ECLI:NL:RBOVE:2026:592

ECLI:NL:RBOVE:2026:592

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 06-02-2026
Zaaknummer 12054911 / CV EXPL 26-100
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Partijen hebben een huurconflict. De rechtbank verbiedt de gedaagde om zich direct of indirect dreigend, beledigend en/of agressief uit te laten of te gedragen richting eiser, diens familieleden of door eiser ingeschakelde derden, verbiedt hem on zich in de fietsenwinkel van eiser te bevinden buiten de openingstijden van de winkel, gebiedt hem on door eiser ingeschakelde derden toegang te verschaffen tot het gehuurde voor werkzaamheden en gebiedt gedaagde om de door hem op social media geplaatste video te verwijderen en verwijderd te houden.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 12054911 / CV EXPL 26-100

Vonnis in kort geding van 4 februari 2026

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats 1],

eisende partij, hierna te noemen [eiser],

gemachtigde: mr. J.E. de Groot,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde],

verschenen in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties,

- de van de zijde van [gedaagde] overgelegde correspondentie en producties,

- de mondelinge behandeling en de daarvan door de griffier gemaakte aantekeningen,

- de pleitnota van mr. De Groot.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[eiser] exploiteert een fietsenwinkel aan de [adres 1]. Boven zijn winkel bevindt zich een appartement.

Op 28 juli 2025 is tussen [eiser] als verhuurder en [gedaagde] als huurder een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot het hiervoor bedoelde appartement, gelegen aan de [adres 2], hierna aan te duiden als ‘het gehuurde’. De huurprijs bedroeg laatstelijk € 850,00 per maand. Het gehuurde kwalificeert als zelfstandige woonruimte.

Tijdens een “burendag” in het najaar van 2025 heeft zich een incident, bestaande uit een luidruchtige ruzie waarbij ook [eiser] betrokken is geraakt, voorgedaan in of nabij de woning van [gedaagde]. Van dat incident zijn videobeelden gemaakt.

Bij brief van 25 oktober 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] meegedeeld dat de huurovereenkomst per 28 oktober 2025 zou eindigen. [gedaagde] werd in die brief verzocht het gehuurde uiterlijk op die datum leeg en in oorspronkelijke staat achter te laten en de sleutels bij [eiser] in te leveren.

[gedaagde] heeft op dezelfde dag op die brief als volgt, voor zover hier van belang, geantwoord:

“Volgens de Wet vaste huurcontracten ingegaan op 1 juli 2024 is de door ons aangegane huurovereenkomst automatisch een huurcontract voor onbepaalde tijd.

(…)

Tevens is het zo dat u mijn vriendin heeft gegijzeld, mishandeld en aangerand.

In dat kader is het vanzelfsprekend dat ik geen persoonlijk contact meer met u wil en wij vanaf heden enkel schriftelijk contact zullen hebben, indien nodig uiteraard.

(…)

Ik had tevens begrepen dat er een lekkage is omdat u zelf prutswerk heeft geleverd in de woning.

(…)

Ik ga er vanuit u voldoende te hebben geïnformeerd en verzoek u om mij met rust te laten daar u reeds mij heeft opgewacht bij de voordeur op 25 oktober jongstleden, en u tevens de volgende dag, 26 oktober jongstleden, als een gestoorde maniak op mijn deur heeft lopen bonzen, op een zondag nota bene.

Ik begrijp dat u louter een Christen in naam bent en geen daadwerkelijke Christen in uw hart en ziel, daarom probeerde u immers om mijn vrouw te verkrachten.

En misschien is het normaal in Azerbeidzjan om vrouwen te verkrachten maar dit is Nederland.

Dus wellicht moet u teruggaan naar de bergen van Nagorno-Karabach waar u een schaap of een geit kan vinden voor uw eenzaamheid.”

In de badkamer van het gehuurde doet zich een lekkage voor. [eiser] heeft [bedrijf 1] hierna ‘[bedrijf 1]’ te noemen, ingeschakeld om de lekkage te verhelpen. [bedrijf 1] heeft contact opgenomen met [gedaagde] om een afspraak te maken om de noodzakelijk werkzaamheden te verrichten maar het bleek dat [bedrijf 1] niet kon op de tijdstippen die door [gedaagde] werden voorgesteld. [bedrijf 1] heeft daarop toestemming gevraagd om het gehuurde te betreden op tijdstippen dat [gedaagde] niet aanwezig was.

[bedrijf 1] is op 15 november 2025 in het gehuurde geweest maar was toen niet in staat om zijn werkzaamheden uit te voeren. Op 17 november 2025 is [bedrijf 1] weer naar het gehuurde gekomen en heeft toen kitwerkzaamheden uitgevoerd en een nieuwe ventilator geplaatst. De lekkage was daarmee echter nog niet verholpen.

Op een gegeven moment heeft [bedrijf 1] zijn opdracht beëindigd. [eiser] heeft op 20 november 2025 een ander bedrijf ([bedrijf 2]) ingeschakeld voor het herstel van de lekkage.

[bedrijf 2] heeft een rapport opgesteld dat vermeldt dat het plafond (van de fietsenwinkel) duidelijk sporen van lekkage vertoont, dat er water naar beneden druppelt vanuit het gehuurde en dat er een ernstig risico op kortsluiting en brandgevaar bestaat.

[gedaagde] heeft op 21 november 2025 een video op X geplaatst van het incident tijdens de “burendag” met daarbij het bericht:

“@[accountnaam] please help me and my girlfriend she got sexually assaulted by a pervert immigrant in the Netherlands and the Dutch police refuse to help her and me, she’s an though American Woman and gave him a good black eye! I’m ashamed to say it, but I sadly live in the NL.”

[gedaagde] heeft [eiser] op 24 november 2025 onder meer gemaild:

“Ik heb nog steeds geen gegevens van een bouwbedrijf of verzekeraar gekregen.

Ik kan u ook het Wetboek van Strafrecht laten lezen.

Met name het gedeelte over mishandeling gijzeling en poging verkrachting met geweld.

Dat is een meervoudige strafkamer met minimaal 12 jaar gevangenis.

Dat lijkt me belangrijker om door te lezen voor jou.”

[gedaagde] heeft [bedrijf 2] op 8 december 2025 de toegang tot het gehuurde geweigerd.

[eiser] heeft [gedaagde] bij e-mail van 10 december 2025 gewezen op de door omwonenden geconstateerde geluidsoverlast en hem verzocht om de deuren voorzichtig te sluiten en geluid zodanig zacht af te spelen dat dit buiten het gehuurde niet hoorbaar is.

Bij Whatsapp-bericht van 24 december 2025 heeft [gedaagde] aan de dochter van [eiser] onder meer geschreven:

“Jou vader is een vieze kanker verkrachter.

Ik heb videobeelden”

Op 9 januari 2026 heeft een buurvrouw van [eiser] verklaard dat zij geluidsoverlast ervaart vanuit het gehuurde. Ook verklaart zij dat zij last heeft van erg fel licht vanuit het gehuurde tijdens de nachtelijke uren.

Bij e-mail van 15 januari 2026 heeft [gedaagde] aan de griffie van deze rechtbank onder meer het volgende geschreven:

“Ik heb meerdere emails tussen mij en de huurder

Tevens gesprekken tussen mij en de beunhaas die enkel buiten kantooruren kan komen werken voor reparaties.

Die vieze kanker verkrachter verdient de doodstraf maar wil mij nadat hij mijn vrouw heeft geprobeerd te verkrachten uit de woning te plaatsen.

Tevens wil ik de rechtbank erop attenderen dat de advocaat van deze verkrachter die vuile kanker hoer stukken aanhaalt waarvoor ik ben vrijgesproken en zichzelf zodoende schuldig maakt aan smaad en laster. Zulke figuren kunnen beter voor de NSB gaan werken. Moet ik netjes praten als een kwakzalver voordat u mij wilt helpen? Ik ben een gewone boerenjongen die praat als een boer. Ik heb geen behoefte aan geveinsde jargon. Tijdens Oorlog heb je meer aan jongens zoals mijzelf dan aan dat gepeupel dat zichzelf advocaat van de duivel noemt.”

3. Het geschil

[eiser] vordert dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. [gedaagde] veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis de door hem gehuurde ruimte aan de [adres 2] ontruimt en verlaat met medeneming van al het zijne en de zijnen, onder afgifte van alle sleutels aan [eiser];

II. [gedaagde] verbiedt om gedurende drie jaar na het te wijzen vonnis op enigerlei wijze, direct of indirect, persoonlijk of in geschrift, via brieven, e-mail, WhatsApp of sociale media, contact te zoeken met [eiser] op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding met een maximum van € 50.000,00;

III. [gedaagde] verbiedt om gedurende drie jaar na het te wijzen vonnis zich te bevinden in de straten zoals in productie 37 bij de dagvaarding gemarkeerd, rondom de [adres 2], op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding met een maximum van € 50.000,00;

IV. [eiser] machtigt om, indien [gedaagde] in gebreke blijft met de nakoming van de vordering onder III, met behulp van de sterke arm van politie en justitie de tenuitvoerlegging van het locatieverbod te bewerkstelligen;

subsidiair:

V. [gedaagde] veroordeelt om zich te gedragen als goed huurder en hem daartoe te:

a. verbieden om zich, direct of indirect, dreigend, beledigend en/of agressief uit te laten of te gedragen (per e-mail, telefonisch of fysiek) richting [eiser], diens familieleden of door [eiser] ingeschakelde derden;

b. verbieden om zich in de fietsenwinkel van [eiser] te bevinden buiten de openingstijden van de fietsenwinkel, zonder voorafgaande expliciete toestemming van [eiser];

c. verbieden om tussen 7.00 uur en 22.00 uur televisie of muziek af te spelen met een geluidsniveau hoger dan 50 dB(A), gemeten vanuit de fietsenwinkel van [eiser], althans een ander redelijk geluidsniveau;

d. verbieden om tussen 22.00 uur en 7.00 uur televisie of muziek af te spelen met een geluidsniveau hoger dan 40 dB(A), gemeten vanuit de fietsenwinkel van [eiser], althans een ander redelijk geluidsniveau;

e. gebieden om televisie en/of muziek volledig uit te schakelen indien hij niet in het gehuurde aanwezig is;

f. gebieden om de voordeur van het gehuurde niet onnodig hard dicht te slaan, wat betekent niet hoger van 60 dB(A);

VI. [gedaagde] gebiedt om binnen drie dagen na de datum van het te wijzen vonnis aan [eiser] en/of (een) door hem ingeschakelde derde(n) toegang te verschaffen tot het gehuurde, teneinde werkzaamheden te verrichten die noodzakelijk zijn voor het verhelpen van de lekkage, waaronder begrepen alle daarmee samenhangende werkzaamheden;

VII. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis de gevolgschade van de lekkage in het plafond van de fietsenwinkel door een bedrijf te laten opnemen en – voor zover noodzakelijk – de schade deugdelijk te (doen) herstellen, een en ander volledig voor rekening van [gedaagde];

VIII. [gedaagde] veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde gelegen aan de [adres 2] met medeneming van al het zijne en de zijnen en onder afgifte van alle sleutels aan [eiser], indien en voor zover [gedaagde] niet (tijdig) voldoet aan één of meer van de onder V, VI en/of VII opgelegde verplichtingen waar mogelijk binnen drie dagen nadat:

- hij door of namens [eiser] nog één keer schriftelijk op die tekortkoming is gewezen en

- het te wijzen vonnis aan [gedaagde] is betekend.

IX. voor zover vordering VIII wordt afgewezen, aan vorderingen V en/of VII een dwangsom te verbinden van € 100,00 per overtreding per dag, daaronder begrepen een dagdeel, dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 20.000,00;

X. voor zover vordering VIII wordt afgewezen, aan vordering VI een dwangsom te verbinden van € 1.000,00 per overtreding per dag, daaronder begrepen een dagdeel, dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van

€ 20.000,00;

zowel primair als subsidiair:

XI. [gedaagde] gebiedt om binnen drie dagen na de datum van het te wijzen vonnis de door hem op sociale media geplaatste video, waarop de ruzie tussen zijn vriendin en [eiser] van 21 oktober 2025 zichtbaar is, te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding met een maximum van € 50.000,00;

XII. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente, en de nakosten.

[gedaagde] voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Het spoedeisend belang

Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat er sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en dat van de eisende partij niet kan worden gevergd een bodemprocedure af te wachten. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen.

[eiser] heeft in dat kader gesteld dat zijn spoedeisend belang besloten ligt in de ernstige mate van tekortschieten in de verplichtingen uit de huurovereenkomst door [gedaagde] jegens [eiser] en de ernst van de lekkage die niet kan worden hersteld omdat [gedaagde] zijn medewerking weigert. Verder uit [gedaagde] ernstige beschuldigingen aan het adres van [eiser] en kan van [eiser] niet worden gevergd dat te tolereren. Ten slotte stelt [eiser] dat de situatie met betrekking tot het veroorzaken van geluidsoverlast niet bevorderlijk is voor de reputatie van zijn winkel. Daarmee heeft [eiser] het spoedeisend belang bij zijn vordering, dat overigens door [gedaagde] niet is betwist, voldoende onderbouwd en komt de kantonrechter dus toe aan een inhoudelijke beoordeling van zijn vorderingen.

Het toetsingskader

[eiser] vordert in dit kort geding onder meer ontruiming van het gehuurde. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - terughoudendheid worden betracht. Dit gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten maar ook gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. Een dergelijke vordering zal doorgaans slechts gerechtvaardigd zijn als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure de vordering wordt toegewezen. Daarom zal de kantonrechter op grond van artikel 6:265 BW moeten beoordelen of, voorshands oordelend, sprake is van een zodanige ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst door [gedaagde] dat de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, gelet op de gevolgen voor hem, gerechtvaardigd zullen zijn.

Daarvoor is nodig dat de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden in dit kort geding voldoende aannemelijk zijn. Voor verder onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden, of voor het leveren van bewijs door bijvoorbeeld getuigen, is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in de bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is daarom een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen op basis van de feiten, zoals die vooralsnog aannemelijk zijn geworden.

Het goed huurderschap

Vooropgesteld wordt dat [gedaagde] op grond van artikel 7:213 BW en de huurovereenkomst verplicht is zich ten aanzien van het gebruik van het gehuurde als goed huurder te gedragen. Schending van deze verplichting is aan te merken als een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst.

[eiser] stelt dat de eerste periode van de huurovereenkomst zonder noemenswaardige problemen is verlopen maar dat [gedaagde] zich na het incident tijdens “burendag” tegen [eiser] heeft gekeerd. [gedaagde] is er sindsdien van overtuigd dat [eiser] heeft geprobeerd zijn partner te verkrachten hetgeen heeft geresulteerd in het veroorzaken van structurele geluidsoverlast en voortdurende bedreigingen, ook aan het adres van de dochter van [eiser] en [bedrijf 1]. Er is volgens [eiser] geen uitzicht op verbetering van het gedrag van [gedaagde].

[gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd dat deze agressieve uitlatingen en beschuldigingen het gevolg zijn van bij hem spelende emoties en gevoelens van onmacht en dat ook hij inziet dat zijn gedrag verkeerd is. [gedaagde] verkeert in de stellige overtuiging dat [eiser] zijn partner op de “burendag” van haar vrijheid heeft beroofd, haar heeft mishandeld en aangerand of verkracht. Dat blijkt volgens [gedaagde] ook uit de videobeelden die van het incident zijn gemaakt. [eiser] heeft dat betwist. Volgens [eiser] heeft hij zich slechts bemoeid met een ruzie tussen [gedaagde] en zijn partner waarbij hij wilde voorkomen dat die partner [gedaagde] achterna zou gaan om de ruzie op straat voort te zetten.

Wat er zich die bewuste “burendag” tussen [eiser] en de partner van [gedaagde] precies heeft voorgedaan kan in het kader van dit kort geding niet worden vastgesteld. Partijen hebben ieder immers een volstrekt tegenovergestelde beleving van wat er die bewuste dag is gebeurd. De in het geding gebrachte videobeelden geven geen steun voor de lezing en de beschuldigingen van [gedaagde]. Daaruit blijkt niet van enig wangedrag van [eiser] jegens de partner van [gedaagde]. In het bijzonder blijkt uit de beelden niet dat [eiser] de partner van [gedaagde] heeft mishandeld of getracht heeft te mishandelen door zijn hand op te heffen en haar tegen de grond te slaan, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd. Ook de lezing van [gedaagde] dat [eiser] de partner van [gedaagde] vervolgens naar het appartement is gevolgd en haar daar vervolgens heeft vastgegrepen om haar aan te randen of te verkrachten wordt door de beelden niet ondersteund. Sterker nog: op de in het geding gebrachte videobeelden is daarvan niets te zien.

Wat daarvan ook zij geldt dat de uitlatingen, die voor een deel een racistisch karakter hebben, en de beschuldigingen die [gedaagde] richting [eiser] en ook aan zijn gemachtigde heeft geuit volstrekt onaanvaardbaar zijn. [gedaagde] heeft daarbij de grenzen van wat fatsoenlijk is en in het maatschappelijk verkeer acceptabel is (verregaand) overschreden. De kantonrechter kan zich het gevoel van onveiligheid dat dergelijke woorden teweegbrengen bij [eiser] dan ook goed voorstellen. [gedaagde] heeft zich daarmee niet als goed huurder in de hiervoor vermelde bedoeling gedragen en dat geldt als een toerekenbare tekortkoming die aan [gedaagde] kan worden toegerekend. [gedaagde] heeft aangifte gedaan van het door hem vermeende wangedrag van [eiser] jegens zijn partner en hij had het onderzoek door politie en justitie naar deze aangiften moeten afwachten. Er bestaat geen enkele rechtvaardiging voor het feit dat hij volhardt in zijn onaanvaardbare bejegening van [eiser].

Het contact- en gebiedsverbod

Het vorenbedoelde gedrag van [gedaagde] jegens [eiser] is dan ook onrechtmatig. De kantonrechter vindt echter dat de vordering om [gedaagde] een algemeen contactverbod voor de duur van drie jaar, alsmede een gebiedsverbod voor dezelfde duur, op te leggen te vergaand en dus niet proportioneel is. Het gebiedsverbod ziet immers op meerdere openbare straten (de gehele Lindestraat, de gehele Verenigingsstraat, de gehele Tuinstraat en een gedeelte van de Assendorperstraat). Wel zal de kantonrechter op de hiervoor vermelde rechtsgrondslag de (subsidiaire) vordering van [eiser] die ertoe strekt dat het [gedaagde] wordt verboden zich dreigend, beledigend en/of agressief uit te laten of te gedragen toewijzen. Datzelfde geldt voor de vordering om [gedaagde] te verbieden zich in de fietsenwinkel van [eiser] te bevinden. De kantonrechter zal aan beide vorderingen een dwangsom verbinden van € 100,00 per overtreding van die verboden met een maximum van € 3.000,00.

De verwijdering van de video van het incident op de “burendag”

Ook zal de kantonrechter de vordering om de video van het incident tijdens de “burendag” te verwijderen toewijzen omdat daarmee inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiser]. In zijn algemeenheid heeft als uitgangspunt te gelden dat een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. Het verweer van [gedaagde] dat [eiser] zijn recht op privacy heeft prijsgegeven omdat hij zich onrechtmatig in de woning van [gedaagde] bevond, snijdt geen hout. Nog afgezien van het feit dat in het kader van dit kort geding niet gebleken is dat [eiser] de woning van [gedaagde] heeft betreden, vindt het standpunt van [gedaagde] geen steun in het recht.

In dit geschil staan twee, ieder voor zich hoogwaardige, rechten tegenover elkaar, te weten enerzijds het recht van [eiser] op bescherming van zijn goede naam en anderzijds de vrijheid van [gedaagde] om een mening te uiten over hetgeen hij waarneemt.. Welk van deze rechten in een gegeven geval de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden, waaronder de aard van de gepubliceerde beschuldigingen, de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die beschuldigingen betrekking hebben, de ernst van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen, de mate waarin ten tijde van de publicatie de beschuldigingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal en de inkleding van de beschuldigingen. Ook dient te worden bezien of is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zoals de kantonrechter hiervoor al heeft overwogen blijkt uit de beelden niet van enig wangedrag van [eiser]. De beschuldigingen van [gedaagde] zijn dan ook niet op feiten gebaseerd. Overigens heeft [gedaagde] op de zitting verklaard dat hij bereid is deze video van X te verwijderen.

De geluidsoverlast

De vorderingen die zien op het beperken van geluidsoverlast middels televisie en/of het afspelen van muziek alsmede het dichtslaan van deuren worden afgewezen. De kantonrechter acht deze vorderingen niet proportioneel, ook gelet op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [gedaagde].

De toegang tot het gehuurde en gevolgschade

De kantonrechter zal [gedaagde] veroordelen om [eiser] of een door hem ingeschakelde derde of derden toegang te verschaffen tot het gehuurde. [gedaagde] heeft die vordering niet betwist. Die toegang mag dan uitsluitend als doel hebben het verrichten van werkzaamheden die noodzakelijk zijn om de lekkage te verhelpen, waaronder mede begrepen alle daarmee onmiddellijk samenhangende werkzaamheden. [eiser] heeft een rechtens te respecteren belang bij het verkrijgen van die toegang om de lekkage te verhelpen. Uit het rapport van [bedrijf 2], waarvan de inhoud door [gedaagde] niet is betwist, volgt dat er als gevolg van de lekkage een ernstig risico op kortsluiting en brand bestaat in het pand van [eiser]. Dat risico moet uiteraard zo snel mogelijk worden weggenomen. Ter zitting is gebleken dat [gedaagde] een paar maal heeft geweigerd om toegang te verlenen tot het gehuurde teneinde de noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren. De redenen die [gedaagde] daarvoor heeft gegeven vindt de kantonrechter niet overtuigend of zwaarwegend genoeg om de weigering toegang te verlenen te rechtvaardigen. De kantonrechter zal ook aan deze vordering een dwangsom verbinden van € 100,00 per dag met een maximum van

€ 3.000,00.

De vordering om [gedaagde] te veroordelen om de gevolgschade van de lekkage te laten opnemen en de schade voor zijn rekening te laten herstellen wordt afgewezen. Het is niet aannemelijk geworden dat er op dit moment al sprake is van gevolgschade. [bedrijf 2] vermeldt in haar rapport immers dat daar mogelijk” sprake van is. Verder is er door [eiser] onvoldoende gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat de schade, in afwijking van het wettelijk uitgangspunt dat ernstige gebreken door de verhuurder moeten worden verholpen, aan [gedaagde] kan worden toegerekend.

De gevorderde ontruiming

De vordering tot ontruiming van het gehuurde zal de kantonrechter, gelet op het strikte toetsingskader van die vordering zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.3, niet toewijzen. Voor dat oordeel is redengevend dat niet duidelijk is geworden wat er zich tijdens het incident op de “burendag” in het najaar van 2025 precies heeft voorgedaan. Als zou worden vastgesteld dat de beschuldigingen van [gedaagde] jegens [eiser] juist zijn dan kan de kantonrechter zich op zich voorstellen dat dit een hevige gemoedstoestand bij [gedaagde] teweeg heeft gebracht in welk kader de door hem gedane uitingen en beschuldigingen moeten worden bezien, hetgeen overigens de ontoelaatbaarheid daarvan geenszins wegneemt. Ook kent de kantonrechter gewicht toe aan het feit dat [gedaagde] zelf inziet dat zijn gedrag ontoelaatbaar is en dat zijn verhouding met [eiser] als verhuurder niet langer kan voortduren. In dat kader heeft [gedaagde] verklaard dat hij wil verhuizen zodra hij een andere woning heeft gevonden en dat hij daartoe ook concrete stappen heeft gezet door zich bij een makelaar in te schrijven.

Verder zal de kantonrechter de wederzijdse belangen van partijen af moeten wegen. Tegenover het belang van [eiser] om verschoond te blijven van (ernstige) beledigingen en (tot nog toe volstrekt ongefundeerde) beschuldigingen staat het belang van [gedaagde] bij behoud van zijn woning. [gedaagde] heeft op de zitting verklaard dat hij geen andere woonruimte tot zijn beschikking heeft. Daaruit maakt de kantonrechter op dat [gedaagde] in het geval van ontruiming dakloos zal worden. Het belang van [gedaagde] legt naar het oordeel van de kantonrechter een zwaarder gewicht in de schaal dan het belang van [eiser], zeker nu de kantonrechter [gedaagde] zal verbieden om zich nog op onaanvaardbare wijze jegens [eiser] uit te laten en zich nog in de fietsenwinkel van [eiser] op te houden. Met die maatregelen verwacht de kantonrechter dat de onrechtmatige handelwijze van [gedaagde] jegens [eiser], zeker nu daaraan dwangsommen zullen owrden verbeurd, zal eindigen.

Onder deze omstandigheden acht de kantonrechter het niet onaannemelijk dat in een bodemprocedure de rechter tot de conclusie komt dat er weliswaar sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] maar dat die tekortkoming niet als zodanig ernstig kwalificeert dat dit tot een ontbinding van de huurovereenkomst, en dus tot ontruiming van het gehuurde, moet leiden.

Slotopmerking

De kantonrechter wijst [gedaagde] er op dat, in het geval [gedaagde] ondanks hetgeen de kantonrechter in dit vonnis heeft opgemerkt en ondanks de op te leggen dwangsommen, doorgaat met het uiten van beledigingen en beschuldigingen aan het adres van [eiser] en/of het veroorzaken van overlast in en rondom het gehuurde het niet valt uit te sluiten dat de huurovereenkomst in een nieuw te beginnen procedure alsnog zal worden toegewezen. [gedaagde] mag in de veronderstelling zijn dat [eiser] zijn partner allerhande vreselijke dingen heeft aangedaan maar hij zal het (strafrechtelijke) onderzoek naar aanleiding van zijn aangiften moeten afwachten. [gedaagde] mag in de tussentijd niet het recht in eigen hand nemen door [eiser] zonder enige valide grond of feitelijke onderbouwing bij voorbaat van ernstige strafbare feiten te beschuldigen en hem daarvoor te straffen.

Proceskosten

Omdat de vorderingen van [eiser] voor een deel worden toe- en afgewezen zal de kantonrechter de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter

verbiedt [gedaagde] om zich, direct of indirect, dreigend, beledigend en/of agressief uit te laten of te gedragen (per e-mail, telefonisch of fysiek) richting [eiser], diens familieleden of door [eiser] ingeschakelde derden, op straffe van een dwangsom van

€ 100,00 per overtreding met een maximum van € 3.000,00;

verbiedt [gedaagde] om zich in de fietsenwinkel van [eiser] te bevinden buiten de openingstijden van de fietsenwinkel, zonder voorafgaande expliciete toestemming van [eiser], op straffe van een dwangsom van € 100,00 per overtreding met een maximum van € 3.000,00;

gebiedt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan hem [eiser] en/of (een) door hem ingeschakelde derde(n) toegang te verschaffen tot het gehuurde, teneinde werkzaamheden te verrichten die noodzakelijk zijn voor het verhelpen van de lekkage, waaronder begrepen alle daarmee onmiddellijk samenhangende werkzaamheden, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per overtreding met een maximum van € 3.000,00;

gebiedt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan hem de door hem op sociale media geplaatste video, waarop de ruzie tussen zijn partner en [eiser] op de “burendag” in het najaar van 2025 zichtbaar is, te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 100,00 per overtreding met een maximum van € 3.000,00;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026. (ARv(M)

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.F. van Aalst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?