RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.281811.23 (P)
Datum vonnis: 8 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 september 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R.J.A. Verhoeven, advocaat in Alkmaar, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen:
feit 1: 1321 hennepplanten heeft geteeld dan wel aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres] in [plaats];
feit 2: elektriciteit heeft gestolen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 5 juli 2023 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) ongeveer 1321, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet
2
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 5 juli 2023 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Enexis, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
3. De bewijsmotivering
Inleiding
Op 5 juli 2023 heeft de politie in een schuur gelegen aan de Alsteedseweg 38 te [plaats] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. In de hennepkwekerij stonden in totaal 1321 hennepplanten. Door een fraude-inspecteur van Enexis werd geconstateerd dat de stroom ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen.
Op de dag van de inval door de politie is verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen op het dak van de kweekruimte. In de hennepkwekerij werden medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aangetroffen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank zal verdachte daarom integraal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft elke betrokkenheid bij (de inrichting van) de hennepkwekerij en de diefstal van elektriciteit ontkend. Hij was naar eigen zeggen slechts kort voor de inval ter plaatse aangekomen en was daar voor het eerst. Hij was volgens zijn verklaring enkel ter plaatse omdat hij timmerman is en door zijn (ex) zwager, medeverdachte [medeverdachte 1] was gevraagd om een plafond te timmeren in een schuur. Het enkele feit dat verdachte is aangetroffen (op het dak) van de schuur waarin de hennepkwekerij zich bevond, acht de rechtbank onvoldoende om de wetenschap en betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij en diefstal van stroom te kunnen aannemen.
4. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en
mr. P.J. Beker, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.