ECLI:NL:RBOVE:2026:5800

ECLI:NL:RBOVE:2026:5800

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 09-089569-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 34-jarige man tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 255 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en een geldboete van € 5.000,-- euro. De man heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het bezit van cocaïne en ketamine en op een ander moment aan het bezit van cocaïne en MDMA. Toewijzing vordering tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 09-089569-26 (P) en 09-385579-24 (TUL)

Datum vonnis: 30 september 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 september 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J. Klein Molekamp, advocaat in ‘sGravenhage, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 24 maart 2026 samen met anderen opzettelijk zonder registratie 83,4 gram ketamine heeft bereid, ingevoerd, in voorraad gehad, te koop heeft aangeboden, heeft afgeleverd en/of ingevoerd/uitgevoerd, dan wel een groothandel heeft gedreven in ketamine;

feit 2: in de periode van 24 maart 2025 tot en met 24 maart 2026 samen met anderen opzettelijk 45,7 gram cocaïne, 2,7 gram heroïne en 0,7 gram methadon heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, dan wel aanwezig gehad;

feit 3: op 21 februari 2025 samen met anderen 25,3 gram cocaïne en 6,2 gram MDMA heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, dan wel aanwezig gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij, op of omstreeks 24 maart 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk

zonder registratie

een of meer werkzame stoffen, te weten 83,4 gram ketamine

heeft bereid, heeft ingevoerd, in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden,

heeft afgeleverd, heeft uitgevoerd en/of anderszins binnen en/of buiten Nederlands

grondgebied heeft gebracht

dan wel in die werkzame stoffen een groothandel heeft gedreven;

2

hij in of omstreeks de periode van 24 maart 2025 tot en met 24 maart 2026 te

's-Gravenhage, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk

heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 45,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaine en/of

ongeveer 2,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroine en/of

ongeveer 0,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende methadon,

zijnde cocaine en/of heroine en/of methadon,

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3

hij op of omstreeks 21 februari 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 25,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaine en/of

ongeveer 6,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende MDMA en/of

zijnde cocaine en/of MDMA,

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, omdat sprake is van een vormverzuim. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging vrijspraak bepleit voor het dealen en aanwezig hebben van de cocaïne en het dealen voorzover het de MDMA betreft.

Het oordeel van de rechtbank

Verweer vormverzuim

De verdediging heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 gesteld dat op basis van de MMAmeldingen over verdachte onvoldoende concrete verdenking bestond voor verder onderzoek en dat om die reden vrijspraak zou moeten volgen. Desgevraagd heeft de raadsman aangevoerd dat dit verweer dient te worden beschouwd als een verweer bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende verdenking bestond tegen verdachte op basis van de MMA-meldingen en beschikbare aanvullende informatie, en dat er geen sprake is van een vormverzuim.

De rechtbank overweegt dat, indien binnen de door artikel 359a Sv bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in deze bepaling, en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, de rechter moet beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. Een van deze factoren behelst het nadeel dat door het verzuim wordt veroorzaakt. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Dit brengt met zich dat bij het bepalen van een rechtsgevolg als bedoeld in artikel 359a Sv, dit dient te gebeuren aan de hand van de hiervoor besproken factoren genoemd in het tweede lid van dit artikel. Met het oog daarop mag -naar vaste juristprudentie- van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van die factoren wordt aangegeven tot welk dat artikel omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven.

Nu de verdediging niet heeft onderbouwd welk nadeel wordt veroorzaakt en tot welk rechtsgevolg dit zou moeten leiden, kan het verweer van de verdediging daarom verder onbesproken blijven. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat de bepleite vrijspraak geen rechtsgevolg is als bedoeld in artikel 359a Sv.

Bewijsoverwegingen feiten 1 en 2

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 24 maart 2026 om 14.28 uur is verdachte met een zwarte rugtas zijn woning aan de [adres] binnengegaan. Om 19.25 uur heeft zijn partner, medeverdachte [medeverdachte] , dezelfde tas verplaatst van de woning naar de bijbehorende kelderbox. In de rugtas zat in plastic zakken (sealbags) in totaal 45,7 gram cocaïne en 80,2 gram ketamine.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de middelen in de rugtas en of deze zich in zijn machtssfeer bevonden, met andere woorden dat hij daar daadwerkelijk over kon beschikken.

Verdachte belde [medeverdachte] op het moment dat hij vermoedde dat hij door de politie zou worden aangehouden na een mogelijke drugsdeal. Direct daarop heeft [medeverdachte] de rugtas uit de woning gehaald en in de kelderbox neergezet achter een houten plaat. Op de plastic zakken in de rugtas, waarin de cocaïne en ketamine waren verpakt, is een DNAmengprofiel aangetroffen van minimaal twee personen. Het DNAprofiel van verdachte komt met dit mengprofiel overeen. Uit de resultaten en berekeningen van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) volgt dat het meer dan 15 miljoen keer waarschijnlijker is dat het DNA-mengprofiel van verdachte en een onbekende persoon afkomstig is dan van twee willekeurige onbekende personen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne en ketamine in de rugtas en dat deze middelen zich binnen zijn machtssfeer bevonden. Verder is gesteld noch gebleken dat verdachte of zijn mededader over een registratie beschikten op grond waarvan zij ketamine voorhanden mochten hebben.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte] de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte heroïne en methadon voorhanden heeft gehad, nu er zich naast de indicatieve testen geen rapporten van het NFI in het dossier bevinden waaruit volgt dat de stoffen inderdaad heroïne en methadon bevatten, zodat de rechtbank verdachte van dat deel van de tenlastelegging onder feit 2 zal vrijspreken.

Overwegingen feit 3

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 21 februari 2025 is verdachte aangehouden in Den Haag. Uit zijn broek kwam een sok met meerdere ponypacks met cocaïne. Dit bleek in totaal 25,3 gram te zijn. Na de aanhouding van verdachte is in de kledingkast in zijn woning 6,2 gram MDMA aangetroffen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte zowel de cocaïne als de MDMDA opzettelijk aanwezig heeft gehad, nu hij hierover telkens de beschikkingsmacht had. De rechtbank merkt daarbij nog op dat verdachte tegen het opzettelijk aanwezig hebben van de MDMA geen verweer heeft gevoerd.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft begaan, zodat de rechtbank verdachte van dat deel van de tenlastelegging zal vrijspreken.

Voorwaardelijk verzoek getuigenverhoor

De verdediging heeft verzocht om de verbalisant [verbalisant 1] te horen als getuige indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het onder 3 ten laste gelegde feit. Naar de rechtbank begrijpt ziet dit enkel op de bewezenverklaring van de cocaïne.

De rechtbank overweegt dat het procesverbaal van verbalisant [verbalisant 1] belastende informatie bevat over verdachte, dat de verdediging nog geen gelegenheid heeft gehad om [verbalisant 1] te horen als getuige en dat [verbalisant 1] daarom moet worden aangemerkt als een zogenoemde ‘Keskin-getuige’. In beginsel geldt dat een Keskingetuige moet worden opgeroepen zodat de verdediging de gelegenheid heeft om de getuige te ondervragen.

De officier van justitie heeft op 20 augustus 2026 per email aan de rechtbank medegedeeld dat zij bij de verdediging heeft geïnformeerd en gevraagd of er onderzoekswensen zijn en dat zij heeft voorgesteld om de zaak inhoudelijk te behandelen op 16 september 2026 indien er geen onderzoekswensen zijn. De verdediging heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een inhoudelijke behandeling. De verdediging heeft daarmee aangegeven geen onderzoekswensen te hebben. De rechtbank heeft op 25 augustus 2026 per email aan de verdediging bericht dat de zaak op 16 september 2026 inhoudelijk zou worden behandeld naar aanleiding van het bericht van de officier van justitie. Daarop heeft de verdediging niet te kennen gegeven (alsnog) onderzoekswensen te hebben.

Gelet op ECLI:HR:2025:1519 kan het onbenut laten van een in een eerder stadium geboden mogelijkheid om onderzoekswensen kenbaar te maken, consequenties hebben voor de beoordeling van later in de procedure alsnog opgegeven onderzoekswensen. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij concreet toelicht waarom wordt teruggekomen op het eerder ingenomen standpunt dat er geen onderzoekswensen zijn en alsnog een verzoek tot nader onderzoek wordt gedaan. De raadsman heeft echter niet toegelicht, ook niet na daarover ter zitting te zijn bevraagd, waarom hij van dat standpunt nu afwijkt. Tegen deze achtergrond wijst de rechtbank het verzoek tot het horen van de getuige af. De rechtbank overweegt nog dat niet is gebleken dat geen sprake zou zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM als gevolg van het niet horen van de verbalisant. Daarbij acht de rechtbank het relevant dat de verdediging slechts een zeer summiere en algemene motivering als reden ten grondslag heeft gelegd waarom zij de verbalisant zou willen horen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij op 24 maart 2026 te 's-Gravenhage,

tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk zonder registratie een werkzame stof, te weten 80,2 gram ketamine in voorraad heeft gehad;

2

hij op 24 maart 2026 te 's-Gravenhage,

tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk aanwezig heeft gehad, 45,7 gram cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3

hij op 21 februari 2025 te ’s-Gravenhage,

opzettelijk aanwezig heeft gehad, 25,3 gram cocaïne en 6,2 gram MDMA, zijnde cocaine en MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Enkele taal- en/of spelfouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, artikel 38 van de Geneesmiddelenwet, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op de strafbare feiten zoals gekwalificeerd in het dictum van dit vonnis.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat sprake is van een vormverzuim nu verdachte op 22 februari 2025 te laat in verzekering is gesteld en dat dit moet leiden tot strafvermindering. De raadsman heeft voorts verzocht om geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het bezit van harddrugs. Ook had verdachte zonder registratie ketamine voorhanden, ongeveer 2673 gebruikersdoseringen. Deze middelen hebben een ontwrichtend en ondermijnend effect op de samenleving. Ook is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek en bijkomende problemen. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de gebruikers zelf, maar ook voor hun eigen omgeving, alsook de maatschappij in het algemeen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 8 september 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Op 28 oktober 2025 is verdachte door de politierechter te ’sGravenhage veroordeeld tot een deels voorwaardelijke taakstraf vanwege handel in harddrugs. Ten aanzien van feit 3 loopt verdachte nog in de proeftijd van deze veroordeling. Deze voorwaardelijke taakstraf heeft verdachte er kennelijk, gelet op de feiten 1 en 2, niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Dit alles weegt in strafverzwarende zin mee.

De rechtbank stelt vast dat verdachte 45 minuten te laat in verzekering is gesteld door de hulpofficier van justitie. De rechtbank herhaalt hier hetgeen zij heeft overwogen ten aanzien van het beoordelingskader van artikel 359a Sv. De rechtbank acht het nadeel dat door de (enigszins) te late inverzekeringstelling is ontstaan dermate beperkt dat wordt volstaan met de enkele constatering dat sprake is van een vormverzuim.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan voorts rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. Alles afwegende, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 255 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte al in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een geldboete van

€ 5.000, passend en geboden.

De in beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de in beslag genomen geldbedragen moeten worden verbeurd verklaard.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen geldbedragen moeten worden teruggegeven aan verdachte. Van de overige in beslag genomen goederen heeft verdachte ter terechtzitting afstand gedaan, zodat daarvoor geen beslissing meer aan de rechtbank voorligt.

De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de aan verdachte toebehorende op de beslaglijst vermelde geldbedragen, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7. De vordering tenuitvoerlegging 09-385579-24

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 40 uren wordt toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie nietontvankelijk moet worden verklaard in de vordering vanwege de bepleite vrijspraken. Subsidiair heeft de raadsman om afwijzing van de vordering verzocht, nu toewijzing daarvan niet opportuun zou zijn.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, terwijl van enige contra-indicatie voor die toewijzing niet gebleken is.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 57 Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1, het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan;

feit 2, het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3, het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 C van de Opiumwet gegeven verbod.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 255 (tweehonderdvijfenvijftig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 5.000,-- (zegge: vijfduizend euro);

- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;

de in beslag genomen voorwerpen

- gelast de teruggave van de in beslag genomen geldbedragen aan verdachte;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 09-385579-24

- beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te ‘sGravenhage van 28 oktober 2025 voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.B. Bruins, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. S.M.M. Bordenga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Lautenbag, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Feiten 1 en 2

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Politie Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies met nummer LOKCD26004-0153 (onderzoeksnaam Rugzak). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van bevindingen van 24 maart 2026, pagina’s 160-163, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 24 maart 2026 vond er middels een technisch hulpmiddel een observatie plaats op de woning [adres] . Uit onderzoek is gebleken dat op dit adres [medeverdachte] en haar partner [verdachte] verblijven.

Middels dit technische hulpmiddel werd het volgende waargenomen op dinsdag 24 maart 2026:

Om 14:28 uur verschijnt [verdachte] op de galerij waarna hij richting de woning loopt. Over zijn rechter schouder draagt [verdachte] een rugtas. De rugtas kan als volgt omschreven worden: Zwart van kleur; Sportief model; Circa 50 centimeter lang; Opvallend bolstaand model.

Om 19:23 uur ontving ik het bericht dat de Ondersteuningsgroep van de eenheid Den Haag overging tot aanhouding van verdachte [verdachte] , waarbij een kortstondige achtervolging ontstond. Van de digitaal expert ontving ik het bericht dat er op de data-tap in onderzoek 26Sedbergh een zogeheten 'Stun Call' gesprek zichtbaar was tussen de tijdstippen 19:23 uur en 51 seconden tot en met 19:24 en 21 seconden. Later tijdens het onderzoek bleek dat er een telefoongesprek via internet tussen [verdachte] en [medeverdachte] had plaatsgevonden.

Om 19:25 uur verlaat [medeverdachte] met de kinderwagen de woning. Op de kinderwagen staat een zwartkleurige rugtas. Deze rugtas vertoond meerdere gelijkenissen met de rugtas die [verdachte] om 12:48 uur meenam de woning in.

Om 19:26 uur loopt [medeverdachte] met de kinderwagen, waarop de zwarte rugtas staat richting de lift.

Om 19:30 uur komt [medeverdachte] bij de voordeur van de woning met de kinderwagen. De rugtas die door [medeverdachte] was meegenomen in de lift, was niet meer zichtbaar; zowel niet op de rug als niet in de kinderwagen.

2.

Het procesverbaal van bevindingen van [geboortedatum] 2026, pagina 75, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 24 maart 2026 waren wij belast met de doorzoeking van het appartement met adres [adres] . Dit betreft de woning van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] . Tijdens de doorzoeking kregen wij een sleutelbos overhandigd met het verzoek om een kelderbox te vinden en te doorzoeken. Op de eerste etage van het pand troffen wij een dichte deur die opengemaakt moest worden met een sleutel. Ik probeerde de sleutel van de sleutelbos en zag dat deze sleutel paste en de deur openging. Wij, verbalisanten, zagen dat deze deur toegang gaf tot meerdere boxen. Wij zagen dat bij één deur het huisnummer ontbrak. Ik probeerde dezelfde sleutel van de sleutelbos op deze deur zonder huisnummer en zag dat de deur openging.

Vervolgens zag ik, verbalisant [verbalisant 3], achter de deur een houten plaat tegen de muur aan staan. Achter deze houten plaat zag ik een zwarte rugzak op de grond liggen. Deze rugzak kwam qua omschrijving overeen met de rugzak die ik eerder op de camerabeelden had gezien. In de rugzak zagen wij diverse soorten witte poeders, verpakkingsmaterialen en ponypacks.

3.

Het rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van een overtreding van de Opiumwet van 18 augustus 2026, pagina’s 303-304, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[afbeelding]

4.

Het procesverbaal van relaas van [geboortedatum] 2026, pagina’s 9-10, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 24 maart 2026 werden de vermoedelijk verdovende middelen die in de rugtas waren aangetroffen indicatief getest en gewogen. Hieruit kwam het volgende naar voren:

- Zwarte sok met gele ziploc zakken met daarin ponypacks met opdruk 'snow seals', dit had een gewicht van 29,5 gram en testte positief op crack/cocaine

- Rond plastic bakje met witte poederige residu, dit had een gewicht van 10 gram en testte positief op crack/cocaïne

- Drie ponypacks met de opdruk 'pablo', dit had een gewicht van 6,2 gram en testte positief op crack/cocaïne

- Ziploc zakje met wit poederige substantie, dit had een gewicht van 83,4 gram en testte positief op barbiturates/ketamine

5.

Het procesverbaal onderzoek verdovende middelen van 9 april 2026, pagina’s 207-208, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

SIN/UVN [SIN-nummer 1]

Object omschrijving Eén toegevouwen papiertje groot model met opdruk van het hoofd van 'Pablo Escobar' en 'Pablo' met hierin wit poeder en brokjes

6.

Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 16 april 2026, pagina’s 210-211, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

SIN/UVN [SIN-nummer 2]

Object omschrijving Een rond transparant plastic bakje met deksel met hierin wit poeder en brokjes

SIN/UVN [SIN-nummer 3]

Object omschrijving Vijf toegevouwen papiertjes, groot model, met opdruk van een afbeelding van Pablo Escobar en de tekst 'PABLO' met hierin wit poeder en brokjes en daarnaast achttien toegevouwen papiertjes zonder inhoud

SIN/UVN [SIN-nummer 4]

Object omschrijving Een gripzakje met hierin wit kristalachtig poeder

SIN/UVN [SIN-nummer 5]

Object omschrijving Een gripzakje met daarin vijftien toegevouwen papiertjes, klein model met opdruk 'SNOW SEALS' met hierin wit poeder

7.

Geschriften, te weten NFiDENT rapporten van 7 april 2026 en 15 april 2026, pagina’s 209, 219, 220 en 222, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

8.

Het rapport Drugs- en Geneesmiddelenonderzoek van Eurofins van 14 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Resultaten identificatieonderzoek

Resultaten kwantitatief onderzoek

Het materiaal in goed [ [SIN-nummer 4] ] bevat (vrijwel) zuivere ketamine•HCl en voldoet aan de definitie van een werkzame stof als gedefinieerd in de Geneesmiddelenwet.

Voor de woonadressen van de verdachten gelden géén registraties voor activiteiten met werkzame stoffen.

Feit 3

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Politie Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies met nummer LOKCD26004-0170 (onderzoeksnaam Vlees). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van aanhouding verdachte van 22 februari 2025, pagina’s 15-17, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 21 februari 2025 bevond ik mij samen met mijn collega in Den Haag. Om 16.07 uur zag ik een ANPR-hit op het voertuig met kenteken [kenteken] . Mijn collega gaf het voertuig een volgteken. Ik zag dat de bestuurder aan het volgteken voldeed en zijn voertuig tot stilstand bracht. Ik reed tijdens het volgteken achter het voertuig. Ik zag dat de bestuurder iets uit de middenconsole leek te pakken. Ik zag dat hij vervolgens iets leek weg te stoppen rond zijn middel. De bestuurder gaf op te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992.

Ik verzocht [verdachte] of hij uit het voertuig wilde stappen. Ik zag een onverklaarbare verdikking rond het geslachtsdeel van de verdachte. Ik zag dat [verdachte] zich onttrok aan de staande houden. Ik zag dat de verdachte tijdens het rennen continue met zijn handen rond zijn geslachtsdeel zat. Ik zag dat de verdachte met zijn linkerhand in zijn broek bij zijn geslachtsdeel zat. Toen er meerdere collega mij kwamen ondersteunen heb ik de linkerarm gepakt. Ik zag dat er een zwarte sok uit de broek van de verdachte kwam. Ik zag dat hij de sok onder zich neerlegde. Toen de verdachte opstond zag ik dat de sok op de grond bleef liggen. Ik pakte de sok op en voelde dat de sok nog warm was. De buiten temperatuur was op dit moment rond de 15 graden. Ik keek in de sok en zag dat er meerdere ponypacks inzaten.

De genoemde verdovende middelen zijn in beslag genomen. Goednummer: 3284003

2.

Het proces-verbaal van bevindingen van 22 februari 2025, pagina’s 74-75, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 21 februari 2025 bevond ik mij, verbalisant [verbalisant 2] , op de [adres] ten behoeve van een doorzoeking. In de kledingkast stond op middelhoogte op een kledingplank een schoenendoos. In deze schoenendoos waren twee broodzakjes met vermoedelijke harddrugs aangetroffen. Deze drugs zijn indicatief getest. Zakje 2 sloeg positief aan op XTC/Amfetamine (goednummer 3284192).

3.

Het proces-verbaal van bevindingen van 10 maart 2026, pagina’s 154-55, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Goednummer PL1500-2025057816-3284003

SIN Goed [SIN-nummer 8]

Goednummer PL1500-2025057816-3284192

SIN Goed [SIN-nummer 9]

4.

Geschriften, te weten NFiDENT rapporten van 19 februari 2026, pagina’s 157-158, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand