en/of vermeld,
bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), de hiervoor genoemde TVL-aanvragen en/of (kopie) aangifte(n) omzetbelasting (telkens) aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten behoeve van een aanvraag voor financiële ondersteuning in het kader van de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten heeft/hebben verzonden en/of verstrekt,
bij/tot het plegen van welke misdrijven hij, verdachte, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 oktober 2020 tot en met 2 maart 2021, te Enschede en/of Almelo, en/of ’s-Gravenhage, en/of Nijmgegen, in elk geval in Nederland,
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door ten behoeve van één of meer TVL-aanvragen, een stichting, en/of (een) bankrekening(en), en/of eHerkenning- en/of DigiD-(inlog)gegevens, beschikbaar te stellen, en/of te delen.
3. De voorvragen
De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat hij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. De bewijsmotivering
Inleiding
In het voorjaar van 2020 kreeg Nederland te maken met een coronacrisis. Ondernemers, werkenden en bedrijven werden als gevolg daarvan geconfronteerd met maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van het coronavirus (COVID-19). Deze maatregelen hadden veelal een negatief effect op de omzet en daarmee op het bedrijfsresultaat van ondernemingen. Om de gedupeerden onder hen te helpen, heeft de overheid verschillende steunmaatregelen aangeboden, waaronder financiële ondersteuning op grond van de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (verder: TVL). De TVL kon onder bepaalde voorwaarden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (verder: RVO) worden aangevraagd. Eén van die voorwaarden betrof een omzetverlies van dertig procent als gevolg van de genomen coronamaatregelen. In dat kader diende de aanvrager de referentieomzet op te geven, zijnde de omzet over hetzelfde tijdvak in het voorafgaande jaar, en deze te onderbouwen met kopieën van aangiften omzetbelasting zoals deze door de onderneming waren ingediend bij de Belastingdienst.
De strafzaak tegen verdachte maakt deel uit van een groter strafrechtelijk onderzoek “Brescia”, gestart door de Belastingdienst/FIOD (hierna: FIOD). De kern van dit onderzoek is dat door verschillende ondernemingen TVL-aanvragen bij RVO zijn ingediend, waarbij onjuiste referentieomzetten werden opgegeven en ter onderbouwing daarvan gebruik zou zijn gemaakt van valse of vervalste geschriften. De terugkerende werkwijze is dat andere personen voor diverse ondernemingen TVL-aanvragen te hebben opgesteld en ingediend. Volgens het onderzoek zouden zij ondernemers, waaronder verdachte, hebben benaderd met het voorstel om namens hun onderneming(en) een TVL-aanvraag in te dienen, waarna zij de aanvragen hebben opgemaakt en ingediend.
Op 6 september 2021 heeft RVO een verzamelaangifte van valsheid in geschrifte gedaan tegen vijf ondernemingen die bij RVO TVL-aanvragen hebben ingediend. Uit deze aangifte volgt dat onder meer door [bedrijf 2] , een handelsnaam van [bedrijf 1] B.V., in totaal drie TVL-aanvragen zijn ingediend die betrekking hadden op het tweede en derde kwartaal van 2020, het vierde kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021. Uit onderzoek van RVO kwam naar voren dat ter onderbouwing van die TVL-aanvragen kopieën van aangiften omzetbelasting zijn overgelegd waarin een hogere referentieomzet werd vermeld dan was opgegeven in de oorspronkelijke aangiften omzetbelasting die werden ingediend bij de Belastingdienst.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde
feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte heeft ter terechtzitting in de kern verklaard dat hij geen opzet heeft gehad op het gebruik van het valse geschrift en het valse karakter daarvan. Hij had geen wetenschap van het feit dat zijn gegevens voor de TVL-aanvragen zouden worden gebruikt.
Het oordeel van de politierechter
De politierechter stelt op basis van het dossier en van hetgeen ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
De redengevende feiten en omstandigheden
Uit het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt het volgende.
[bedrijf 1] B.V. is opgericht op 5 maart 2018 en gevestigd op het adres [adres 2] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “De exploitatie van een handelsbedrijf in hout- en houtmaterialen, meubelen en aanverwante artikelen. Traprenovatie, bouwtimmeren en afwerking van vloeren. Afbouw”. Op 2 september 2019 is de handelsnaam ‘ [bedrijf 2] ’ toegevoegd. Vanaf de oprichtingsdatum was verdachte mede-eigenaar en sinds 18 december 2018 enig eigenaar en enig aandeelhouder. Op 17 mei 2023 is door de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de onderneming in staat van faillissement is verklaard met ingang van die datum.
4.4.1.1 TVL-aanvraag [TVL-nummer 1]
Op 22 oktober 2020 is ten name van [bedrijf 2] bij RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer [TVL-nummer 1] , betreffende het tweede en derde kwartaal van 2020. In de aanvraag is als referentieomzet opgegeven dat [bedrijf 2] in het tweede kwartaal van 2019 een omzet van € 688.341,-- had gerealiseerd en in het derde kwartaal van 2019 een omzet van € 709.911,--. Ter onderbouwing van deze referentieomzet zijn kopieën aangiften omzetbelasting over het tweede en derde kwartaal van 2019 als bijlagen bij de aanvraag gevoegd. Op de TVL-aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.
Op 9 november 2020 heeft RVO aan [bedrijf 2] bericht dat de aanvraag was beoordeeld en goedgekeurd. Daarbij is een voorschot van € 40.000,-- toegekend, welk bedrag is overgemaakt op het in de aanvraag opgegeven bankrekeningnummer met [rekeningnummer 1] . Uit onderzoek van de FIOD naar de bankmutaties over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2021 blijkt dat op 11 november 2020 een bedrag van
€ 40.000,--, afkomstig van RVO, is bijgeschreven op voornoemde rekening, onder vermelding van “ [TVL-nummer 1] ”.
Op 24 januari 2024 heeft de FIOD een ambtsedige verklaring omzetbelasting ontvangen van de Belastingdienst over de periode van het eerste tot en met het vierde kwartaal van 2019, alsmede het tweede en derde kwartaal van 2020 ten name van [bedrijf 1] B.V. Uit deze verklaring volgt dat over het tweede kwartaal van 2019 bij de Belastingdienst een omzet van € 8.776,-- is aangegeven. De omzet over het derde kwartaal van 2019 betrof € 9.412,--. Over het tweede en derde kwartaal van 2020 zijn geen aangifte omzetbelasting ontvangen bij de Belastingdienst.
4.4.1.2 TVL-aanvraag [rekeningnummer 2]
Op 28 november 2020 is ten name van [bedrijf 2] bij RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer [rekeningnummer 2] , betreffende het vierde kwartaal van 2020. In de aanvraag is als referentieomzet opgegeven dat [bedrijf 2] in het vierde kwartaal van 2019 een omzet van € 899.202,-- had gerealiseerd. Ter onderbouwing van deze referentieomzet is een kopie aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2019 als bijlage bij de aanvraag gevoegd van [bedrijf 3] B.V. Op de TVL-aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.
Op 28 november 2020 heeft RVO aan [bedrijf 2] bericht dat de aanvraag was beoordeeld en goedgekeurd. Daarbij is een voorschot van € 39.212,89 toegekend, welk bedrag is overgemaakt op het in de aanvraag opgegeven bankrekeningnummer met [rekeningnummer 1] . Uit onderzoek van de FIOD naar de bankmutaties over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2021 blijkt dat op 2 december 2020 een bedrag van
€ 39.212,89, afkomstig van RVO, is bijgeschreven op voornoemde rekening, onder vermelding van “ [rekeningnummer 2] ”.
Uit het hiervoor genoemde uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 1] B.V. volgt dat [bedrijf 3] B.V. geen geregistreerde handelsnaam is van [bedrijf 1] B.V. Verdachte verklaart in zijn verhoor bij de FIOD dat dit niet zijn onderneming is. Uit de hiervoor genoemde ambtsedige verklaring omzetbelasting volgt dat [bedrijf 1] B.V. over het vierde kwartaal van 2019 bij de Belastingdienst een omzet van € 11.122,-- heeft aangegeven.
4.4.1.3 TVL-aanvraag [TVL-nummer 2]
Op 2 maart 2021 is ten name van [bedrijf 2] bij RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer [TVL-nummer 2] , betreffende het eerste kwartaal van 2021. In de aanvraag is als referentieomzet opgegeven dat [bedrijf 2] in het eerste kwartaal van 2019 een omzet van € 671.568,-- had gerealiseerd. Ter onderbouwing van deze referentieomzet is een kopie van aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2019 als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Op de TVL-aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.
Op 14 april 2021 heeft RVO aan [bedrijf 2] bericht dat zij de aanvraag niet verder behandelen, omdat de aanvraag is ingetrokken. Uit de hiervoor genoemde ambtsedige verklaring omzetbelasting volgt dat [bedrijf 1] B.V. over het eerste kwartaal van 2019 bij de Belastingdienst een omzet van € 600,-- heeft aangegeven.
Het oordeel van de politierechter
4.4.2.1 Valse geschriften
Gelet op het voorgaande staat vast dat op naam van [bedrijf 1] B.V., onder de handelsnaam [bedrijf 2] , aanvragen voor financiële ondersteuning in het kader van de TVL bij RVO zijn ingediend. Op de aanvraagformulieren is bij de ondertekening verklaard dat de gegevens naar waarheid zijn ingevuld. De politierechter stelt vast dat de in de aanvragen vermelde referentieomzet telkens afwijkt van de omzet zoals die blijkt uit de bij de Belastingdienst ingediende aangiften omzetbelasting. Uit de ambtsedige verklaringen omzetbelasting volgt immers dat in de betreffende perioden een aanzienlijk lager bedrag aan omzet is opgegeven.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden en het hiervoor overwogene is de politierechter van oordeel dat de TVL-aanvragen onjuiste referentieomzetbedragen bevatten. Deze bedragen zijn vervolgens onderbouwd met kopieën van aangiften omzetbelasting, die eveneens niet overeenkomen met de daadwerkelijk bij de Belastingdienst ingediende aangiften, dan wel van een andere onderneming zijn. De politierechter concludeert dat zowel de bij RVO ingediende TVL-aanvragen als de daarbij gevoegde kopie aangiften omzetbelasting onjuiste informatie bevatten en daarom vals zijn. In voornoemde geschriften is ten onrechte vermeld dat een veel hogere omzet was gerealiseerd dan in werkelijkheid het geval was.
4.4.2.2 Opzettelijk gebruik maken
De politierechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte gebruik heeft gemaakt van de valse geschriften als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Volgens vaste jurisprudentie is hiervan sprake wanneer het geschrift daadwerkelijk wordt gebruikt ter misleiding van een ander. Verdachte moet daarbij op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet hebben gehad op het gebruik van het valse geschrift en op het valse karakter daarvan. De politierechter overweegt hiertoe als volgt.
Naar het oordeel van de politierechter zijn de aan RVO overgelegde valse geschriften opzettelijk gebruikt met als doel aan te tonen dat [bedrijf 1] B.V. voldeed aan de in de TVL-regeling gestelde voorwaarden van omzetverlies, zodat het bedrijf een TVL-subsidie zou ontvangen. De bij de aanvraag gevoegde kopieën aangiften omzetbelasting dienden als bewijs voor de op de aanvraag vermelde gerealiseerde omzet van voornoemde onderneming. Doordat RVO kennis heeft genomen van de valse geschriften werd haar een valse voorstelling van zaken gegeven. Door die aangifte verkeerde zij immers in de veronderstelling dat [bedrijf 1] B.V. daadwerkelijk omzetverlies had geleden.
Ten aanzien van de wetenschap van verdachte overweegt de politierechter het volgende.
Verdachte heeft bij de FIOD verklaard dat de in de aanvragen vermelde omzet niet juist is.
Verder heeft hij verklaard dat hij niet degene is geweest die de TVL-aanvragen met bijlagen bij RVO heeft ingediend. Verdachte heeft verklaard dat hij [bedrijf 1] B.V. wilde ontbinden. [naam 2] (verder: [naam 2] ), die hij kende via een gemeenschappelijke kennis, zou dit als vriendendienst voor hem regelen. Verdachte heeft vervolgens zijn DigiD-gegevens, identiteitsgegevens, KvK-gegevens, bankgegevens en bankpassen verstrekt aan [naam 2] . Verdachte heeft wisselend verklaard over hoe een en ander is gegaan met betrekking tot zijn zakelijke rekening en privérekening bij de ING. Bij de FIOD heeft verdachte verklaard dat hij nooit een ING-rekening heeft gehad, het rekeningnummer op de TVL-aanvragen niet zijn rekeningnummer is en dat [naam 2] dit rekeningnummer dan zou moeten hebben geopend. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij weldegelijk beschikte over zowel een zakelijke rekening als een privérekening bij de ING. De beschikking over beide rekeningen zou hij aan [naam 2] hebben overgedragen toen [naam 2] hem zou helpen zijn B.V. te ontbinden. Verdachte verklaarde verder geen contact meer met [naam 2] te hebben gehad over de ontbinding. Verder ontkende verdachte dat hij via chat contact zou hebben gehad met [naam 3] (verder: [naam 3] ). Verdachte kon ook niet vertellen wat zijn telefoonnummer was ten tijde van de tenlastegelegde periode, dan wel aangeven of dit het telefoonnummer [telefoonnummer 1] betrof.
De politierechter acht de verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Die verklaring vindt geen steun in het dossier. Daaruit blijkt dat in het onderzoek ‘Catrine’ (waaruit onderzoek Brescia is voortgekomen en waarvan stukken uit dat onderzoek in onderzoek Brescia zijn gevoegd) de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] geïdentificeerd is als [naam 3] en de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 3] geïdentificeerd is als [naam 2] . Op 22 oktober 2020 stuurde [naam 2] in een chat met [naam 3] een foto van een blad met daarop de handgeschreven tekst “ Digid [letter] [verdachte] , [adres 3] [telefoonnummer 1] ”. [naam 3] reageert hierop met “moet ik hun appen of sturen ze naar jou de codes”. Vervolgens reageert [naam 2] met “ap hun maar ze weten ervan”. In de telefoon van [naam 2] staat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] opgeslagen als “ [alias] [verdachte] ”. In de telefoon van [naam 3] staat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] opgeslagen als “ [bedrijf 1] B.V. [naam 2] ”.
De politierechter stelt vast dat het, gelet op het voorgaande, niet anders kan dan dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] ten tijde van de tenlastegelegde periode in gebruik was bij verdachte. De naam waaronder het telefoonnummer staat opgeslagen bij zowel [naam 2] als [naam 3] wijst op verdachte. Daarnaast stuurt [naam 2] de DigiD-inloggegevens van verdachte door naar [naam 3] met voornoemd telefoonnummer.
In de telefoon van [naam 3] is een chatgesprek aangetroffen tussen [naam 3] en verdachte. Dit gesprek is vermoedelijk in een eerder stadium van de telefoon verwijderd. De berichten zijn ‘scrambled’ teruggehaald, wat betekent dat de woordvolgorde is gewijzigd en de tekst van leestekens is ontdaan.
Op 22 oktober 2020, de datum van de eerste TVL-aanvraag, stuurde [naam 3] “goedenavond sms’je je krijgt zo binnen” waar verdachte op reageert met “ik moet je die doorsturen”. Ook stuurt [naam 3] “ [adres 3] [verdachte] [letter] ”, waarop verdachte stuurt “heb inloggen er kan mee net gecheckt”.Dan stuurt [naam 3] “sms binnen” en reageert verdachte “alstu”. Op 10 november 2020 stuurde [naam 3] “morgen staat op het er” en “ik verwacht op je ing”, waarop verdachte zegt “top je dank wel”. Op 11 november 2020 keert RVO € 40.000,-- uit aan [bedrijf 1] B.V. op rekeningnummer [rekeningnummer 1] . Diezelfde dag stuurt verdachte naar [naam 3] “me stuur kan factuur je ff een het overmaken ik”. Vervolgens wordt diezelfde dag €25.000 euro overgemaakt naar [bedrijf 4] , een bedrijf van [naam 3] . Verdachte bericht dan aan [naam 3] “overgeboekt heb t”.
Op 11 november stuurt [naam 2] naar verdachte een foto van een handgeschreven briefje met de tekst “ [bedrijf 5] , provisie als omschrij(ving) en het rekeningnummer [rekeningnummer 3] ”. Op 11 november om 15:11 uur stuurt verdachte naar [naam 2] “voormekaar”. Op precies dezelfde datum en tijdstip wordt € 5.000,-- overgemaakt van voornoemd rekeningnummer van [bedrijf 1] B.V. naar [bedrijf 5] B.V., een bedrijf van [naam 2] . Daarnaast wordt in totaal € 9.999,-- overgemaakt naar de privérekening van verdachte.
Op 2 december 2020, wanneer RVO € 39.212,89 uitkeert aan [bedrijf 1] B.V. op voornoemd rekeningnummer naar aanleiding van de tweede TVL-aanvraag, stuurt verdachte aan [naam 3] “me t stuur gelijk over factuur je boek een ik”. Op 3 december 2020 stuurt [naam 3] “goedemorgen hierbij de factuur” en reageert verdachte “goedemorgen overgeboekt heb t”. Vervolgens wordt diezelfde dag € 24.212,-- overgemaakt van het rekeningnummer van [bedrijf 1] B.V. naar [bedrijf 4] .
Op 2 december 2020 stuurt verdachte naar [naam 2] “Wil je t op dezelfde rek als vorige x?” en stuurt verdachte om 10:00 uur “voormekaar”. Diezelfde dag is om 09:59 uur € 5.000,-- overgemaakt van het rekeningnummer van [bedrijf 1] B.V. naar [bedrijf 5] B.V. Daarnaast wordt op dezelfde dag in het totaal € 9.687,-- overgemaakt naar de privérekening van verdachte.
De politierechter is van oordeel dat, ondanks dat de woorden in het gesprek tussen [naam 3] en verdachte van volgorde zijn veranderd, de inhoud van de berichten wijst op wetenschap van verdachte van de TVL-aanvragen. Uit de chats kan worden afgeleid dat verdachte contact had met [naam 3] over het verstrekken van de sms-code om bij RVO in te kunnen loggen met de DigiD-gegevens van verdachte voor de TVL-aanvraag. Voorts is de politierechter van oordeel dat verdachte beschikking had over de zakelijke bankrekening van [bedrijf 1] B.V. bij de ING. De door RVO uitgekeerde bedragen zijn op deze bankrekening gestort met in de omschrijving “TVL-aanvraag”. Verdachte heeft deze bedragen zien binnenkomen, hierover gecommuniceerd met [naam 3] en [naam 2] en bijna het volledige bedrag overgemaakt naar [naam 3] , [naam 2] en zijn eigen privérekening bij de ING.
De politierechter is van oordeel dat het scenario van verdachte, dat hij niet betrokken is geweest bij het valselijk invullen en indienen van de TVL-aanvraag en dat hij daarvan ook geen weet had en geen beschikking had over de ING-rekeningen, gelet op het bovenstaande als onaannemelijk moet worden verworpen. Hij heeft bewust zijn sterk persoonsgebonden DigiD aan een min of meer bekende ander, geen boekhouder of accountant o.i.d. afgegeven. Op het moment dat verdachte een SMS-code doorgeeft om in te loggen bij RVO heeft hij nagelaten te onderzoeken met welk doel (legaal of illegaal) dit werd gedaan. In ieder geval kan dit niet de ontbinding van de BV tot doel hebben gehad, hetgeen volgens de verklaring van verdachte de bedoeling was. Verdachte was dan ook tot nader onderzoek verplicht, doch heeft dit niet gedaan. Verdachte heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er illegale zaken zouden plaatsvinden, in dit geval de indiening van vals opgemaakte TVL-aanvragen met valse kopieën aangifte omzetbelasting. Onder die omstandigheden kan het naar het oordeel van de politierechter niet anders zijn dan dat verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het gebruik van het valse geschrift en op het valse karakter daarvan.
4.4.2.3 Medeplegen
De politierechter stelt voorop dat medeplegen bewezen is als is komen vast te staan dat bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook als het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Voor de beoordeling van de vraag of in deze zaak sprake is van medeplegen, neemt de politierechter de volgende handelingen en gedragingen in overweging.
Uit het dossier en het hiervoor overwogene komt naar voren dat verdachte zijn DigiD-gegevens, identiteitskaart en KvK-gegevens aan [naam 2] heeft afgegeven. Door deze gegevens te verstrekken heeft verdachte een essentiële en onmisbare bijdrage geleverd aan het indienen van valse TVL-aanvragen en het gebruik maken van de daarbij gevoegde valse geschriften. Zonder deze gegevens was het immers niet mogelijk geweest om in te loggen op de website van RVO en de TVL-aanvragen in te dienen.
Voorts is er een tweetrapsverificatie nodig om in te loggen bij DigiD in het geval gebruik wordt gemaakt van de gebruikersnaam en wachtwoord. Uit de chat tussen verdachte en [naam 3] volgt dat verdachte deze sms-code ontving en vervolgens verstrekte aan [naam 3] om in te loggen voor het aanvragen van de subsidie. Dat kan niet anders worden gezien dan als een nauwe en bewuste samenwerking. Ook vraagt verdachte om facturen te sturen, waarna hij de ontvangen TVL-subsidiegelden verdeelt over [naam 3] , [naam 2] en zichzelf. Deze communicatie tussen verdachte en medeverdachten op het moment van indienen en op het moment dat de subsidie werd uitgekeerd, maakt dat zijn bijdrage niet alleen essentieel en dus zonder meer van voldoende gewicht, was voor de uitvoering, maar ook dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij indienen van de valse TVL-aanvragen en aldus het gebruik maken van die valse aanvraag. De politierechter komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.
De bewezenverklaring
De politierechter is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 oktober 2020 tot en met 2 maart 2021, in de gemeente Enschede, en/of Almelo, en/of ’s-Gravenhage, en/of Nijmegen, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander of anderen, althans alleen,
<em>opzettelijk gebruik heeft gemaakt van zes,em> althans één of meer <em>valsem> ( e ) of ver<em>valsem>t(e) geschrift ( en ) , zijnde ( telkens ) (een) geschrift ( en ) dat/ die bestemd was/ waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het/ deze echt en onver<em>valsem>t, te weten:
een TVL-aanvraag over het tweede en derde kwartaal 2020 (DOC-209) en/ of
een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (DOC-212), en /of
een TVL-aanvraag over het eerste kwartaal 2021 (DOC-215), en /of
een kopie aangifte omzetbelasting tweede kwartaal 2019 (DOC-209-01), en /of
een kopie aangifte omzetbelasting derde kwartaal 2019 (DOC-209-02), en /of
een kopie aangifte omzetbelasting eerste kwartaal 2019 (DOC-215-01),
ten name van de besloten vennootschap, [bedrijf 1] B.V,
bestaande die vervalsing en/of die valsheid hierin dat in voornoemde aanvra (a) g ( en ) en /of (kopie) aangifte ( n ) omzetbelasting een onjuiste referentieomzet en /of gerealiseerde omzet is aangegeven en /of vermeld,
bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en /of zijn mededader(s), de hiervoor genoemde TVL-aanvragen en /of (kopie) aangifte ( n ) omzetbelasting (telkens) aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten behoeve van een aanvraag voor financiële ondersteuning in het kader van de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten heeft/ hebben verzonden en /of verstrekt.
De politierechter acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat hij hem daarvan zal vrijspreken.
5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
primair
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De politierechter oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
7. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden wordt opgelegd.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de politierechter rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
Ook neemt de politierechter de volgende factoren in aanmerking.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door gebruik te maken van valse TVL-aanvragen en daarbij gevoegde valse kopieën van aangiften omzetbelasting. Nadat er regelingen van kracht waren geworden om ondernemers die getroffen waren door de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van het coronavirus financieel te ondersteunen, zijn namens de onderneming van verdachte TVL-aanvragen ingediend bij RVO, onderbouwd met onjuiste en valse stukken, met het doel om ten onrechte deze subsidie te ontvangen. De TVL-regeling was een overheidsmaatregel die in het leven werd geroepen in een periode waarin de gehele samenleving in grote onzekerheid verkeerde. In deze crisistijd heeft de overheid snel ondersteuning willen bieden, hetgeen ten koste is gegaan van de controle vooraf. Verdachte heeft samen met anderen schaamteloos misbruik gemaakt van deze situatie.
Bovendien heeft verdachte het vertrouwen dat men in het maatschappelijk verkeer moet kunnen hebben dat dergelijke documenten naar waarheid worden ingevuld en worden vergezeld van juiste waarheidsgetrouwe bijlagen, op ernstige wijze beschaamd. RVO heeft uiteindelijk twee van de drie aanvragen toegewezen en voorschotten van respectievelijk € 40.000,-- en € 39.212,89 uitgekeerd. De politierechter rekent het verdachte zeer aan dat hij bij het plegen van voormelde feiten zich kennelijk slechts heeft laten leiden door geldelijk gewin, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen.
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de politierechter acht geslagen op het strafblad van verdachte van 21 augustus 2026, waaruit volgt dat verdachte in het verleden eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten. Nu deze veroordelingen dateren van geruime tijd geleden, zal de politierechter hiermee in het nadeel van verdachte in beperkte mate rekening houden. Ook volgt uit het strafblad dat artikel 63 Sr en het zogenoemde taakstrafverbod van artikel 22b Sr aan de orde is, nu aan verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd en hij deze taakstraf heeft verricht.
De politierechter heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten voor fraude van het LOVS, waarbij het benadelingsbedrag in grote mate bepalend is. Deze oriëntatiepunten vermelden de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf tot negen maanden (of een daarmee overeenstemmende taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf) bij een fraude-benadelingsbedrag van € 70.000,-- tot
€ 125.000,--. De politierechter houdt er rekening mee dat verdachte nog niks heeft terugbetaald aan RVO en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.
De redelijke termijn
De politierechter stelt vast dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is overschreden. Op 19 maart 2024 is verdachte verhoord. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen, waarbinnen verdachte dient te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren, nadat de redelijke termijn is aangevangen. De datum van dit vonnis is 29 september 2026. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met ongeveer 6 maanden. De politierechter is van oordeel dat in dit geval kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Hij weegt daarbij mee dat de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste instantie gepland stond voor 8 april 2026, maar dat de zaak destijds op verzoek van de verdediging werd aangehouden.
Met name vanwege het tijdsverloop en de zwaarwegende gevolgen die een langdurige gevangenisstraf op verdachte en zijn gezin zou hebben, acht de politierechter de strafmodaliteit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet (meer) passend. De politierechter zal daarom geen langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen, maar zal wel uiting geven aan het taakstrafverbod zoals is neergelegd in artikel 22b Sr.
De politierechter acht het, alles afwegend, passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf van 220 uren.
8. De schade van benadeelden
De vordering van de benadeelde partij
RVO heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij heeft daartoe het geëigende schadevergoedingsformulier ingediend voorzien van verschillende bijlagen. Onder deze bijlagen bevindt zich onder meer een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, een kopie van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EKZ 2026 en een kopie van het Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken 2025. De stukken dienen ter ondersteuning van de stelling dat RVO zich zelfstandig als benadeelde partij in het strafproces mag voegen, aldus RVO.
RVO vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 79.212,89 [zegge: negenenzeventig duizend tweehonderdtwaalf euro en negenentachtig cent], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
€40.000,-- voor onterecht uitbetaald subsidiegeld ( [TVL-nummer 1] );
€39.212,89 voor onterecht uitbetaald subsidiegeld ( [rekeningnummer 2] ).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar is.
Het oordeel van de politierechter
De politierechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of RVO rechtsbevoegdheid heeft om zelfstandig, in eigen naam, in rechte een civiele vordering in te stellen tegen de verdachte. De vordering van een benadeelde partij is immers niets anders dan een civiele vordering die binnen het strafproces wordt behandeld.
Uitgangspunt van het Nederlandse civiele recht is dat natuurlijke personen en (publieke of private) rechtspersonen de bevoegdheid hebben om een civiele vordering in te stellen. Een uitzondering is mogelijk als er een bijzondere grond bestaat, zoals in het geval dat in de wet een orgaan van een rechtspersoon een vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt toegekend (vgl. ECLI:NLHR:2016:2233). Voor het aannemen van procesbevoegdheid is ontoereikend dat de wet het orgaan vertegenwoordigingsbevoegdheid toekent, al dan niet in rechte (vgl. o.m. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3653, NJ 2015/36).
Uit het Instellingenbesluit baten-lasten agentschap Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, volgt dat RVO een rijksdienst is ressorterend onder de Minister van Economische zaken, met de status van baten-lastenagentschap. RVO heeft derhalve geen eigen rechtspersoonlijkheid. Dit wordt bevestigd in het uittreksel van het Handelsregister, waarin (bij de rechtsvorm) is opgegeven dat de relevante rechtspersoon de publiekrechtelijke rechtspersoon “de Staat” is. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van RVO bevestigd dat in reguliere civiele procedures RVO de vordering in naam van de Staat instelt. Dat wordt bevestigd in verschillende rechterlijke uitspraken, waar “De Staat der Nederlanden, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, meer in het bijzonder de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO)” als zodanig als procespartij wordt vermeld (vgl. ECLI:NL:RBGEL:2024:2661; ECLI:NL:RBZWB:2024:7031; ECLI:NL:RBROT:2023:6990). Er is geen reden om aan te nemen waarom dat in een civiele procedure die binnen het strafproces wordt gevoerd, anders zou zijn.
Vervolgens komt aan de orde de vraag, of de hiervoor genoemde mandaatbesluiten ruimte bieden voor RVO om in eigen naam een vordering tegen verdachte in de stellen. De politierechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Een mandaat, zoals ook in artikel 10.1 AWB is vastgelegd, is een bevoegdheid om in naam van een ander te handelen. RVO mag derhalve in naam van de Minister van Economische Zaken en daarmee in naam van de Staat optreden. Dat wordt onder meer bevestigd in de toekenningsbeslissing van de TVL en de intrekkingsbeslissing daarvan. In beide gevallen ondertekent RVO namens de Staatssecretaris van Economische zaken en Klimaat en niet in eigen naam.
Ook het artikel 7 lid 5 van het hiervoor genoemde ‘Besluit Ondermandaat’ waarin ondermandaat aan het hoofd van de Fraudesectie binnen het team Algemeen bestuurlijk en juridisch advies wordt toegekend voor het terzake van het vorderen van schadevergoeding voegen als benadeelde partij in het strafproces in zaken die betrekking hebben op het werkterrein van RVO, brengt niet mee dat er een zelfstandige procesbevoegdheid voor RVO ontstaat om in eigen naam op te treden.
Een mandaat verschilt daarmee van de civielrechtelijke figuur van lastgeving, waarbij een bevoegdheid ontstaat voor de lasthebber om in eigen naam (maar voor rekening en risico van de lastgever) op te treden.
In deze procedure treedt RVO in eigen naam op. Zover strekt het mandaat echter niet. Om die reden kan RVO evenmin een vordering op eigen naam tegen verdachte instellen.
Op grond van het voorgaande is de politierechter van oordeel dat RVO geen zelfstandige rechtsbevoegdheid heeft om zelfstandig, op eigen naam, in rechte een civiele vordering in te stellen.
RVO zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.
9. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c en 22d Sr.
10. De beslissing
De politierechter:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 220 (tweehonderdtwintig) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 110 (honderdtien) dagen;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Campen, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. C.D. van Vliet, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.