RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-067211-26 (P)
Datum vonnis: 3 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J.C. Stam, advocaat in Hengelo, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
primair: een mobiele telefoon in het verkeer heeft gebruikt, waardoor hij een kettingbotsing heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer 1] (hierna ook te noemen: [slachtoffer 1] ) om het leven is gekomen en [slachtoffer 2] zwaar gewond is geraakt, dan wel (subsidiair): zich zodanig op de weg heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt, dan wel
(meer subsidiair): zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Almelo in de gemeente Almelo, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto merk Opel), komende uit de richting van knooppunt Azelo, gaande in de richting van afrit Almelo-Zuid (afrit 30), daarmede rijdende over de weg de Rijksweg A35, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/ofterwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/ofterwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/ofterwijl voornoemd voertuig, inclusief lading, een minimale massa van 3760 kilo woog en een maximale massa van 3940 kilo, terwijl de toegestane maximum massa 3500 kilo is, en/ofterwijl op die weg (de Rijksweg A35, richting van afrit Almelo-Zuid (afrit30)) meerdere motorrijtuigen (personenauto’s) stilstonden dan wel langzaam reden,
- in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een mobiel elektronisch apparaat (een mobiele telefoon) heeft vastgehouden en/of de mobiele telefoon meerdere keren heeft gebruikt en/of bediend en/of- zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad doordat hij met zijn mobiele telefoon bezig was en/of- (daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door hem bestuurde bedrijfsauto heeft gehouden en/of niet of onvoldoende heeft geanticipeerd op het voor hem rijdende verkeer en/of zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast en/of- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem bestuurde bedrijfsauto niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de bedrijfsauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of(vervolgens) heeft hij, verdachte, toen het voor hem uit rijdende verkeer snelheid had verminderd en/of tot stilstand was gekomen (met nagenoeg onverminderde snelheid) een kettingbotsing veroorzaakt, althans is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een voor hem uit langzamere rijdend of stilstaande meerdere voertuigen (personenauto’s en/of bedrijfsauto’s) (welke op hun beurt zijn gebotst tegen, althans in aanrijding zijn gekomen met, een of meerdere andere voertuigen (personenauto’s en/of bedrijfsauto’s)),
en aldus heeft hij, verdachte, zich zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan ander(en),- genaamd [slachtoffer 1] werd gedood en/of- genaamd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Almelo in de gemeente Almelo, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto merk Opel), komende uit de richting van knooppunt Azelo, gaande in de richting van afrit Almelo-Zuid (afrit 30), daarmede rijdende over de weg de Rijksweg A35,terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/ofterwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/ofterwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/ofterwijl voornoemd voertuig, inclusief lading, een minimale massa van 3760 kilo woog en een maximale massa van 3940 kilo, terwijl de toegestane maximum massa 3500 kilo is, en/ofterwijl op die weg (de Rijksweg A35, richting van afrit Almelo-Zuid (afrit30)) meerdere motorrijtuigen (personenauto’s) stilstonden dan wel langzaam reden,- in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een mobiel elektronisch apparaat (een mobiele telefoon) heeft vastgehouden en/of de mobiele telefoon meerdere keren heeft gebruikt en/of bediend en/of- zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad doordat hij met zijn mobiele telefoon bezig was en/of- (daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft gehouden en/of niet of onvoldoende heeft geanticipeerd op het voor hem rijdende verkeer en/of zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast en/of- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem bestuurde bedrijfsauto niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de bedrijfsauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of(vervolgens) heeft hij, verdachte, toen het voor hem uit rijdende verkeer snelheid had verminderd en/of tot stilstand was gekomen (met nagenoeg onverminderde snelheid) een kettingbotsing veroorzaakt, althans is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een voor hem uit langzamere rijdend of stilstaande meerdere voertuigen (personenauto’s en/of bedrijfsauto’s) (welke op hun beurt zijn gebotst tegen, althans in aanrijding zijn gekomen met, een of meerdere andere voertuigen (personenauto’s en/of bedrijfsauto’s)),en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Almelo als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Rijksweg A35, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers heeft hij, verdachte, toen het voor hem uit rijdende verkeer snelheid had verminderd en/of tot stilstand was gekomen (met nagenoeg onverminderde snelheid) een kettingbotsing veroorzaakt, althans is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een voor hem uit langzamere rijdend of stilstaande meerdere voertuigen (personenauto’s en/of bedrijfsauto’s) (welke op hun beurt zijn gebotst tegen, althans in aanrijding zijn gekomen met, een of meerdere andere voertuigen (personenauto’s en/of bedrijfsauto’s)).
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigen kan worden bewezen, met dien verstande dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Dat het voertuig van verdachte te zwaar beladen was staat niet in causaal verband met het ontstaan van het ongeval en speelt daarom geen rol bij de beoordeling van de schuldvraag.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde roekeloosheid, omdat sprake is van een lichtere schuldvorm. De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie voor wat betreft het gewicht van het voertuig en de causaliteit.
Het oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 22 oktober 2025 rijdt verdachte aan het einde van de middag in zijn bedrijfsauto, een autoambulance van het merk Opel, op de A35 (komende uit de richting van knooppunt Azelo en gaande in de richting van de afrit Almelo-Zuid) ter hoogte van Almelo. Verdachte is ter plaatse goed bekend en zijn zicht wordt niet belemmerd, beperkt of gehinderd. Het voertuig van verdachte weegt op dat moment inclusief lading tussen de 3760 en 3940 kilo. Het maximaal toegestane gewicht is 3500 kilo.
Tijdens het rijden ontgrendelt verdachte om 16:55:55 uur zijn mobiele telefoon. In de daaropvolgende twee minuten maakt hij gebruik van de applicaties Snapchat, Marktplaats en Whatsapp. De logbestanden van Whatsapp tonen aan dat verdachte om 16:57:41 uur een bericht aan het typen is. Om 16:57:46 uur stopt hij hiermee.
Op de afrit Almelo-Zuid is intussen een file ontstaan van meerdere voertuigen, waaronder de Suzuki waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich als bestuurder respectievelijk bijrijder bevinden. Verdachte komt aanrijden met een snelheid van 88 kilometer per uur en rijdt zonder de remmen omstreeks 16:57:56 uur tegen de op dat moment achterste auto in de file, de Suzuki van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hierna ontstaat een kettingbotsing waarbij nog twee andere voertuigen betrokken raken.
Ten gevolge van het ongeval is [slachtoffer 1] ter plaatse aan haar verwondingen overleden. [slachtoffer 2] is overgebracht naar het ziekenhuis met acht gebroken ribben (waarvan zes dubbel gebroken), infarcten in haar milt en nieren, een blauwe plek op haar aorta en letsel aan een bloedvat bij haar sleutelbeen. Zij verbleef een week lang in het ziekenhuis, waarvan drie dagen op de intensive care.
Overwegingen van de rechtbank
Om tot een bewezenverklaring te komen van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zoals primair ten laste is gelegd, is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Dat betekent in de eerste plaats dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in deze zaak het geval. Het ongeval zou niet hebben plaatsgevonden zonder het hiervoor beschreven gedrag van verdachte dat in de kern bestaat uit het bedienen van zijn mobiele telefoon. Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het feit dat het voertuig van verdachte zwaarder was dan toegestaan niet in causaal verband staat met het ontstaan van het ongeval. Verdachte heeft niet geremd, waardoor het gewicht van het voertuig niet van invloed is geweest op de lengte van de remweg. Dit onderdeel van de tenlastelegging is dus wel bewezen omdat dit een omstandigheid is waaronder is gereden (in de tenlastelegging staat “terwijl”), maar geen (mede)oorzaak aan het ongeval.
In de tweede plaats moet verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, dat geldt als de zwaarste vorm van schuld. De officier van justitie heeft (primair) die zwaarste schuldvorm ten laste gelegd. De rechtbank zal moeten beoordelen of verdachte ten aanzien van het ontstaan van het verkeersongeval een schuldverwijt kan worden gemaakt en zo ja, in welke mate. Zij overweegt daartoe het volgende.
Roekeloosheid?
Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in samenhang met artikel 6 WVW 1994 is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW 1994 kan worden aangemerkt. Artikel 5a lid 1 WVW 1994 beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen. Als de verdachte, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op “de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft". Het is niet uitgesloten dat een enkele verkeersovertreding roekeloos rijgedrag oplevert, maar die overtreding moet volgens de toelichting op de wet dan wel bestaan in een ‘samenstel van gedragingen’, dat naar het oordeel van de rechtbank uiting zal moeten geven aan een bepaalde mate van onverschilligheid bij de overtreder.
Verdachte heeft in de twee minuten voorafgaand aan het ongeval zijn mobiele telefoon vastgehouden en deze ook bediend. Uit de logebestanden is gebleken dat verdachte actieve handelingen heeft uitgevoerd op zijn telefoon door apps te openen en tekstberichten te typen. Dit gedrag is uitdrukkelijk genoemd in artikel 5a, eerste lid, WVW 1994 als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. Gevolg hiervan is geweest dat verdachte zijn voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de bedrijfsauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was. Verdachte heeft dan ook niet voldaan aan de verplichting van artikel 19 van hert Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
De kern van het verwijt is in deze zaak het telefoongebruik van verdachte. De rechtbank heeft geen relevante nadere vaststellingen kunnen doen over de verdere instelling van verdachte of een mate van onverschilligheid in het verkeer. De omstandigheid dat verdachte door het telefoongebruik niet tijdig kon remmen, heeft onvoldoende zelfstandige betekenis. Dat houdt immers rechtstreeks verband met het feit dat hij afgeleid was door zijn telefoon en de file niet zag. Ook komt in dit verband onvoldoende gewicht toe aan de omstandigheden dat verdachte beroepsmatig bestuurder was en dat hij wist dat de plaats van het ongeval over het algemeen druk is op het tijdstip van het ongeval. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat verdachte in een ander opzicht gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond voorafgaand aan het ongeval. Door het ontbreken van die relevante nadere vaststellingen komt de rechtbank tot het oordeel dat het rijgedrag van verdachte de juridische lat van roekeloosheid (net) niet haalt, maar dat zijn handelen wel aan roekeloosheid grenst. De rechtbank concludeert daarom dat sprake is van de hieraan grenzende schuldvorm: zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam handelen.
Letsel [slachtoffer 2]
De rechtbank is van oordeel dat het letsel van [slachtoffer 2] als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, hetgeen ter terechtzitting ook niet ter discussie heeft gestaan.
Conclusie
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen met dien verstande dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gehandeld.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 oktober 2025 te Almelo in de gemeente Almelo, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto merk Opel), komende uit de richting van knooppunt Azelo, gaande in de richting van afrit Almelo-Zuid (afrit 30), daarmede rijdende over de weg de Rijksweg A35 zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde enterwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie enterwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd enterwijl voornoemd voertuig, inclusief lading, een minimale massa van 3760 kilo woog en een maximale massa van 3940 kilo, terwijl de toegestane maximum massa 3500 kilo is, enterwijl op die weg (de Rijksweg A35, richting van afrit Almelo-Zuid (afrit30)) meerdere motorrijtuigen (personenauto’s) stilstonden dan wel langzaam reden,
- in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een mobiel elektronisch apparaat (een mobiele telefoon) heeft vastgehouden en de mobiele telefoon meerdere keren heeft gebruikt en bediend en- zijn aandacht gedurende enige tijd niet op het overige verkeer en de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en gehad doordat hij met zijn mobiele telefoon bezig was en- (daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door hem bestuurde bedrijfsauto heeft gehouden en niet heeft geanticipeerd op het voor hem rijdende verkeer en zijn snelheid niet heeft aangepast en- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem bestuurde bedrijfsauto niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de bedrijfsauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en
vervolgens heeft hij, verdachte, toen het voor hem uit rijdende verkeer snelheid had verminderd of tot stilstand was gekomen met onverminderde snelheid een kettingbotsing veroorzaakt met een voor hem stilstaand voertuig (personenauto), welke op zijn beurt is gebotst tegen andere voertuigen (personenauto’s),
en aldus heeft hij, verdachte, zich zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor,- [slachtoffer 1] werd gedood en- [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 6 en 175 van de WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
primair
het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om – rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte – geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf en geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid aan verdachte op te leggen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 22 oktober 2025 zeer onvoorzichtig gedragen in het verkeer door zijn aandacht langere tijd niet bij het verkeer, maar bij zijn mobiele telefoon te houden. Gelet op het minimaal twee minuten durende gebruik van zijn telefoon bij een snelheid van 88 km/u heeft verdachte dus zeker 3 kilometer geen aandacht en zicht op de weg gehouden. Dit strookt ook met de verklaring van verdachte dat hij bij de oprit Borne twee telefoontjes heeft gehad en hij het beeld na Borne kwijt is. De mate van afleiding was zeer groot. Verdachte heeft de file totaal over het hoofd gezien en een in het oog springend detail is dat verdachte rechtdoor had willen rijden en desondanks (kennelijk onbewust) de afslag nam waar het ongeval plaatsvond. Door beter op te letten had het ongeval in alle opzichten voorkomen kunnen worden. De verkeersveiligheid is een zeer zwaarwegend belang. Verkeersdeelnemers zijn niet alleen afhankelijk van hun eigen handelen en gedrag, maar moeten erop kunnen vertrouwen dat medeweggebruikers de verkeersveiligheid net zo hoog in het vaandel hebben. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij hier die dag geen oog voor heeft gehad. [slachtoffer 1] heeft dit moeten bekopen met haar leven. Het leed dat nabestaanden is aangedaan is groot en zal voor altijd blijven bestaan. Een van de nabestaanden is [slachtoffer 2] , die niet alleen met eigen ogen heeft gezien wat [slachtoffer 1] is overkomen, maar zelf ook zwaargewond is geraakt.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 22 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij autohandelaar is en een eigen bedrijf heeft. Verdachte woont samen met zijn vrouw en zijn drie kinderen. Ter zitting heeft verdachte verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en heeft hij zich schuldbewust opgesteld. Deze houding bestond al kort na het ongeval. Uit het dossier is gebleken dat verdachte vrijwel meteen de wens had om in contact te komen met [slachtoffer 2] en de nabestaanden van [slachtoffer 1] , als zij daar behoefte aan hadden.
Op te leggen straf
De mate van schuld aan het verkeersongeval bepaalt in grote mate de hoogte van de op te leggen straf. Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft voor overtreding van artikel 6 WVW vastgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting. ). Zoals hiervoor uiteengezet is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam aan roekeloosheid grenzend gedrag. Dit maakt dat de rechtbank acht slaat op het oriëntatiepunt voor ‘zeer hoge mate van schuld’. Wanneer daarvan sprake is en het verkeersongeval een dodelijk slachtoffer tot gevolg heeft, wordt een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren als uitgangspunt van denken genoemd. Daarbij komt dat als gevolg van het rijgedrag van de verdachte een ander slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, hetgeen niet in dit oriëntatiepunt is verdisconteerd. Het oriëntatiepunt daarvoor is vier maanden gevangenisstraf en twee jaar ontzegging van de rijbevoegdheid, waardoor een uitgangspunt gehanteerd zou kunnen worden van twaalf maanden gevangenisstraf en vijf jaar ontzegging van de rijbevoegdheid.
De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een straf conform het eerst genoemde uitgangspunt recht doet aan deze zaak en ziet onvoldoende reden om over te gaan tot oplegging van een straf zoals geëist door de officier van justitie of verzocht door de raadsman. Zij overweegt daartoe als volgt. Het moge duidelijk zijn dat verdachte dit alles nooit heeft gewild en verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank oprechte spijt en berouw getoond. Verder ziet de rechtbank in dat oplegging van deze straf grote gevolgen heeft voor het privéleven en het bedrijf van verdachte. Daartegenover staat dat bij het bepalen van de straf niet alleen rekening wordt gehouden met de omstandigheden van een verdachte. Ook met andere strafdoelen moet rekening worden gehouden bij het bepalen van de strafmaat. Een belangrijk strafdoel is vergelding dat in het teken staat van recht doen aan het slachtoffer en de samenleving, een proportionele reactie geven op het delict en de maatschappelijke afkeur uitdrukken. Verder moet in een straf tot uitdrukking komen dat gedragingen consequenties hebben zodat van die straf een afschrikkende werking uit gaat. Dit alles betekent dat de oriëntatiepunten weliswaar niet heilig zijn en het opleggen van een straf geen hamerstuk zijn, maar wel dat de ernst van het feit dusdanig is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden is. De persoonlijke omstandigheden, de doelen vergelding en algemene preventie hebben geen strafverminderende of strafverzwarende werking. Rekening houdend met al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft verzocht om bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de zaak te heropenen en de reclassering opdracht te geven te rapporteren over verdachte. De rechtbank zal dit voorwaardelijke verzoek afwijzen. De persoonlijke omstandigheden, de daarmee verbonden belangen van verdachte en de mogelijke gevolgen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn ter zitting goed naar voren gebracht en de rechtbank heeft hier oog voor, maar zoals hiervoor is onderbouwd wegen andere belangen in onderhavig geval minstens even zwaar. Het verkrijgen van een reclasseringsrapport over verdachte zal hier geen verandering in brengen. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat interventies in de vorm van bijzondere voorwaarden geïndiceerd zijn.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op het artikel 179 WVW 1994.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair
het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;
- ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 (drie) jaren.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. R.G.J. Gehring en mr. E.C. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. Kroeze, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025512957. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 22 oktober 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 166):
V: Wie is de eigenaar van het tijdens het verkeersongeval door u bestuurde voertuig?
A: Ik ben de eigenaar. Hij staat op het bedrijf.
V: Hoe was uw bekendheid op de plaats van het verkeersongeval?
A: Ik ben goed bekend met de plaats.
V: Werd u zicht belemmerd tijdens het ongeval? Bv. obstakels, begroeiing, beslagen ruiten, dode hoek, etc.
A: Nee.
V: Hoe was de verkeersdrukte?
A: Normaal. Rond die tijd is het altijd druk.
2. Het proces-verbaal FO verkeer van 19 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 23 e.v.):
Op woensdag 22 oktober 2025, omstreeks 17:00 uur (tijdstip melding), had op de Rijksweg A35, gelegen buiten de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Almelo, in de gemeente Almelo, het verkeersongeval plaatsgevonden. Bij het verkeersongeval waren drie personenauto’s en een bedrijfsauto betrokken geraakt.
Voertuig 1
Soort voertuig: bedrijfsvoertuig
Fabrieksmerk: Opel
Zicht
Wij stelden vast dat het zicht voor de betreffende bestuurders door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg niet belemmerd werd.
Beantwoording hypothesen
Mens: het verkeersongeval was ontstaan door de factor menselijke gedraging.
Deze hypothese is bevestigd. De bestuurder van de bedrijfsauto naderde de botsplaats over rijstrook 4 van de A35 links (afrit 30 Almelo-Zuid/Ootmarsum), komende uit de richting van Borne. Tussen hectometerpaal 48,4 en 48,3 botste de bedrijfsauto met de voorzijde tegen de achterzijde van de Suzuki, die op dat moment (nagenoeg) stil stond ten gevolge van filevorming op de afrit. Hiermee bracht de bestuurder van de bedrijfsauto zijn voertuig niet tot stilstand over het weggedeelte dat vrij en te overzien was voor hem.
Gevolg
Ten gevolge van de botsing tussen de bedrijfsauto en de Suzuki werd de Suzuki opgedrukt tegen de zich voor de Suzuki bevindende Kia. Vervolgens werden de Suzuki en de Kia opgedrukt tegen de zich voor de Kia bevindende Ford.
Ten gevolge van het verkeersongeval overleed de bestuurster van de Suzuki ter plaatse aan haar verwondingen. De passagier naast de bestuurster van de Suzuki raakte bij het ongeval ernstig gewond.
3. Het proces-verbaal van bevindingen van 13 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 148-149):
Op 28 oktober 2025 was ik, verbalisant [verbalisant] , belast met het uitkijken van de camerabeelden inzake de dodelijke aanrijding welke is vastgelegd onder BVH-nummer
PL0600-2025512957.
00:55
Ik zag dat het voertuig van het slachtoffer uitvoegstrook opreed. Ik zag dat het de rechter richtingaanwijzer begon te knipperen. Ik zag tevens dat de remlichten van het voertuig begonnen branden.
00:57
Ik zag dat het voertuig van verdachte in beeld kwam. Ik zag dat dit een zogeheten `autoambulance` was. Ik zag dat het dit voertuig een personenauto op de oplegger had staan. Ik zag dat het voertuig op de rijbaan richting Nijverdal reed. Ik zag dat het voertuig op de rijbaan richting Nijverdal reed.
01:04
Ik zag dat het voertuig van het slachtoffer tot stilstand kwam voor een donkerkleurig voertuig. Ik zag dat het voertuig van het slachtoffer tot stilstand kwam op de uitvoegstrook.
01:05
Ik zag dat het voertuig van verdachte met dezelfde snelheid als het overige verkeer richting het voertuig van het slachtoffer reed.
01:07
Ik zag dat het voertuig van verdachte tegen het voertuig van het slachtoffer reed. Ik zag dat het voertuig van verdachte met de voorzijde wat omhoog kwam. Ik zag dat de remlichten van het voertuig van verdachte niet hadden gebrand.
4. Het proces-verbaal onderzoek gegevens van 27 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 14 e.v.):
Ik heb onderzoek gedaan naar de veiliggestelde gegevens van de telefoon van de bestuurder, verdachte [verdachte] , van het bij het ongeval betrokken voertuig.
Ik heb gekeken heb naar de gegevens rond het tijdstip van het ongeval dat op basis van de gegevens uit de tachograafdata bepaald is op 16:57:56. Ik zag in de tijdlijn van de door mij gebruikte onderzoekssoftware dat in de 2 minuten voor het ongeval het toestel om 16:55:39 ontgrendeld werd en vervolgens diverse applicaties actief waren, te weten Snapchat (toyopagroup.picaboo), Marktplaats en als laatste Whatsapp. De laatste registratie in deze tijdlijn voor het tijdstip van het ongeval is van het type 'Device Events' en betreft "Textlnput", met een starttijd van 16:57: 17 en een eindtijd van 16:57:28,
[afbeelding]
Ik zag in deze WhatsApp-log dat om 16:57:28 is geregistreerd dat de toepassing WhatsApp in beeld komt waarna een aantal gebeurtenissen geregistreerd worden die duiden op daadwerkelijk gebruik van WhatsApp. Een selectie van die logregels met tijdregistratie in milliseconde heb ik, met uitleg, hieronder weergegeven:
In de logregel
"16:57:41.706 [normal] [F] LL_N stream//> send > [chatstate/composing t=****** [telefoonnummer] @s.whatsapp.net]"
is geregistreerd dat [telefoonnummer] @s.whatsapp.net ( [omschrijving] Bmw Borne) in WhatsApp in beeld krijgt dat de gebruiker van onderzochte telefoon een bericht aan het maken is.
In de regel "16:57:46.543 [ [nummer] ]
[normal] [F] LL_N streaml/> send > [chatstate/paused t=******1304@s.whatsapp.net]"
is geregistreerd dat bij [telefoonnummer] @s.whatsapp.net ( [omschrijving] Bmw Borne) in WhatsApp de melding dat de gebruiker van onderzochte telefoon een bericht aan het maken is uit beeld verdwijnt.
5. Het proces-verbaal FO Verkeer forensisch voertuigonderzoek van 27 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 102):
1. Bevat de betrokken Opel digitale informatie die duidelijkheid kan geven over de rij- omstandigheden ten tijde van het ongeval?
Op basis van mijn onderzoek heb ik vast kunnen stellen dat de Opel gebotst is met de Suzuki met een geregistreerde snelheid van 88 km/u.
2. Wat was het gewicht van de betrokken Opel?
De betrokken Opel woog, inclusief lading, een minimale massa van 3760 kilo en een maximale massa van 3940 kilo. De toegestane maximum massa was 3500 kilo.
6. Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] van 14 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 134-135):
Op 22 oktober 2025 omstreeks 17.00 uur zat ik bij mijn schoonmoeder in de auto. We reden op de A35 en we namen de afrit Almelo Zuid. We zagen dat er een kleine file was. We remden wat af, ik zag dat mijn schoonmoeder de alarmlichten aan deed, om achteropkomend verkeer te waarschuwen dat er een file was. Kort daarop stonden we ook stil, achter de file. Ik voelde opeens een harde knal van achteren.
Ik heb een week in het ziekenhuis gelegen, waarvan 3 dagen op de IC en daarna op de gewone afdeling. Ik had 8 gebroken ribben, waarvan 6 dubbel gebroken. In mijn milt en nieren waren infarcten te zien en mijn aorta had een blauwe plek. Ook was er letsel aan een bloedvat bij mijn sleutelbeen.
7. Het aanvullend proces-verbaal van 6 mei 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 3 en 8):
Op donderdag 30 april 2026 ontving ik, verbalisant, van slachtoffer een document waarin slachtoffer [slachtoffer 2] haar medische gegevens heeft vermeld. Zij heeft deze medische gegevens uit haar eigen [internetsite] gehaald en in dit document verwerkt.
[afbeelding]
8. Een geschrift te weten het schouwverslag van de GGD van 22 oktober 2025 betreffende [slachtoffer 1] , opgesteld door S.D. Mensink, Forensisch arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 1-2):
Cliënt: [slachtoffer 1]
Niet natuurlijk overlijden ten gevolge van ernstige traumatisch letsel opgelopen bij een auto-ongeval.