ECLI:NL:RBOVE:2026:5941

ECLI:NL:RBOVE:2026:5941

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 06-10-2026
Zaaknummer 08.335235.25 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en een diefstal. Hij krijgt daarom een straf opgelegd: drie maanden voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf, in de vorm van een werkstraf van 120 uren met aftrek. Dit betekent dat verdachte de jeugddetentie nu niet hoeft uit te zitten, op voorwaarde dat hij binnen twee jaren niet weer een strafbaar feit pleegt en dat hij zich ook houdt aan de andere voorwaarden die de rechtbank aan het einde van dit vonnis heeft geformuleerd. De werkstraf moet verdachte wel direct uitvoeren. Ook moet hij schadevergoedingen betalen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familie en Jeugd

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.335235.25 (P)

Datum vonnis: 6 oktober 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats],

wonende aan de [woonplaats].

1. Korte uitleg van het vonnis

De officier van justitie heeft verdachte (hierna: [verdachte]) opgeroepen om op 22 september 2026 voor de rechtbank te verschijnen. Deze oproep wordt een dagvaarding genoemd. In de dagvaarding staat de tenlastelegging. In de tenlastelegging staan de beschuldigingen, dus een beschrijving van de strafbare feiten die [verdachte] zou hebben gepleegd.

Op 22 september 2026 hebben de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsman, mr. K. Kok, advocaat in Zwolle, tijdens een zitting achter gesloten deuren gezegd wat zij van de beschuldigingen vinden. De rechtbank heeft daar naar geluisterd.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de namens [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2]) voorgedragen slachtofferverklaringen en van wat namens de benadeelde partijen door mr. K.D. Regter, advocaat in Heerlen, is aangevoerd.

De rechtbank schrijft in dit vonnis wat zij van de beschuldigingen vindt. Dit doet zij aan de hand van verschillende stappen in een bepaalde volgorde, zoals de wet die voorschrijft. De rechtbank komt in dit vonnis tot de conclusie dat de beschuldigingen grotendeels kunnen worden bewezen.

[verdachte] heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en een diefstal. Hij krijgt daarom een straf opgelegd: drie maanden voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf, in de vorm van een werkstraf van 120 uren met aftrek. Dit betekent dat [verdachte] de jeugddetentie nu niet hoeft uit te zitten, op voorwaarde dat hij binnen twee jaren niet weer een strafbaar feit pleegt en dat hij zich ook houdt aan de andere voorwaarden die de rechtbank aan het einde van dit vonnis heeft geformuleerd. De werkstraf moet [verdachte] wel direct uitvoeren. Ook moet hij schadevergoedingen betalen.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort weergegeven, op neer dat [verdachte]:

feit 1: op 23 maart 2025 in Zwolle samen met anderen meerdere goederen van

[slachtoffer 1] heeft weggenomen. terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van (bedreiging met) geweld (feit 1 primair), dan wel dat hij samen met anderen [slachtoffer 1] heeft mishandeld (feit 1 subsidiair);

feit 2: op 23 maart 2025 in Zwolle samen met anderen meerdere goederen van

[slachtoffer 2] heeft weggenomen. terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van (bedreiging met) geweld (feit 2 primair), dan wel dat hij samen met anderen [slachtoffer 2] heeft mishandeld (feit 2 subsidiair);

Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte], dat:

feit 1 primair hij op of omstreeks 23 maart 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, enig geldbedrag, een Samsung Galaxy A25, een telefoonoplader, OV-kaart, identiteitskaart, een zilveren ring en/of twee sleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 1] - meermalen in het gezicht en/of tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te slaan en/of - meermalen in het gezicht en/of tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te schoppen en/of - met een mes in de rug, althans in het lichaam, te steken; ( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

feit 1 subsidiair

hij op of omstreeks 23 maart 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] - meermalen in het gezicht en/of tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te slaan en/of - meermalen in het gezicht en/of tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te schoppen.

feit 2 primair hij op of omstreeks 23 maart 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, vijf euro, een pakje sigaretten, een iPhone 13, AirPods en/of een identiteitskaart, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 2] - een mes te tonen en/of een mes tegen de buik te drukken en (hierbij) te zeggen dat die [slachtoffer 2] moest blijven staan en/of - meermalen in het gezicht en/of de ribben en/of de buik, althans tegen het lichaam, te slaan;

feit 2 subsidiair hij op of omstreeks 23 maart 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen in het gezicht en/of de ribben en/of de buik, althans tegen het lichaam, te slaan.

3. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt op basis van de hierna beschreven feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen staan, bewezen dat [verdachte] de feiten waarvan hij onder feit 1 primair en feit 2 primair wordt beschuldigd (grotendeels) heeft begaan. De rechtbank overweegt als volgt.

De bewijsmiddelen

1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 23 maart 2025 (pagina’s 26 tot en met 29), inhoudende als diens verklaring, zakelijk weergegeven:

Op 23 maart 2025 was ik op een verjaardagsfeestje aan de [adres] te Zwolle. Mijn broertje was daar ook aanwezig. Mijn broertje is genaamd [slachtoffer 1]. Omstreeks 01.30 uur gingen mijn broertje en ik weg. Toen ik over het stenen muurtje klom, zag ik dat er jongens uit de steeg aan de achterzijde van het huis kwamen en mijn broertje belaagden. Ik sprintte naar mijn broertje toe, maar ik werd door een jongen genaamd [verdachte] tegengehouden. [medeverdachte] sloeg en schopte mijn broertje. Nadat [verdachte] mij heeft tegengehouden heeft ook hij mijn broertje geslagen en geschopt. [medeverdachte] heeft vervolgens de zakken van mijn broertje leeggemaakt. [medeverdachte] kwam daarna naar mij toe en vroeg, wat heb jij bij je, alles van waarde gaat mee. Toen is hij in mijn zakken gegaan en heeft 5 euro, mijn iPhone 13, air pods en identiteitskaart gepakt. [medeverdachte] liep vervolgens naar mijn broertje toe en heeft hem nog drie keer op zijn hoofd getrapt.

Ik hoorde [medeverdachte] tegen mijn broertje zeggen dat hij de ring van mijn broertje wilde. Mijn broertje heeft zijn ring toe gegeven.

Ik zag in de tuin dat mijn broertje in zijn rug gestoken was en ik zag dat er bloed via zijn rug zijn onderbroek in liep.

2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 23 maart 2025 (pagina’s 34 tot en met 38), inhoudende als diens verklaring, zakelijk weergegeven:

Ik was op 23 maart 2025 op een feestje in Zwolle. Toen ik wegging van het feestje, liep ik langs een steeg. Er stonden jongens in die steeg. Twee jongens liepen op mij af, ze sloegen mij op mijn hoofd en toen ik naar de grond ging, gingen ze op mij in trappen. Toen ik op de grond viel bleven ze door trappen. Ze sloegen mijn bril van mijn hoofd waardoor ik niks meer zag. Mijn bril is kapot. Daarna ging iemand in mijn zakken, ik deed mijn hand voor mijn zakken en toen werd ik in mijn rug gestoken.

Ik heb [verdachte] [de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] ] en [medeverdachte] [de rechtbank begrijpt: verdachte [medeverdachte]] gezien.

Ze hebben alles wat in mijn zakken zat van mij afgepakt terwijl ik op de grond lag. Ze hebben de spullen uit mijn broekzak en jaszak gepakt:

lader van mijn telefoon

OV-pas op mijn naam

mijn ID-kaart

zilveren ring

mobiele telefoon van het merk Samsung Galaxy A25

huis- en fietssleutel.

3. De forensisch-geneeskundige letselbeschrijving van 8 augustus 2025 (pagina’s 41 tot en met 43), inhoudende als bevindingen en conclusies van dr. T. Gelderman, forensisch arts, zakelijk weergegeven:

Betrokkene: [slachtoffer 1].

Er was sprake van een zwelling bij de linker wenkbrauw.

Er was sprake van een steekverwonding laag op de rug links van 2,8 cm diep (tot in de rugspier).

4. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 18 juni 2025, pagina’s 179 tot en met 184), inhoudende als diens verklaring, zakelijk weergegeven:

Ik was met een paar jongens buiten, toen was er een feestje. Dit was op 23 maart 2025. Eén van de jongens met wie ik was kreeg nog geld van iemand op dat feestje. Toen zijn we daarheen gegaan.

Er zijn twee telefoons, een bankpas, een id-kaart, een ring en nog een paar dingen weggenomen.

Ik stond in de steeg. [medeverdachte] stond aan het begin van de steeg te kijken of [slachtoffer 1] er al aan kwam, toen kwam [slachtoffer 1] naar buiten, hij kreeg een vuist van [medeverdachte] en lag op de grond. Ik liep toen naar zijn broer toe, van de jongen die op de grond lag. Ik zei dat hij naar achter moest gaan, zodat de broer niet de jongen die met mij mee was van achter aan kon vallen. Eerst werd toen de jongen die op de grond lag beroofd en toen de broer die bij mij stond. [medeverdachte] haalde de zakken leeg van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Toen zei [medeverdachte] tegen [slachtoffer 1] dat hij zijn ring wilde. [slachtoffer 1] wilde die niet geven. Ineens werd er een mes getrokken door [medeverdachte].

Overwegingen en oordeel

Ten aanzien van feit 1

Medeplegen

De verdediging heeft aangevoerd dat van medeplegen van de diefstal met geweld geen sprake is omdat geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de medeverdachte(n).

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezen verklaard als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte] gezamenlijk [slachtoffer 1] hebben opgewacht en dat [verdachte] vervolgens [slachtoffer 2] opzettelijk heeft tegengehouden, zodat [slachtoffer 2] zijn broer niet kon helpen bij de daaropvolgende vechtpartij en beroving. Hierna heeft [verdachte] [slachtoffer 1] ook geslagen en geschopt. [medeverdachte] heeft de zakken van [slachtoffer 1] leeggemaakt en daarbij een telefoonoplader, een OV-kaart, een ID-kaart, een zilveren ring, een Samsung Galaxy A25 en een huis- en fietssleutel weggenomen. Toen de zakken van [slachtoffer 1] werden leeggemaakt is [slachtoffer 1] door [medeverdachte] met een mes in zijn rug gestoken. Hierna is [slachtoffer 1] tegen het hoofd getrapt en geslagen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat tussen [verdachte] en [medeverdachte] sprake is geweest van een voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. Met het tegenhouden van [slachtoffer 2] en de gepleegde geweldshandelingen tegen [slachtoffer 1] heeft [verdachte] een wezenlijke bijdrage geleverd aan de diefstal met geweld. Bovendien heeft [verdachte] zich niet teruggetrokken op een daartoe geëigend tijdstip of [medeverdachte] behoedt voor zijn daden. Daarmee is het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank kan niet bewijzen dat [verdachte] geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer 2]. Behalve [slachtoffer 2] zelf is er niemand die dat gezien of verklaard heeft. Er is dus geen steun voor de verklaring van [slachtoffer 2]. Verder blijkt uit het dossier niet dat er iemand anders is geweest die geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer 2]. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van de geweldshandelingen die onder 2 primair in de tenlastelegging staan.

Zoals de rechtbank hiervoor al heeft opgemerkt, heeft [verdachte] [slachtoffer 2] wel tegengehouden. Dat deed hij nog steeds toen [medeverdachte] naar hen toekwam en een aantal spullen van [slachtoffer 2] afpakte. Daarmee heeft [verdachte] ook een belangrijk aandeel gehad in deze diefstal. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte] deze diefstal samen hebben gepleegd. In zoverre kan het onder 2 primair tenlastegelegde dan ook worden bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 hij op 23 maart 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een ander, een Samsung Galaxy A25, een telefoonoplader, OV-kaart, identiteitskaart, een zilveren ring en twee sleutels, die aan [slachtoffer 1], toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door die [slachtoffer 1] - meermalen tegen het hoofd te slaan en - meermalen tegen het hoofd te schoppen en - met een mes in de rug te steken;

feit 2

hij op 23 maart 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een ander, vijf euro, een pakje sigaretten, een iPhone 13, AirPods en een identiteitskaart, die aan [slachtoffer 2], toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen.

5. De strafbaarheid van [verdachte]

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6. De motivering van de straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot taakstraf van 180 uren en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel moeten de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde voorwaarden en een locatieverbod en een contactverbod met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] worden gekoppeld.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat moet worden volstaan met oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf met daaraan de door de Raad geadviseerde voorwaarden gekoppeld.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte], zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank vindt daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De aard en de ernst van de gepleegde feiten

[verdachte] heeft samen met zijn medeverdachte [slachtoffer 1] met toepassing van zeer ernstig geweld van zijn goederen beroofd. Omdat [slachtoffer 1] een medeverdachte een bedrag van

€ 20,-- schuldig was, zijn [verdachte] en zijn medeverdachte naar de woning gegaan waar [slachtoffer 1] zich bevond en hebben zij hem in een steeg opgewacht. [slachtoffer 1] is tegen het hoofd geschopt en geslagen en met een mes in zijn rug gestoken. Ook hebben [verdachte] en zijn medeverdachte meerdere goederen van [slachtoffer 2] gestolen. [verdachte] heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] en bovendien totaal geen respect getoond voor het eigendom van een ander. De situatie is voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zeer bedreigend en beangstigend geweest. Slachtoffers ondervinden hiervan nog lange tijd de gevolgen, zoals ook blijkt uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Daarnaast leiden berovingen als deze in het algemeen tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.

De persoon van [verdachte]

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van [verdachte], waaruit volgt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Ook heeft de rechtbank het rapport van de Raad van 18 augustus 2026 gelezen. De rechtbank heeft geluisterd naar wat de vertegenwoordiger van de Raad en de Jeugdreclassering hebben gezegd en de uitleg die zij hebben gegeven over het rapport. Ook heeft de rechtbank geluisterd naar wat [verdachte] over zichzelf heeft verteld en naar wat zijn ouders over hem hebben verteld.

[verdachte] is een nu 18-jarige jongen. In de thuissituatie waren er de nodige problemen. [verdachte] botste met name met zijn vader en trok thuis zijn eigen plan. Hij liet zich niet door zijn ouders aansturen. Uiteindelijk voelden zijn ouders zich genoodzaakt om [verdachte] uit huis te zetten. Ondertussen is [verdachte] weer thuis en loopt alles beter. De keuzes die [verdachte] maakt, maar vooral nalaat te maken (zoals gaan werken of weer naar school gaan), zorgen nog voor onrust thuis. [verdachte] heeft geen opleiding afgerond en ook lukte het hem niet om een bijbaan vast te houden. Hij heeft een beperkte dagbesteding. Het is van belang dat [verdachte] stappen gaat maken. De Raad heeft tijdens het gesprek met [verdachte] en zijn ouders voorgesteld om op vrijwillige basis jeugdreclassering in te zetten om [verdachte] daarbij te ondersteunen. [verdachte] en zijn moeder konden zich hierin vinden en dit is gestart. [verdachte] trok met verkeerde vrienden op en liet zich door hen beïnvloeden. Tegenwoordig probeert [verdachte] andere keuzes te maken, maar er is nog steeds maar een beperkte invulling van de vrije tijd en [verdachte] heeft ook geen bijbaan. De ouders van [verdachte] hopen dat hij de stap naar begeleid wonen gaat maken. [verdachte] heeft ondertussen, nu hij achttien jaar is, financiële verplichtingen die hij moet nakomen, maar hij heeft geen inkomsten. Ook gebruikt [verdachte] drugs, wat niet helpend is en geld kost. [verdachte] moet ervaren dat hij grensoverschrijdend heeft gehandeld. De Raad adviseert een onvoorwaardelijke werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie, met daaraan als bijzondere voorwaarden gekoppeld: begeleiding door en een meldplicht bij Jeugdbescherming Overijssel en de medewerking aan ondersteuning of verwijzing door een andere hulpverleningsinstantie.

Ter zitting hebben de jeugdreclassering en de Raad toegelicht dat [verdachte] de afgelopen maanden stappen in de goede richting heeft gezet. Hij heeft een baan en er wordt gewerkt aan het begeleid wonen. Het hebben van zinvolle dagbesteding zou aan de bijzondere voorwaarden moeten worden toegevoegd.

De strafoplegging

Omdat [verdachte] ten tijde van het plegen van de feiten minderjarig was, past de rechtbank het jeugdstrafrecht toe. Bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan houdt de rechtbank vervolgens rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd en met de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd. Doorgaans wordt bij een diefstal met geweld een onvoorwaardelijke taakstraf van 60 uren of dienovereenkomstige jeugddetentie als uitgangspunt genomen.

Hoewel de aard en de ernst van de gepleegde feiten een jeugddetentie rechtvaardigen, ziet de rechtbank geen meerwaarde in de oplegging van onvoorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank heeft hierbij gelet op de ondergeschikte rol van [verdachte] bij de bewezen verklaarde feiten en het feit dat hij hiervoor verantwoordelijkheid heeft genomen. Ook weegt de rechtbank mee dat [verdachte] zijn gedrag in de afgelopen periode in positieve zin heeft veranderd. Om [verdachte] te helpen deze lijn voort te zetten, en om het risico op herhaling te verkleinen, vindt de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie, met daaraan gekoppeld de door Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden op zijn plaats. Ook zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen.

De rechtbank acht het, alles afwegend, passend en geboden om aan [verdachte] op te leggen een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank zal daarbij de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen op de wijze zoals zij deze hierna in het dictum zijn geformuleerd. Daarnaast zal de rechtbank aan [verdachte] een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen, bestaande uit een werkstraf van 120 uren.

7. De schade van benadeelden

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 4.188,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

reiskosten € 65,93;

kleding € 50,--;

plaatsen camera’s € 199,05;

reparatiekosten bril € 75,--;

nieuwe ID-kaart € 60,40;

pasfoto's ten behoeve van ID-kaart € 16,99;

nieuwe OV-kaart € 11,--;

Samsung Galaxy A25 5g € 100,--;

zilveren ring € 110,--.

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 3.500,-- gevorderd.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 184,39, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

nieuwe ID-kaart € 60,40.

foto’s ten behoeve van nieuwe ID-kaart € 16,99;

hoesje telefoon € 10,--;

OV-kaart € 11,--.

Ter vergoeding van de kosten van rechtsbijstand wordt een bedrag van € 86,-- gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt de door [slachtoffer 1] gevorderde materiële schadevergoeding geheel toewijsbaar. De gevorderde immateriële schadevergoeding is toewijsbaar tot een bedrag van € 2.500,--. De vordering van [slachtoffer 2] is geheel toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraken, heeft de raadsman primair verzocht de vorderingen af te wijzen.

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] subsidiair bepleit dat de schadeposten ‘plaatsen camera’s’ en ‘zilveren ring’ niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman bepleit dat de vordering moet worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding moet worden gematigd.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De rechtbank stelt op basis van de gebruikte bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting vast dat voldoende verband bestaat tussen het onder feit 1 bewezen verklaarde handelen van [verdachte] en de door de benadeelde partij gestelde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht.

De materiële schade

De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde materiële schade het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende verband bestaat tussen het onder feit 1 bewezen verklaarde feit en de gevorderde schade in de vorm van kosten voor het plaatsen van camera’s bij de woning. Naar het oordeel van de rechtbank is de gestelde schade dan ook niet aan te merken als rechtstreekse schade, zodat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadeposten ‘reparatiekosten bril, nieuwe ID-kaart, pasfoto’s, nieuwe OV-kaart en Samsung Galaxy A25 5g’, die overigens niet door de raadsman zijn betwist, voldoende met bewijsstukken zijn onderbouwd en aannemelijk zijn. Ook ten aanzien van de gevorderde reiskosten van € 65,93 is de rechtbank van oordeel dat deze kosten voldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de schadepost ‘kleding’ zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de waarde schatten op een bedrag van € 50,--.

Ten aanzien van de zilveren ring overweegt de rechtbank dat uit het bewezen verklaarde kan worden afgeleid dat deze mede door het handelen van [verdachte] uit de beschikkingsmacht van de benadeelde partij is onttrokken. De benadeelde partij heeft de waarde van de ring voldoende onderbouwd.. De rechtbank wijst deze schadepost (€ 110,--) daarom toe.

De gevorderde materiële schadeposten zijn toewijsbaar voor het bedrag van € 489,32.

De rechtbank zal het toegewezen schadebedrag gelijkelijk over [verdachte] en zijn medeverdachte verdelen. De rechtbank veroordeelt [verdachte] tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 244,66, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 23 maart 2025, tot aan de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.

De immateriële schade

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft in beperkte gevallen recht op vergoeding van andere schade dan vermogensschade. Een van die in de wet limitatief opgesomde gevallen is wanneer er sprake is van lichamelijk letsel. Daarvan is in dit geval sprake. [slachtoffer 1] is tijdens de diefstal met geweld in zijn rug gestoken en heeft hierdoor letsel opgelopen. Om die reden kan de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW aanspraak maken op smartengeld. De rechtbank zal de vordering gedeeltelijk toewijzen. De rechtbank houdt hierbij rekening met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend.

De rechtbank acht het, alles afwegend, billijk om de vordering voor wat betreft de immateriële schade vast te stellen op een bedrag van € 3.000,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 23 maart 2025.

Omdat de bijdrage van [verdachte] aan het steken van [slachtoffer 1] en het daardoor ontstane letsel relatief beperkt was, zal de rechtbank [verdachte] veroordelen tot betaling van een derde van de immateriële schade. Dit komt neer op een bedrag van € 1.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2025, tot aan de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De materiële schade

De rechtbank stelt op basis van de gebruikte bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting vast dat voldoende verband bestaat tussen het onder feit 2 bewezen verklaarde handelen van [verdachte] en de door de benadeelde partij gestelde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadeposten, die overigens niet door de raadsman zijn betwist, voldoende met bewijsstukken zijn onderbouwd.. De gevorderde materiële schadeposten zijn dus toewijsbaar voor een bedrag van in totaal € 98,39,--.

De rechtbank zal het toegewezen bedrag gelijkelijk over [verdachte] en zijn mededader verdelen. De rechtbank veroordeelt [verdachte] tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 49,20, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.

Proceskosten

De rechtbank zal [verdachte] ten slotte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis overeenkomstig het liquidatietarief in civiele zaken. De rechtbank kent twee punten toe (een

punt voor het opstellen van de vordering en een punt voor het bijwonen van de zitting) voor een tarief van € 43,-- per punt. De rechtbank begroot de proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer 2] daarmee op € 86,--.

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien [verdachte] tegenover de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht.

De rechtbank ziet in de leeftijd van [verdachte] aanleiding om, voor het geval verdachte niet voldoet aan zijn verplichtingen uit hoofde van de op te leggen schadevergoedingsmaatregel, het aantal dagen gijzeling op nul te stellen.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311 en 312 Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 3 maanden;

- bepaalt dat deze jeugddetentie in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten als verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

 zich door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel, afdeling Jeugdreclassering laat begeleiden en op de door de Jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de Jeugdreclassering zo frequent en zo lang

deze instelling dat noodzakelijk acht;

- draagt aan de Jeugdbescherming Overijssel, met als verantwoordelijke gemeente Zwolle (AST106), een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoedingen

de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, kinderrechter, mr. A. van Holten, kinderrechter en mr. W.B. Bruins, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Drent, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J. van Bruggen
  • mr. W.B. Bruins

Griffier

  • mr. M.G. Drent

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand