RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Politierechter
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.083289.24 (P)
Datum vonnis: 29 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] (Irak),
wonende aan de [woonplaats].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 september 2026.
De politierechter heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. H. Brentjes, advocaat te Utrecht, waarnemend voor mr. J.M. van Dam, naar voren is gebracht.
Ook heeft de politierechter kennis genomen van wat namens de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) door [naam 1] is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
(DOC-074), en/of
(DOC-077), en/of
(DOC-107), en/of
en/of
en/of
(DOC-074), en/of
(DOC-077), en/of
(DOC-107), en/of
en/of
en/of
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 9 oktober 2020 tot en met 3 maart 2021 samen met anderen of alleen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse en/of vervalste TVL-aanvragen en (kopieën van) aangiften omzetbelasting door deze te verstrekken aan RVO (primair), dan wel hieraan medeplichtig is geweest (subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
Hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 9 oktober 2020 tot en met
3 maart 2021, in de gemeente [plaats 1] , en/of in de gemeente [plaats 2] , en/of
in de gemeente [plaats 3] , in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen,
opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van zes, althans één of meer vals(e) of
vervalst(e) geschrift(en), zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd
was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het/deze echt en
onvervalst, te weten:
- een TVL-aanvraag over het tweede en derde kwartaal 2020 (TVL00037106)
- een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (TVL-Q4-202000054743)
- een TVL-aanvraag over het eerste kwartaal 2021 (TVL-Q1-202100065880)
- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 (DOC-074-01),
- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 (DOC-077-01),
- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal 2020 (DOC-074-02),
ten name van [bedrijf], en/of [verdachte],
bestaande die vervalsing er/of die valsheid hierin dat in voornoemde
aanvra(a)g(en)/aangifte(n) een onjuiste referentieomzet en/of gerealiseerde omzet
is aangegeven en/of vermeld,
bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), de
hiervoor genoemde TVL-aanvragen en/of (kopie) aangifte(n) omzetbelasting
(telkens) aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten behoeve van een
aanvraag voor financiële ondersteuning in het kader van de regeling
Tegemoetkoming Vaste Lasten heeft/hebben verzonden en/of verstrekt;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
dat (een) ander(en), in of omstreeks de periode van 9 oktober 2020 tot en met 3
maart 2021, in de gemeente [plaats 1], en/of in de gemeente [plaats 2], en/of in
de gemeente [plaats 3], in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen,
opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van zes, althans één of meer vals(e) of
vervalst(e) geschrift(en), zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd
was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het/deze echt en
onvervalst, te weten:
- een TVL-aanvraag over het tweede en derde kwartaal 2020 (TVL00037106)
- een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (TVL-Q4-202000054743)
- een TVL-aanvraag over het eerste kwartaal 2021 (TVL-Q1-202100065880)
- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 (DOC-074-01),
- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 (DOC-077-01),
- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal 2020 (DOC-074-02),
ten name van [bedrijf], en/of [verdachte],
bestaande die vervalsing en/of die valsheid hierin dat in voornoemde
aanvra(a)g(en)/aangifte(n) een onjuiste referentieomzet en/of gerealiseerde omzet
is aangegeven en/of vermeld, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), de hiervoor genoemde TVL-aanvragen en/of (kopie) aangifte(n) omzetbelasting (telkens) aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten behoeve van een aanvraag voor financiële ondersteuning in het kader van de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten heeft/hebben verzonden en/of verstrekt,
bij/tot het plegen van welke misdrijven hij, verdachte, op één of meer tijdstippen in
of omstreeks de periode van 9 oktober 2020 tot en met 3 maart 2021, in de gemeente
[plaats 1], en/of de gemeente [plaats 2], en/of in de gemeente [plaats 3], in elk
geval in Nederland,
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of
inlichtingen heeft verschaft door ten behoeve van één of meer TVL-aanvragen, een
stichting, en/of (een) bankrekening(en), en/of eHerkenning- en/of
DigiD-(inlog)gegevens, beschikbaar te stellen, en/of te delen;
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
3. De voorvragen
De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat hij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. De bewijsmotivering
Inleiding
In het voorjaar van 2020 kreeg Nederland te maken met een coronacrisis. Ondernemers, werkenden en bedrijven werden als gevolg daarvan geconfronteerd met maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van het coronavirus (COVID-19). Deze maatregelen hadden veelal een negatief effect op de omzet en daarmee op het bedrijfsresultaat van ondernemingen. Om de gedupeerden onder hen te helpen, heeft de overheid verschillende steunmaatregelen aangeboden, waaronder financiële ondersteuning op grond van de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (verder: TVL). De TVL kon onder bepaalde voorwaarden bij RVO worden aangevraagd. Eén van die voorwaarden betrof een omzetverlies van dertig procent als gevolg van de genomen coronamaatregelen. In dat kader diende de aanvrager de referentieomzet op te geven, zijnde de omzet over hetzelfde tijdvak in het voorafgaande jaar, en deze te onderbouwen met kopieën van aangiften omzetbelasting zoals deze door de onderneming waren ingediend bij de Belastingdienst.
De strafzaak tegen verdachte maakt deel uit van een groter strafrechtelijk onderzoek “Brescia”, gestart door de Belastingdienst/FIOD (hierna: FIOD). De kern van dit onderzoek is dat door verschillende ondernemingen TVL-aanvragen bij RVO zijn ingediend, waarbij onjuiste referentieomzetten werden opgegeven en ter onderbouwing daarvan gebruik zou zijn gemaakt van valse of vervalste geschriften. De terugkerende werkwijze is dat andere personen voor diverse ondernemingen TVL-aanvragen hebben opgesteld en ingediend. Volgens het onderzoek zouden zij ondernemers, waaronder verdachte, hebben benaderd met het voorstel om namens hun onderneming(en) een TVL-aanvraag in te dienen, waarna zij de aanvragen hebben opgemaakt en ingediend.
Op 23 juni 2021 heeft RVO een verzamelaangifte van valsheid in geschrifte gedaan tegen
33 ondernemingen die bij RVO TVL-aanvragen hebben ingediend. Uit deze aangifte volgt dat onder meer door de onderneming [bedrijf] in totaal drie TVL-aanvragen zijn ingediend die betrekking hadden op het tweede, derde en vierde kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021. Uit onderzoek van RVO kwam naar voren dat ter onderbouwing van die TVL-aanvragen kopieën van aangiften omzetbelasting zijn overgelegd waarin een hogere referentieomzet werd vermeld dan was opgegeven in de oorspronkelijke aangiften omzetbelasting zoals ingediend bij de Belastingdienst.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Daartoe is het volgende aangevoerd.
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit omdat niet wettig en overtuigend te bewijzen is dat verdachte als medepleger gebruik heeft gemaakt van de valse geschriften. De rol van verdachte heeft enkel bestaan uit het verlenen van toegang tot zijn DigiD-account aan een ander. Verdachte heeft hiermee geen materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht aan het ten laste gelegde feit geleverd, zodat van een nauwe en bewuste samenwerking geen sprake is.
De raadsman heeft verder bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde feit. Verdachte heeft een Lebara-abonnement afgesloten en vervolgens de telefoon, voorzien van het nieuwe telefoonnummer, aan [naam 2] verstrekt. Deze handeling is echter niet ten laste gelegd.
Het oordeel van de politierechter
De politierechter stelt op basis van het dossier en van hetgeen ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
De redengevende feiten en omstandigheden
Uit een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt het volgende.
[bedrijf] betreft een eenmanszaak en is opgericht op 12 november 2019 en was gevestigd op het adres [adres] in [plaats 1]. De bedrijfsactiviteiten bestonden uit de “Detailhandel via internet in consumentenelektronica” en “Reparatie van computers en randapparatuur Webshop in elektronica. Reparaties voor laptops”. Vanaf de oprichtingsdatum was verdachte eigenaar van het bedrijf, welke op 4 november 2021 is opgeheven.
TVL-aanvraag (TVL00037106)
Op 9 oktober 2020 is ten name van [bedrijf] bij RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer TVL00037106, betreffende het tweede en derde kwartaal van 2020. In de aanvraag is als referentieomzet opgegeven dat [bedrijf] in de eerste vier maanden na het inschrijven van zijn onderneming, te weten december 2019 tot en met maart 2020, een omzet van € 492.513,-- had gerealiseerd. Ter onderbouwing van deze referentieomzet zijn kopieën aangiften omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal van 2020 als bijlagen bij de aanvraag gevoegd. Op de meegezonden kopie aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2019 staat een omzet van
€ 119.542,-- vermeld en op de meegezonden kopie aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2020 staat een omzet van € 372.971,-- vermeld. Op de TVL-aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.
Op 14 oktober 2020 heeft RVO aan [bedrijf] bericht dat de aanvraag was beoordeeld en goedgekeurd. Daarbij is een voorschot van € 37.418,33 toegekend, welk bedrag is overgemaakt op het in de aanvraag opgegeven bankrekeningnummer met IBAN [rekeningnummer]. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat een bedrag van
€ 37.418,33, afkomstig van RVO, is bijgeschreven op voornoemde rekening, onder vermelding van “TVL00033122”.
Op 29 januari 2024 heeft de FIOD een ambtsedige verklaring omzetbelasting van de Belastingdienst ontvangen over de periode van het vierde kwartaal 2019 tot en met het eerste kwartaal van 2020 ten name van [verdachte]. Uit deze verklaring volgt dat verdachte over het vierde kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal 2020 geen omzet bij de Belastingdienst heeft aangegeven.
TVL-aanvraag (TVL-Q4-202000054743)
Op 28 december 2020 is ten name van [bedrijf] bij RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer TVL-Q4-202000054743, betreffende het vierde kwartaal van 2020. In de aanvraag is als referentieomzet opgegeven dat [bedrijf] in de eerste drie maanden na het inschrijven van zijn onderneming, te weten december 2019 tot en met februari 2020, een omzet van € 2.067.797,-- had gerealiseerd. Ter onderbouwing van deze referentieomzet is een kopie aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2019 als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Op de meegezonden kopie aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2019 staat een omzet van € 2.067.797,-- vermeld. Op de TVL-aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.
Op 6 januari 2021 heeft RVO aan [bedrijf] bericht dat de aanvraag was beoordeeld en afgewezen.
Uit de hiervoor genoemde ambtsedige verklaring omzetbelasting volgt dat verdachte over het vierde kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal 2020 geen omzetbelasting bij de Belastingdienst heeft aangegeven.
TVL-aanvraag (TVL-Q1-202100065880)
Op 3 maart 2021 is ten name van [bedrijf] bij RVO een TVL-aanvraag ingediend, geregistreerd onder nummer TVL-Q1-202100065880, betreffende het eerste kwartaal van 2021. In de aanvraag is als referentieomzet opgegeven dat [bedrijf] in de eerste drie maanden na het inschrijven van zijn onderneming, te weten december 2019 tot en met februari 2020, een omzet van € 577.085,-- had gerealiseerd. Ter onderbouwing van deze referentieomzet is een kopie aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2020 als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Op de TVL-aanvraag is vermeld dat deze naar waarheid is ingevuld.
Op 4 mei 2021 heeft RVO aan [bedrijf] bericht dat de aanvraag was beoordeeld en afgewezen.
Uit de hiervoor genoemde ambtsedige verklaring omzetbelasting volgt dat verdachte over het vierde kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal 2020 geen omzetbelasting bij de Belastingdienst heeft aangegeven.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de eenmanszaak [bedrijf] in 2019 heeft opgericht. Verdachte is benaderd door [naam 2] , die hij kende vanuit de autohandel. [naam 2] vertelde aan verdachte dat hij recht had op een subsidie van de Staat. Verdachte wist niet dat dit een TVL-aanvraag betrof. [naam 2] beschikte reeds over de DigiD-gegevens van verdachte omdat verdachte deze gegevens een jaar eerder aan [naam 2] had verstrekt ter registratie van een zakelijke auto, aldus verdachte. Voor de tweestaps-verificatie om in te loggen op DigiD heeft verdachte in samenspraak met [naam 2] een Lebara-abonnement afgesloten. Vervolgens heeft hij in zijn DigiD-account zijn telefoonnummer veranderd in het nieuwe Lebara-telefoonnummer en heeft hij de telefoon, voorzien van het nieuwe telefoonnummer, aan [naam 2] verstrekt. [naam 2] ontving hierdoor de sms-codes waarmee hij kon inloggen op de DigiD van verdachte en de TVL-aanvragen kon doen. Verdachte heeft zelf geen van de TVL-aanvragen ingevuld en heeft verklaard dat de vermelde omzet in de aanvragen onjuist is. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij geen werkzaamheden voor of binnen de onderneming heeft verricht en geen omzet gerealiseerd. Het geld van RVO heeft verdachte ontvangen op zijn Duitse bankrekeningnummer met IBAN [rekeningnummer]. Verdachte is, na ontvangst van de geldbedragen op zijn Duitse bankrekening, naar [naam 2] gegaan. Verdachte moest op verzoek van [naam 2] € 28.000,-- overmaken naar [naam 3]. De rest van het ontvangen geld, is contant opgenomen door [naam 2]. Verdachte heeft een bedrag van € 2.000,-- ontvangen.
Het oordeel van de politierechter
4.4.2.1 Valse geschriften
Gelet op het voorgaande staat vast dat op naam van [verdachte] namens [bedrijf] aanvragen voor financiële ondersteuning in het kader van de TVL bij RVO zijn ingediend. Op de aanvraagformulieren is bij de ondertekening verklaard dat de gegevens naar waarheid zijn ingevuld. De politierechter stelt vast dat de in de aanvragen vermelde referentieomzet telkens afwijkt van de omzet zoals die blijkt uit de bij de Belastingdienst ingediende aangiften omzetbelasting. Uit de ambtsedige verklaringen omzetbelasting volgt immers dat in de betreffende perioden een aanzienlijk lager, of zelfs nihil, bedrag aan omzet is opgegeven. Bovendien heeft verdachte ter zitting verklaard dat de in de aanvragen vermelde omzet niet juist is.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden en het hiervoor overwogene is de politierechter van oordeel dat de TVL-aanvragen onjuiste referentieomzetbedragen bevatten. Deze bedragen zijn vervolgens onderbouwd met kopieën van aangiften omzetbelasting die eveneens niet overeenkomen met de daadwerkelijk bij de Belastingdienst ingediende aangiften. De politierechter concludeert dat zowel de bij RVO ingediende TVL-aanvragen als de daarbij gevoegde kopie aangiften omzetbelasting onjuiste informatie bevatten en derhalve vals zijn. In voornoemde geschriften is ten onrechte vermeld dat een veel hogere omzet was gerealiseerd dan in werkelijkheid het geval was.
4.4.2.2 Opzettelijk gebruik maken
De politierechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte gebruik heeft gemaakt van de valse geschriften als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Volgens vaste jurisprudentie is hiervan sprake wanneer het geschrift daadwerkelijk wordt gebruikt ter misleiding van een ander. Verdachte moet daarbij op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet hebben gehad op het gebruik van het valse geschrift en op het valse karakter daarvan. De politierechter overweegt hiertoe als volgt.
Naar het oordeel van de politierechter zijn de aan RVO overgelegde valse geschriften
opzettelijk gebruikt met als doel om aan te tonen dat [bedrijf] voldeed aan de in de TVL-regeling gestelde voorwaarde van omzetverlies, zodat zij TVL-subsidie zou ontvangen. De bij de aanvragen gevoegde kopieën van de aangiften omzetbelasting dienden als bewijs voor de op de aanvraag vermelde gerealiseerde omzet van voornoemde onderneming. Doordat RVO kennis heeft genomen van de valse aangiften werd haar een valse voorstelling van zaken gegeven. Door die aangiften verkeerde zij immers in de veronderstelling dat [bedrijf] daadwerkelijk omzetverlies had geleden.
Ten aanzien van de wetenschap van verdachte overweegt de politierechter het volgende.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet degene is geweest die de TVL-aanvragen met bijlagen bij RVO heeft ingediend. Verdachte is door [naam 2] benaderd, die aangaf dat verdachte recht had op een subsidie van de Staat. [naam 2] beschikte reeds over de DigiD-gegevens van verdachte, maar om in te loggen bij DigiD in het geval gebruik wordt gemaakt van de gebruikersnaam en wachtwoord is er een tweestaps-verificatie nodig. Verdachte heeft in samenspraak met [naam 2] een Lebara-abonnement afgesloten. Vervolgens heeft verdachte in zijn DigiD-account zijn telefoonnummer in het nieuwe Lebara-telefoonnummer veranderd en de telefoon, voorzien van het nieuwe telefoonnummer, aan [naam 2] verstrekt. [naam 2] ontving hierdoor de sms-codes waarmee hij kon inloggen op de DigiD van verdachte en de TVL-aanvragen kon doen. Hij heeft bewust zijn sterk persoonsgebonden DigiD aan een min of meer bekende ander, geen boekhouder of accountant o.i.d. afgegeven. Verdachte wist dat met zijn DigiD-gegevens aanvragen voor subsidies werden ingediend en dat hij met het afgeven van zijn DigiD-gegevens en het wijzigen van zijn telefoonnummer naar het nieuwe Lebara-telefoonnummer iedere vorm van zeggenschap over zijn DigiD zou verliezen.
Voorts heeft de onderneming van verdachte geen omzet gerealiseerd en heeft verdachte evenmin onderzoek verricht naar de juistheid van de ingediende aangifte en de daarbij overgelegde aangifte omzetbelasting, terwijl hij daartoe op grond van de op hem rustende onderzoeksplicht wel gehouden was. Zonder zelf enige omzet te hebben gemaakt, kan er evenmin een aanspraak worden gemaakt op een uitkering in het kader van de TVL. Onder deze omstandigheden kan het naar het oordeel van de politierechter niet anders zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de TVL-aanvraag vals werd opgemaakt en dat deze aanvraag zou worden onderbouwd met valse gegevens in de vorm van een valse kopie aangifte omzetbelasting.
4.4.2.3 Medeplegen
De politierechter stelt voorop dat voor medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook als het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Voor de beoordeling van de vraag of in deze zaak van medeplegen sprake is, neemt de politierechter de volgende handelingen en gedragingen in overweging.
Verdachte is door [naam 2] benaderd, die aangaf dat verdachte recht had op een subsidie van de Staat. [naam 2] beschikte reeds over de DigiD-gegevens van verdachte, maar om in te loggen bij DigiD in het geval gebruik wordt gemaakt van de gebruikersnaam en wachtwoord is er een tweestaps-verificatie nodig. Verdachte heeft ten behoeve van het indienen van de TVL-aanvragen gecommuniceerd met [naam 2] over het afsluiten van een Lebara-abonnement. Verdachte heeft vervolgens het Lebara-abonnement afgesloten en in zijn DigiD-account zijn telefoonnummer veranderd in het nieuwe Lebara-telefoonnummer. Ook heeft verdachte de telefoon, voorzien van het nieuwe telefoonnummer, aan [naam 2] verstrekt. Door deze gegevens te verstrekken, heeft verdachte een essentiële en onmisbare bijdrage geleverd aan het indienen van de valse TVL-aanvragen en het gebruik maken van de daarbij gevoegde valse geschriften. Zonder deze gegevens was het immers niet mogelijk geweest om in te loggen op de website van RVO en de TVL-aanvraag in te dienen.
Voorts is verdachte, na ontvangst van de geldbedragen op zijn Duitse bankrekening en dus bij de afhandeling van het delict, naar [naam 2] gegaan en heeft hij aldaar, in een nauwe en bewuste samenwerking met deze [naam 2], een bedrag van € 28.000,-- overgemaakt naar ene [naam 3]. Verdachte heeft slechts € 2.000,-- zelf behouden.
Deze communicatie tussen verdachte en medeverdachten voorafgaand aan het indienen en op het moment dat de subsidie werd uitgekeerd, maakt dat zijn bijdrage niet alleen essentieel en dus zonder meer van voldoende gewicht was voor de uitvoering, maar ook dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij het indienen van de TVL-aanvragen en aldus het gebruik maken van die valse aangifte. De politierechter komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.
De bewezenverklaring
De politierechter is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Hij, op tijdstippen in de periode 9 oktober 2020 tot en met 3 maart 2021in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk gebruik heeft gemaakt van zes, althans één of meer valse geschriften, zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware deze echt en onvervalst, te weten:
- een TVL-aanvraag over het tweede en derde kwartaal 2020 (TVL00037106) (DOC-074), en
- een TVL-aanvraag over het vierde kwartaal 2020 (TVL-Q4-202000054743) (DOC-077), en
- een TVL-aanvraag over het eerste kwartaal 2021 (TVL-Q1-202100065880) (DOC-107), en
- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 (DOC-074-01), en
- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2019 (DOC-077-01), en
- een (kopie) aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal 2020 (DOC-074-02),
ten name van [bedrijf], en/of [verdachte],
bestaande die valsheid hierin dat in voornoemde aanvragen/aangiften een onjuiste referentieomzet en gerealiseerde omzet is aangegeven en vermeld,
bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en zijn mededader(s), de hiervoor genoemde TVL-aanvragen en (kopie) aangiften omzetbelasting (telkens) aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten behoeve van een aanvraag voor financiële ondersteuning in het kader van de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten hebben verzonden en verstrekt.
De politierechter acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat hij hem daarvan zal vrijspreken.
5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als
bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en
onvervalst, meermalen gepleegd.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De politierechter oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
7. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, indien en voor zover de politierechter tot een bewezenverklaring komt, bepleit rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de politierechter rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
Ook neemt de politierechter de volgende factoren in aanmerking.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door gebruik te maken van valse TVL-aanvragen en daarbij gevoegde valse kopieën van aangiften omzetbelasting. Nadat er regelingen van kracht waren geworden om ondernemers die getroffen waren door de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van het coronavirus financieel te ondersteunen, zijn namens de onderneming van verdachte TVL-aanvragen ingediend bij RVO, onderbouwd met onjuiste en valse stukken, met het doel om ten onrechte deze subsidies te ontvangen. De TVL-regeling was een overheidsmaatregel die in het leven werd geroepen in een periode waarin de gehele samenleving in grote onzekerheid verkeerde. In deze crisistijd heeft de overheid snel ondersteuning willen bieden, hetgeen ten koste is gegaan van de controle vooraf. Verdachte heeft samen met anderen schaamteloos misbruik gemaakt van deze situatie.
Bovendien heeft verdachte het vertrouwen dat men in het maatschappelijk verkeer moet kunnen hebben dat dergelijke documenten naar waarheid worden ingevuld en worden vergezeld van juiste waarheidsgetrouwe bijlagen, op ernstige wijze beschaamd. RVO heeft uiteindelijk slechts één van de drie aanvragen toegewezen en een voorschot van
€ 37.418,33 aan [bedrijf] uitgekeerd. Dat de financiële schade daartoe beperkt is gebleven, is niet aan verdachte te danken geweest, maar aan het handelen van oplettende medewerkers van RVO. De politierechter rekent het verdachte zeer aan dat hij bij het plegen van voormelde feiten zich kennelijks slechts heeft laten leiden door geldelijk gewin, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen.
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de politierechter acht geslagen op het strafblad van verdachte van 21 augustus 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld en dat artikel 63 Sr van toepassing is. Daarnaast heeft de politierechter acht geslagen op de oriëntatiepunten voor fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, waarbij het benadelingsbedrag in grote mate bepalend is. Deze oriëntatiepunten vermelden de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vijf maanden (of een daarmee overeenstemmende onvoorwaardelijke taakstraf) bij een fraude-benadelingsbedrag van
€ 10.000,-- tot € 70.000,--. De politierechter houdt er rekening mee dat verdachte ter terechtzitting is verschenen en aldaar verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Verdachte heeft daarentegen (nog) geen geld terugbetaald aan RVO.
De redelijke termijn
De politierechter stelt vast dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is overschreden. Op 12 maart 2024 is verdachte verhoord. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen, waarbinnen verdachte dient te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren, nadat de redelijke termijn is aangevangen. De datum van dit vonnis is 29 september 2026. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met ruim 6 maanden. De politierechter is van oordeel dat in dit geval kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Hij weegt daarbij mee dat de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste instantie gepland stond voor 7 april 2026, maar dat de zaak destijds op verzoek van de verdediging werd aangehouden.
Met name vanwege het tijdsverloop en de zwaarwegende gevolgen die een langdurige gevangenisstraf op verdachte zou hebben, acht de politierechter de strafmodaliteit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet (meer) passend. De politierechter zal daarom geen langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen.
De politierechter acht het, alles afwegend, passend en geboden om aan verdachte op te leggen een taakstraf van 110 uren.
8. De schade van benadeelden
De vordering van de benadeelde partij
RVO heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij heeft daartoe het geëigende schadevergoedingsformulier ingediend voorzien van verschillende bijlagen. Onder deze bijlagen bevindt zich onder meer een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, een kopie van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EKZ 2026 en een kopie van het Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken 2025. De stukken dienen ter ondersteuning van de stelling dat RVO zich zelfstandig als benadeelde partij in het strafproces mag voegen, aldus RVO.
RVO vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 37.418,33 [zegge: zevenendertigduizend vierhonderdachttien euro en drieëndertig cent], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende post:
- onterecht uitbetaald subsidiegeld [bedrijf] TVL00037106 (€ 37.418,33).
Het oordeel van de politierechter
De politierechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of RVO rechtsbevoegdheid heeft om zelfstandig, in eigen naam, in rechte een civiele vordering in te stellen tegen de verdachte te. De vordering van een benadeelde partij is immers niets anders dan een civiele vordering die binnen het strafproces wordt behandeld.
Uitgangspunt van het Nederlandse civiele recht is dat natuurlijke personen en (publieke of private) rechtspersonen de bevoegdheid hebben om een civiele vordering in te stellen. Een uitzondering is mogelijk als er een bijzondere grond bestaat, zoals in het geval dat in de wet een orgaan van een rechtspersoon een vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt toegekend (vgl. ECLI:NLHR:2016:2233). Voor het aannemen van procesbevoegdheid is ontoereikend dat de wet het orgaan vertegenwoordigingsbevoegdheid toekent, al dan niet in rechte (vgl. o.m. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3653, NJ 2015/36).
Uit het Instellingenbesluit baten-lasten agentschap Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, volgt dat RVO een rijksdienst is ressorterend onder de Minister van Economische zaken, met de status van baten-lastenagentschap. RVO heeft derhalve geen eigen rechtspersoonlijkheid. Dit wordt bevestigd in het uittreksel van het Handelsregister, waarin (bij de rechtsvorm) is opgegeven dat de relevante rechtspersoon de publiekrechtelijke rechtspersoon ”de Staat” is. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van RVO bevestigd dat in reguliere civiele procedures RVO de vordering in naam van de Staat instelt. Dat wordt bevestigd in verschillende rechterlijke uitspraken, waar “De Staat der Nederlanden, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, meer in het bijzonder de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO)” als zodanig als procespartij wordt vermeld (vgl. ECLI:NL:RBGEL:2024:2661; ECLI:NL:RBZWB:2024:7031; ECLI:NL:RBROT:2023:6990). Er is geen reden om aan te nemen waarom dat in een civiele procedure die binnen het strafproces wordt gevoerd, anders zou zijn.
Vervolgens komt aan de orde de vraag, of de hiervoor genoemde mandaatbesluiten ruimte bieden voor RVO om in eigen naam een vordering tegen verdachte in de stellen. De politierechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Een mandaat, zoals ook in artikel 10.1 AWB is vastgelegd, is een bevoegdheid om in naam van een ander te handelen. RVO mag derhalve in naam van de Minister van Economische Zaken en daarmee in naam van de Staat optreden. Dat wordt onder meer bevestigd in de toekenningsbeslissing van de TVL en de intrekkingsbeslissing daarvan. In beide gevallen ondertekent RVO namens de Staatssecretaris van Economische zaken en Klimaat en niet in eigen naam.
Ook het artikel 7 lid 5 van het hiervoor genoemde ‘Besluit Ondermandaat’ waarin ondermandaat aan het hoofd van de Fraudesectie binnen het team Algemeen bestuurlijk en juridisch advies wordt toegekend voor het terzake van het vorderen van schadevergoeding voegen als benadeelde partij in het strafproces in zaken die betrekking hebben op het werkterrein van RVO, brengt niet mee dat er een zelfstandige procesbevoegdheid voor RVO ontstaat om in eigen naam op te treden.
Een mandaat verschilt daarmee van de civielrechtelijke figuur van lastgeving, waarbij een bevoegdheid ontstaat voor de lasthebber om in eigen naam (maar voor rekening en risico van de lastgever) op te treden.
In deze procedure treedt RVO in eigen naam op. Zover strekt het mandaat echter niet. Om die reden kan RVO evenmin een vordering op eigen naam tegen verdachte instellen.
Op grond van het voorgaande is de politierechter van oordeel dat RVO geen zelfstandige rechtsbevoegdheid heeft om zelfstandig, op eigen naam, in rechte een civiele vordering in te stellen.
RVO zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.
9. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c en 22d Wetboek van Strafrecht (Sr).
10. De beslissing
De politierechter:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als
bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en
onvervalst, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 110 (honderdtien) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 55 (vijfenvijftig) dagen;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Campen, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Verveld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
Buiten staat
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.