ECLI:NL:RBOVE:2026:6167

ECLI:NL:RBOVE:2026:6167

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 15-10-2026
Zaaknummer 08.164423.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 32-jarige man tot een gevangenisstraf van zeven jaren. De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van en de handel in cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.164423.25

Datum vonnis: 14 oktober 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ,

thans verblijvende in P.I. [locatie] .

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 mei 2026, 23 juli 2026 en 23 september 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. C.C. Polat, advocaat in Breukelen, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in vereniging schuldig heeft gemaakt aan:

feit 1: het afleveren/ verstrekken/ vervoeren/ aanwezig hebben van cocaïne in de periode van 1 oktober 2024 tot en met 11 februari 2025 in Deventer.

feit 2: het afleveren/ verstrekken/ vervoeren/ aanwezig hebben van cocaïne in de periode van 5 tot en met 30 november 2024 in Deventer.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

feit 1 hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 oktober 2024 tot en met 11 februari 2025 te Deventer en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, grote hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, te weten (ongeveer) 33 blokken/kilogram en/of (ongeveer) 120 kilogram, in elk geval een of meer (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2 hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 5 tot en met 30 november 2024 te Deventer en/of (elders) in Nederland, (anders dan omschreven/tenlastegelegd onder feit 1), tezamen en in vereniging met een anderof anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, te weten:- op of omstreeks 5 november 2024 (ongeveer) 39 gevulde zakken, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,- op of omstreeks 8 november 2024 (ongeveer) 61 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,- op of omstreeks 10 november 2024 (ongeveer) 51 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,- op of omstreeks 20 november 2024 (ongeveer) 3 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,- op of omstreeks 21 november 2024 (ongeveer) 10 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,- op of omstreeks 26 november 2024 (ongeveer) 70 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of- op of omstreeks 30 november 2024 (ongeveer) 9 en/of 10 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,zijnde (telkens) cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3. De bewijsmotivering

Inleiding

Op 11 februari 2025 heeft een gewelddadige overval plaatsgevonden op een woning aan de [adres 2] , alwaar mevrouw [medeverdachte 1] (verder te noemen: [medeverdachte 1] ) woonachtig was. Uit bevindingen van het onderzoek is het vermoeden ontstaan dat de woning een stashplek zou betreffen voor cocaïne en dat verdachte en zijn medeverdachten betrokken zouden zijn bij de handel in cocaïne.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, met uitzondering van de gedachtestreepjes onder feit 2 dat ziet op 5 november 2024, 8 november 2024, 20 november 2024 en 21 november 2024.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de ten laste gelegde feiten. Het toeschrijven van de signal accounts ‘ [account 1] ’ en ‘ [account 2] ’ door middel van de stemherkenning kan geen standhouden, nu de herkenning niet door een deskundige is gedaan. Ook kan anderszins niet gesteld worden dat verdachte de gebruiker was van dit account.

Verdachte heeft geen wetenschap gehad van en beschikkingsmacht gehad over de 120 kilogram drugs onder feit 1. Ook kan bij feit 1 medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Verder is niet vast te stellen dat het bij de 33 kg onder feit 1 en bij feit 2 om cocaïne ging.

Het oordeel van de rechtbank

Identificaties van de accounts

In dit strafdossier zitten chatgesprekken tussen gebruikers van diverse Signal accounts. De rechtbank moet allereest de vraag beantwoorden of verdachte en zijn medeverdachten kunnen worden geïdentificeerd als de gebruikers van deze Signal accounts.

Op 11 maart 2025 werd onder [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) een mobiele telefoon van het merk Google Pixel in beslag genomen, waarin onder meer een Signal chat is aangetroffen tussen de gebruiker van deze telefoon met het account ‘ [account 3] ’ en het account ‘ [account 4] ’. Op 11 maart 2025 heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij gebruik maakte van het Signal account

‘ [account 3] ’.

Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het account ‘ [account 4] ’. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit tapgesprekken blijkt dat de woning van ‘ [account 4] ’ fungeerde als stashplek, dat [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de woning van [medeverdachte 1] als stashplek werd gebruikt en dat de video in het dossier waarop blokken te zien zijn, naar het oordeel van de rechtbank is opgenomen in het huis van [medeverdachte 1] . Verder heeft [medeverdachte 1] in haar aangifte verklaard dat haar telefoon tijdens de overval is weggenomen, welke telefoon was voorzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . In de onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen telefoon zijn chats aangetroffen tussen [medeverdachte 2] en dit telefoonnummer van [medeverdachte 1] , die betrekking hebben op het betalen van € 4.000,00 aan [medeverdachte 1] voor het ter beschikking stellen van haar woning. In een tapgesprek van 8 januari 2025 om 12:14 uur wordt verder gesproken over ‘4k’ en ‘4 doezoe’ (de rechtbank begrijpt € 4.000,00) die [account 4] /stash krijgt en op 8 januari 2024 om 16:12 uur wordt gezegd dat [account 4] ‘4 doezoe gaat krijgen maar dat dit teveel is, omdat er bijna niets ligt’. Bovendien komt uit tapgesprekken naar voren dat ‘ [account 4] ’ spreekt over haar zus en een kleine, wat overeenkomt met het feit dat [medeverdachte 1] een zus en een dochter heeft.

Op 3 juni 2025 werd [verdachte] aangehouden in zijn woning in [plaats 1] . Tijdens de doorzoeking in zijn woning werden twee smartphones in beslag genomen, te weten een Apple iPhone 16 Pro en een Google Pixel.

Uit onderzoek aan de inbeslaggenomen Google Pixel telefoon is naar voren gekomen dat deze telefoon in gebruik is geweest bij [verdachte] en dat de gebruiker van deze telefoon achtereenvolgend gebruik heeft gemaakt van de volgende Signal accounts: ‘ [account 5] ’, ‘ [account 1] ’, ‘ [account 2] ’, ‘ [account 2] /// [account 6] ’, ‘ [account 7] ’ en ‘ [account 8] ’.

Uit onderzoek aan de Apple iPhone 16 Pro is gebleken dat [verdachte] gebruik maakte van deze telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] en dat de stem van [verdachte] overeenkwam met die van de gebruiker van de accounts ‘ [account 1] ’ en ‘ [account 2] ’. Dit komt overeen met de verklaring van [medeverdachte 2] die hij aflegde op 11 maart 2025 en die inhield dat [bijnaam 5] gebruik maakte van het account ‘ [account 2] ’ , waarbij de rechtbank overweegt dat hij hiermee [verdachte] bedoelt. Uit onderzoek is verder gebleken dat de gebruiker van de Signal accounts ‘ [account 1] ’ en ‘ [account 2] ’ ook de gebruiker was van de Signal accounts ‘ [account 9] ’ en ‘ [account 10] ’.

Ten aanzien van de stemherkenning door de verbalisant overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal genoegzaam is gebleken hoe de stemherkenning tot stand is gekomen en dat er geen concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid van de stemherkenning door de verbalisant. Bovendien wordt de stemherkenning ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier.

Op 3 juni 2025 werd [medeverdachte 3] aangehouden in zijn woning in [plaats 2] . Tijdens de doorzoeking in zijn woning werden twee iPhones en een Google Pixel telefoon inbeslaggenomen. [medeverdachte 3] gaf aan dat de Google Pixel telefoon van hem was. Op deze Google Pixel telefoon werden drie user accounts aangetroffen, waaronder het Signal account ‘ [account 11] ’. Dit komt overeen met de verklaring die [medeverdachte 2] op 11 maart 2025 aflegde, inhoudende dat [naam 4] (fonetisch) gebruik maakte van het account ‘ [account 11] ’, waarbij de rechtbank overweegt dat hij hiermee [medeverdachte 3] bedoelt. Dit komt verder overeen met het onderzoek aan de telefoon van [verdachte] , waarin het telefoonnummer van de neef van [verdachte] , [medeverdachte 3] , staat opgeslagen als ‘ [bijnaam 1] ’ en dat deze gebruik maakte van het Signal account ‘ [account 11] ’.

Uit onderzoek is voorts gebleken dat de gebruiker van het account ‘ [account 11] ’ ook de gebruiker is van de accounts ‘ [account 12] ’ en ‘ [account 13] ’.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat:

[medeverdachte 2] de gebruiker was van het account ‘ [account 3] ’;

[medeverdachte 1] de gebruiker was van het account ‘ [account 4] ’;

[medeverdachte 3] de gebruiker was van de accounts ‘ [account 12] ’, ‘ [account 11] ’ en ‘ [account 13] ’ en;

[verdachte] de gebruiker was van de accounts ‘ [account 9] ’, ‘ [account 10] ’, ‘ [account 1] ’ en ‘ [account 2] ’.

De rechtbank zal de gebruikers van deze accounts in dit vonnis aanduiden met de namen van de verdachten.

Tenlastegelegde feiten

3.4.2.1 feit 1

Onder feit 1 wordt verdachte verweten dat hij in de periode van 1 oktober 2024 tot en met 11 februari 2025 in Deventer samen met anderen grote hoeveelheden cocaïne, te weten 120 kilogram en 33 kilogram, opzettelijk aanwezig heeft gehad, dan wel deze hoeveelheden opzettelijk heeft afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd.

120 kilogram

Op 11 februari 2025 heeft [medeverdachte 1] aangifte gedaan van een overval in haar flatwoning gelegen aan de [adres 2] op dezelfde dag. Zij heeft verklaard dat er die ochtend een man in haar woning stond, dat die man haar vastbond en geld, twee iPhones en een ketting heeft weggenomen.

[medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting van 7 mei 2026 verklaard dat zij [medeverdachte 2] toestemming had gegeven om spullen in haar woning te leggen en dat zij voor de overval eenmalig verpakte blokken in haar woning had gezien.

Uit tapgesprekken op 8 januari 2025 volgt dat [medeverdachte 1] voor het ter beschikking stellen van haar woning € 4.000,00 per maand kreeg van [medeverdachte 3] , waarbij hij in een van deze tapgesprekken aangaf dat dit eigenlijk te veel geld is omdat er op dat moment heel weinig lag. [medeverdachte 1] zegt in dit gesprek tegen [medeverdachte 3] dat zij volgens de afspraak betaald moet worden, omdat zij haar sleutel hebben, er wel iets ligt en zij alsnog een risico loopt. Op 8 januari 2025 om 12:14 uur stuurt [medeverdachte 3] een spraakbericht naar [medeverdachte 2] waarin hij zegt dat ze vanaf volgende maand weer volop beginnen en dat het meisje (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) dan weer zal worden betaald.

In een telefoongesprek zegt de zus van [medeverdachte 1] boos tegen [medeverdachte 2] “Wtfff man ff serieus, hoe kan je haar in die shit mengen. Ook al wou ze zelf, hoe haal je in je hoofd om dit in een huis waar een kind verblijft aan te bieden! Vind echt erg! Gelukkig was me nichtje niet thuis. K hoop dat [medeverdachte 1] zo harde kkkk klappen krijgt van [bijnaam 2] dat ze dit nooit meer in der hoofd haalt. Onverantwoordelijk! En dat noemt zich moeder! K zweer ik als ik haar zie k klap haar. Dom wijf.”

[naam 1] (hierna: [naam 1] ), de buurvrouw van [medeverdachte 1] , heeft op 11 februari 2025 verklaard dat zij die dag rond 10:20 uur [medeverdachte 1] vastgebonden aantrof. Toen [naam 1] de politie wilde bellen hield [medeverdachte 1] haar tegen en zei “je kent niet het hele verhaal dus niet bellen”. Even later zei [medeverdachte 1] dat er meer speelde en ze bang was dat haar dochtertje bij haar weggenomen zou worden. [naam 1] zag dat [medeverdachte 1] angstig was. Toen [naam 1] vroeg of [medeverdachte 1] iets voor iemand moest bewaren, zei zij dat ze een paar blokken drugs voor iemand in huis bewaarde. Verder verklaarde [naam 1] dat [medeverdachte 1] na de overval [medeverdachte 2] belde en vertelde dat er iemand bij haar binnen was gekomen op zoek naar geld en spul, waarna [medeverdachte 2] aangaf direct te komen. Toen [medeverdachte 2] bij de woning aankwam gaf [naam 1] aan dat [medeverdachte 2] zijn spullen moest meenemen en dat zij de politie ging bellen, waarna [medeverdachte 2] haar geld bood om dat niet te doen. [medeverdachte 2] verliet de woning met twee grote gevulde tassen.

Op 13 februari 2025 vertelde [medeverdachte 2] aan de meldkamer van de politie dat hij was benaderd door een man die vermoedde dat hij achter de woningoverval aan de [adres 2] zat, waarbij drugs, twee telefoons en een ketting waren buitengemaakt en dat hij bang was dat hij zou worden gekidnapt.

Op 5 maart 2025 belde [medeverdachte 2] naar de politie en verklaarde dat hij een grote hoeveelheid cocaïne is kwijtgeraakt uit een stashplek waar hij verantwoordelijk voor wordt gehouden. Op 11 maart 2025 heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij naar het politiebureau is gekomen omdat hij wordt bedreigd. Verder verklaarde hij dat hij een stashplek kent waar mensen drugs bewaren, dat die stashplek zich bevindt in het huis van [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ) en dat hier op 11 februari 2025 48 kilogram cocaïne is gestolen. [medeverdachte 2] verklaarde dat de cocaïne van de groep van [bijnaam 3] is en dat hij dat gehoord had van de persoon die gebruik maakt van de naam ‘ [bijnaam 4] ’ en van [verdachte] . [medeverdachte 2] verklaarde dat hij en zijn familie worden bedreigd om hem onder druk te zetten om de cocaïne terug te krijgen. Hij verklaarde verder camerabeelden met daarop personen (de rechtbank begrijpt dat [medeverdachte 2] hiermee doelde op personen die te maken hebben met de overval bij [medeverdachte 1] ) te hebben gestuurd naar een Signal groep waaraan onder meer deelnemen [medeverdachte 3] en [verdachte] en de jongens van [bijnaam 3] .

Op 7 april 2025 heeft [medeverdachte 2] in een aanvullende verklaring verklaard dat er in het huis aan de [adres 2] (de rechtbank begrijpt de [adres 2] ) 120 kilogram harddrugs lag, waarvan 48 kilogram op 11 februari 2025 is gestolen. Hij had de harddrugs samen met een andere jongen in deze woning neergezet en had hiervan een filmpje gemaakt. Hij verklaarde dat er 120 blokken cocaïne verpakt in zes verhuisdozen met een blauw opschrift in de woning lagen opgeslagen en dat er in elke doos 20 blokken lagen van één kilogram per stuk. Hij verklaarde dat hij de beheerder van de stash was, dat hij goed kan leven van de vergoeding die hij hiervoor krijgt en dat hij door de eigenaar van de cocaïne verantwoordelijk wordt gehouden voor de diefstal van de cocaïne.

In een naamloze Signal chatgroep waaraan onder meer deelnamen [medeverdachte 3] en [verdachte] werden door een gebruiker met de gebruikersnaam [account 14] vier filmpjes gestuurd. Op twee filmpjes die een gebruiker met de naam [account 14] op 8 februari 2025 stuurde was het stempel “TUMI” te zien en op het blok rechts onderin staat het getal “33” geperst.

Op 9 februari 2025 heeft [medeverdachte 2] in de avond enkele malen telefonisch contact met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] draagt hem om 18:37 uur op om om 19:14 uur klaar te gaan staan bij [adres 3] , waarna [medeverdachte 2] om 19:14 uur zegt dat hij elk moment daar is. [medeverdachte 2] zegt in het tapgesprek d.d. 14 februari 2025 dat “die dingen” zondag (de rechtbank begrijpt 9 februari 2025) zijn gekomen. [medeverdachte 3] zegt op 9 februari 2025 om 20:04 uur dat [medeverdachte 2] een video moet maken en dat er daar 120 moeten zijn.

Die avond rond 20:00 uur heeft [medeverdachte 2] een video gemaakt die is aangetroffen op de iPhone 12 die onder [medeverdachte 2] in beslag is genomen. Op deze video is een zestal verhuisdozen (van de Gamma, met blauw opschrift) te zien met daarin blokken voorzien van de opdruk en/of de stempel 'TUMI'. In iedere doos lijken 20 blokken te zitten, en er zijn 6 dozen te zien op de video. Als alle dozen 20 blokken cocaïne zouden bevatten, komt het totaal neer op 120 blokken cocaïne. Uit onderzoek is gebleken dat de video is opgenomen in de woning aan de [adres 2] . Dit komt overeen met de verklaring van [medeverdachte 2] op 7 april 2025. Op 9 februari 2025 om 20:06 uur heeft [medeverdachte 2] dit filmpje gestuurd naar [medeverdachte 3] .

In een naamloze Signal chatgroep waaraan onder meer [medeverdachte 3] en [verdachte] deelnamen, stuurde [medeverdachte 3] op 10 februari 2025 drie filmpjes waarbij TUMI blokken te zien zijn. Verder wordt uit de chat duidelijk dat de groep op 10 en 12 februari 2025 beschikt over TUMI blokken en dat er tenminste één blok werd afgeleverd in Utrecht.

Op 11 februari 2025, de dag van de overval op de woning aan de [adres 2] , wordt [medeverdachte 2] om 11:12 uur gebeld door [medeverdachte 1] . Om 11:13 uur belt [medeverdachte 2] vervolgens met [verdachte] , om 11:16 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [medeverdachte 3] , waarna [medeverdachte 2] om 11:17 uur wederom met [verdachte] belt. Om 11:22 uur stuurt [verdachte] een WhatsApp bericht aan [medeverdachte 2] met de tekst “Broooo bell me aub met wat gaande is”. Om 11:38 uur draagt [verdachte] [medeverdachte 2] op om “alles daar weg te halen” en om 13:19 uur zegt [verdachte] dat hij een vacuümapparaat en zakken weg moest halen. Uit de locatiegegevens van de iPhone 12 van [medeverdachte 2] blijkt dat deze telefoon zich tussen 12:10 uur en 13:55 uur dicht in de buurt van de [adres 2] bevond.

In de Google Pixel telefoon inbeslaggenomen onder [medeverdachte 3] werd een Signal chat genaamd “ [account 15] ” aangetroffen. In deze Signal chatgroep wordt op 11 februari 2025 gepraat over 120 Tumi blokken die weg zouden zijn en dat “120x” bij “ [account 4] ” lag (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ). Aan deze chatgroep namen onder meer [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] deel. [verdachte] stuurt in deze chat op 11 februari 2025 een filmpje van een man die 72 Tumi blokken telt in de Arabische taal, waarna wordt gezegd “dus die 48x tumi hebben ze gepakt”. De achtergrond, de vloer en de opdruk (op de blokken staat Tumi en het getal 33) komen overeen met het filmpje dat in de iPhone 12 van [medeverdachte 2] is aangetroffen en die gemaakt was in de woning aan de [adres 2] .

Op 14 februari 2025 zegt [medeverdachte 2] in een telefoongesprek dat hij door [bijnaam 3] onder druk wordt gezet om te achterhalen wie de cocaïne heeft weggenomen en dat deze [bijnaam 3] het verlies moet goedmaken met zijn eigen geld. Dat [medeverdachte 2] onder druk is gezet door ‘ [bijnaam 3] ’ blijkt ook uit onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte 2] . Uit het tapgesprek van 17 februari 2025 blijkt dat [medeverdachte 2] samen met [medeverdachte 1] en haar broer buurtonderzoek heeft gedaan in de buurt van de [adres 2] om camerabeelden te verkrijgen met als doel de overvaller te identificeren. Dit blijkt ook uit een buurtonderzoek dat op 17 april 2025 werd uitgevoerd. In een groepschat waaraan onder meer [verdachte] en [medeverdachte 2] deelnemen zegt [medeverdachte 2] op 14 februari 2025 dat hij op 15 februari 2025 naar een vrouw gaat voor beelden die ze hem gaat laten zien en zegt [verdachte] in deze chat “okay” als [medeverdachte 2] zegt dat hij met de broer van [medeverdachte 1] op zoek gaat naar camerabeelden. Op 14 februari 2025 heeft [medeverdachte 2] drie filmpjes gestuurd naar [medeverdachte 3] , waarop een vrouw op een telefoon kijkt waarop camerabeelden te zien zijn van een straat achter de [adres 2] en waarop de stem van [medeverdachte 2] te horen is. De rechtbank begrijpt dat dit filmpjes zijn waar [medeverdachte 2] over sprak in het telefoongesprek van 17 februari 2025.

Op 16 februari 2025 om 18:39 uur werd [medeverdachte 2] gebeld door een persoon genaamd [naam 2] , waarin [medeverdachte 2] zegt dat hij of [verdachte] misschien gevolgd zijn toen zij naar boven gingen, waaruit blijkt dat [medeverdachte 2] en [verdachte] toegang hadden tot de woning van [medeverdachte 1] .

De rolverdeling tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] blijkt uit een chat die startte op 3 maart 2025 en eindigde op 11 maart 2025, waarin [medeverdachte 2] zei: “Heb huis geregeld dat was alles verder alle contacten deed die andere zelf” en antwoordde hij op de vraag wie die andere is als volgt: “[bijnaam 5] mensen doen of ik alles daar beheerde maar ik deed alleen spullen zetten klaar en weg als iemand kwam halen ging ik gaf ik het en was weg sleutel is zelf 3 weken niet in mijn bezit toch als nog ben ik verantwoordelijk kan toch niet ik heb nooit de controle gehad was niet van hier jij bent verantwoordelijk jij regelt het klaar [bijnaam 5] had zelf de controle hij sprak die meid nog meer dan mij ik was daar alleen spullen brengen ik betaald haar ook niet uit ofzo.”

Op 18 april 2025 heeft [medeverdachte 2] de verklaringen die hij heeft afgelegd op 5 maart 2025, 11 maart 2025 en 7 april 2025 ingetrokken en verklaard dat het niet cocaïne betrof maar supermix, een versnijdingsmiddel voor harddrugs. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig, nu zijn verklaring wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen. Hierbij acht de rechtbank het volgende van belang.

[medeverdachte 2] heeft vanuit de gevangenis in een telefoongesprek gezegd dat hij de rechtbank wil laten zien dat de blokken legaal zijn en dat een vriend van hem daarom dingen moest namaken en aan zijn advocaat moest geven zodat hij het kon meenemen naar de rechtbank.

Verder sprak [medeverdachte 2] in chatgesprekken over bedragen die overeenkomen met de prijs van cocaïne. Zo zegt [medeverdachte 2] in het tapgesprek d.d. 14 februari 2025 dat hij weet hoeveel spul er in de woning heeft gelegen (150), en hoeveel er weg is (50) en dat dat “1 M” waard is (de rechtbank begrijpt één miljoen euro).

Verder zijn in de onder [medeverdachte 2] in beslag genomen iPhone 12 twee video-opnames aangetroffen, waarop [medeverdachte 2] en [verdachte] te zien zijn en een tafel met daarop een geldtelmachine en grote stapels contant geld.

Voorts heeft [medeverdachte 2] in een chatgesprek op 3 maart 2025 gezegd “Die dag ik was nieuwgein en werd gebeld tussen 10 en 11 door de zus van de meisje die daar woont om door te geven dat ik mijn tel moet gaan opnemen want er is iets gebeurt bij de stash na 4 minuten werd ik geheim gebeld door de meisje huilend dat iemand heeft ingebroken en dat ze dacht dat iemand van ons had ingebroken en dat ze dacht dat degene met sleutel na binnen was gekomen aangezien ze niks hoorde. Ze is toen vastgebonden en diegene vroeg na geld wat er niet was en is vervolgens weg gegaan met spullen die gestasht was en heeft niet alles kunnen meenemen. Toen ik er aan kwam was ze bij de buurvrouw zonder huissleutels en zonder telefoons ik heb toen de deur opengemaakt met se sleutels die ik had en zijn naar binnengegaan om de rest veiligheid te brengen.”

Verder zegt de gebruiker van het account met de naam [bijnaam 4] op 12 en 15 februari 2025 tegen [medeverdachte 2] dat er 48 stuks Colos weg zijn, hetgeen verwijst naar Colombiaanse cocaïne en zegt de gebruiker van het account met de naam [bijnaam 3] tegen [medeverdachte 2] “48 blokken cocaïne. Breng doe trug. E kk dief” en “je hebt stash huis” en “broer je hebt gestolen”.

Ten slotte worden in een chatgroep waaraan onder meer [verdachte] en [medeverdachte 3] deelnemen Excel-bestanden gedeeld met overzichten die zien op de inkoop van Colo en Boli in de maanden februari en maart 2025, met daarbij de prijzen en hoeveelheden. Bij de datum 8 februari 2025 staan 300 stuks Colo vermeld met een prijs van € 16.000,00 per stuk en een totaalbedrag van € 4.800.000,00. Bij de beschrijving staat TUMI vermeld, wat ook op blokken stond die op 11 februari 2025 in de woning van [medeverdachte 1] in [plaats 1] lagen.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in het dossier dan ook niet over procaïne maar over cocaïne. De enige aanwijzing in het dossier voor procaïne is een chatgesprek op 26 november 2024 waar eenmalig “speed, suiker, zout, proca” wordt gezegd, maar dit is een aanwijzing die volledig op zichzelf staat en geen enkel aanknopingspunt vindt in het dossier. De rechtbank acht het dan ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van cocaïne.

Wetenschap en beschikkingsmacht

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet het verboden is middelen als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I aanwezig te hebben. Het met opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) handelen in strijd met dit verbod is als misdrijf strafbaar gesteld op grond van artikel 10, derde lid van de Opiumwet. Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'aanwezig hebben' is nodig dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen en feitelijke macht over de verdovende middelen heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor moet verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard dat de middelen in zijn machtssfeer aanwezig zijn geweest.

De vraag die rechtbank dan ook moet beantwoorden is of verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne en beschikkingsmacht had over deze cocaïne.

De rechtbank stelt voorop dat [medeverdachte 1] als bewoonster van haar woning geacht wordt bekend te zijn met alles wat zich in die woning bevindt en zij daarover in beginsel ook de beschikkingsmacht heeft. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel. [medeverdachte 1] heeft in dit verband gesteld dat zij geen wetenschap had van de verdovende middelen in haar woning. Zij heeft verklaard dat zij [medeverdachte 2] toestemming had gegeven om persoonlijke spullen in haar woning te bewaren, maar dat zij niet wist dat het om drugs ging. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig, onder meer omdat zij heeft verklaard dat zij voorafgaand aan de overval blokken in haar woning heeft gezien, dat uit het dossier blijkt dat zij deelnam aan diverse chatgesprekken waaruit duidelijk naar voren kwam dat haar woning als stashplek werd gebruikt en zij ook geld ontving voor het beschikbaar stellen van haar woning. Doordat de verdovende middelen met haar wetenschap in haar woning werden opgeslagen, had zij ook de beschikkingsmacht over de verdovende middelen.

De rechtbank overweegt voorts dat [medeverdachte 2] de beschikking had over de sleutel van de woning van [medeverdachte 1] en deze woning had geregeld voor het bewaren van de drugs. Gelet hierop had hij wetenschap van de drugs in de woning en had hij hier ook de beschikkingsmacht over.

Ten aanzien van [verdachte] overweegt de rechtbank dat uit het voorgaande blijkt dat [verdachte] op de hoogte was van drugs in de woning van [medeverdachte 1] en dat hij hier ook beschikkingsmacht over had. Zo gaf [verdachte] [medeverdachte 2] opdracht om de resterende drugs uit de woning te halen na de overval en nam hij ook deel aan diverse gesprekken die gingen over de aanwezigheid en opslag van de drugs in de woning van [medeverdachte 1] en werd hij bovendien direct na de overval van de overval op de hoogte gesteld. Verder blijkt uit voornoemde chat die startte op 3 maart 2025 en eindigde op 11 maart 2025 dat [verdachte] de controle over de drugs had. Voorts blijkt uit het tapgesprek van 16 februari 2025 om 18:39 uur dat zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] toegang hadden tot de woning van [medeverdachte 1] .

Ten aanzien van [medeverdachte 3] overweegt de rechtbank dat uit het voorgaande blijkt dat ook [medeverdachte 3] op de hoogte was van drugs in de woning van [medeverdachte 1] en dat hij hier ook beschikkingsmacht over had. Zo was [medeverdachte 3] degene die [medeverdachte 1] betaalde voor het ter beschikking stellen van haar woning, nam hij ook deel aan diverse chatgesprekken die gingen over de aanwezigheid en opslag van de drugs in de woning van [medeverdachte 1] en was hij binnen vier minuten na de overval op de hoogte. Verder gaf [medeverdachte 3] [medeverdachte 2] opdracht om op 9 februari 2025 klaar te staan om de 120 kilogram drugs in ontvangst te nemen en gaf hij [medeverdachte 2] opdracht een filmpje te maken van de drugs en dit filmpje naar hem te sturen.

De rechtbank ziet geen aanwijzingen in het dossier dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk afleveren, verstrekken en/of vervoeren, derhalve zal zij verdachte van dit onderdeel dan ook vrijspreken.

Medeplegen

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 120 kilogram cocaïne en dat hierbij sprake was van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten dat sprake is van medeplegen in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

33 kilogram

Op 1 november 2024 om 16:50 uur wordt door [verdachte] het volgende spraakbericht verstuurd aan [medeverdachte 2] : “Bro luister, wees precies zes uur bij [account 4] , ja (de rechtbank begrijpt dat hier de woning van [medeverdachte 1] wordt bedoeld). En dan moet je even fixen dat die al die 33 daar zo, moet je even een foto van maken, inpakken, in tassen, hou even twee kleine koffers of haal een grote sport, en dan moet die, iemand komt die zes uur precies ophalen, die moet gelijk loesoe (fon). Ik heb even haast bro". Nadat [medeverdachte 2] aangeeft geen sleutel te hebben van de woning van [medeverdachte 1] , zegt [verdachte] “Broer, [account 4] is om 6 uur vrij, wees gewoon 6 uur precies daar zo, ja?" en “Ja, als je er bent, voordat je ze inpakt, maak een foto naast elkaar, stapeltjes van vijf. Maak een video ervan, stuur het naar mij toe, in totaal wat daar is. En dan stuur je het naar mij toe en dan pas inpakken en afgeven. Ik heb die chauffeur al in die groep gedaan. Kijk ff hoelaat ze d’r is, fix het ff ja.”

Om 18:06 uur stuurt [verdachte] het volgende spraakbericht naar [medeverdachte 2] : “[account 3] , niet vergeten om die video te maken van alles dat ik zie wat er is afgegeven, video 5 op elkaar leggen, stapels van 5 maken, 30 en er blijven 3 over, die leg je plat op de grond naast elkaar, video dat naar mij toe, stuur dat naar mij toe, ook van de tassen waar het in zit en dan de deur uitgooien." Nadat [medeverdachte 2] aan [verdachte] vraagt “dus alle blokken moeten mee, 33 stuks?”, stuurt [medeverdachte 2] tussen 18:07 uur en 18:17 uur drie video's naar [verdachte] waarop blokken zijn te zien voorzien van de logo's 'Maserati', '69' en 'ORO'. Vervolgens sprak [medeverdachte 2] af met een persoon die gebruik maakt van het account ‘ [account 16] ’ bij het winkelcentrum [adres 3] , gelegen in de nabijheid van de woning van [medeverdachte 1] . Nadat ze elkaar niet kunnen vinden, spreken ze af bij Gamma Utrecht De Meern. [medeverdachte 3] geeft aan dat hij hier op [medeverdachte 2] aan het wachten is.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het wettig en overtuigend bewezen is dat [medeverdachte 2] op 1 november 2024 33 blokken moest inpakken en ophalen uit de woning van [medeverdachte 1] in opdracht van [verdachte] en deze blokken naar het winkelcentrum in [adres 3] en vervolgens naar Utrecht moest brengen, waar [medeverdachte 3] op hem wachtte. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen bij de hoeveelheid van 120 kilogram is de rechtbank van oordeel dat het hier om 33 blokken cocaïne ging.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten wetenschap en beschikkingsmacht hadden over deze 33 kilogram cocaïne. De rechtbank verwijst hiertoe naar het voorgaande en naar hetgeen zij hieromtrent heeft overwogen bij de overwegingen ten aanzien van de 120 kilogram cocaïne.

Ten aanzien van de wetenschap en beschikkingsmacht van [medeverdachte 1] bij dit feit overweegt de rechtbank nog expliciet dat de cocaïne afkomstig was uit haar woning en dat uit de tapgesprekken blijkt dat zij de deur voor [medeverdachte 2] moet hebben geopend en dat zij dus thuis was op het moment dat de cocaïne werd opgehaald.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 33 blokken/kilogram cocaïne en dat hierbij sprake was van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten dat sprake is van medeplegen in de zin van artikel 47 Sr.

3.4.2.2 feit 2

Onder feit 2 wordt verdachte verweten dat hij in de periode van 5 tot en met 30 november 2024 meermaals in vereniging een hoeveelheid cocaïne heeft afgeleverd, verstrekt, vervoerd dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Feiten en omstandigheden

5 november 2024

Op 5 november 2024 bericht [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] “dat hij bericht hoeveel er nog is”. Zij zegt: “er is 7. Want was 39 toch. Dacht 40.” Waarop [medeverdachte 2] antwoordt: “klopt dus 7/stuks is nog over”.

8 november 2024

Op 8 november 2024 om 17:55 uur vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] om te gaan en vermeldt daarbij dat hij niet weet hoe zwaar het is. [medeverdachte 1] antwoordt om 17:57 uur dat ze het niet kan doen met haar erbij (de rechtbank begrijpt dat [medeverdachte 1] hiermee doelt op haar dochter).

Uit een chatgesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] volgt dat [medeverdachte 3] om 18:57 uur aan [medeverdachte 2] het bericht stuurt: “19:57 op adres”, waarop [medeverdachte 2] reageert dat hij aan het wachten is. Om 19:46 uur bericht [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] met “zeg tegen hem kom [adres 4]”. De rechtbank begrijpt dat [medeverdachte 2] de [adres 4] bedoelt die hemelsbreed ongeveer 250 meter van de [adres 2] ligt.

Om 21:47 uur geeft [medeverdachte 1] aan dat ze klaar is. Daarop vraagt [medeverdachte 2] “hoeveel het precies was” en “kan je ook na mij sturen”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt “10 per tas” en [medeverdachte 2] vraagt om een foto. [medeverdachte 1] geeft aan dat ze vijftig foto’s heeft gemaakt en ze niet allemaal kan doorsturen. Ze stuurt vervolgens tien foto’s aan [medeverdachte 2] met daarop in plastic verpakte zakken met wit poederachtig materiaal. Deze zakken liggen op een weegschaal en geven de volgende gewichten aan: 3,056 kilogram, 3,052 kilogram, 3,053 kilogram, 3,055 kilogram, 3,046 kilogram, 3,054 kilogram, 3,058 kilogram, 3,044 kilogram, 3,059 kilogram en 3,069 kilogram. Het totale gewicht van deze foto’s komt uit op 30,546 kilogram. [medeverdachte 2] gaf aan dat het zo goed is Uit het onderzoek is gebleken dat de foto’s in de woning van [medeverdachte 1] zijn gemaakt.

10 november 2024

Uit een groepschat waaraan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] deelnemen blijkt dat op 10 november 2024 om 16:39 uur door [verdachte] wordt gezegd: “[naam 3] komt 15 zakken ophalen”, “Stuur hem adres van verderop”, waarop [medeverdachte 2] om 17:00 uur antwoordt: “Ik ben er nog niet Apeldoorn, ga effe met [account 4] overleggen”. Vervolgens antwoordt [medeverdachte 1] om 17:03 uur: “Ik ben er niet”, “Hoelaat is die er dan”. In de chat wordt vervolgens overlegd en afgesproken dat het account [account 17] (de rechtbank begrijpt [naam 3] ) en [medeverdachte 1] om 20:00 uur op de [adres 4] in het winkelcentrum afspreken. De rechtbank begrijpt dat de [adres 4] in het winkelcentrum [adres 3] wordt bedoeld die zich hemelsbreed ongeveer 250 meter van de [adres 2] bevindt. Om 18:10 uur bericht [verdachte] dat er 17 zakken in plaats van 15 zakken moeten worden ingepakt, waarop het account [account 17] om 18:20 uur aangeeft dat dat niet gaat passen in de stash. [medeverdachte 2] stelt voor om eerst 15 zakken in te pakken en als er meer passen, dat [medeverdachte 1] de laatste twee zakken ook zal brengen.

Later op de avond volgen er berichten tussen [account 17] en [medeverdachte 1] dat de overdracht iets wordt verlaat en [account 17] schrijft dat hij om 20:38 uur op de afgesproken plek zal zijn. Vervolgens volgen er vanaf 19:39 uur (de rechtbank begrijpt dat de berichten zijn weergegeven in UTC+0 en dat voor de werkelijke Nederlandse tijd één uur erbij op moet worden geteld, (werkelijke tijd 20:39 uur)) berichten over de overdracht. [medeverdachte 2] zegt om 19:42 uur (werkelijke tijd 20:42 uur) tegen [account 17] dat hij een stukje door moet rijden omdat ze (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ) aan het begin van de weg staat. Om 19:45 uur (werkelijke tijd 20:45 uur) vraagt [medeverdachte 2] of [account 4] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ) even kan wachten totdat [naam 3] aangeeft of die twee extra zakken ook passen en om 19:50 uur (werkelijke tijd 20:50 uur) zegt [account 17] “breng nog 2, aub, past”. Vervolgens bericht [medeverdachte 1] om 19:58 uur (werkelijke tijd 20:58 uur) en [account 17] om 20:00 uur (werkelijke tijd 21:00 uur) dat het is gelukt met de 17 zakken. [medeverdachte 2] en [verdachte] reageren vervolgens beiden met “top”.

20 november 2024 Uit een chatgesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 20 november 2024 volgt dat [medeverdachte 2] zegt “[adres 5] , laat haar daar komen, grijze kia, gelijk voor parkeren, kofferbak”. De rechtbank begrijpt dat [medeverdachte 2] de [adres 5] bedoelt die hemelsbreed ongeveer 500 meter van de [adres 2] ligt. [medeverdachte 3] stuurt om 18:22 uur naar [medeverdachte 2] “3 groene pakketten, geen 4” en vervolgens stuurt hij om 19:00 uur “19:25 daar” aan [medeverdachte 2] .Uit een chatgesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] blijkt dat zij om 19:28 uur vraagt “3 toch?”, waarop [medeverdachte 2] antwoord “Ja, groene”. Vervolgens stuurt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] om 19:29 uur: “Blauw Aygo, kleine auto, 10 min”, waarop [medeverdachte 1] om 19:36 uur aan [medeverdachte 2] vraagt “wanneer moet ik naar bende” (de rechtbank begrijpt dat [medeverdachte 1] ‘beneden’ bedoelt) en [medeverdachte 2] antwoordt om 19:36 uur “kom”.

21 november 2024

Uit een chatgesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] blijkt dat [medeverdachte 2] op 21 november 2024 om 14:17 uur drie afbeeldingen stuurt waarop een witte plastic zak op een weegschaal is te zien met de hoeveelheden 3,613 kilogram, 3,058 kilogram en 3,261 kilogram. De totale hoeveelheid hiervan betreft 9,932 kilogram. Vervolgens stuurt [medeverdachte 2] : “[adres 6] , bij de prullenbakken, zeg der. Nu komen, zit in kofferbak”. De rechtbank begrijpt hieruit dat [medeverdachte 2] de [adres 6] bedoelt die hemelsbreed op 250 meter van de [adres 2] ligt. Uit een chatgesprek later op de avond tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 1] om 19:54 uur vraagt of “hij daar was geweest”. [medeverdachte 2] bevestigt dit en zegt “paar weer weg goed toch”.

26 november 2024 Uit een groepschat waaraan onder meer [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] deelnemen wordt op 26 november 2024 gesproken over een levering (de rechtbank begrijpt dat de berichten zijn weergegeven in UTC+0 en dat voor de werkelijke Nederlandse tijd één uur erbij op moet worden geteld). [bijnaam 6] geeft om 16:29 uur (werkelijke tijd 17:29 uur) aan dat hij om 18:30 uur aanwezig kan zijn, waarop [medeverdachte 2] antwoordt dat hij 18:30 uur wel redt. Hierop reageert [medeverdachte 3] om 16:29 uur (werkelijke tijd 17:29 uur) dat ze er om 18:30 uur zullen zijn. [medeverdachte 2] geeft aan dat ze op de [adres 6] afspreken, waarop [bijnaam 6] antwoordt dat hij daar om 18:40 uur zal zijn. [medeverdachte 2] geeft om 17:39 uur (werkelijke tijd 18:39 uur) aan dat hij er is en [bijnaam 6] zegt om 17:46 uur (werkelijke tijd 18:46 uur) dat het is gelukt.

Uit een chatgesprek op de Google Pixel 7A op 26 november 2024 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] volgt dat [medeverdachte 2] om 18:52 uur aangeeft dat hij de spullen heeft aangepakt en ze nu gaat wegzetten. Vervolgens stuurt [medeverdachte 2] een foto waarop zilverkleurige blokken zijn te zien. [verdachte] vraagt [medeverdachte 2] om 19:10 uur in een audiobericht om een video te maken waarin hij de blokken naast elkaar legt en per vijf stuks op elkaar stapelt en dan het aantal van de blokken hardop telt. Even later stuurt [medeverdachte 2] om 19:16 uur een video waarop te zien is dat iemand de blokken met daarop een Gucci-logo aan het tellen is en de persoon aangeeft dat het in totaal om 70 blokken (“14 rijen van 5 stapels”) gaat. Uit onderzoek is vastgesteld dat de video van de blokken is opgenomen in de woning van [medeverdachte 1] .

30 november 2024

Op 30 november 2024 om 18:11 uur belt [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] , vervolgens wordt er om 18:16 uur een chat tussen hen gestart waaruit volgt dat [medeverdachte 1] 10 stuks van Route 66 moet brengen naar het plekje bij de AH.

In het chatgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] stuurt [verdachte] om 18:45 uur “broer, 10 groene pakketten h13”, waarop [medeverdachte 2] antwoordt “No zijn er 9, geen 10. Ga goed nadenken er zijn 9”. Daarop antwoordt [verdachte] met een audiobericht: “Broer je moet niet nadenken, jullie moeten kijken, ja, legt daar”. [medeverdachte 2] geeft om 18:46 uur aan dat hij zelf gaat kijken.

Uit het chatgesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] volgt dat [medeverdachte 1] om 18:50 uur vraagt “dus het klopt niet?”, en vervolgens om 19:00 uur vraagt of hij dan wel goed geteld heeft toen het kwam. [medeverdachte 2] geeft vervolgens aan dat ze goed moet kijken omdat hij op 14 zit. [medeverdachte 2] stuurt een foto waarop 14 groene blokken met opschrift H-13 en vijf witte blokken te zien zijn en zegt “14 en 3 weg”. [medeverdachte 1] reageert dat er echt maar 9 zijn, tenzij hij ze nog ergens anders heeft gezet.

Om 19:25 uur stuurt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] “weet je het al over 15 minuten moet daarheen”, waarop [medeverdachte 2] om 20:47 uur zegt “[adres 6] Grijze renaul clio”. Om 20:49 uur stuurt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] een foto met daarop een Audi met kenteken [kenteken] en deze stuurt [medeverdachte 2] door naar [medeverdachte 1] . Om 20:50 uur stuurt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] het bericht dat het gelukt is.

Bewijsoverwegingen

Voordat de rechtbank komt tot een behandeling per gedachtestreepje, zal de rechtbank allereerst ingaan op het verweer van de verdediging dat er geen sprake is van cocaïne. De rechtbank overweegt in dit verband dat bij feit 1 is vastgesteld dat er sprake is van cocaïne. Dit gegeven in combinatie met de omstandigheden dat het om dezelfde stashwoning van [medeverdachte 1] gaat, om dezelfde verdachten en ook dezelfde soort blokken, brengt de rechtbank tot het oordeel dat de plastic zakken met wit poeder en de verpakte blokken bij feit 2 ook cocaïne betreft. In het dossier is ook geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de vaststelling dat het om een andere samenstelling zou gaan.

De rechtbank is op basis van voorgaande bewijsmiddelen van oordeel dat op 5 november 2024 geen sprake was van een levering, maar van een voorraadtelling, en zal verdachte dan ook vrijspreken van dit gedachtestreepje.

Ten aanzien van 8 november 2024 is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] betrokken zijn geweest bij de levering van ongeveer 10 kilogram cocaïne. Deze betrokkenheid blijkt uit het feit dat [medeverdachte 3] contact heeft gehad met de chauffeur en ook [medeverdachte 2] heeft aangestuurd, waarop [medeverdachte 2] op zijn beurt aan [medeverdachte 1] de opdracht heeft gegeven om de plastic zakken met ongeveer 3,3 kilogram in tassen te stoppen en af te leveren bij de chauffeur.

Uit de chatberichten blijkt geen betrokkenheid van [verdachte] en daarom zal de rechtbank hem van dit gedachtestreepje vrijspreken.

Wat betreft 10 november 2024 is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken zijn geweest bij de levering van 17 zakken cocaïne. De betrokkenheid blijkt uit het feit dat [verdachte] opdracht heeft gegeven om eerst 15, en daarna 17 zakken klaar te maken voor levering. [medeverdachte 2] heeft via de groepschat de overdracht tussen [medeverdachte 1] en het account [account 17] begeleid en vervolgens heeft [medeverdachte 1] de levering ook uitgevoerd. Voorts overweegt de rechtbank dat het aannemelijk is dat het om dezelfde soort zakken gaat als op 8 november 2024, gelet op het korte tijdsbestek tussen de beide data en daarnaast omdat dit ook om zakken met wit poeder gaat. Deze zakken hadden een inhoud van ongeveer 3 kilogram per stuk, waarmee het gewicht uitkomt op in totaal 51 kilogram (17x3).

Uit de chatberichten blijkt geen betrokkenheid van [medeverdachte 3] en daarom zal de rechtbank hem van dit gedachtestreepje vrijspreken.

De rechtbank is van oordeel dat op 20 november 2024 [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] betrokken zijn geweest bij de levering van ongeveer drie kilo cocaïne. De betrokkenheid blijkt uit het feit dat [medeverdachte 3] [medeverdachte 2] heeft aangestuurd om drie blokken te leveren, [medeverdachte 2] vervolgens de locatie van de overdracht heeft aangewezen en hij [medeverdachte 1] aanstuurde wanneer zij naar beneden kon komen met de blokken om de levering te volbrengen. Dat het om (ongeveer) 3 kilo cocaïne gaat baseert de rechtbank op het feit van algemene bekendheid dat cocaïne ongeveer per kilo in blokken wordt verpakt.

Uit de chatberichten blijkt geen betrokkenheid van [verdachte] en daarom zal de rechtbank hem van dit gedachtestreepje vrijspreken.

Ten aanzien van 21 november 2024 is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] betrokken zijn geweest bij de levering van ongeveer 10 kilogram cocaïne. Deze betrokkenheid blijkt uit het feit dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben gechat over drie zakken, [medeverdachte 2] deze vervolgens heeft ingepakt in de woning van [medeverdachte 1] , daarvan foto’s heeft gestuurd naar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] de levering ook heeft voltooid. Hoewel uit de chatberichten volgt dat [medeverdachte 1] op het moment van levering niet thuis was, blijkt wel uit de berichten dat deze zakken lagen opgeslagen in haar woning en [medeverdachte 2] haar op de hoogte heeft gesteld dat er weer een aantal weg waren. Daarom acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 1] 10 kilogram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad bewezen en zal de rechtbank haar van de onderdelen verstrekken, vervoeren en afleveren vrijspreken. Verder blijkt uit de chatberichten geen betrokkenheid van [verdachte] en daarom zal de rechtbank hem van dit gedachtestreepje vrijspreken.

Wat betreft 26 november 2024 is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] betrokken zijn geweest bij het ontvangen en vervoeren van ongeveer 70 kilo cocaïne. De betrokkenheid van verdachten bij de ontvangst en het vervoer van deze 70 blokken blijkt het uit het feit dat [medeverdachte 3] contact heeft gehad met de chauffeur en hem ook in de groepschat heeft toegevoegd. [medeverdachte 2] heeft vervolgens de blokken in ontvangst genomen en deze in de woning van [medeverdachte 1] gestasht. Waarna [verdachte] aan [medeverdachte 2] de opdracht gaf om een video te maken waarin hij de hoeveelheid blokken moest tellen op de door [verdachte] aangegeven manier. Dat heeft [medeverdachte 2] vervolgens ook gedaan en heeft daarbij gesproken over 70 blokken. Dat het om (ongeveer) 70 kilo cocaïne gaat baseert de rechtbank op het feit dat algemeen bekend is dat cocaïne ongeveer per kilo in blokken wordt verpakt. Verder stelt de rechtbank vast dat het op deze datum gaat om een levering van een onbekend persoon aan [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] en daarom spreekt zij hen vrij van de onderdelen verstrekken en afleveren.

Ten aanzien van [medeverdachte 1] overweegt de rechtbank als volgt. Uit de chatberichten zelf blijkt dat [medeverdachte 1] niet bij de overdracht van de blokken aanwezig was, maar uit de deelnemerslijst volgt wel dat zij onderdeel is van de groepschat en daarom ook wist van het plaatsvinden van de levering. Nu [medeverdachte 2] de blokken in haar woning heeft gestasht, acht de rechtbank bij haar het opzettelijk aanwezig hebben van 70 kilo cocaïne bewezen en zal de rechtbank haar van de onderdelen verstrekken, vervoeren en afleveren vrijspreken.

De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] betrokken zijn geweest bij de levering op 30 november 2024 van 9 groene blokken H-13. De betrokkenheid blijkt uit het feit dat [verdachte] de opdracht heeft gegeven tot het inpakken van tien blokken, waarop [medeverdachte 1] in de woning op zoek ging en zij uiteindelijk via [medeverdachte 2] heeft aangegeven dat er maar negen groene blokken in de woning waren. Vervolgens blijkt dat [medeverdachte 3] contact heeft gehad met de chauffeur en hij via [medeverdachte 2] een foto met kenteken van een auto heeft doorgestuurd naar [medeverdachte 1] , waarna zij de levering van negen blokken H-13 heeft volbracht. Dat het om (ongeveer) 9 kilo cocaïne gaat baseert de rechtbank op het feit van algemene bekendheid dat cocaïne ongeveer per kilo in blokken wordt verpakt.

Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte op diverse momenten betrokken is bij het afleveren, verstrekken en/of vervoeren van verschillende hoeveelheden cocaïne.

Wetenschap en beschikkingsmacht

De vraag die rechtbank verder moet beantwoorden is of verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de cocaïne op deze verschillende genoemde data in november 2024.

De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder feit 1 ten aanzien van alle vier verdachten. Ter aanvulling daarop overweegt de rechtbank ten aanzien van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat uit de chatberichten naar voren komt dat de stash in de woning van [medeverdachte 1] lag en zij daarvan op de hoogte was, beide verdachten zelf foto’s hebben verstuurd van plastic zakken met daarin cocaïne op een weegschaal en [medeverdachte 2] een video heeft gestuurd van blokken opgestapelde cocaïne, zij allebei tassen met zakken en/of blokken cocaïne hebben ingepakt en deze vervolgens ook hebben afgeleverd. Voor alle gedachtestreepjes onder feit 2, met uitzondering van 5 november 2024, stelt de rechtbank derhalve vast dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de wetenschap en beschikkingsmacht hadden over de verdovende middelen.

Ten aanzien van [medeverdachte 3] en [verdachte] stelt de rechtbank, ter aanvulling op hetgeen zij eerder onder feit 1 heeft overwogen, vast dat uit de chatberichten blijkt dat beiden opdrachten gaven aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tot het inpakken van bestellingen cocaïne en het sturen van foto’s en/of video’s van zakken en/of blokken cocaïne. [medeverdachte 3] en [verdachte] hadden ook het contact met de chauffeur en gaven het tijdstip en/of locatie van de overdracht door. De rechtbank is van oordeel dat op deze momenten waarop [medeverdachte 3] en [verdachte] betrokken waren bij de levering en/of ontvangst van de cocaïne, zij ook de wetenschap en beschikkingsmacht hadden over de verdovende middelen.

Medeplegen

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne en dat hierbij sprake was van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten dat sprake is van medeplegen in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 hij in de periode van 1 oktober 2024 tot en met 11 februari 2025 te Deventer tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, grote hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, te weten (ongeveer) 33 blokken/kilogram en (ongeveer) 120 kilogram, cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 2 hij in de periode van 5 tot en met 30 november 2024 te Deventer en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, te weten:- op of omstreeks 10 november 2024 (ongeveer) 51 kilogram cocaïne,- op of omstreeks 26 november 2024 (ongeveer) 70 kilogram cocaïne en- op of omstreeks 30 november 2024 (ongeveer) 9 kilogram cocaïne,zijnde (telkens) cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

het misdrijf: het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2:

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 50.000,00 op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en heeft de verdediging onder verwijzing naar de jurisprudentie een strafmaatverweer gevoerd.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte is samen met zijn medeverdachten betrokken geweest bij het voorhanden hebben van en de handel in cocaïne. De cocaïne, van in totaal meer dan 120 kilogram met een straatwaarde van zo’n 9 miljoen euro, lag opgeslagen in een woning in [plaats 1] die werd gebruikt als stashplek. De cocaïne was bestemd voor verdere verspreiding en grootschalige handel. Door zijn handelen heeft verdachte een forse bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging van de volksgezondheid. Met de handel in cocaïne wordt veel geld verdiend en de hele keten van productie, transport en verkoop gaat gepaard met ondermijnende criminaliteit. Daarbij wordt het gebruik van (grof) geweld niet geschuwd. Verdachte heeft zich niet laten weerhouden door deze negatieve gevolgen voor de maatschappij en had alleen oog voor eigen financieel gewin. Extra kwalijk vindt de rechtbank het dat verdachte en zijn medeverdachten hiervoor een woning in een woonwijk hebben gebruikt en daarbij geen oog hebben gehad voor de veiligheidsrisico’s die dit soort feiten met zich meebrengen voor anderen in de omgeving.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft – in strafverzwarende zin - acht geslagen op het strafblad van verdachte van 8 september 2026. Hieruit blijkt dat verdachte meermaals is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 27 november 2025.

De reclassering merkt hierin op dat de kans op herhaling niet kan worden ingeschat vanwege de ontkennende proceshouding van verdachte.

Strafoplegging

Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). De rechtbank gaat uit van een samenwerkingsverband ten behoeve van drugshandel dat een forse periode actief is geweest en waaraan verdachte een onmisbare bijdrage heeft geleverd. De rechtbank gaat daarbij uit van categorie 19 (meer dan 20 kilo) en van een organisatieverband. Het LOVS gaat in dat geval uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanaf 72 maanden.

Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden is.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank ziet – anders dan de officier van justitie – geen aanleiding om een geldboete op te leggen, gelet op de aangekondigde ontnemingsvordering.

De inbeslaggenomen voorwerpen

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de inbeslaggenomen telefoons voor verbeurdverklaring vatbaar zijn.

De raadsman heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.

De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde mobiele telefoons moeten worden verbeurdverklaard, omdat het voorwerpen betreffen met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid.

7. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 33, 33a en 57 Sr.

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

het misdrijf: het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2:

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de in beslag genomen voorwerpen

- verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten twee mobiele telefoons.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. R.M. van Vuure en

mr. W.B. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten en

mr. E.A.N. Sjerps, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

Buiten staat

mr. W.B. Bruins en mr. C.C. van Druten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand