RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats],
de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/127
hierna: [eiser]
(gemachtigde: mr. P.H.W. Spoelstra),
en
hierna: de CSG.
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiser] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven omdat hij slachtoffer zou zijn geworden van een mishandeling. De aanvraag is afgewezen omdat [eiser] volgens de CSG drie afwijkende verklaringen heeft afgelegd en daarmee niet voldoende duidelijk is geworden wat er precies is gebeurd, wat de aanleiding was en wat [eiser] eigen rol daarin was. [eiser] is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe aan dat het feit dat [eiser] verklaringen na deze heftige gebeurtenis niet exact overeenkomen geen reden is om de uitkering niet toe te kennen. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank oordeelt dat het voldoende aannemelijk is dat [eiser] slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf en daarmee dat de CSG de uitkering onterecht heeft afgewezen. [eiser] krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en procesverloop
[eiser] zou op 27 juli 2024 slachtoffer zijn geworden van een mishandeling bij het station in Almelo. Hij heeft hierover op die dag zelf twee keer en op 5 augustus 2024 verklaringen afgelegd bij de politie. De politie heeft hiervan op 27 juli 2024 een proces-verbaal van aangifte en op 5 augustus 2024 een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever opgemaakt.
Vanwege deze gebeurtenis heeft [eiser] op 15 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: het schadefonds). Hij heeft de aanvraag onderbouwd met medische stukken waaruit onder andere blijkt dat twee tanden zijn afgebroken en dat hij letsel heeft opgelopen aan zijn gezicht.
Met het besluit van 24 oktober 2024 (primaire besluit) heeft de CSG de aanvraag van [eiser] afgewezen omdat de drie verklaringen van [eiser] volgens haar van elkaar afwijken en niet duidelijk is geworden wat er precies is gebeurd.
Met het besluit van 6 december 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van [eiser] is de CSG bij haar afwijzing van de aanvraag gebleven.
[eiser] heeft hiertegen beroep ingesteld. De CSG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hierbij was [eiser] aanwezig bijgestaan door zijn gemachtigde. De CSG heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam].
Het bestreden besluit
3. Bij het bestreden besluit heeft de CSG het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard. Hoewel de CSG zich kan voorstellen dat de aanvullende verklaring enigszins afwijkt van de eerste aangifte, zijn de verschillen zo groot dat niet duidelijk is wat de omstandigheden waren, wat de aanleiding was en wat [eiser] eigen rol daarin was. De CSG vat de verklaringen van [eiser] als volgt samen:
- Op 27 juli 2024, rond 05:00 uur, verklaarde [eiser] dat hij op een bankje was gaan zitten voor de Döner Company. Er zaten op dat moment al twee mannen op dat bankje. Een man vertrok na een paar minuten. [eiser] gaf de andere man hasj omdat hij zelf niet rookt. Vervolgens kwamen er twee jongens aanlopen en zij vroegen aan [eiser] of zij een hijsje van de joint mochten waarvoor een tikkie gestuurd kon worden. [eiser] gaf aan dat hij de joint al had weggeven en dat hij geen geld hoeft. De man naast [eiser] vertrok. De twee jongens gingen voor [eiser] fiets staan en lieten hem niet gaan. Zij bedreigden [eiser] en begonnen met anderen te videobellen met het verzoek ook naar het station te komen. [eiser] pakte een bierfles uit zijn tas en de jongens renden weg. [eiser] gooide het bierflesje op de grond en fietste in de richting van het gemeentehuis. De jongens renden achter [eiser] aan en trokken hem van zijn fiets. Vervolgens begonnen zij [eiser] te slaan.
- Ook op 27 juli 2024, kort na de mishandeling, verklaarde [eiser] dat hij samen met iemand in het station zat. Dit was tussen 4:00uur en 6:00uur ’s nachts. Er kwamen twee jongens aanlopen. De jongens zouden aan de persoon die naast [eiser] zat een joint hebben gevraagd. Vervolgens ontstond er een woordenwisseling en gooide [eiser] een bierflesje naar de twee jongens. [eiser] deed dit omdat zij hem niet wilden laten gaan. De twee jongens hebben [eiser] van zijn fiets getrokken en ongeveer 20 keer geslagen.
- Op 5 augustus 2024 legde [eiser] een aanvullende verklaring af bij de politie. Hierin verklaarde [eiser] dat hij helemaal geen hasj bij zich had. Iemand die al op het bankje zat had een joint. Ook waren de jongens niet weggerend, maar begonnen zij direct met de mishandeling. Pas na de mishandeling haalde [eiser] het bierflesje uit zijn tas en reden de jongens weg. Vervolgens ging [eiser] op zijn fiets richting het gemeentehuis. Hij werd aan zijn rugtas getrokken en van zijn fiets afgetrokken. Nadat [eiser] op de grond viel hield een van de jongens hem in een nek klem. [eiser] kreeg klappen en schoppen op zijn hoofd en gezicht.
Volgens de CSG komen deze verklaringen van [eiser] niet met elkaar overeen. Ook is er geen andere objectieve informatiebron die meer duidelijkheid kan geven over de gebeurtenis. De CSG stelt dat uit de medische informatie blijkt dat [eiser] iets heftigs heeft meegemaakt, maar die medische informatie zegt volgens haar alleen iets over het letsel dat [eiser] heeft opgelopen.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit van de CSG. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiser].
5. [eiser] voert aan dat het feit dat [eiser] verklaringen na deze heftige gebeurtenis niet exact overeenkomen geen reden is om de uitkering uit het schadefonds niet toe te kennen. [eiser] is slachtoffer geworden van zinloos geweld. Het is voor [eiser] ook niet te begrijpen dat van het voorval geen camerabeelden zijn.
6. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) is bepaald dat uit het schadefonds uitkeringen kunnen worden gedaan aan een ieder die door een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen.
De CSG heeft bij het nemen van beslissingen op verzoeken om een uitkering als bedoeld in artikel 3 van de Wsg beslissingsruimte en heeft daaraan invulling gegeven in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven, versie 2022 (hierna: de beleidsbundel).
Op pagina 6 van de beleidsbundel staat dat een geweldsmisdrijf niet bewezen hoeft te worden maar aannemelijk moet worden gemaakt. Aannemelijkheid is een juridisch begrip en houdt in dat het niet onomstotelijk hoeft vast te staan dat het is gegaan zoals in de aanvraag is beschreven, maar dat het op basis van de gegeven onderbouwing goed mogelijk is dat het zo gegaan is. Uitgangspunt is dat het slachtoffer verantwoordelijk is voor het onderbouwen van de aanvraag met voldoende objectieve aanwijzingen. Deze bronnen moeten betrouwbaar en onpartijdig zijn en vanuit eigen waarneming verklaren. De CSG beoordeelt de aannemelijkheid aan de hand van de beschikbare informatie. Aanvullende informatie kan nodig zijn als de verklaring van het slachtoffer vragen oproept of dat er om bepaalde redenen wordt getwijfeld aan zijn verklaring.
De rechtbank stelt vast dat uit de door [eiser] overgelegde medische stukken in ieder geval blijkt dat hij op 2 augustus 2024 op de Polikliniek Kaakchirurgie van het Medisch Centrum Twente is gezien met een orbitatabodem fractuur, nadat hij op 29 juli 2024 al bij de huisarts en de tandarts was geweest met “brilhematoom, afgebroken tanden en hematoom achterhoofd”. In dit specifieke geval laat de aard van het letsel weinig ruimte over voor andere scenario’s dan dat [eiser] slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf. De drie verklaringen verschillen slechts op ondergeschikte punten en [eiser] heeft vanaf het allereerste begin en naar het oordeel van de rechtbank voldoende specifiek tegenover de politie verklaard dat hij dit letsel heeft opgelopen als gevolg van mishandeling. De rechtbank acht het, op basis van de gegeven onderbouwing, goed mogelijk dat het zo is gegaan. Uit het onderhavige dossier blijkt niet dat de politie verder onderzoek heeft gedaan. [eiser] kan zijn verhaal dus niet verder aannemelijk maken met aanvullende informatie uit een politieonderzoek. Dat de politie geen onderzoek heeft gedaan moet in dit geval niet in zijn nadeel meespelen, indachtig de achterliggende gedachte van het Schadefonds, dat het uiting wil geven aan solidariteit van de samenleving met het slachtoffer en erkenning aan zijn slachtofferschap.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het, anders dan de CSG, voldoende aannemelijk dat [eiser] slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf in de zin van artikel 3 van de Wsg. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de CSG het verzoek van [eiser] om een uitkering heeft kunnen afwijzen. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank heeft overwogen om zelf in de zaak te voorzien, maar zij ziet daartoe geen mogelijkheid, nu zij daarvoor onvoldoende gegevens voorhanden heeft.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond. Dat betekent dat [eiser] gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Aan [eiser] zal alsnog een uitkering moeten worden toegekend uit het schadefonds.
De rechtbank kan de hoogte van de uitkering niet zelf vast stellen. Het is aan de CSG om, rekening houdend met alle van belang zijnde feiten en omstandigheden, de hoogte van de uitkering uit het schadefonds vast te stellen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de CSG een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de CSG hiervoor zes weken na verzenddatum van deze uitspraak.
De CSG moet het griffierecht vergoeden dat [eiser] heeft betaald. Ook moet de CSG de proceskosten van [eiser] vergoeden. De rechtbank stelt de vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A.G. Bulte, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.