RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 10093308 \ CV EXPL 22-3285
Vonnis van 13 januari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H.G.M. van Zutphen, advocaat te Almelo,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DIVERSEY NETHERLANDS PRODUCTION B.V.,
te Enschede,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Diversey,
gemachtigde: mr. G.A.G. Warfman, advocaat te Enschede.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 december 2024;
- de akte uitlatingen na tussenvonnis van de zijde van [eiser] van 4 februari 2025;
- de antwoordakte van Diversey van 4 maart 2025;
- de akte inbreng rapportage inkomensschade teven vermeerdering van eis van de zijde van [eiser] van 27 mei 2025;
- de antwoordakte na inbreng rapportage inkomensschade, tevens houdende overlegging rekenrapport met bijlagen;
- akte reactie rekenrapport met bijlagen van de zijde van [eiser] .
Ten slotte is vonnis bepaald dat heden wordt uitgesproken.
2. De verdere beoordeling
Bij voormeld tussenvonnis is [eiser] onder meer in de gelegenheid gesteld zijn schadebegroting nader te onderbouwen en toe te lichten door een vergelijking te maken in inkomen tussen de feitelijke situatie en de hypothetische situatie zonder ongeval. [eiser] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt door een schadeberekening te laten opstellen door mevrouw [naam 1] werkzaam bij de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). Dit rapport is overgelegd als productie 30. In dit rapport is het inkomensverlies over de periode mei 2018 tot mei 2028 berekend op een nettobedrag van € 160.576,00 en de pensioenschade over dezelfde periode op een bedrag van € 19.981,00 netto. De totale schade over bedoelde periode is aldus becijferd op € 180.557,00 netto.
In verband met de kosten verbonden aan het opstellen van deze berekening heeft [eiser] zijn eis vermeerderd met een bedrag van € 2.613,60 inclusief btw. Nu Diversey op dit punt geen verweer heeft gevoerd zal de kantonrechter dit bedrag bij eindvonnis toewijzen.
Diversey heeft daarentegen wel verweer gevoerd tegen de door [eiser] overgelegde schadeberekening. Zij heeft dat gedaan door een rekenrapport op te laten stellen door de heer [naam 2], werkzaam bij [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). In dit rapport komt Diversey uit op een totaalbedrag aan inkomensschade van € 122.783,00 netto.
Partijen zijn het er over eens dat [bedrijf 2] op de volgende punten is afgeweken van de methodiek van [bedrijf 1] :
[bedrijf 2] heeft in tegenstelling tot [bedrijf 1] de door [eiser] genoten toeslagen (kindgebonden budget en zorgtoeslag) meegenomen in de berekening;
[bedrijf 2] heeft gebruik gemaakt van het in de branche gebruikelijke actuariële rekenprogramma ‘Het RekenProgramma’. [bedrijf 1] heeft een eigen rekenmethodiek gebruikt;
[bedrijf 1] heeft bij de berekening van de pensioenschade als uitgangspunt genomen dat [eiser] vanaf 1 mei 2025 zijn resterende verdiencapaciteit niet benut. [bedrijf 2] heeft ook een scenario B opgesteld waarbij de resterende verdiencapaciteit wel wordt benut en pensioen wordt opgebouwd door dit inkomen uit arbeid;
[bedrijf 1] heeft rekening gehouden met een koopsom voor nabestaandenpensioen; volgens Diversey is dat niet correct;
[bedrijf 1] heeft het inkomen uit arbeid in 2024 niet opgenomen; [bedrijf 2] heeft dit wel gedaan;
[bedrijf 1] heeft de verhoogde WIA-uitkering (LAU) in 2024 als gevolg van het inkomen uit arbeid in 2024 niet meegenomen; [bedrijf 2] heeft dat wel gedaan;
[bedrijf 1] heeft de verhogingen van het inkomen in de situatie zonder ongeval niet geïndexeerd conform de cao Diversey. [bedrijf 2] heeft dat wel gedaan tot aan de kapitalisatiedatum. Hierdoor wordt het pensioengevend salaris door [bedrijf 2] anders berekend dan door [bedrijf 1] .
De kantonrechter zal in het onderstaande de hiervoor weergegeven verschillen in de berekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] bespreken.
In de berekeningen van [bedrijf 2] zijn de zorgtoeslag en het kindgebonden budget meegenomen. In de berekening van [bedrijf 1] is dat niet gedaan en, zo blijkt uit de laatste akte van [eiser] , ligt daaraan ten grondslag dat deze toeslagen afhankelijk zijn van het wel of niet werkzaam zijn van de partner van [eiser] . Omdat het niet zeker is of de partner wel kan werken, acht [eiser] , zo begrijpt de kantonrechter, het niet reëel deze toeslagen (volledig) mee te nemen in de schadevergoedingsberekening.
De kantonrechter overweegt dat voor de periode tot en met 2024 duidelijk is of [eiser] samen met zijn partner recht heeft gehad op zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Uit het rapport van [bedrijf 2] blijkt immers dat de toeslagen berekend zijn aan de hand van de belastbare inkomens van [eiser] en zijn echtgenote zoals die blijken uit de aangiften inkomstenbelasting van de belastingdienst. Onzekerheid hierover bestaat er aldus niet. Indien vervolgens pagina 9 van bijlage 2 van het rapport van [bedrijf 2] wordt bestudeerd, dan blijkt daaruit dat de zorgtoeslag voor de jaren 2026 tot en met 2028 zowel in de situatie met als in de situatie zonder ongeval nihil is. Hooguit kan voor het jaar 2025 onzekerheid bestaan, maar nu de antwoordakte van [eiser] van september 2025 is en hierin niet gesteld wordt dat de situatie anders is dan waar [bedrijf 2] vanuit is gegaan, neemt de kantonrechter aan dat de situatie in 2025 gelijk is aan die in de jaren daarvoor. Dat betekent dat in de situatie met ongeval [eiser] in de van belang zijnde periode een bedrag van € 6.276,00 meer aan zorgtoeslag heeft ontvangen c.q. zal ontvangen dan zonder ongeval.
Voor het kindgebonden budget zijn de situaties met en zonder ongeval voor de jaren 2025 tot en met 2027 verschillend; in het jaar 2028 bestaat er geen verschil. Nu met name het jaar 2025 het grootste verschil oplevert, de andere twee jaren nagenoeg gelijk zijn en [eiser] in zijn antwoordakte van september 2025 niet heeft gesteld dat de situatie in 2025 veranderd is ten opzichte van de jaren daarvoor, wordt ook hier aangenomen dat er in 2025 geen verandering is opgetreden.
Een en ander betekent dat [eiser] over de jaren 2018 tot en met 2028 waar het betreft de zorgtoeslag en het kindgebonden budget in de situatie met ongeval een totaalbedrag van € 12.150,00 meer ontving c.q. zal ontvangen dan in de situatie zonder ongeval. Dit bedrag dient dan ook in mindering te worden gebracht op de inkomensschade, zoals dat door [bedrijf 2] is gedaan.
[eiser] erkent dat het door [bedrijf 2] gebruikte rekenprogramma een rekenprogramma is dat in de letselschadebranche wordt erkend als een bruikbaar systeem. [eiser] heeft zijn berekening niet gebaseerd op dit programma maar heeft bij haar netto berekening gebruik gemaakt van de expertise van Countforyou die de brutobedragen met behulp van een salarisprogramma heeft omgerekend naar netto bedragen per kalenderjaar, zo is door [eiser] gesteld.
De kantonrechter kan, net als Diversey, niet beoordelen of de door [bedrijf 1] met behulp van het door Countforyou gebruikte salarisprogramma uitgevoerde berekeningen correct zijn uitgevoerd. Wel is de kantonrechter van oordeel dat rekening gehouden dient te worden met een sterftekanscorrectie en kapitalisatie vanaf 1 januari 2026 zoals gedaan is in de door Diversey gebruikte methodiek. De kantonrechter ziet niet in waarom de sterftekans vanaf 1 januari 2026 niet van invloed zou zijn op toekomstschade. [eiser] is weliswaar nog relatief jong maar dat betekent niet dat er geen bij zijn leeftijd behorende sterftekans zou zijn voor de periode die in de toekomst ligt.
Bij de berekening van de pensioenschade heeft [bedrijf 1] als uitgangspunt genomen dat [eiser] vanaf 1 mei 2025 zijn resterende verdiencapaciteit niet benut. [bedrijf 2] heeft daarentegen ook een scenario B opgesteld waarbij de resterende verdiencapaciteit wel wordt benut en pensioen wordt opgebouwd door dit inkomen uit arbeid.
De kantonrechter overweegt dat niet valt in te zien waarom uitgegaan zou moeten worden van de situatie dat [eiser] vanaf 1 mei 2025 tot mei 2028 zijn resterende verdiencapaciteit niet zou kunnen benutten. Partijen hebben het niet nodig geacht een deskundige te benoemen die de resterende verdiencapaciteit van [eiser] vaststelt. Ook [eiser] heeft opgemerkt dat de resterende verdiencapaciteit reeds tot uitdrukking is gekomen in het arbeidsongeschiktheidspercentage dat in het kader van de WIA is vastgesteld. Dat [eiser] daadwerkelijk een reële mogelijkheid heeft om zijn resterende verdiencapaciteit te benutten, blijkt ook uit de omstandigheid dat hij in 2024 inkomen uit arbeid heeft genoten in verband waarmee hij tijdelijk ook een loonaanvullingsuitkering heeft genoten in plaats van een vervolguitkering. Dat [eiser] niet is gere-integreerd bij Diversey en dat Diversey een loonsanctie is opgelegd vanwege onvoldoende re-integratieactiviteiten zoals [eiser] stelt, doet daar niet aan af. [eiser] is in het kader van de WIA geschikt geacht voor passende functies en de daarmee verband houdende verdiencapaciteit ligt ten grondslag aan de mate van het arbeidsongeschiktheid in het kader van de WIA. Het gaat aldus niet langer om de vraag of passende functies bij Diversey aanwezig zijn.
In het tussenvonnis van 3 december 2024 is overwogen dat, het ongeval weggedacht, het niet aannemelijk wordt geacht dat [eiser] tot de pensioengerechtigde leeftijd bij Diversey werkzaam zou zijn gebleven in zijn werk als heftruckchauffeur in ploegendienst. Zoals hiervoor al is overwogen, betekent dat niet dat de kantonrechter het onwaarschijnlijk acht dat [eiser] succesvol zal kunnen re-integreren in andere, passende functies. Dat is een andere beoordeling.
Het bovenstaande leidt de kantonrechter tot de conclusie dat voor de reeds verstreken periode uitgegaan moet worden van een vergelijking tussen het inkomen dat [eiser] zou hebben genoten als het ongeval niet zou zijn gebeurd met het inkomen dat hij daadwerkelijk heeft genoten, dus inclusief het inkomen uit arbeid dat [eiser] in 2024 heeft genoten en waardoor hij tijdelijk een loonaanvullingsuitkering heeft ontvangen, zoals door [bedrijf 2] is gedaan. Ook bij de berekening van de pensioenschade dient van deze feitelijke situatie uitgegaan te worden.
Bij de vergelijking van het inkomen met en zonder ongeval naar de toekomst (tot mei 2028) dient wel rekening gehouden met de kansen van [eiser] om de resterende verdiencapaciteit te benutten zoals die zijn genoemd in de monitor van het UWV. Dat betekent dat voor die periode een scenario A en een scenario B uitgewerkt dient te worden zoals opgenomen op pagina 17 van het rapport van [bedrijf 2] . Als de kantonrechter het goed ziet, heeft [bedrijf 2] op pagina 18 van het rapport de percentages genoemd in de monitor van het UWV, toegepast op het totale resultaat van de scenario’s A en B en dat is niet correct. Dit geldt alleen voor de toekomstige schade. Ook voor pensioenschade dient hetzelfde uitgangspunt genomen te worden: tot het moment van berekenen uitgaan van de feitelijke situatie en naar de toekomst rekening houden met de twee scenario’s en de percentages zoals genoemd in de monitor.
Resteren nog de verschillen in berekening waar het betreft het inkomen in de situatie zonder ongeval. De kantonrechter is van oordeel dat conform de berekening van [bedrijf 2] tot de kapitalisatiedatum geïndexeerd dient te worden conform de cao Diversey. Dit geeft immers een beter beeld van de inkomen dat [eiser] zou hebben genoten in de situatie zonder ongeval. Dit heeft vervolgens ook gevolgen voor de berekening van de pensioenschade.
Verder heeft [bedrijf 1] rekening gehouden met een koopsom voor nabestaandenpensioen en heeft [bedrijf 2] dat niet gedaan. De kantonrechter is van oordeel dat hier wel rekening mee gehouden dient te worden. Als gevolg van het ongeval is [eiser] immers niet langer in staat bij zijn werkgever een nabestaandenpensioen op te bouwen zodat de koopsom die gemoeid gaat met het nabestaandenpensioen behoort tot de pensioenschade van [eiser] .
[eiser] heeft gesteld dat [bedrijf 2] op nog een ander punt is afgeweken van de berekening van [bedrijf 1] en wel omdat [bedrijf 2] de transitievergoeding heeft meegenomen bij de inkomsten van [eiser] . Uit bijlage 1, pagina’s 8 en 24 van het rapport van [bedrijf 2] blijkt dat aan [eiser] in 2021 een transitievergoeding is betaald van € 21.426,00. Hoewel een toelichting ontbreekt neemt de kantonrechter aan dat deze vergoeding is betaald vanwege de beëindiging van het dienstverband vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid in combinatie met de eisen van goed werkgeverschap. Hoewel er omstandigheden kunnen zijn waarin er wel aanleiding bestaat om de transitievergoeding mee te nemen bij het vaststellen van het inkomen met ongeval, is de kantonrechter van oordeel dat dit in de onderhavige situatie niet aan de orde is. In het tussenvonnis van 3 december 2024 is reeds overwogen dat aannemelijk wordt geacht dat [eiser] ook, het ongeval weggedacht, op termijn zou zijn uitgevallen voor zijn werk als heftruckchauffeur. In die situatie zou [eiser] bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst ook een transitievergoeding hebben ontvangen. Dit betekent dat [bedrijf 2] ten onrechte de transitievergoeding heeft meegenomen bij de schadeberekening.
Wat betreft de rekenrente, het saldo van de voor de kapitalisatie gehanteerde percentages van rendement en inflatie, dient aangesloten te worden bij de aanbevelingen die zijn gedaan door het LOVCK en het LOVCH van augustus 2024. Conform deze aanbevelingen is de rekenrente voor de eerste vijf jaren na kapitalisatiedatum bepaald op 0,5%, samengesteld uit een rendement van 0,5 % en een inflatie van 2%. Uit het rapport van [bedrijf 2] (pagina 7) blijkt dat terzake de juiste rekenrente is gebruikt.
Tot slot: de kantonrechter ziet geen aanleiding om bij het bepalen van de hoogte van de schade mee te wegen dat [eiser] geen herziening van de WIA-uitkering heeft aangevraagd, respectievelijk aanvraagt. Diversey heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat een herzieningsaanvraag tot een hoger percentage arbeidsongeschiktheid in het kader van de WIA zou leiden.
Nu zowel de berekening van [bedrijf 1] als de berekening van [bedrijf 2] niet voldoet aan hetgeen hiervoor is overwogen, dienen de schadeberekeningen te worden herzien. De kantonrechter schat in dat de berekening zoals die [bedrijf 2] is gedaan, de minste aanpassingen behoeft omdat [bedrijf 2] onder meer al is uitgegaan van het in de branche gebruikelijke actuariële rekenprogramma ‘Het RekenProgramma’ en ook de cao-verhogingen zoals die voorkomen bij Diversey bij de berekening heeft betrokken. Ook is Diversey degene die uiteindelijk de kosten voor de berekening dient te dragen. Om die reden zal Diversey worden opgedragen de berekening door [bedrijf 2] te laten aanpassen met inachtneming van hetgeen in dit vonnis is overwogen. Uiteraard zal hierbij inzichtelijk gemaakt dienen te worden dat met de voormelde beslisonderdelen rekening is gehouden. [eiser] zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter
verwijst de zaak naar de rolzitting van 10 maart 2026 voor het nemen van een akte uitlaten aan de zijde van Diversey zoals bedoeld in de rechtsoverweging 2.21;
bepaalt dat [eiser] vervolgens in de gelegenheid zal worden gesteld om zich uit te laten bij antwoordakte op de rolzitting van 4 weken nadien;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.