RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11802841 \ CV EXPL 25-2042
Vonnis van 13 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: Smits Legal Bedrijfsjuristen,
tegen
1. de vennootschap onder firma [gedaagde 1] VOF,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2],
en haar vennoten:2. [gedaagde 2],
kantoorhoudende te [kantoorplaats 1],3. [gedaagde 3],
kantoorhoudende te [kantoorplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
gemachtigde. [gemachtigde].
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 juli 2025;- de conclusie van antwoord;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de van de zijde van [eiser] nader toegezonden producties 7 en 8;
- de mondelinge behandeling van 15 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij de gemachtigde van [eiser] spreekaantekeningen heeft overgelegd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] heeft in opdracht van [gedaagden] diverse vervoersopdrachten uitgevoerd. [eiser] heeft daarvoor drie facturen naar [gedaagden] verstuurd:
De facturen zijn tot de dag van de dagvaarding onbetaald gebleven. Op 12 december 2025 heeft [gedaagden] in totaal een bedrag van € 2.043,88 betaald [eiser]. Gelet op de omschrijvingen bij de boekingen zien de betalingen op de volgende facturen:
3. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 2.376,63, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en kosten. [eiser] stelt vervoersopdrachten te hebben uitgevoerd voor [gedaagden] en dat [gedaagden] de facturen daarom moet betalen.
[gedaagden] heeft na dagvaarding een groot gedeelte van de openstaande facturen betaald. Wat betreft de factuur met kenmerk 20233664 stelt [gedaagden] dat er geen € 520,00 (exclusief btw), maar € 375,00 (exclusief btw) is afgesproken. Bovendien betwist [gedaagden] dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagden] moest betalen voor extra laadtijden.
4. De beoordeling
[gedaagden] moet de afgesproken prijs van € 520,00 (exclusief btw) betalen aan [eiser]
[gedaagden] erkent dat zij de facturen moet betalen, maar betwist de hoogte van de facturen. Het niet betwiste gedeelte van de facturen is door [gedaagden] op 12 december 2025 betaald aan [eiser]. Met betrekking tot factuur 20233664 stelt [gedaagden] dat er geen € 520,00 (exclusief btw), maar € 375,00 (exclusief btw) is afgesproken. Daarbij verwijst [gedaagden] naar haar bijlage bij haar conclusie van antwoord. De kantonrechter oordeelt dat uit de bijlagen onvoldoende blijkt dat partijen een bedrag van € 375,00 (exclusief btw) hebben afgesproken. Daarbij weegt mee dat [gedaagden] in haar eigen e-mail met de opdracht aan [eiser] een prijs van € 520,00 (exclusief btw) noemt. De kantonrechter oordeelt daarom dat [gedaagden] een bedrag van € 520,00 (exclusief btw) moet betalen aan [eiser]. Omdat [gedaagden] slechts een bedrag van € 453,75 (dat is € 375,00 plus 21% btw) heeft betaald aan [eiser], betekent dat dat [gedaagden] nog een bedrag van € 175,45 (inclusief btw) moet betalen aan [eiser]. Dat er mogelijk enige verwarring is ontstaan bij [gedaagden] over de afwijkende referentienummers op de facturen van [eiser] is begrijpelijk, maar dat neemt niet weg dat [gedaagden] wel verplicht was om te betalen. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de verwarring is ontstaan door een eerdere opdracht van [gedaagden] met een oud referentienummer, die uiteindelijk niet is doorgegaan en dat het oude referentienummer vervolgens per ongeluk nogmaals is gebruikt.
[gedaagden] hoeft niet voor extra laadtijden te betalen
Wat betreft de extra kosten voor de lange laadtijden oordeelt de kantonrechter als volgt. [eiser] heeft toegelicht dat van tevoren mondeling (telefonisch) afspraken zijn gemaakt met [gedaagden] over de kosten van extra laadtijden. Er zou een bedrag van € 55,00 per uur gelden, maar dit wordt door [gedaagden] weersproken. Het had daarom op de weg van [eiser] gelegen om stukken die de stelling van [eiser] ondersteunen, te overleggen. Dat is niet gebeurd. Ook de stelling van [eiser] dat de kosten voor extra laadtijden volgen uit de algemene voorwaarden gaat niet op. Daargelaten de vraag of er algemene voorwaarden van toepassing zijn, staat in de door [eiser] overgelegde algemene voorwaarden geen bepaling over de kosten bij extra laadtijden. Er is dus niet vast komen te staan dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagden] voor extra laadtijd moest betalen. Dat betekent dat [gedaagden] het bedrag van € 157,30 (€ 55,00 + € 75,00 * 21% btw) dat [eiser] in rekening heeft gebracht voor extra laadtijd niet hoeft te betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Omdat de deelbetalingen van [gedaagden] pas verricht zijn na de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden van [eiser] zal een bedrag van € 332,90 worden toegewezen. Dat is minder dan gevorderd, omdat [gedaagden] een deel van de gevorderde hoofdsom, een bedrag van € 157,30, niet hoeft te betalen.
Wettelijke handelsrente
Uit de wet volgt dat [gedaagden] bij te late betaling van de facturen wettelijke handelsrente moet betalen. Nu een deel van de vordering, wat betreft de kosten voor extra laadtijden, wordt afgewezen, is de gevorderde wettelijke handelsrente tot de dag van de dagvaarding niet toewijsbaar. De kantonrechter zal [gedaagden] daarom veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente over het betaalde bedrag van € 2.043,88 vanaf de vervaldatum van de facturen tot 12 december 2025 (de dag waarop de deelbetalingen door [gedaagden] zijn gedaan). Over het door de kantonrechter toegewezen bedrag is [gedaagden] de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf de vervaldatum van de factuur tot aan de dag van volledige betaling.
[gedaagden] moet de proceskosten betalen
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en heeft bovendien het grootste gedeelte van de facturen pas na het uitbrengen van de dagvaarding betaald. Daarom moet [gedaagden] de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
123,97
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
€
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.232,97
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 175,45, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de vervaldatum van de onderliggende factuur, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 2.043,88 vanaf de vervaldata van de facturen tot 12 december 2025,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 332,90 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.232,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.