ECLI:NL:RBOVE:2026:613

ECLI:NL:RBOVE:2026:613

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 09-02-2026
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer ak_24_4430
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

De rechtbank is alles overwegende van oordeel, dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd, dat ArboNed c.q. de bedrijfsartsen niet hebben gehandeld zoals in deze complexe medische situatie van een redelijk bekwaam en redelijk handelend bedrijfsarts verwacht mocht worden en dat het UWV daarom ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

Samenvatting

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 24/4430

gemachtigde: mr. A.M. Bezuijen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder (het UWV)

gemachtigde: [gemachtigde].

1. Deze uitspraak gaat over de re-integratie-inspanningen van Demcon Life Sciences & Health Enschede B.V., de ex-werkgever van eiser (hierna: ex-werkgever). Eiser is het er niet mee eens dat het UWV aan ex-werkgever geen loonsanctie heeft opgelegd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de re-integratie-inspanningen van ex-werkgever terecht voldoende heeft geacht.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de re-integratie-inspanningen van ex-werkgever terecht voldoende heeft geacht en ex-werkgever terecht geen loonsanctie heeft opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het UWV heeft bij besluit van 31 oktober 2023 aan eiser vanaf 21 november 2023 een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100% toegekend. Omdat het besluit van 31 oktober 2023 niet volledig was, heeft het UWV op 13 maart 2024 een nieuw besluit genomen, inhoudende (1) dat aan eiser vanaf 21 november 2023 een loongerelateerde WIA-uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) is toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100% en (2) dat het UWV heeft geoordeeld dat eiser en ex-werkgever voldoende hebben gedaan aan re-integratie. Met het bestreden besluit van 12 november 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de besluiten van 31 oktober 2023 en 13 maart 2024 gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. Namens ex-werkgever waren aanwezig [naam] (het eerste deel van de zitting) en mr. K.A. van Haaren.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten

De rechtbank stelt vast dat eiser geen toestemming heeft verleend voor het toezenden van stukken aan ex-werkgever die medische gegevens bevatten. De rechtbank zal daarom in deze uitspraak de medische stukken niet inhoudelijk weergeven en medische terminologie zoveel mogelijk vermijden.

Eiser werkte bij ex-werkgever als senior software engineer voor gemiddeld 36,4 uur per week. Eiser heeft zich ziek gemeld op 23 november 2021. Met een beschikking van

24 december 2024 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen eiser en ex-werkgever met ingang van 1 februari 2025 ontbonden.

Eiser heeft op 1 september 2023 een WIA-uitkering aangevraagd. Dit heeft geleid tot de besluitvorming, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

Standpunten van partijen

Standpunt UWV

4. Het UWV stelt zich op het standpunt dat ex-werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Het UWV heeft dit gebaseerd op arbeidskundige en verzekeringsgeneeskundige rapporten.

Standpunt eiser

Eiser stelt zich op het standpunt dat het UWV ex-werkgever een loonsanctie had moeten opleggen. Eiser is van mening dat ex-werkgever in zijn eerste en tweede ziektejaar onvoldoende adequate re-integratie-inspanningen heeft verricht.

Eiser stelt dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 juli 2024 niet zorgvuldig tot stand is gekomen, niet volledig is en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen persoonlijk contact heeft gehad met eiser. Ook stelt eiser dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met de feiten en omstandigheden en dat hij niet alle relevante stukken in de beoordeling heeft betrokken. Volgens eiser is de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgegaan van een verkeerde diagnose.

Volgens eiser is onvoldoende gemotiveerd waarom het handelen van de bedrijfsarts conform de richtlijnen en de Wet verbetering poortwachter is geweest en is er onvoldoende zorgvuldig onderzoek gedaan naar het handelen van de bedrijfsarts.

Eiser vindt dat de bedrijfsarts is tekortgeschoten in adequate sociaal medische begeleiding, communicatie en niet conform de Wet verbetering poortwachter en de NVAB-richtlijnen heeft gehandeld. Eiser is van mening dat de bedrijfsarts is uitgegaan van een verkeerde diagnose, de bedrijfsarts onvoldoende de behandelmogelijkheden heeft onderzocht die waren gericht op werkhervatting en daarover onvoldoende heeft geadviseerd. Eiser wijst erop dat ex-werkgever hiervoor als opdrachtgever van de bedrijfsarts verantwoordelijk is.

De verwijzing met betrekking tot de expertise is volgens eiser niet zorgvuldig gebeurd. Hij vindt dat ten onrechte geen verdere diagnostiek heeft plaatsgevonden.

Eiser voert verder aan dat ex-werkgever en de bedrijfsarts pas na een jaar iets met het arbeidsconflict hebben gedaan. Eiser vindt dat eerder mediation had moeten plaatsvinden.

Ook is volgens eiser ongemotiveerd geen terugkeer naar de werkplek verkend.

Toetsingskader

Artikel 25, van de Wet WIA luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘1. De werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…) houdt aantekening van het verloop van de ziekte en de reïntegratie van de verzekerde.

2. De werkgever, bedoeld in het eerste lid, stelt binnen een bij ministeriële regeling nader te bepalen termijn, in overeenstemming met de verzekerde een plan van aanpak op. De afspraken die in het plan van aanpak zijn gemaakt worden door werkgever en verzekerde nageleefd. Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.

3. Uiterlijk dertien weken voor het verstrijken van de wachttijd stelt de werkgever, bedoeld in het eerste lid, in overleg met de verzekerde een reïntegratieverslag op en verstrekt hiervan een afschrift aan de verzekerde.

4. (…)

5. Bij de uitvoering van het eerste tot en met het vierde lid laat de werkgever zich bijstaan door een persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet of door een arbodienst.

6. De verzekerde verleent zijn medewerking bij het opstellen van het plan van aanpak en het opstellen van het reïntegratieverslag.

7. Bij ministeriële regeling kunnen regels met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid worden gesteld.

8. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 blijkt dat de werkgever zijn verplichting om een reïntegratieverslag op te stellen niet of niet volledig is nagekomen, stelt het UWV aan de werkgever een termijn waarbinnen het reïntegratieverslag wordt verstrekt of aangevuld.

9. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…) opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of reïntegratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken. (…)

10. Het UWV geeft de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid uiterlijk zes weken voor de afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 23, (…) indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, tijdig is gedaan. Indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, niet tijdig is gedaan, wordt de in de vorige zin bedoelde beschikking uiterlijk zes weken voor de afloop van het tijdvak, bedoeld in artikel 629 lid 11, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, gegeven dan wel van het tijdvak, bedoeld in artikel 76a, zesde lid, onderdeel a, van de Ziektewet.

11. Verlenging van het tijdvak als bedoeld in het negende lid vindt niet plaats indien het UWV de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid niet geeft voor de afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 23 (…).’

Ingevolge artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het UWV of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen, die zijn verricht.

Artikel 7:658a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt, voor zover hier van belang, dat de werkgever ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf bevordert. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel 629, of artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter heeft het UWV een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Dit is nader uitgewerkt in de Werkwijzer Poortwachter van 1 augustus 2022.

Overwegingen van de rechtbank

Procesbelang

In geschil is of de re-integratie-inspanningen van eisers ex-werkgever voldoende zijn geweest en of het UWV een loonsanctie had moeten opleggen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de verantwoordelijkheid van ex-werkgever voor de re-integratie ook verantwoordelijkheid impliceert voor de kwaliteit van de geleverde diensten door ingeschakelde deskundigen, zoals de arbodienst c.q. de bedrijfsarts.

Eiser kan met zijn beroep niet bereiken dat aan ex-werkgever alsnog een loonsanctie wordt opgelegd. De termijn van zes weken voor de afloop van de wachttijd, zoals bedoeld in artikel 25, tiende lid, van de Wet WIA, is namelijk al verstreken. Dit betekent niet dat eiser geen belang heeft bij een beoordeling door de bestuursrechter van het besluit van het UWV dat de ex-werkgever niet in zijn re-integratie-inspanningen is tekortgeschoten. Met het oog op een mogelijke aanspraak op schadevergoeding heeft eiser belang bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

De rechtbank heeft ex-werkgever als partij toegelaten. Uit de brief van 23 mei 2025 van de rechtbank aan ex-werkgever blijkt dat die beslissing als voorlopig geldt. De rechtbank handhaaft de toelating van ex-werkgever als partij echter niet. De rechtbank licht dit onder verwijzing naar rechtspraak van de CRvB als volgt toe.

Als regel zal de rechter een verzoek om toegelaten te worden als partij toewijzen. Tot het geding kan steeds worden toegelaten een belanghebbende, een (rechts)persoon met procesbelang. Dit is de derde voor wie een beslissing op het beroep rechtsgevolgen kan hebben. Dit kan een derde zijn wiens belang tegengesteld is aan dat van eiser en die door toewijzing van het beroep in een nadeliger positie zou komen te verkeren, ook zonder dat deze derde eerst aan een bezwaarschriftprocedure of beroepsprocedure heeft deelgenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit bij ex-werkgever niet aan de orde is. Ex-werkgever is in deze procedure geen belanghebbende met procesbelang. Ex-werkgever is het er namelijk mee eens dat het UWV aan haar geen loonsanctie heeft opgelegd en het beroep kan niet alsnog leiden tot een loonsanctie. Daarnaast is van belang dat eiser, als blijkt dat het UWV een loonsanctie had moeten opleggen, alleen bij het UWV een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan indienen en niet bij ex-werkgever. Of het UWV een eventueel toegekende schadevergoeding dan bij ex-werkgever zal verhalen is onzeker. Ook is niet duidelijk of eiser in de toekomst een verzoek om schadevergoeding zal indienen bij ex-werkgever. Dit zijn daarom onzekere toekomstige gebeurtenissen. Deze onzekere toekomstige gebeurtenissen vormen onvoldoende actueel belang om voor ex-werkgever procesbelang aan te nemen. Bovendien zal een eventueel verhaal van mogelijk toegekende schadevergoeding en/of een verzoek om schadevergoeding van eiser aan ex-werkgever op zijn eigen merites worden beoordeeld. Dit betekent dat een inhoudelijk oordeel van de bestuursrechter voor ex-werkgever geen feitelijke betekenis kan hebben. Het enkele feit dat het beroep gaat over verwijten die ex-werkgever betreffen is onvoldoende om ex-werkgever als belanghebbende aan te merken. De rechtbank ziet niet welke (nadelige) rechtsgevolgen haar oordeel verder zou kunnen hebben voor ex-werkgever. De rechtbank laat ex-werkgever daarom niet toe als partij in deze procedure en laat wat zij naar voren heeft gebracht buiten beschouwing.

Zorgvuldigheid medisch onderzoek

Het UWV heeft zijn standpunt gebaseerd op arbeidskundige rapporten van

12 maart 2024 en 1 augustus 2024, aangevuld op 5 november 2024 alsmede op verzekeringsgeneeskundige rapporten van 31 oktober 2023, 12 maart 2024 en 27 juli 2024, aangevuld op 29 oktober 2024. De beroepsgronden hebben met name betrekking op het verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat ten grondslag ligt aan de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van ex-werkgever voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de verzekeringsartsen voldoende contact hebben gehad met eiser. De rechtbank licht dit als volgt toe.

Uit rechtspraak volgt dat bij een beoordeling van de re-integratie-inspanningen, anders dan bij WIA-beoordelingen, niet als uitgangspunt geldt dat betrokkene een spreekuurcontact moet hebben gehad met een geregistreerde verzekeringsarts.

Ook uit de Werkwijzer Poortwachter volgt niet dat eiser voorafgaand aan het besluit over de re-integratie-inspanningen van zijn ex-werkgever door een verzekeringsarts op een spreekuur had moeten worden gezien. In paragraaf 11.2 van de Werkwijzer Poortwachter staat namelijk: ‘Wanneer de verzekeringsarts het niet eens is met de visie van de bedrijfsarts, verduidelijking wenst over de medische voorgeschiedenis of het Actueel oordeel dan neemt hij hierover contact op met de bedrijfsarts. Blijft er na dit overleg verschil van mening dan doet de verzekeringsarts zelf onderzoek en hij vormt zijn eigen oordeel. De verzekeringsarts bepaalt hoe uitgebreid het onderzoek moet zijn om tot dit oordeel te komen. Dit kan zowel schriftelijk, telefonisch als in een persoonlijk gesprek.’

Overigens wijst de rechtbank erop dat de verzekeringsarts die de re-integratie-inspanningen van ex-werkgever heeft beoordeeld spreekuurcontact heeft gehad met eiser. Uit de rapporten van 31 oktober 2023 en 12 maart 2024 blijkt namelijk dat verzekeringsarts E. Vastert zowel de WIA-aanvraag van eiser als de re-integratie-inspanningen van ex-werkgever heeft beoordeeld. In het rapport van 31 oktober 2023 staat dat deze verzekeringsarts eiser bij de WIA-beoordeling heeft gezien tijdens een spreekuur, dat eisers begeleider daarbij ook aanwezig was en dat de verzekeringsarts eiser psychisch heeft onderzocht.

Uit de rapporten van 27 juli 2024 en 29 oktober 2024 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep die deze rapporten heeft opgesteld zelf niet met eiser heeft gesproken. Tijdens de hoorzitting was een andere verzekeringsarts aanwezig. Gelet op wat onder 8.3 tot en met 8.5 is overwogen leidt dit er echter niet toe dat de totstandkoming van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. Daarbij is ook van belang dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens de rapporten het dossier van eiser hebben bestudeerd en dat zij alle (medische) informatie bij hun beoordeling hebben betrokken.

Toetsing van de re-integratie-inspanningen

In paragraaf 11.1 van de Werkwijzer Poortwachter is de werkwijze van de verzekeringsarts bij beoordeling van re-integratie-inspanningen beschreven. Onder 2 ‘Oordeelsvorming’ staat dat de verzekeringsarts de beoordeling, begeleiding en advisering van de bedrijfsarts en het Actueel oordeel toetst en dat hij zijn visie beargumenteerd vastlegt in het dossier. Bij ad 2 is dit als volgt toegelicht. ‘De toetsing van het re-integratieverslag (RIV) door de verzekeringsarts is enerzijds gericht op het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts in de eerste 2 ziektejaren van de werknemer (de sociaal medische voorgeschiedenis) en anderzijds op het Actueel oordeel van de bedrijfsarts. Het is evident dat de verzekeringsarts zich achteraf een oordeel vormt. Hierbij is het van belang dat de destijds aanwezige context in ogenschouw genomen wordt.’

In paragraaf 11.4 van de Werkwijzer Poortwachter is vermeld hoe de verzekeringsarts het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts tijdens de eerste 2 ziektejaren van de werknemer toetst. ‘Het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts dient gericht te zijn geweest op re-integratie van de werknemer in loonvormende arbeid. Daarbij hoort ook het stimuleren van behandeling en andere activiteiten gericht op een optimaal herstel van het functioneren en het bevorderen van de arbeidsmogelijkheden van de werknemer. Hierbij wordt onder andere aansluiting gezocht bij wat in de bedrijfs- en verzekeringsgeneeskundige protocollen beschreven staat. Een toets is geen claimbeoordeling en de bedrijfsarts heeft een zekere professionele marge. Het gaat erom of de bedrijfsarts op basis van op dat moment bekende feiten en omstandigheden redelijk heeft geoordeeld en gehandeld.’ In paragraaf 11.4 van de Werkwijzer Poortwachter is vermeld welke aandachtspunten de verzekeringsarts hanteert bij de toetsing van het RIV.

Het RIV van ex-werkgever bestaat, voor zover het gaat om het handelen van de bedrijfsartsen, uit de probleemanalyse van 10 december 2021, het plan van aanpak van

24 februari 2022, diverse evaluaties, een actueel oordeel van 30 augustus 2023, deskundigenoordelen van 27 oktober 2022 en 7 augustus 2023 en diverse andere documenten. Uit het RIV blijkt dat eiser vanaf augustus 2021 preventief spreekuurcontacten heeft gehad met bedrijfsarts K. Cox. Na de ziekmelding op 23 november 2021 heeft eiser nog gedeeltelijk gewerkt. Er was sprake van een medisch probleem en een conflictsituatie. Eiser had een coach. Bedrijfsarts Cox heeft op 7 januari 2022 geconstateerd dat sprake was van energetische beperkingen en geadviseerd gedeeltelijk te blijven werken. Op

13 januari 2022 heeft de bedrijfsarts geadviseerd gerichte hulpverlening in te zetten. Op

4 februari 2022 heeft de bedrijfsarts eiser geadviseerd voorlopig niet te werken en hem verwezen naar interventie. Vanaf 7 februari 2022 is eiser volledig ziek gemeld. Op

24 februari 2022 is het plan van aanpak opgesteld. De arbeidsverhouding stond onder spanning. Op 4 maart 2022 is op verzoek van eiser een andere bedrijfsarts, A.A. van Zon, ingezet. Bedrijfsarts Cox had geadviseerd interventie in te zetten om de diagnose helder te krijgen. Bedrijfsarts Van Zon heeft telefonisch verzocht om aanpassing van dit traject naar diagnostiek en behandeling. Op 9 maart 2022 heeft een psychiater van IVMV eiser uitgenodigd voor expertiseonderzoek op 17 maart 2022. Eiser wilde niet verder met dit onderzoek, zodat dit is gestopt. Op 5 april 2022 was eiser in behandeling bij de praktijkondersteuner van de huisarts. De bedrijfsarts heeft bedrijfsmaatschappelijk werk geadviseerd. Op 3 mei 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en de bedrijfsmaatschappelijk werker. Op dat moment was er geen contact meer tussen eiser en ex-werkgever. Op 15 juni 2022 heeft de bedrijfsarts geadviseerd zes weken rust te nemen en daarna een mediationtraject te starten. Op 22 juli 2022 heeft de bedrijfsarts geconstateerd dat mediation gestart kon worden. Op voorstel van eiser is een mediator gekozen. Afgesproken is dat de coach van eiser bij de gesprekken aanwezig zou zijn. Op

20 september 2022 is gebleken dat de mediator afzag van een mediationtraject. Op

6 oktober 2022 heeft de bedrijfsarts de huisarts verzocht om consultatie GGZ in te zetten om te komen tot verdere diagnostiek. De arbeidsdeskundige heeft in het deskundigenoordeel van 27 oktober 2022 vastgesteld dat eiser toen nog geen mogelijkheden voor re-integratie had. De arbeidsdeskundige vond eerst inzet van behandeling noodzakelijk. Daarna zou de bedrijfsarts de mogelijkheden tot re-integratie opnieuw kunnen beoordelen. In het deskundigenoordeel is vermeld dat ex-werkgever voornemens was om, wanneer bij eiser sprake was van belastbaarheid, een arbeidsdeskundig onderzoek in te zetten. Op

13 november 2022 was de eerstejaarsevaluatie. De bedrijfsarts heeft toen gemeld dat eiser behandeling heeft gezocht en dat nog niet duidelijk is wat het vervolgtraject wordt. De bedrijfsarts heeft geadviseerd het arbeidsdeskundig onderzoek uit te stellen tot behandeling voldoende op gang zou zijn om de beperkingen en mogelijkheden van eiser in kaart te kunnen brengen. De bedrijfsarts heeft tevens geadviseerd om een periode van rust in te lassen. Eiser was vanaf 1 november 2022 in behandeling bij een specialist. Op

18 januari 2023 heeft de re-integratie- en preventieadviseur echter gemeld dat de gerichte behandeling nog niet was opgestart en dat eiser in gesprek was voor het vervolg daarvan. Volgens eiser ging het toen langzaam iets beter met hem. Op 17 maart 2023 was de stafarts aanwezig bij het spreekuur met de bedrijfsarts. Onderzoek en behandeling zou in de curatieve sector worden opgestart. Het advies van de bedrijfsarts was om nog niet in werk te hervatten, onderling contact te onderhouden en om een begeleidingstraject in te zetten. Op 25 mei 2023 heeft de bedrijfsarts gemeld dat de medische klachten, waarmee eiser zich aanvankelijk presenteerde, niet meer op de voorgrond stonden. Voor de belangrijkste medische klachten waarvan nu sprake was, was hulp nodig vanuit de curatieve sector. De bedrijfsarts heeft eiser hierover nadere informatie gevraagd. Verder hebben eiser en ex-werkgever ingestemd met ondersteuning en begeleiding bij deze medische problemen vanuit de arbocuratieve sector. Met een nieuw spreekuur zou gewacht worden totdat de begeleiding was gestart en de bedrijfsarts meer duidelijkheid zou hebben over de behandeling in de curatieve sector. Verder heeft de bedrijfsarts gemeld dat eiser buitenproportioneel veel mails aan ArboNed heeft gestuurd en dat, als dat zo blijft, de bedrijfsarts dit zou zien als grensoverschrijdend gedrag en dat dan de verzuimbegeleiding beëindigd zou worden. Op

20 juni 2023 heeft bedrijfsarts W.GJ. Berkhout op verzoek van eiser een second opinion uitgebracht. Uit brieven van 26 en 31 mei en 23 juni 2023 blijkt dat eiser niet is verschenen op een aantal uitnodigingen voor een gesprek met ex-werkgever. Ex-werkgever heeft vervolgens een offerte van 10 juli 2023 voor ambulante begeleiding van JADOS ondertekend. Op 11 juli 2023 heeft ArboNed laten weten de behandelrelatie met eiser te beëindigen. Ook de begeleiding van JADOS is op 13 juli 2023 gestopt. Uit een brief van 14 juli 2023 blijkt dat eiser opnieuw niet op een door ex-werkgever geïnitieerde afspraak is verschenen. Ex-werkgever heeft gemeld dat eiser hiermee opnieuw zijn re-integratieplicht heeft geschonden en dat de betaling van het loon stopt vanaf 12 juli 2023. Vervolgens heeft het UWV op verzoek van de ex-werkgever op 7 augustus 2023 opnieuw een deskundigenoordeel gegeven. Op 30 augustus 2023 heeft de bedrijfsarts het actueel oordeel opgesteld.

De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben in hun rapporten vermeld dat de situatie van eiser zeer complex is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan niet aannemelijk maken dat door een andere en adequatere begeleiding daadwerkelijk sprake zou zijn geweest van een andere belastbaarheid met re-integratiemogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep licht toe dat het bij het bezien van de geleverde re-integratie-inspanningen van ex-werkgever en eiser aan de hand van een RIV-beoordeling altijd gaat om het grote geheel, de geleverde inspanning in de periode van belang. Het gaat er niet om hoe met de kennis van nu wordt teruggekeken op het verloop van eisers re-integratie. Het gaat er om hoe destijds beslissingen zijn genomen op basis van de toen bekende informatie. Vanuit dat gegeven vindt de verzekeringsarts bezwaar en beroep het handelen van de bedrijfsartsen in dit re-integratietraject medisch begrijpelijk en kan hij de genomen stappen goed volgen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is met de verzekeringsarts van mening dat de bedrijfsarts op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden redelijk heeft geoordeeld en gehandeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is van mening dat eiser onnodig vertraging heeft gehad om onder behandeling te komen. Dat aanvankelijk een onjuiste diagnose is gesteld heeft daarbij een rol gespeeld. De vertraagde behandeling is zeker een gemiste kans in het geven van de goede richting in herstel. Maar volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep betekent dit niet dat in dit specifieke geval sprake is van een gemiste kans in het re-integratietraject. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is van mening dat op basis van de medische feiten en de medische omstandigheden niet te motiveren is dat eiser op

21 november 2023 weer loonvormend had kunnen werken. Dit is niet hard te maken en volgens hem ook niet erg waarschijnlijk. Verder wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop dat het tijdstip en de vorm van interveniërend handelen altijd een inschatting blijft van een bedrijfsarts. Die (medisch onderbouwde) inschatting heeft dan voorrang op de aanwezige richtlijnen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt verder op dat hem in eisers re-integratieproces niet duidelijk is geworden wat de medische feiten en medische omstandigheden zijn geweest om niet in spoor 1 (terugkeer in eigen werk) te re-integreren. Volgens hem lijkt het erop dat de mogelijkheid voor eiser om in spoor 1 te re-integreren reeds op voorhand onmogelijk is bevonden. Ook als dit zo is, dan betekent dit volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep overigens nog niet dat daarmee sprake is van gemiste kansen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst erop dat eiser bij het re-integreren op spoor 2 per 21 november 2023 niet in staat was om te werken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vindt het medisch niet aannemelijk dat dit anders zou zijn geweest in eisers eigen werk, zoals hij dat uitvoerde voor zijn uitval. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan vanuit de medisch complexe situatie van eiser niet aannemelijk maken dat door adequatere begeleiding op 21 november 2023 daadwerkelijk sprake zou zijn geweest van een andere belastbaarheid met re-integratiemogelijkheden. Dit betekent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de onvolkomenheden die eiser noemt simpelweg niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop, dat eiser zich op het standpunt heeft gesteld, dat ex-werkgever tekort is geschoten in de re-integratie-inspanningen en dat er daarom een loonsanctie had moeten worden opgelegd. In dat geval is het aan eiser om feiten naar voren te brengen en zo nodig aannemelijk te maken, die voldoende grond opleveren voor het oordeel dat ex-werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het UWV daarom een loonsanctie had moeten opleggen.

De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep toereikend hebben gemotiveerd dat de re-integratie-inspanningen van ex-werkgever voldoende zijn geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle (medische) informatie bij zijn beoordeling betrokken. Dat betekent dat hij ook de informatie over de diagnostiek heeft meegewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het handelen van de bedrijfsartsen getoetst en heeft daarin ook onvolkomenheden gesignaleerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt dat een diagnose nadrukkelijker gesteld had kunnen worden. De bedrijfsartsen hebben conform de richtlijn Psychische problemen NVAB 2019 de rol van procesbegeleider vervuld. Ook hebben zij interventie ingezet en eiser verwezen. Hierbij liep de communicatie onduidelijk. De verwijzing heeft geen doorgang gevonden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep had de diagnostiek en verwijzing naar behandeling beter gekund. Daarnaast heeft de bedrijfsarts conform de richtlijn Conflicten in de werksituatie NVAB 2019 bedrijfsmaatschappelijk werk en mediation ingezet. Met de bedrijfsmaatschappelijk werker heeft slechts één gesprek plaatsgevonden en de mediation is niet doorgegaan. Wellicht hadden de interventies op een andere manier of eerder moeten plaatsvinden. De bedrijfsartsen hebben niet geheel volgens de richtlijnen gehandeld, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er terecht op gewezen dat afwijking ervan mogelijk is. Dit blijkt uit de Werkwijzer Poortwachter en volgt uit het feit dat het hier om richtlijnen gaat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij overtuigend toegelicht dat het niet aannemelijk is dat zonder de onvolkomenheden op 21 november 2023 een ander re-integratieresultaat zou zijn bereikt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook gemotiveerd waarom het ontbreken van onderzoek naar terugkeer in eisers eigen werk er in dit geval niet toe leidt dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende duidelijk uitgelegd dat de re-integratie-inspanningen van ex-werkgever goed genoeg zijn geweest. Hieruit volgt dat het UWV aan ex-werkgever terecht geen loonsanctie heeft opgelegd.

Slotsom

De rechtbank is van oordeel dat eiser tegenover de zorgvuldig afgewogen en gemotiveerde RIV-beoordeling onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld en niet aannemelijk heeft gemaakt dat ex-werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Voor de vraag of de bedrijfsartsen, zoals eiser stelt, zijn tekortgeschoten in de uitvoering van hun taken, acht de rechtbank maatgevend of de bedrijfsartsen hebben gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend bedrijfsarts mocht worden verwacht. En hoewel uit de RIV-beoordeling blijkt dat het re-integratietraject niet steeds vlekkeloos is verlopen, kan niet gezegd worden dat iedere onjuistheid, misvatting of misgelopen communicatie tot de conclusie moet leiden dat de bedrijfsartsen zijn tekortgeschoten. Dat geldt in dit geval nog eens te meer, omdat er sprake was van een medisch complexe situatie. De RIV-beoordeling van het UWV acht de rechtbank alleszins begrijpelijk en de rechtbank kan eiser niet volgen in zijn standpunt dat de bedrijfsartsen in dit geval, omdat het om een aan het werk gerelateerde arbeidsongeschiktheid gaat, verantwoordelijk waren voor de behandeling van eiser. De rechtbank is alles overwegende van oordeel, dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd, dat ArboNed c.q. de bedrijfsartsen niet hebben gehandeld zoals in deze complexe medische situatie van een redelijk bekwaam en redelijk handelend bedrijfsarts verwacht mocht worden en dat het UWV daarom ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?