RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-156178-26 (P)
Datum vonnis: 12 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres],
hierna: verdachte.
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. D. Nieuwenhuis, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 23 november 2025 in Almelo opzettelijk professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 23 november 2025 te Almelo, althans in Nederland,
opzettelijk,
professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten
21.600 stuks, althans een hoeveelheid, knalvuurwerk (Dumbum 5G),
voorhanden heeft gehad.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert geen bewijsverweren ten aanzien van het ten laste gelegde feit.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 september 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Het proces-verbaal van aanhouding verdachte van 23 november 2025, pagina 18;
Het proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk van 21 januari 2026, de bijlagen en het van het proces-verbaal deel uitmakende NFI-rapport ‘Explosievenonderzoek aan betwist vuurwerk’, pagina’s 63-73 en 75-76.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 23 november 2025 te Almelo, althans in Nederland,
opzettelijk,
professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten
21.600 stuks, althans een hoeveelheid, knalvuurwerk (Dumbum 5G),
voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 1.2.2 lid 1 van het Vuurwerkbesluit, krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, in verband met de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert het volgende economische delict op:
het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft oplegging gevorderd van een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de duur van zijn voorarrest op te leggen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het feit
Verdachte heeft een grote hoeveelheid – maar liefst 21.600 stuks – gevaarlijk en illegaal professioneel knalvuurwerk voorhanden gehad. Verdachte is op heterdaad betrapt terwijl hij dit vuurwerk vervoerde in een gehuurde bus en daarmee rondreed in een woonwijk. Het aangetroffen vuurwerk had een gezamenlijke netto explosieve massa van ruim 100 kilo. Het gaat daarbij om (knal)vuurwerk dat krachtige explosies teweegbrengt en waarmee veel schade kan worden aangericht. Verdachte heeft door zo te handelen een zeer gevaarlijke situatie gecreëerd, onverantwoorde risico’s genomen en de algemene veiligheid van goederen en personen ernstig in gevaar gebracht. Verdachte heeft verklaard dat hij de lading vuurwerk voor anderen heeft vervoerd, en dat hij hier € 500,- voor kreeg. Van wie hij de opdracht kreeg en waar hij het vuurwerk naartoe moest brengen, wilde verdachte niet vertellen. Wat hier ook van zij, als zijn verklaring waar is, dan is de achteloosheid waarmee verdachte zich door derden heeft laten overhalen om het vuurwerk te vervoeren zorgwekkend. Verdachte was blijkbaar bereid om tegen betaling van slechts € 500,00, die hij overigens niet heeft ontvangen, met een gevaarlijke lading rond te rijden met alle risico’s van dien. Zo lang er personen als verdachte te ronselen zijn voor dit soort ‘klussen’, blijven de opdrachtgevers zelf buiten beeld en kan de illegale vuurwerkhandel worden voortgezet. De rol van verdachte moet dus niet worden onderschat en de rechtbank rekent dit verdachte aan. Daartegenover staat dat verdachte spijt heeft betuigd en uiteindelijk – waar mogelijk – ook openheid van zaken heeft gegeven.
De persoon van verdachte
Uit het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 21 juli 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals hij die ter zitting (nader) heeft toegelicht. Verdachte werkt zowel in loondienst en als ZZP’er in de (ouderen)zorg, woont bij zijn ouders en heeft een relatie. Verdachte heeft met andere woorden zijn leven op de rit.
De op te leggen straf of maatregel
Bij het bepalen van de hoogte van de straf neemt de rechtbank de aangetroffen hoeveelheid vuurwerk als uitgangspunt. Ook kijkt de rechtbank naar de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van tweehonderd uren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, passend en geboden is. Om recht te doen aan de ernst en aard van het bewezenverklaarde feit, en om verdachte ervan te weerhouden opnieuw dergelijke gevaarzettende strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank, naast de taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaren opleggen.
Het inbeslaggenomen geldbedrag
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het geldbedrag van
€ 1.986,00 moet worden teruggegeven aan verdachte, omdat niet aannemelijk is geworden dat het geld is verdiend met het strafbare feit.
De raadsman heeft verzocht om teruggave van dit geldbedrag, omdat verdachte dit geld heeft gewonnen met gokken en vervolgens van zijn bankrekening heeft gehaald. Uit het dossier blijkt niet dat sprake is van een van de gevallen zoals genoemd in artikel 33a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr).
De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het geldbedrag van
€ 1.986,00, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d Sr.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 200 (tweehonderd) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;
- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;
de in beslag genomen voorwerpen
- gelast de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van totaal € 1.986,00 aan verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Beker, voorzitter, mr. R.A. Heblij en mr. M.S. de Waard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.W. Renskers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2026.
Buiten staat
Mr. M.S. de Waard en mr. P.J. Beker zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.