RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.281808.23 (P)
Datum vonnis: 8 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
Robin Johannes Gerardus [verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. G.J. van Oosten, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen:
feit 1: 1321 hennepplanten heeft geteeld dan wel aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres] in [plaats];
feit 2: elektriciteit heeft gestolen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 5 juli 2023 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) ongeveer 1321, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet
2
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 5 juli 2023 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Enexis, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.
Het oordeel van de rechtbank
De feiten en omstandigheden
Op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 5 juli 2023 heeft de politie in een schuur gelegen aan de [adres] te [plaats] een hennepkwekerij aangetroffen. In de hennepkwekerij stonden in totaal 1321 oogstrijpe hennepplanten. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn door de politie in de hennepkwekerij aangetroffen. Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn aangetroffen op het dak van de kweekruimte.
Door een fraude-inspecteur van Enexis werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. De meterkast bevond zich in het naastgelegen restaurant. Vanaf de meterkast liep een dikke grijze stroomkabel door het dak naar de schakelkast in de kweekruimte.
Verklaring verdachte
Verdachte heeft bekend dat hij samen met anderen een hennepkwekerij aan de [adres] in [plaats] heeft geëxploiteerd. Verdachte ontkent de diefstal van elektriciteit. Hij heeft verklaard geen toegang te hebben tot het restaurantgedeelte waar de meterkast zich bevond.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen (artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv). De bewijsmiddelen bestaan uit:
het proces-verbaal van de zitting van 24 september 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 8 juli 2023, met bijlagen, (pagina's 13 - 130).
Feit 2
De rechtbank overweegt dat uit het dossier weliswaar volgt dat de elektriciteit via de meterkast in het naastgelegen restaurant illegaal werd afgenomen, maar dat er geen bewijsmiddelen zijn voor betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten bij de diefstal van de stroom. Dat hij of zijn medeverdachten mogelijk op de hoogte zijn geweest van het illegaal aftappen van de stroom, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 1 heeft begaan, behoudens het bereiden, bewerken en verwerken. met dien verstande dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 5 juli 2023 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) ongeveer 1321, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II., dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die hij in verzekering heeft doorgebracht. Zij heeft hierbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de taakstraf te halveren nu hij vrijspraak heeft bepleit van het onder 2 ten laste gelegde.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
- De aard en de ernst van het gepleegde feit
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het telen van 1321 hennepplanten. Door dit handelen heeft verdachte bijgedragen aan de handel in en verspreiding van softdrugs; voor de gezondheid nadelige stoffen. Dergelijke activiteiten gaan veelal gepaard met criminaliteit en veroorzaken overlast. De hennepkwekerij bevond zich bovendien in een schuur naast een drukbezocht pannenkoekenhuis waar veel ouders met kinderen kwamen. Het handelen van verdachte lijkt uitsluitend te zijn ingegeven door financieel gewin, zonder rekening te houden met de mogelijke gevolgen daarvan. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.
- De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie over verdachte van 18 augustus 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
- De redelijke termijn van berechting
De rechtbank is van oordeel dat het recht van verdachte op een berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden en dat deze overschrijding verdisconteerd moet worden in de strafoplegging.
De Hoge Raad heeft in zijn uitleg van de redelijke termijn als uitgangspunt genomen dat de behandeling van een zaak in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen.
De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op het moment waarop verdachte in verzekering is gesteld, te weten 5 juli 2023. De termijn is derhalve met één jaar en drie maanden overschreden, zonder dat de verdediging hiervan enig verwijt is te maken. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
- De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf onder meer kennisgenomen van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het kweken van 500 – 1000 hennepplanten geldt als uitgangspunt van denken een taakstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
De rechtbank zal gelet op de overschrijding van de redelijke termijn volstaan met het opeggen van alleen een taakstraf en zal niet daarnaast nog een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De hoeveelheid hennepplanten die is aangetroffen, een hoger aantal dan het uitgangspunt van de LOVS, zou een hogere straf dan de genoemde 180 uur rechtvaardigen. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 180 uren passend en geboden.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c en 22d Sr.
8. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;
- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor een in verzekering doorgebrachte dag, twee uren per dag aftrek plaatsvindt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en
mr. P.J. Beker, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.