RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.154922.25 (P)
Datum vonnis: 28 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1974 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres 1] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 september 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. Groothuismink, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 14 september 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 9 september 2024 in Westerhaar-Vriezenveensewijk als (beroepsmatig) bestuurder van een vrachtwagen (primair) een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, met als gevolg dat [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel (subsidiair) zich zodanig op de weg heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt en/of het verkeer werd gehinderd.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 9 september 2024 te Westerhaar-Vriezenveense, gemeente Twenterand als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto [vrachtwagen]), daarmede rijdende over de weg, de N36, zeer, aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- terwijl hij het motorrijtuig beroepsmatig bestuurde en/of
- terwijl hij een voertuig bestuurde dat een rijklare massa van 18380 kilogram heeft en/of
- terwijl hij reed op een provinciale wegen, waarvan de rijstroken voor het elkaar tegemoetkomende verkeer niet fysiek van elkaar zijn gescheiden en/of welke vanuit verkeerstechnisch oogpunt bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van weggebruikers vragen en/of
- terwijl sprake was van filevorming op de door hem bereden weghelft,
- zijn snelheid niet, althans onvoldoende, heeft aangepast aan het voor hem uit rijdende verkeer en/of
- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem gelegen weggedeelte(n) van die weg en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en/of kon overzien en waarover deze vrij waren en/of
-is hij, verdachte, toen het voor hem rijdende verkeer aanzienlijk langzamer reed en/of tot stilstand was gekomen, met het door hem bestuurde voertuig gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor hem uit langzamer rijdend of stilstaand ander motorrijtuig,
waardoor dit motorrijtuig op/tegen een zich voor dit motorrijtuig bevindend ander (langzaam rijdend) motorrijtuig is gebotst en/of gereden en/of werd geduwd/ gedrukt,
waardoor een ander ( [slachtoffer] )
zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 september 2024 te Westerhaar-Vriezenveense, gemeente Twenterand als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto [vrachtwagen)]), daarmede rijdende over de weg, de N36, zeer, aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- terwijl hij het motorrijtuig beroepsmatig bestuurde en/of
- terwijl hij een voertuig bestuurde dat een rijklare massa van 18380 kilogram heeft en/of
- terwijl hij reed op een provinciale wegen, waarvan de rijstroken voor het elkaar tegemoetkomende verkeer niet fysiek van elkaar zijn gescheiden en/of welke vanuit verkeerstechnisch oogpunt bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van weggebruikers vragen en/of
- terwijl sprake was van filevorming op de door hem bereden weghelft,
- zijn snelheid niet, althans onvoldoende, heeft aangepast aan het voor hem uit rijdende verkeer en/of
- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem gelegen weggedeelte(n) van die weg en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en/of kon overzien en waarover deze vrij waren en/of
-is hij, verdachte, toen het voor hem rijdende verkeer aanzienlijk langzamer reed en/of tot stilstand was gekomen, met het door hem bestuurde voertuig gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor hem uit langzamer rijdend of stilstaand ander motorrijtuig,
waardoor dit motorrijtuig op/tegen een zich voor dit motorrijtuig bevindend ander (langzaam rijdend) motorrijtuig is gebotst en/of gereden en/of werd geduwd/ gedrukt, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden
veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte is op een file ingereden en heeft pas op het laatste moment geremd, terwijl de file al tien seconden waarneembaar was voor verdachte. Verdachte is tegen de achterzijde van de bus van [slachtoffer] gebotst, ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Er is sprake van schuld, zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat het zicht van verdachte op de file werd belemmerd door de bus van [slachtoffer] en dat sprake is geweest van één op zichzelf staande verkeersfout, namelijk het door onoplettendheid over het hoofd zien van de file en het langzaam rijden van de bus van [slachtoffer] . De raadsvrouw heeft betoogd dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat er sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onoplettendheid of onachtzaamheid, zoals bedoeld in artikel 6 WVW 1994. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De weergave van de gebeurtenissen
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 9 september 2024 reed verdachte als bestuurder van een vrachtwagen over de provinciale weg N36 in de gemeente Twenterand. Verdachte kwam vanuit de richting op/afrit 5 Vriezenveen en reed in de richting van op/afrit 6 Westerhaar-Vriezenveensewijk. De maximum toegestane snelheid voor motorvoertuigen is 100 km per uur. Verdachte reed met een snelheid van ongeveer 80 km per uur. Verdachte is een ervaren beroepschauffeur en is goed bekend met de verkeerssituatie ter plaatse.
[slachtoffer] reed in een bedrijfsbus Mercedes-Benz Sprinter ook over de N36. [slachtoffer] reed voor verdachte en ging eveneens in de richting van op/afrit 6 Westerhaar-Vriezenveensewijk.
Op de N36 ter hoogte van op/afrit 6 stond een file op de door verdachte en [slachtoffer] bereden weghelft. [slachtoffer] zag de file en heeft, evenals de voertuigen voor hem, tijdig afgeremd en is vrijwel tot stilstand gekomen. Verdachte reed naar eigen zeggen met een tussenruimte van vier vrachtwagens achter [slachtoffer] . Verdachte is niet gestopt en is tegen de achterzijde van de bedrijfsbus van [slachtoffer] gebotst. Als gevolg van deze aanrijding heeft [slachtoffer] vijf gebroken ribben en een bloeduitstorting in de buikwand opgelopen.
In de ruim tien seconden voorafgaand aan de aanrijding is verdachte op gelijke snelheid doorgereden. Een tegenligger heeft met de lichten van zijn voertuig naar verdachte geseind als waarschuwing voor de aanwezige file. Verdachte heeft het rempedaal niet eerder bediend dan een seconde voor hij de bus van [slachtoffer] raakte.
Verdachte heeft net na op/afrit 5 kort gekeken in zijn spiegels naar achteropkomend verkeer en heeft vervolgens naar eigen zeggen op de weg voor zich gekeken. Verdachte is niet afgeleid geweest door bediening van een radio of mobiele telefoon. Verdachte heeft zowel de seinende tegenligger, als de aanwezige file en de vrijwel stilstaande bus van [slachtoffer] op de rijbaan voor hem niet gezien.
Het primair ten laste gelegde
Primair wordt verdachte verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met artikel 6 WVW 1994.
Het wettelijk kader
In het algemeen geldt dat onder 'schuld' als delictsbestanddeel, in de zin van artikel 6 WVW 1994, een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
De overwegingen van de rechtbank
- is er sprake van verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid?
Zoals vastgesteld was verdachte ter plaatse goed bekend en wist hij dat de N36 bekend staat als een gevaarlijke weg waar veel ongelukken gebeuren. Verdachte heeft naar eigen zeggen ervaring met gevaarlijke inhaalmanoeuvres door automobilisten op het wegdeel waar hij op dat moment reed. De rechtbank stelt voorop dat provinciale wegen en zeker die waarbij de rijstroken voor het elkaar tegemoetkomende verkeer niet fysiek van elkaar zijn gescheiden, zoals op de N36 op de plaats van het ongeval het geval is, wegen zijn die vanuit verkeerstechnisch oogpunt bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van weggebruikers vragen. Hoewel een zorgplicht geldt voor iedere deelnemer aan het verkeer, rustte, naar het oordeel van de rechtbank, op verdachte daarnaast een bijzondere zorgplicht nu hij beroepsmatig aan het verkeer deelnam en hij in zijn zware vrachtwagen met een rijklare massa van 18.380 kilogram moet worden gezien als sterke verkeersdeelnemer. Dit is een extra zorgplicht waarin verdachte is tekortgeschoten.
Het verwijt dat verdachte in de kern kan worden gemaakt is dat hij bij het naderen van de file zijn aandacht onvoldoende bij het verkeer op de weg voor hem heeft gehad, waardoor hij zowel de file als de bedrijfsbus van [slachtoffer] niet heeft gezien, hij tot op het allerlaatste moment niet heeft geremd en vervolgens achter op de bedrijfsbus van [slachtoffer] is gebotst. Hiermee heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank een verkeersfout begaan.
Ongeacht de vraag of het zicht van verdachte op de file werd belemmerd door de bus van [slachtoffer] , had verdachte - als hij zijn aandacht voldoende op de weg en het verkeer voor hem had - in ieder geval gezien dat de afstand tussen zijn vrachtwagen en de bus van [slachtoffer] gedurende een tijdsbestek van ruim tien seconden sterk verkleinde en had hij hierop moeten anticiperen door tijdig af te remmen.
Zijn snelheid was bovendien zodanig dat hij zijn vrachtwagen niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover verdachte de weg kon overzien en de weg vrij was.
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte een zodanige verkeersfout heeft gemaakt, dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam rijden en dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.
- de ernst van het lichamelijk letsel
Bij de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, zijn van belang de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
[slachtoffer] heeft bij de aanrijding vijf gebroken ribben en een buikwandhematoom oftewel bloeduitstorting in de buikwand, opgelopen. De gebroken ribben van [slachtoffer] zijn met acht weken hersteld. [slachtoffer] heeft door het letsel werkzaamheden die hij normaliter aan zijn tuinhuis verrichtte, niet kunnen uitoefenen. Uit de in het dossier aanwezige stukken blijkt niet dat sprake is geweest van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen of een andere medische behandeling van een zekere ernst was vereist. Dit letsel kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden geduid als zwaar lichamelijk letsel. Nadere medische informatie ontbreekt in het dossier.
De rechtbank is van oordeel dat uit de beschikbare medische informatie onvoldoende blijkt dat het letsel van [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel betreft. Wel is de rechtbank van oordeel dat het zodanig lichamelijk letsel betreft dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.
De conclusie
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 september 2024 te Westerhaar-Vriezenveensewijk, gemeente Twenterand als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig bedrijfsauto [vrachtwagen] daarmede rijdende over de weg, de N36, aanmerkelijk onvoorzichtig onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- terwijl hij het motorrijtuig beroepsmatig bestuurde en
- terwijl hij een voertuig bestuurde dat een rijklare massa van 18380 kilogram heeft en
- terwijl hij reed op een provinciale weg, waarvan de rijstroken voor het elkaar tegemoetkomende verkeer niet fysiek van elkaar zijn gescheiden en welke vanuit verkeerstechnisch oogpunt bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van weggebruikers vraagt en
- terwijl sprake was van filevorming op de door hem bereden weghelft,
- zijn snelheid onvoldoende, heeft aangepast aan het voor hem uit rijdende verkeer en
- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en is blijven letten op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg en het zich daarop bevindende verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en kon overzien en waarover deze vrij waren en
-is hij, verdachte, toen het voor hem rijdende verkeer aanzienlijk langzamer reed of tot stilstand was gekomen, met het door hem bestuurde voertuig gebotst tegen een voor hem uit langzamer rijdend of stilstaand ander motorrijtuig,
waardoor dit motorrijtuig tegen een zich voor dit motorrijtuig bevindend ander langzaam rijden motorrijtuig is gebotst en gereden en werd geduwd/gedrukt,
waardoor een ander ( [slachtoffer] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 175 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
primair
het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, rekening houdend met de proceshouding en de persoonlijke omstandigheden van verdachte als ook met het feit dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, oplegging gevorderd van een taakstraf van 120 uren en een geheel voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadvrouw heeft aangevoerd dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk als beroepschauffeur en dat hij kinderen heeft die hij moet onderhouden. De raadsvrouw heeft daarom verzocht om oplegging van een geheel voorwaardelijke straf zonder rijontzegging.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Het feit
Verdachte heeft zich als beroepsmatig bestuurder van een vrachtwagen schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam te rijden. Verdachte heeft een voor hem op zijn weghelft ontstane file over het hoofd gezien en is met zijn vrachtwagen in volle vaart vrijwel zonder te remmen achter op de bedrijfsbus van de voor verdachte rijdende [slachtoffer] geknald. Door deze botsing heeft [slachtoffer] gebroken ribben en een bloeduitstorting in zijn buikwand opgelopen, letsel waardoor [slachtoffer] gedurende enige tijd zijn normale bezigheden niet kon uitoefenen.
De documentatie van verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar een uittreksel uit de justitiële documentatie over verdachte van 30 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Dit weegt de rechtbank bij de strafbepaling in positieve zin mee.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Verdachte is op 9 september 2024 door de politie verhoord en als verdachte aangemerkt. De rechtbank merkt die datum daarom aan als begin van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn. Als uitgangspunt geldt dat het geding met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is gaan lopen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan worden gedacht aan de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Deze zaak heeft voor het eerst op zitting gestaan op 14 september 2026 en op 28 september 2026 wordt uitspraak gedaan. In dit geval heeft de behandeling van de zaak langer dan twee jaren geduurd, namelijk twee jaren en drie weken. De redelijke termijn is dan ook met drie weken overschreden. De oorzaak voor de duur van dit strafproces lag buiten de invloedssfeer van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding, hoewel de termijn niet in ernstige mate is overschreden, in dit geval toch een strafvermindering rechtvaardigt.
De verdere strafmaatoverwegingen
Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten voor de straftoemeting ontwikkeld, met als doel het bevorderen van een consistent landelijk straftoemetingsbeleid. Deze oriëntatiepunten kunnen dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de op te leggen straf. Het oriëntatiepunt voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van lichamelijk letsel of tijdelijke ziekte bij het slachtoffer en waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld is een geldboete van € 1.300,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden.
De rechtbank neemt verder in aanmerking dat verdachte ter terechtzitting zijn verantwoordelijkheid heeft genomen, dat hij zich schuldbewust heeft getoond en na het ongeval heeft geprobeerd in contact te treden met het slachtoffer [slachtoffer] . De rechtbank acht daarnaast van belang dat verdachte voor zijn broodwinning van zijn rijbewijs afhankelijk is, dat hij al jarenlang als chauffeur werkzaam is geweest en dat hij niet eerder met een vrachtwagen een ongeval heeft veroorzaakt.
Het voorgaande in aanmerking nemend acht de rechtbank een geldboete van € 1.000,00 passend. De rechtbank is van oordeel dat daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid van drie maanden moet worden opgelegd. Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank deze ontzegging geheel voorwaardelijk opleggen.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 WVW 1994.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1.000,00 (zegge: duizend euro);
- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen.
- ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 (drie) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. de Boef, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en
mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026.
Mr. De Boef en mr. Jordaans zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PLO600-2024423665, gesloten op 12 februari 2025. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal FO verkeer van 23 januari 2025, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven op pagina 21 ev.
Aanleiding onderzoek
Op 9 september 2024 had op de N36, gelegen buiten de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Westerhaar-Vriezenveen in de gemeente Twenterand het verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit ongeval waren een 3 bedrijfsauto's betrokken; een MAN vrachtwagen, een Mercedes Sprinter en een Volkswagen Transporter. De MAN Vrachtwagen was, met de voorzijde, tegen de achterzijde van de langzaam rijdende Mercedes Sprinter gebotst. Vervolgens botste de Mercedes met de voorzijde tegen achterzijde van de voor hem langzaam rijdende Volkswagen Transporter.
Overzicht onderzoek locatie
De onderzoek locatie was op de N36, gelegen buiten de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Westerhaar-Vriezenveen in de gemeente Twenterand.
[afbeelding]
[afbeelding]
Op deze en de volgende afbeeldingen, zijn de rijrichtingen aangegeven met:
- Een gele pijl voor de MAN.
- Een paarse pijl voor de Mercedes.
- Een blauwe pijl voor de Volkswagen.
- De groene pijl(en) voor twee getuigen.
Aangetroffen situatie
Ik zag bij aanvang van mijn onderzoek op de plaats van het verkeersongeval dat:
- Een vrachtwagen, merk MAN, met de voorzijde tegen de achterzijde van een bedrijfsauto was gebotst.
- Een zwaar beschadigde bedrijfsauto, merk Mercedes-Benz, type Sprinter, in de grasberm stond met de voorzijde in de richting van Westerhaar-Vriezenveensewijk.
Betrokkenen
Voertuig 1:
Bedrijfsauto MAN
Kenteken: [kenteken 1]
Voertuig 2:
Bedrijfsauto Mercedes-Benz
Kenteken: [kenteken 2]
2. Forensisch omgevingsonderzoek
Wegsituatie
Ik zag dat de N36:
- bestond uit 1 rijbaan (1x2);
- op de plaats van het verkeersongeval een recht wegverloop had;
- ter hoogte van het verkeersongeval was verdeeld in 2 rijstroken, die onderling gescheiden
werden door dubbele ononderbroken markering met een groene opvulling.
Ik stelde vast dat deze weg in beheer was bij Rijkswaterstaat.
Verkeersmaatregelen
Reguliere verkeersmaatregelen
Ik zag het volgende:
- de N36 was voor het openbaar verkeer opengesteld;
- de maximumsnelheid bedroeg ter plaatse 100 km/u als gevolg van artikel 62 jo. Verkeersbord A1 van bijlage 1 van het RVV 1990.
Tijdelijke verkeersmaatregelen
Ik zag dat ter hoogte van hectometerpaal 19,0 de volgende verkeerstekens van toepassing waren:
- De N36 was in de rijrichting van Mariënberg in zijn geheel afgesloten.
- Verkeer moest vanaf de N36 verplicht afrit 6 (Westerhaar) volgen.
Uit diverse camerabeelden bleek dat, kennelijk door de afsluiting/verkeersomleiding, het verkeer op de N36 langzaam reed tot stilstond.
Zicht
Ik stelde vast dat:
- het zicht voor de betreffende bestuurders door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg niet belemmerd werd.
4. Voertuigonderzoek
Er was voor mij geen reden om aan te nemen dat het voertuig voor de aanrijding niet voldoende had kunnen remmen en/of sturen.
Bedrijfsauto N3 boven 12.000 kg
Het betrof hier een bedrijfsauto in de categorie N3 als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen. Ik zag dat het voertuig aan de navolgende specificaties voldeed.
[afbeelding]
Zicht vanaf de bestuurdersplaats
Ik zag dat het zicht door de voorruit naar voren, en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten, van dit voertuig niet werd belemmerd door voorwerpen. Het glas van de voorruit was beschadigd/gebarsten, er was voor mij geen reden om aan te nemen dat het zicht door de voorruit belemmerd zou zijn voor de aanrijding.
Onderzoek ritregistratie (tachograaf)
Ik zag dat:
Gezien de beelden van de dashboard camera, afkomstig van de getuige welke direct achter de MAN reed, waarin een snelheid zichtbaar was van 80 km/u was er voor mij geen reden om aan te nemen dat de MAN bestuurder te maximum snelheid had overschreden.
5. Interpretatie sporen
Herleiden sporen
Gelet op de positie en het verloop van de genoemde sporen op het wegdek van de N36, de onderlinge schade én de beelden van de beveiligingscamera en dashboard-camera kon worden vastgesteld dat de MAN bedrijfsauto tegen de achterzijde van de Mercedes was gebotst. De Mercedes had hierbij de eerste sporen op het wegdek afgetekend.
Door de aanrijding werd de Mercedes naar voren geduwd en raakte deze met de voorzijde de
achterzijde van de Volkswagen. De Mercedes en MAN bogen, verhaakt in elkaar, af naar rechts en kwamen in de rechter grasberm tot stilstand.
Vaststellen rijrichting
De rijrichtingen zijn door mij vastgesteld aan de hand van de sporen, de schades, de eindposities en de videobeelden van de betrokken voertuigen. Hieruit werd duidelijk dat alle drie de voertuigen in dezelfde richting reden.
6. Nader onderzoek
Videobeelden beveiligingscamera
Van de Basis Politie Zorg ontvingen wij, digitaal via ons politie computer netwerk, de beelden van een beveiligingscamera. Deze camera hing aan een woning [adres 2] .
Ik zag op de beelden dat het verkeer in de richting van Westerhaar-Vriezenveen deels stilstond, dan wel langzaam reed om aan te sluiten op het stilstaande verkeer.
Ik zag op de beelden de zwarte Volkswagen met daarachter de witte Mercedes en enige tijd daar achter de MAN.
[afbeelding]
Ik zag op de beelden dat de Mercedes de laatste 2 seconden voor de aanrijding nauwelijks verplaatste. Zie afbeelding 22 en 23 hieronder
[afbeelding]
Ik zag op de beelden dat de MAN tegen de achterzijde van de Mercedes botste, vervolgens zag ik dat de Mercedes vooruit geduwd werd door de MAN en de Mercedes met de voorzijde tegen de achterzijde van Volkswagen botste. Ik zag dat er tussen de Volkswagen en de personenauto voor de Volkswagen een ruimere tussenafstand zat. Ik zag dat de Volkswagen in de rechtergrasberm kwam en vijf, stilstaande, personenauto's rechts passeerde alvorens tot stilstand te komen in de grasberm.
[afbeelding]
Videobeelden dashboard-camera
Getuige [getuige 1] reed achter de MAN en had in zijn voertuig een dashboard camera.
Ik zag op de beelden dat er een personenauto, naar later bleek getuige/melder [getuige 2] , vanuit tegengestelde richting naderde. Ik zag dat de bestuurder van dit voertuig een aantal keer, met groot licht, signaleerde.
Ik zag in de eigenschappen van het videobestand dat deze 30 Frames per Seconde (FPS) afspeelde, ik zag dat bij de MAN bedrijfsauto, ongeveer 42 frames na het knipperen door getuige [getuige 2] , het remlicht kort oplichtte. Kort hierop zag ik veel voertuigdelen voor MAN wegspringen en vervolgens de Mercedes naar rechts de grasberm in geduwd worden. 42 frames is ongeveer 1,4 seconden.
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
2.
Het deskundigenverslag, te weten een SEH brief van J.A. Mulder, SEH-arts bij het ZGT Almelo van 9 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven op pagina 54 ev.
betreft: Dhr. [slachtoffer]
Bovengenoemde patiënt bezocht op 9-9-2024 de afdeling Spoedeisende hulp voor het specialisme Chirurgie.
conclusie Auto-ongeval1. Zeker 5 ribfracturen rechts (5t/m 9), seatbeltsign2. Buikwandhematoom met blush
Beleid
i.o.m. dr van Loon, traumachirurg
- opname
- morgen tertiaire survey
- pijnstilling
Anamnese
Reed op de N36 in een bestelbus, reed langzaam voor wegblokkade toen een zandwagen (leeg) achterop reed. Daardoor voorganger aangetikt. Airbags uit. Zelf uitgestapt en rondgelopen. Weinig klachten. Geen bewustzijnsverlies, geen amnesie, N-V- hoofdpijn.
3.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 september 2026, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als verklaring van verdachte:
Ik reed op 9 september 2024 in een vrachtwagen van het merk MAN van het bedrijf waar ik werk over de N36 in de gemeente Twenterand. Ik kwam uit de richting van op/afrit 5 Vriezenveen en ging in de richting van op/afrit 6 Westerhaar-Vriezenveen. De vrachtwagen weegt ongeveer 18.380 kilo. Voor mij reed [slachtoffer] in een witte bedrijfsbus. Ik liet ongeveer drie tot vier vrachtwagenlengtes aan ruimte tussen de witte bedrijfsbus en mijn vrachtwagen. Er is een stuk vangrail op een deel van de N36 en mijn ervaring leert dat als de vangrail ophoudt, automobilisten gaan kijken of ze kunnen inhalen. Er gebeurt wel eens een ongeluk daardoor. Daarom keek ik een moment opzij in mijn spiegels. Dat was ter hoogte van de invoegstrook van het tankstation. Ik heb in mijn spiegels gekeken en daarna keek ik weer voor mij op de weg. Ik heb niet gezien dat er op de weghelft waar ik op reed voor mij een file was ontstaan. Ik heb niet gezien dat de bedrijfsbus voor mij waar [slachtoffer] in reed snelheid minderde. Ik heb niet gezien dat ik met mijn vrachtwagen de bedrijfsbus naderde. Ik heb niet gezien dat een tegenligger met zijn voorlampen heeft gesignaleerd. Vrijwel meteen nadat ik de bedrijfsbus zag en het rempedaal indrukte botste ik al tegen de achterzijde van de bedrijfsbus.