RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.335236.25 (P)
Datum vonnis: 6 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven aan de [adres 1] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 september 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.W. Dirkzwager, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de namens [slachtoffer 1] , hierna [slachtoffer 1] , en [slachtoffer 2] , hierna [slachtoffer 2] , voorgedragen slachtofferverklaringen en van wat namens de benadeelde partijen door mr. K.D. Regter, advocaat in Heerlen, is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: op 23 maart 2025 in Zwolle samen met anderen meerdere goederen van
[slachtoffer 1] heeft weggenomen. terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van (bedreiging met) geweld;
feit 2: op 23 maart 2025 in Zwolle samen met anderen meerdere goederen van
[slachtoffer 2] heeft weggenomen. terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van (bedreiging met) geweld.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1
hij op of omstreeks 23 maart 2025 te Zwolle
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
enig geldbedrag, een Samsung Galaxy A25, een telefoonoplader, OV-kaart,
identiteitskaart, een zilveren ring en/of twee sleutels, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte
en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan,
vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1]
, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk
te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers
aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het
gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 1]
- meermalen in het gezicht en/of tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te slaan en/of
- meermalen in het gezicht en/of tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te schoppen en/of
- met een mes in de rug, althans in het lichaam, te steken;
feit 2
hij op of omstreeks 23 maart 2025 te Zwolle
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
vijf euro, een pakje sigaretten, een iPhone 13, AirPods en/of een identiteitskaart, in
elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan
een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl
deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die
diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 2]
- een mes te tonen en/of een mes tegen de buik te drukken en (hierbij) te zeggen dat die [slachtoffer 2] moest blijven staan en/of
- meermalen in het gezicht en/of de ribben en/of de buik, althans tegen het lichaam, te slaan.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen en van het gebruik van geweld of bedreiging met geweld. Een eenvoudige diefstal kan wel bewezen worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de hieronder opgenomen feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen zijn vervat en waarop de bewezenverklaring steunt, tot een bewezenverklaring van de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De bewijsmiddelen
1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) [slachtoffer 2] van 23 maart 2025 (pagina’s 26 tot en met 29), inhoudende als diens verklaring, zakelijk weergegeven:
Op 23 maart 2025 was ik op een verjaardagsfeestje aan de [adres 2] . Mijn broertje was daar ook aanwezig. Mijn broertje is genaamd [slachtoffer 1] . Omstreeks 01.30 uur gingen mijn broertje en ik weg. Toen ik over het stenen muurtje klom, zag ik dat er jongens uit de steeg aan de achterzijde van het huis kwamen en mijn broertje belaagden. Ik sprintte naar mijn broertje toe, maar ik werd door een jongen genaamd [medeverdachte] tegengehouden. [naam] sloeg en schopte mijn broertje. Nadat [medeverdachte] mij heeft tegengehouden heeft hij ook mijn broertje geslagen en geschopt. [naam] heeft vervolgens de zakken van mijn broertje leeggemaakt. [naam] kwam daarna naar mij toe en vroeg, wat heb jij bij je, alles van waarde gaat mee. Toen is hij in mijn zakken gegaan en heeft 5 euro, mijn iPhone 13, air pods en identiteitskaart gepakt. [naam] liep vervolgens naar mijn broertje toe en heeft hem nog drie keer op zijn hoofd getrapt. Ik hoorde [naam] tegen mijn broertje zeggen dat hij de ring van mijn broertje wilde. Mijn broertje heeft zijn ring toe gegeven. Ik zag in de tuin dat mijn broertje in zijn rug gestoken was en ik zag dat er bloed via zijn rug zijn onderbroek in liep.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] van 23 maart 2025 (pagina’s 34 tot en met 38), inhoudende als diens verklaring, zakelijk weergegeven:
Ik was op 23 maart 2025 op een feestje in [plaats]. Toen ik wegging van het feestje, liep ik langs een steeg. Er stonden jongens in die steeg. Twee jongens liepen op mij af, ze sloegen mij op mijn hoofd en toen ik naar de grond ging, gingen ze op mij in trappen. Toen ik op de grond viel bleven ze door trappen. Ze sloegen mijn bril van mijn hoofd waardoor ik niks meer zag. Mijn bril is kapot. Daarna ging iemand in mijn zakken, ik deed mijn hand voor mijn zakken en toen werd ik in mijn rug gestoken. Ik heb [medeverdachte] [de rechtbank begrijpt: verdachte [medeverdachte]] en [naam] [de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] ] gezien.
Ze hebben alles wat in mijn zakken zat van mij afgepakt terwijl ik op de grond lag. Ze hebben de spullen uit mijn broekzak en jaszak gepakt:
lader van mijn telefoon
OV-pas op mijn naam
mijn ID-kaart
zilveren ring
mobiele telefoon van het merk Samsung Galaxy A25
huis- en fietssleutel.
3. De forensisch-geneeskundige letselbeschrijving van 8 augustus 2025 (pagina’s 41 tot en met 43), inhoudende als bevindingen en conclusies van dr. T. Gelderman, forensisch arts, zakelijk weergegeven:
Betrokkene: [slachtoffer 1] .
Er was sprake van een zwelling bij de linker wenkbrauw.
Er was sprake van een steekverwonding laag op de rug links van 2,8 cm diep (tot in de rugspier).
4. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] ([medeverdachte]) [medeverdachte] van 18 juni 2025, pagina’s 179 tot en met 184), inhoudende als diens verklaring, zakelijk weergegeven:
Ik was met een paar jongens buiten, toen was er een feestje. Dit was op 23 maart 2025. Eén van de jongens met wie ik was kreeg nog geld van iemand op dat feestje. Toen zijn we daarheen gegaan. Er zijn twee telefoons, een bankpas, een id-kaart, een ring en nog een paar dingen weggenomen. Ik stond in de steeg. [naam] stond aan het begin van de steeg te kijken of [slachtoffer 1] er al aan kwam, toen kwam [slachtoffer 1] naar buiten, hij kreeg een vuist van [naam] en lag op de grond. Ik liep toen naar zijn broer toe, van de jongen die op de grond lag. Ik zei dat hij naar achter moest gaan, zodat de broer niet de jongen die met mij mee was van achter aan kon vallen. Eerst werd toen de jongen die op de grond lag beroofd en toen de broer die bij mij stond. [naam] haalde de zakken leeg van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Toen zei [naam] tegen [slachtoffer 1] dat hij zijn ring wilde. [slachtoffer 1] wilde die niet geven. Ineens werd er een mes getrokken door [naam].
5. De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 22 september 2026, inhoudende, zakelijk weergegeven:
[slachtoffer 1] had een schuld bij mij van € 20,--. Hij betaalde die schuld steeds niet. Ik wist dat hij die avond van 23 maart 2025 op een feestje was. Ik ben daarheen gegaan en heb buiten in de steeg op hem gewacht. Er waren meerdere andere jongens meegegaan. Ik had een mes meegenomen. Toen [slachtoffer 1] aan kwam lopen raakte ik met hem in gevecht. [slachtoffer 1] viel daarbij op de grond. Ik heb toen spullen uit zijn zakken gehaald. Ik heb mijn mes getrokken en daarmee gezwaaid. Ik heb daarna ook spullen uit de zakken van [slachtoffer 2] gehaald.
Overweging en oordeel
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 23 maart 2025 in Zwolle een telefoonoplader, een OV-kaart, een ID-kaart, een zilveren ring, een Samsung Galaxy A25 en een huis- en fietssleutel van [slachtoffer 1] heeft weggenomen. Daarbij heeft verdachte [slachtoffer 1] meermaals tegen het hoofd geschopt en geslagen waardoor ook zijn bril is vernield. waarbij [slachtoffer 1] door verdachte met een mes in zijn rug gestoken, kort nadat zijn zakken waren leeggemaakt. Verdachte en [medeverdachte] zijn gezamenlijk en doelbewust naar de woning gekomen waar [slachtoffer 1] zich in de nacht van 23 maart 2025 bevond en hebben hem bij die woning opgewacht in een steeg. Daarna hebben zij beiden geweldshandelingen tegen [slachtoffer 1] gepleegd en zijn zij ook weer samen vertrokken. De rechtbank is van oordeel dat tussen verdachte en [medeverdachte] sprake is geweest van een voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee is het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende bewijs voorhanden is om vast te kunnen stellen dat verdachte of een medeverdachte de onder feit 2 ten laste gelegde geweldshandelingen heeft gepleegd. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat jegens hem geweld is gepleegd, maar zijn verklaring wordt op dit punt niet ondersteund door ander bewijs, nu [slachtoffer 1] dit niet gezien heeft en [medeverdachte] en [naam] dit ontkend hebben. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder feit 2 ten laste gelegde geweldshandelingen.
Uit de bewijsmiddelen volgt wel dat [slachtoffer 2] door [medeverdachte] is tegengehouden toen [slachtoffer 1] werd aangevallen en beroofd. Kort na de beroving van [slachtoffer 1] kwamen verdachte en [medeverdachte] naar [slachtoffer 2] toe. Verdachte heeft vijf euro, een pakje sigaretten, een iPhone 13, AirPods en een identiteitskaart uit de zakken van [slachtoffer 2] gepakt. Er was ook hier sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De onder feit 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde diefstal in vereniging is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1 hij op 23 maart 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een ander, een Samsung Galaxy A25, een telefoonoplader, OV-kaart, identiteitskaart, een zilveren ring en twee sleutels, die aan [slachtoffer 1] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door die [slachtoffer 1] - meermalen tegen het hoofd te slaan en - meermalen tegen het hoofd te schoppen en - met een mes in de rug te steken;
feit 2
hij op 23 maart 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een ander, vijf euro, een pakje sigaretten, een iPhone 13, AirPods en een identiteitskaart, die aan [slachtoffer 2] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 240 uren wordt opgelegd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk wordt opgelegd, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft geëist dat een locatieverbod en een contactverbod met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] als bijzondere voorwaarden worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen en aan verdachte een werkstraf van 100 uren op te leggen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van de gepleegde feiten
Verdachte heeft samen met [medeverdachte] [slachtoffer 1] met zeer ernstig geweld van zijn goederen beroofd. Omdat [slachtoffer 1] aan verdachte € 20,-- schuldig zou zijn , zijn verdachte en zijn medeverdachte naar de woning gegaan waar [slachtoffer 1] zich in de nacht van 23 maart 2026 bevond en hebben zij hem in een steeg opgewacht. Verdachte heeft [slachtoffer 1] vervolgens tegen het hoofd geschopt en geslagen en ook nog met een mes in zijn rug gestoken. Daarnaast heeft verdachte meerdere goederen van [slachtoffer 2] gestolen. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . Ook heeft hij totaal geen respect getoond voor de eigendommen van anderen. De situatie is voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zeer bedreigend en beangstigend geweest. Zij ondervinden hiervan nog lange tijd de gevolgen, zoals ook blijkt uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaringen. Daarnaast leiden berovingen als deze in het algemeen tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 21 mei 2026, waaruit volgt dat hij niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is geweest.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van
8 september 2026, waaruit volgt dat verdachte is ingebed in een vrijwillig hulpverleningskader. Verdachte heeft een baan. Hij heeft schulden, maar hij wordt hierbij geholpen door de hulpverlening. Verdachte heeft een klein steunend netwerk. Zijn vader is gedetineerd, zijn moeder is overleden en zijn broer kampt met eigen problemen. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden stappen in de goede richting te zetten. Hoewel verdachte nog sporadisch blowt, heeft hij een positieve instelling en durft hij zelfreflectie toe te passen. Hij kan duidelijk uitleggen wat zijn motivatie is om uit de problemen te blijven en waar zijn delictgedrag vandaan kwam. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering adviseert daarnaast het volwassenenstrafrecht toe te passen. Behalve vermoedens van een licht-verstandelijke beperking zijn er geen signalen dat de ontwikkeling van verdachte achterloopt. De betrokken hulpverlening geeft aan dat verdachte steeds meer in staat is om zijn leven te organiseren en de verwachting is dat verdachte op korte termijn zelfstandig zal gaan wonen, met ambulante begeleiding op afstand. Er zijn geen signalen dat verdachte baat heeft bij een specifieke pedagogische insteek van de begeleiding.
Toepassing volwassenenstrafrecht
Ten tijde van het bewezen verklaarde was verdachte achttien jaren oud. Uitgangspunt is dan toepassing van het volwassenenstrafrecht. De rechtbank ziet in dit geval geen reden om daarvan af te wijken. Zij volgt het advies van de reclassering en zal het volwassenenstrafrecht toepassen.
De strafoplegging
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. Hoewel de aard en de ernst van de gepleegde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, ziet de rechtbank vanwege de persoon van verdachte en het tijdsverloop sinds de gepleegde feiten geen meerwaarde in de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten net 18 jaar en heeft zijn gedrag sindsdien ten positieve veranderd. De positieve ontwikkeling die verdachte doormaakt, zou door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden doorkruist. Gelet op de ernst van de feiten zal de rechtbank aan verdachte een forse taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.
Alles afwegend zal aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar worden opgelegd. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf van 240 uren opleggen.
Omdat verdachte al lange tijd geen contact heeft gezochtmet [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , ziet de rechtbank geen grond om een locatie- en contactverbod met hen als bijzondere voorwaarden op te leggen.
7. De schade van benadeelden
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 4.188,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
reiskosten € 65,93;
kleding € 50,--;
plaatsen camera’s € 199,05;
reparatiekosten bril € 75,--;
nieuwe ID-kaart € 60,40;
pasfoto's ten behoeve van ID-kaart € 16,99;
nieuwe OV-kaart € 11,--;
Samsung Galaxy A25 5g € 100,--;
zilveren ring € 110,--.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 3.500,-- gevorderd.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 184,39, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
nieuwe ID-kaart € 60,40.
foto’s ten behoeve van nieuwe ID-kaart € 16,99;
hoesje telefoon € 10,--;
OV-kaart € 11,--.
Ter vergoeding van de kosten van rechtsbijstand wordt een bedrag van € 86,-- gevorderd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt de door [slachtoffer 1] gevorderde materiële schadevergoeding geheel toewijsbaar. De gevorderde immateriële schadevergoeding is toewijsbaar tot een bedrag van € 2.500,--. De vordering van [slachtoffer 2] is geheel toewijsbaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de schadeposten ‘plaatsen camera’s’ en ‘zilveren ring’ niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De schadeposten ‘kleding’ en ‘reiskosten’ moeten worden gematigd. Ten aanzien van de overige materiële schadeposten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman gesteld dat toewijzing van een bedrag van € 2.000,-- passend is.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] )
De rechtbank stelt op basis van de gebruikte bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting vast dat voldoende verband bestaat tussen het onder feit 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partij gestelde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht.
De materiële schade
De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde materiële schade het volgende.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende verband bestaat tussen het onder feit 1 bewezen verklaarde feit en de gevorderde schade in de vorm van kosten voor het plaatsen van camera’s bij de woning. Naar het oordeel van de rechtbank is de gestelde schade dan ook niet aan te merken als rechtstreekse schade, zodat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadeposten ‘reparatiekosten bril, nieuwe ID-kaart, pasfoto’s, nieuwe OV-kaart en Samsung Galaxy A25 5g’, die overigens niet door de raadsvrouw zijn betwist en voldoende met bewijsstukken zijn onderbouwd.. Ook ten aanzien van de gevorderde reiskosten van € 65,93 is de rechtbank van oordeel dat deze kosten voldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de schadepost ‘kleding’ zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de waarde schatten op een bedrag van € 50,--.
Ten aanzien van de zilveren ring overweegt de rechtbank dat uit het bewezen verklaarde kan worden afgeleid dat deze door het handelen van verdachte uit de beschikkingsmacht van de benadeelde partij is onttrokken. De benadeelde partij heeft de waarde van de ring voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst deze schadepost (€ 110,--) daarom toe.
De gevorderde materiële schadeposten zijn toewijsbaar voor het bedrag van € 489,32.
De rechtbank zal het toegewezen schadebedrag gelijkelijk over verdachte en de medeverdachte verdelen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot betaling van € 244,66 aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 244,66, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 23 maart 2025 tot aan de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.
De immateriële schade
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft in beperkte gevallen recht op vergoeding van andere schade dan vermogensschade. Een van die in de wet limitatief opgesomde gevallen is wanneer er sprake is van lichamelijk letsel. Daarvan is in dit geval sprake. [slachtoffer 1] is tijdens de diefstal met geweld in zijn rug gestoken en heeft hierdoor letsel opgelopen. Om die reden kan de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW aanspraak maken op smartengeld. De rechtbank zal de vordering gedeeltelijk toewijzen. De rechtbank houdt hierbij rekening met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend.
De rechtbank acht het, alles afwegend, billijk om de vordering voor wat betreft de immateriële schade vast te stellen op een bedrag van in totaal € 3.000,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.
Omdat verdachte rechtstreeks betrokken was bij het steken van [slachtoffer 1] en het daardoor ontstane letsel, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van deze schade. In de verhouding tussen verdachte en de medeverdachte komt de rechtbank tot de navolgende verdeling, gelet op het aandeel van elk van hen. Verdachte dient twee derde van de immateriële schade te betalen. Dit komt neer op een bedrag van € 2.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] )
De materiële schade
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting vast dat voldoende verband bestaat tussen het onder feit 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partij gestelde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht.
De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadeposten, die overigens niet door de raadsvrouw zijn betwist, voldoende met bewijsstukken zijn onderbouwd. De gevorderde materiële schadeposten zijn toewijsbaar voor een bedrag van in totaal € 98,39,--.
De rechtbank zal het toegewezen bedrag gelijkelijk over verdachte en de medeverdachte verdelen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot betaling van € 49,20 aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.
Proceskosten
De rechtbank zal verdachte ten slotte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis, volgens hetliquidatietarief in civiele zaken. De rechtbank kent twee punten toe (een punt voor het opstellen van de vordering en een punt voor het bijwonen van de zitting) voor een tarief van € 43,-- per punt. De rechtbank begroot de proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer 2] daarmee op € 86,--.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht.
Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met een aantal dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. Het gaat ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] om 22 dagen gijzeling en ten aanzien van de schade van [slachtoffer 2] om 1 dag gijzeling.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 311 en 312 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
schadevergoedingen
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Staat der Nederlanden vervalt en omgekeerd;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Staat der Nederlanden vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. A. van Holten en
mr. W.B. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Drent, griffier, en in het
openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.