RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.009766.26 (P)
Datum vonnis: 13 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1958 in [geboorteplaats] ,
wonende in [adres] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R. Oude Breuil, advocaat in Hengelo, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door [slachtoffer] en [naam] voorgedragen slachtofferverklaringen.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 29 september 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van een vrachtauto:
primair: zo onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] is overleden, of
subsidiair: door zijn gedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt,
danwel dat hij:
meer subsidiair: een verkeersovertreding heeft begaan doordat verdachte bij het naar rechts verlaten van de rotonde geen voorrang heeft verleend aan de zich op de fietssuggestiestrook bevindende fietser [slachtoffer] .
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 23 mei 2025 te Almelo, gemeente Almelo, als bestuurder van een
voertuig (bedrijfsauto, vrachtwagen), gaande in de richting van de Betuining en
daarmede rijdende over de weg, de Ambachtstraat,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft
gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl hij een rotonde naderde, welke rotonde is gevormd door/gelegen op de
kruising van de wegen, de Ambachtstraat, Bornerbroeksestraat en de Betuining
en/of
terwijl parallel aan de rotonde een fietssuggestiestrook ligt en/of
terwijl zich een bestuurder van een fiets rechts naast, dan wel dicht achter,
verdachte bevond en/of deze fietser al enige tijd zichtbaar was toen hij rechts van
verdachte aan kwam rijden en/of
bij het verlaten van de rotonde verdachte de tweede afslag heeft genomen teneinde
de Betuining op te rijden en/of daarmee het fietssuggestiestrook heeft gekruist
en/of
zich niet of onvoldoende van heeft vergewist, dan wel zichzelf niet voldoende of
onvoldoende in staat heeft gesteld om te kunnen vergewissen, of de door hem
bereden weg vrij was van enig verkeer,
- ( daarbij) in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990 een op dezelfde weg rijdende bestuurder van
een fiets, die zich rechts naast, dan wel dicht achter hem en/of dicht voor,
verdachte, bevond, niet voor heeft laten gaan en/of niet ongehinderd zijn weg laat
vervolgen en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement, niet de snelheid
van dat door hem bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) zodanig heeft
geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) tot
stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de Betuining kon overzien en
waarover deze vrij was/waren en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, voornoemde fiets en/of de
bestuurder van deze fiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is
gekomen en/of werd de bestuurder van deze fiets enige tijd meegevoerd door
verdachte over de Betuining en/of
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]
) werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 mei 2025 te Almelo, gemeente Almelo, als bestuurder van een
voertuig (bedrijfsauto, vrachtwagen), gaande in de richting van de Betuinging en
daarmede rijdende over de weg, de Ambachtstraat,
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl hij een rotonde naderde, welke rotonde is gevormd door/gelegen op de
kruising van de wegen, de Ambachtstraat, Bornerbroeksestraat en de Betuining
en/of
terwijl parallel aan de rotonde een fietssuggestiestrook ligt en/of
terwijl zich een bestuurder van een fiets rechts naast, dan wel dicht achter,
verdachte bevond en/of deze fietser al enige tijd zichtbaar was toen hij rechts van
verdachte aan kwam rijden en/of
bij het verlaten van de rotonde verdachte de tweede afslag heeft genomen teneinde
de Betuining op te rijden en/of daarmee het fietssuggestiestrook heeft gekruist
en/of
- zich niet of onvoldoende van heeft vergewist, dan wel zichzelf niet voldoende of
onvoldoende in staat heeft gesteld om te kunnen vergewissen, of de door hem
bereden weg vrij was van enig verkeer en/of
- ( daarbij) in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990 een op dezelfde weg rijdende bestuurder van
een fiets, die zich rechts naast, dan wel dicht achter hem en/of dicht voor,
verdachte, bevond, niet voor heeft laten gaan en/of niet ongehinderd zijn weg laat
vervolgen en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement, niet de snelheid
van dat door hem bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) zodanig heeft
geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) tot
stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de Betuining kon overzien en
waarover deze vrij was/waren en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, voornoemde fiets en/of de
bestuurder van deze fiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is
gekomen en/of werd de bestuurder van deze fiets enige tijd meegevoerd door
verdachte over de Betuining
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 mei 2025 te Almelo als bestuurder van een
bedrijfsauto/vrachtwagen op de voor het openbaar verkeer openstaande weg,
rotonde gevormd door de Ambachtstraat, Bornerbroeksestraat en de Betuining, bij
het naar rechts afslaan en/of bij het nemen van de tweede afslag van de rotonde,
teneinde de Betuining te rijden, een bestuurder van een fiets, die op dezelfde weg
en/of op de fietssuggestiestrook zich naast, althans zich rechts dicht achter hem
bevond, niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade
aan goederen is toegebracht.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat sprake is van aanmerkelijke schuld.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de snelheid van de vrachtwagen zodanig laag was dat hij normaal gesproken tot stilstand kon komen bij het tijdig opmerken van de fietser. Verdachte was niet verplicht zijn snelheid op de rotonde volledig tot nul terug te brengen. Verdachte kan alleen worden verweten dat hij geen voorrang heeft verleend. Onder verwijzing naar jurisprudentie heeft de verdediging bepleit dat deze verkeersfout niet is aan te merken als ‘aanmerkelijk onoplettend of onvoorzichtig’, zodat schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Deze verkeersfout levert wel een overtreding op van artikel 5 WVW 1994, zodat het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
De feiten en omstandigheden
Op grond van het dossier en de behandeling ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
- Het ongeval
Verdachte reed op 23 mei 2025 beroepsmatig als bestuurder in een vrachtwagen over de Ambachtstraat in Almelo in de richting van de rotonde, die wordt gevormd door de kruisingen van de Ambachtstraat, Bornerbroeksestraat en de Betuining. Verdachte was ter plaatse goed bekend. Het latere slachtoffer ( [slachtoffer] , hierna: [slachtoffer] ) fietste over het fietspad op de Bornerbroeksestraat in de richting van diezelfde rotonde.
De rotonde was voorzien van een fietssuggestiestrook. Deze fietssuggestiestrook is gedeeltelijk door verhoogde geleiders gescheiden van de hoofdrijbaan. Bestuurders die de rotonde verlaten en de Betuining oprijden, moeten bestuurders op de fietssuggestiestrook voor laten gaan. Dit wordt door attentieverhogende blokmarkeringen aan weerszijden van de fietssuggestiestrook op het wegdek kenbaar gemaakt.
Om zijn route te kunnen vervolgen, verliet verdachte de rotonde bij de tweede afslag, naar de Betuining. Daar kruiste verdachte de fietssuggestiestrook en heeft hij [slachtoffer] , die daar op dat moment fietste, aangereden. [slachtoffer] werd door de vrachtwagen circa 110 meter meegesleurd over de Betuining, totdat verdachte de vrachtwagen op een groenstrook tot stilstand bracht. Kort na het ongeval is [slachtoffer] overleden. Hij was 14 jaar oud.
- Onderzoek door de politie en reconstructie
Door de politie is een onderzoek ingesteld naar de oorzaak van het ongeval. De politie heeft vastgesteld dat het zicht van verdachte niet belemmerd werd door de wegsituatie of de inrichting van de weg.
Uit analyse van de data van de tachograaf in de vrachtwagen komt naar voren dat verdachte met de vrachtwagen met een snelheid tussen de 15 en 23 km/u op de rotonde reed. Daarbij reed de vrachtwagen vanuit stilstand de rotonde op en verliet deze met een snelheid van 23 km/u zonder snelheid te minderen.
Op 4 juli 2025 heeft een reconstructie plaatsgevonden op de plaats van het ongeval om te onderzoeken welk zicht op [slachtoffer] verdachte had vanuit de cabine van de vrachtwagen op meerdere momenten kort voor het ongeval. Verder is berekend dat [slachtoffer] voor het aanrijden van de rotonde met een gemiddelde snelheid van 21 km/u fietste op een niet elektrisch ondersteunde fiets. In verband met een eventuele meetonnauwkeurigheid en omdat niet zeker is dat [slachtoffer] met die constante snelheid tot aan het botspunt heeft gefietst, is bij de reconstructie rekening gehouden met een afwijking van +/- 2 km/u.
Uit deze zichtreconstructie komt onder meer naar voren dat vanaf zes tot één seconde voor de aanrijding, terwijl [slachtoffer] in die tijdsspanne al op de fietssuggestiestrook fietste, over een periode van vijf seconden in de meeste gevallen de volledige romp en het onderlijf van [slachtoffer] en een groot deel van de fiets zichtbaar moet zijn geweest voor verdachte. In de gevallen waarin dit niet het geval was, was in ieder geval wel zicht op het hoofd en een deel van de fiets van [slachtoffer] . Eén seconde voor de aanrijding was in alle gevallen – naast de hand of handen van [slachtoffer] op de handvatten van het fietsstuur – zijn volledige romp zichtbaar voor verdachte.
Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting verklaard dat hij [slachtoffer] op geen enkel moment heeft zien fietsen. Verdachte heeft ook verklaard dat hij bij het verlaten van de rotonde de vrachtwagen heeft laten doorrollen en niet tot stilstand heeft gebracht. Als hij [slachtoffer] had zien fietsen had hij dat uiteraard wel gedaan.
De overwegingen van de rechtbank
- De beoordeling van de feiten
De rechtbank stelt vast dat er geen discussie bestaat over wat er feitelijk is gebeurd op 23 mei 2025. Naar het oordeel van de rechtbank zijn alle ten laste gelegde gedragingen wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal hierna uiteenzetten dat verdachte door zijn gedragingen schuld heeft aan het verkeersongeval. Daarnaast zal zij beoordelen in welke mate er sprake is van schuld.
Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet
Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW1994, moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid en/of onachtzaamheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW1994. Een enkel moment van onoplettendheid, is over het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld.
De rechtbank is van oordeel dat de bewezen gedragingen van verdachte, zoals hiervoor weergegeven onder de feiten en omstandigheden, het ongeval hebben veroorzaakt en de conclusie rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval.
Verdachte heeft nagelaten de snelheid van de vrachtwagen zodanig aan te passen dat hij nog in staat was de vrachtwagen tijdig stil te kunnen zetten of vaart te minderen en voorrang te verlenen aan [slachtoffer] , ten gevolge waarvan een aanrijding heeft plaatsgevonden met dodelijke afloop.
De mate van schuld
De rechtbank stelt voorop dat verdachte een ervaren beroepschauffeur is die op een zware (met zand beladen) vrachtwagen reed. Van een beroepschauffeur mag meer worden verwacht dan van een gewone verkeersdeelnemer. Verdachte weet als beroepschauffeur op een zware vrachtauto dat een bocht naar rechts naast een fietssuggestiestrook zeer behoedzaam dient te worden gemaakt, nu zich daar per definitie kwetsbare verkeersdeelnemers kunnen bevinden en tegelijkertijd de kans op ernstig letsel bij een kwetsbare verkeersdeelnemer door een botsing met een vrachtauto groot is. Gelet op de snelheden waarmee verkeersdeelnemers op de fietssuggestiestrook kunnen naderen dient door bestuurders van motorvoertuigen, en zeker van zware vrachtauto’s, uiterste voorzichtigheid te worden betracht bij het verlaten van de rotonde. De rotonde overzien bij het oprijden ervan is niet voldoende om de risico’s in te schatten. Gelet hierop mocht van verdachte worden verwacht dat hij een bijzondere zorgvuldigheid zou betrachten tijdens het rijden op en bij het verlaten van de rotonde. Het goed en zorgvuldig kijken in de spiegels en steeds alert blijven op eventuele (nieuwe) verkeersdeelnemers op de rotonde is daarbij cruciaal.
Verdachte heeft verklaard [slachtoffer] in het geheel niet gezien te hebben toen hij met de vrachtwagen op de rotonde reed. De rechtbank constateert dat, gelet op de verkeerssituatie ter plaatse in combinatie met de resultaten van de zichtreconstructie, verdachte in ieder geval gedurende vijf seconden [slachtoffer] had kunnen en moeten waarnemen toen hij met de vrachtwagen op de rotonde reed en daar zijn verkeersgedrag op had moeten aanpassen. Immers, vanaf zes tot één seconde voor de aanrijding, toen [slachtoffer] al op de fietssuggestiestrook fietste, was hij gedeeltelijk zichtbaar voor verdachte. Door tijdens het rijden op de rotonde niet oplettend te zijn op nieuwe verkeersdeelnemers op de fietssuggestiestrook en bij het verlaten van de rotonde geen vaart te minderen of zijn vrachtwagen niet volledig tot stilstand te brengen en niet goed en zorgvuldig te kijken in de beschikbare spiegels om te kunnen overzien of de weg vrij was van kruisend verkeer, heeft verdachte niet de zorgvuldigheid betracht die van hem, als beroepschauffeur van een vrachtwagen, mocht worden verwacht. De rechtbank wijst daarbij op het feit dat uit de gegevens uit de tachograaf blijkt dat de snelheid van verdachte juist accelereerde van stilstand voor het oprijden tot 23 km/u bij het verlaten van de rotonde.
Nu verdachte op meerdere momenten gedurende een periode van vijf seconden op de rotonde [slachtoffer] heeft kunnen en moeten zien fietsen en daarop had moeten anticiperen, is geen sprake van enkel een ‘momentane onoplettendheid’.
Zodanig verkeersgedrag kan, naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, de gevolgtrekking dragen dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte als bedoeld in artikel 6 WVW 1994 te wijten is.
Gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden.
- Conclusie
Al het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 23 mei 2025 te Almelo, gemeente Almelo, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto, vrachtwagen), gaande in de richting van de Betuining en daarmede rijdende over de weg, de Ambachtstraat, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl hij een rotonde naderde, welke rotonde is gevormd door/gelegen op de kruising van de wegen, de Ambachtstraat, Bornerbroeksestraat en de Betuining en/of
terwijl parallel aan de rotonde een fietssuggestiestrook ligt en/of
terwijl zich een bestuurder van een fiets rechts naast, dan wel dicht achter, verdachte bevond en/of deze fietser al enige tijd zichtbaar was toen hij rechts van verdachte aan kwam rijden en/of
bij het verlaten van de rotonde verdachte de tweede afslag heeft genomen teneinde
de Betuining op te rijden en/of daarmee het fietssuggestiestrook heeft gekruist
en/of
zich er niet of onvoldoende van heeft vergewist, dan wel zichzelf niet voldoende of
onvoldoende in staat heeft gesteld om te kunnen vergewissen, of de door hem
bereden weg vrij was van enig verkeer,
- ( daarbij) in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een op dezelfde weg rijdende bestuurder van een fiets, die zich rechts naast, dan wel dicht achter hem en/of dicht voor, verdachte, bevond, niet voor heeft laten gaan en/of niet ongehinderd zijn weg laat vervolgen en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement, niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de Betuining kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, voornoemde fiets en/of de bestuurder van deze fiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen en/of de bestuurder van deze fiets enige tijd werd meegevoerd door
verdachte over de Betuining en/of
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 6 en 175 WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
primair
het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat – met inachtneming van de omstandigheid dat de gevolgen voor de nabestaanden vele malen groter zijn dan voor verdachte – het ongeval voor verdachte ook grote gevolgen heeft gehad. Verdachte heeft na het ongeval langdurig thuis gezeten, werken lukte hem niet meer. Verdachte is uiteindelijk via zijn huisarts doorverwezen voor psychische ondersteuning. Het ergste voor verdachte is dat hij altijd zal moeten leven in de wetenschap dat hij een veertienjarige jongen heeft doodgereden. Dit blijft voor hem loodzwaar en het lukt hem helaas tot op heden niet het ongeval enigszins te verwerken.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft als bestuurder van een met zand beladen vrachtwagen op de rotonde een verkeersongeval veroorzaakt, door bij het verlaten van de rotonde geen voorrang te verlenen aan [slachtoffer] die daar op dat moment fietste. Omdat verdachte [slachtoffer] niet heeft zien fietsen en geen moment in de gaten had dat hij [slachtoffer] had aangereden, is [slachtoffer] nog zo’n 110 meter met de vrachtwagen meegesleurd alvorens verdachte zijn vrachtwagen – na toeteren door een tegenligger – stil heeft gezet. Als gevolg van dit ongeval is [slachtoffer] overleden. Hij mocht slechts veertien jaar oud worden. Niet alleen [slachtoffer] is hiermee op gruwelijke wijze de kans ontnomen om te genieten van alles wat het leven hem te bieden had, ook de nabestaanden van [slachtoffer] is hierdoor een onherstelbaar leed aangedaan. Zij zijn voor het leven getekend door het ongeval en het verlies van [slachtoffer] . De broer en moeder van [slachtoffer] hebben ter zitting op indrukwekkende en invoelbare wijze onder woorden gebracht hoezeer zij en andere nabestaanden zijn getroffen door het verlies van [slachtoffer] .
De rechtbank realiseert zich dat het leed bij de nabestaanden ook door strafoplegging niet ongedaan gemaakt kan worden. Geen enkele straf zal recht doen aan het gemis dat de ouders, broers en zus en de andere nabestaanden hun leven lang nog zullen ervaren.
Wat betreft de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot overtreding van artikel 6 WVW 1994. Deze oriëntatiepunten vormen een uitgangspunt van denken voor de oplegging van straffen in soortgelijke situaties.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte dit ongeval en het tragische gevolg nooit heeft gewild. Verdachte zal moeten leven met de gevolgen van zijn verkeersfouten en het leed dat hij hierdoor veroorzaakt heeft. Ter zitting is gebleken dat hij zich hiervan zeer bewust is. Ook voor hem zijn de gevolgen onomkeerbaar.
De rechtbank houdt daarnaast ook rekening met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden moet worden opgelegd.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c, 22d Sr en artikel 179 WVW 1994.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
- ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 (zes) maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Rikken, voorzitter, mr. E. Venekatte en
mr. A.N. Neumann, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2025239627. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte.
Ik reed op 23 mei 2025 beroepsmatig in mijn vrachtwagen op de Ambachtstraat in Almelo in de richting van de rotonde, die wordt gevormd door de kruisingen van de Ambachtstraat, Bornerbroeksestraat en de Betuining. Ik ben daar ter plaatse goed bekend. Bij het verlaten van de rotonde bij de tweede afslag richting de Betuining heb ik [slachtoffer] aangereden, die op de rotonde reed met zijn fiets. Pas toen ik verderop in de Betuining mijn vrachtwagen tot stilstand bracht, kwam ik tot de ontdekking dat ik hem had aangereden. Ik ben de rotonde vanuit stilstand opgereden en bij het afrijden van de rotonde ben ik niet gestopt.
Het proces-verbaal FO Verkeer betreffende een forensisch onderzoek op de plaats delict, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 15 e.v.
Op vrijdag 23 mei 2025 omstreeks 13:35 uur, had op de Betuining, gelegen binnen de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Almelo in de gemeente Almelo het verkeersongeval plaatsgevonden. De onderzoekslocatie betrof de rotonde die aansluiting had met de Ambachtstraat, Bornerbroeksestraat en Betuining. Wij zagen dat de rotonde, aanrijdend vanuit de Ambachtstraat was voorzien van een fietssuggestiestrook. Wij zagen dat deze
fietssuggestiestrook gedeeltelijk door middel van verhoogde geleiders gescheiden was van de
hoofdrijbaan. Bestuurders die de rotonde verlieten en de Betuining insloegen, dienden bestuurders op de fietssuggestiestrook voor te laten gaan. Dit werd door middel van attentieverhogende blokmarkeringen op het wegdek, aan beide zijden van de fietssuggestiestrook kenbaar gemaakt.
Op basis van de beschadiging op de rugzak, voetbalschoenen, softshell jas met capuchon en de eindpositie van het slachtoffer maken wij op dat het slachtoffer vanaf de rotonde tot diens eindpositie meegevoerd moet zijn met de vrachtwagen.
Op vrijdag 23 mei 2025 omstreeks 13:35 uur reed de bestuurder van de betrokken vrachtwagen over de Ambachtstraat, komende vanaf de Henriëtte Roland Holstlaan. Vervolgens nam de bestuurder van de betrokken vrachtwagen de 2e afslag, de fietssuggestiestrook kruisend, en vervolgde zijn weg over de Betuining.
Op ditzelfde tijdstip fietste de betrokken fietser over het brom/fietspad parallel aan de
Bornerbroeksestraat, gaande in de richting van de rotonde Betuining/ Ambachtstraat/
Bornerbroeksestraat. De fietser volgde de rotonde over de parallel liggende fietssuggestiestrook. Toen de bestuurder van de vrachtwagen de rotonde verliet en de Betuining insloeg, liet de bestuurder van de vrachtwagen de betrokken fietser, die op dat moment op de fietssuggestiestrook fietste, niet voorgaan. Als gevolg van het niet voor laten gaan kwamen de betrokken vrachtwagen en fietser met elkaar in aanraking, werd de fietser voor een langere afstand meegevoerd over de Betuining. Vlak voor de eindpositie van de vrachtwagen reed de bestuurder van de vrachtwagen de groenstrook op waardoor de fietser onder de vrachtwagen door ging. De fietser overleed als gevolg van het letsel wat de fietser
hierbij opliep.
Het proces-verbaal FO verkeer betreffende analyse Tachograafdata, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 85 e.v.
De vrachtwagen reed met een snelheid tussen de 15 en 23 km/u op de rotonde waarbij de
vrachtwagen vanuit stilstand opreed en de rotonde verliet met een snelheid van 23 km/u. De vrachtwagen heeft stil gestaan voor het oprijden van de rotonde en verliet de rotonde zonder
snelheid te minderen. De vrachtwagen kwam tot stilstand op circa 110 meter voorbij de rotonde.
Het proces-verbaal zichtreconstructie, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 100 e.v.
Met behulp van een computersimulatie kon de tijd als het ware worden teruggespoeld vanaf het moment van de botsing. Door een reconstructie op de plaats van het delict te houden werd het zicht van de vrachtwagenchauffeur in de 11 seconden voor het ongeval vastgelegd en geanalyseerd. Voor de snelheid van de fietser is in deze zichtreconstructie een snelheid aangenomen die werd bepaald op een eerder traject. Een snelheid van 19, 21 en 23 km/u. Wanneer de snelheid van de fietser lager had gelegen dan 19 km/u, had de vrachtwagenchauffeur langer en vollediger zicht gehad op de fietser.
Vanaf 6 tot 1 seconde voor de aanrijding was over een periode van 5 seconden in de meeste
uitgewerkte scenario’s de volledige romp, het onderlijf en een groot deel van de fiets zichtbaar voor de vrachtwagenchauffeur. De fietser bevond zich op dat moment op de rijbaan van de rotonde. In twee scenario’s (2 van 15) was gedurende een moment, korter dan 1 seconde, niet de volledige romp, het onderlijf en een groot deel van de fiets zichtbaar. In die twee scenario’s was er wel zicht op het hoofd van de fietser en een deel van de fiets.
1. seconde voor de aanrijding waren in alle uitgewerkte scenario’s de volledige romp van de fietser zichtbaar. Daarnaast was/waren een of beiden handen van de fietser zichtbaar op de handvatten van het fietsstuur. De rest van de fiets was niet meer zichtbaar voor de vrachtwagenchauffeur.
Aan de hand van de uitgevoerde zichtreconstructie bleek mij dat dat de bestuurder van de vrachtauto goed en voldoende zicht op de fietser moet hebben gehad over een periode van minstens 6 seconden, kort en vrijwel direct voor de aanrijding.
De begroeiing in de omgeving van het ongeval was niet van invloed op het ontstaan van het ongeval.
Het geschrift, te weten een schouwverslag van [slachtoffer] opgemaakt door
N.D.J. Van Oosten, forensisch arts KNMG op 23 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven.
Bij de schouw is zeer uitgebreid letsel zichtbaar, passend bij samendrukkend geweld op de borstkas, thorax, het hoofd en de ledematen. Er is geen enkele aanwijzing dat een oorzaak anders dan het verkeerstrauma de dood van BE heeft veroorzaakt.
Conclusie
Niet natuurlijk overlijden van een 14-jarige jongen ten gevolge van grote geweldsinwerking op het lichaam, passend bij de gemelde toedracht, te weten een verkeersongeval fiets versus vrachtwagen met meesleuren van het lichaam.