RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84-125122-26 (P)
Datum vonnis: 8 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte bedrijf] ,
gevestigd aan de [adres] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat namens verdachte, vertegenwoordigd door de heren [naam 1] en [naam 2] (beiden maten in de maatschap), en haar raadsvrouw mr. J.M.M. Kroon, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: als landbouwer op haar bedrijf in het kalenderjaar 2024 1433,05 kilogram meer fosfaat heeft geproduceerd met melkvee dan op het bedrijf rustende fosfaatrecht;
feit 2: als landbouwer op haar bedrijf in het kalenderjaar 2025 1441,75 kilogram meer fosfaat heeft geproduceerd met melkvee dan op het bedrijf rustende fosfaatrecht.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
zij in het kalenderjaar 2024 te Raalte, in elk geval in Nederland,
als landbouwer,
al dan niet opzettelijk,
op haar bedrijf, te weten [verdachte bedrijf] (gelegen aan de [adres]
) meer dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft
geproduceerd met melkvee, dan op het bedrijf rustende fosfaatrecht, immers heeft
zij in kalenderjaar 2024 8.157,45 kg fosfaat geproduceerd, terwijl er 6.724,40 kg
fosfaatrecht op het bedrijf rustte;
2.
zij in het kalenderjaar 2025 te Raalte, in elk geval in Nederland,
als landbouwer,
al dan niet opzettelijk,
op haar bedrijf, te weten [verdachte bedrijf] (gelegen aan de [adres]
) meer dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft
geproduceerd met melkvee, dan op het bedrijf rustende fosfaatrecht, immers heeft
zij in kalenderjaar 2025 8.766,15 kg fosfaat geproduceerd, terwijl er 7.324,40 kg
fosfaatrecht op het bedrijf rustte.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2. Verdachte heeft deze feiten bekend en namens haar is geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal dan ook, in overeenstemming met artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:
feit 1:
het aanvullend proces-verbaal met referentienummer [referentienummer 1] / [referentienummer 2] / [referentienummer 3] van 6 juli 2026, pagina’s 3 tot en met 5 (losbladig);
een geschrift, te weten een overzicht geregistreerde fosfaatrechten, van 28 oktober 2025, pagina 79 (bijlage 11);
de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 september 2026;
feit 2:
het proces-verbaal van 3 april 2026, pagina’s 8 tot en met 10;
een geschrift, te weten een overzicht geregistreerde fosfaatrechten, van 28 oktober 2025, pagina 79 (bijlage 11);
het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 september 2026, voor zover
de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 september 2026.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
zij in het kalenderjaar 2024 te Raalte,
als landbouwer,
opzettelijk,
op haar bedrijf, gelegen aan de [adres] meer dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft
geproduceerd met melkvee, dan op het bedrijf rustende fosfaatrecht, immers heeft
zij in kalenderjaar 2024 8.157,45 kg fosfaat geproduceerd, terwijl er 6.724,40 kg
fosfaatrecht op het bedrijf rustte;
2.
zij in het kalenderjaar 2025 te Raalte,
als landbouwer,
opzettelijk,
op haar bedrijf, gelegen aan de [adres] meer dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft
geproduceerd met melkvee, dan op het bedrijf rustende fosfaatrecht, immers heeft
zij in kalenderjaar 2025 8.766,15 kg fosfaat geproduceerd, terwijl er 7.324,40 kg
fosfaatrecht op het bedrijf rustte.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet in combinatie met de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feiten 1 en 2, telkens:
het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 21b, eerste lid van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van
verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 20.000,--, met een proeftijd van drie jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafbepaling rekening te houden met de
omstandigheden van verdachte. Zo zijn al drie opeenvolgende generaties uit de familie boer op dezelfde locatie. Naast het exploiteren van een melkvee- en varkenshouderij biedt verdachte op het bedrijf aan mensen met een beperking begeleide dagbesteding aan. Verdachte levert hiermee een grote bijdrage aan de maatschappij, maar staat zelf financieel gezien op de afgrond. Het betalen van een geldboete, en het wederrechtelijk genoten voordeel, is volgens de raadsvrouw dan ook een onmogelijke opgave en zou ervoor zorgen dat twee gezinnen en (momenteel zes) personen met begeleid werk werkloos raken. Onder deze omstandigheden volstaat het om de geldboete op nihil te stellen dan wel zeer laag te houden dan wel voorwaardelijk op te leggen, aldus de raadsvrouw.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de omstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich in twee kalenderjaren schuldig gemaakt aan het als melkveebedrijf opzettelijk produceren van meer fosfaat dan het op haar bedrijf rustende fosfaatrecht. Het fosfaatrechtenstelsel is ingevoerd om de mestproductie te reguleren, nadat, na afschaffing van de melkquotering, in 2015 het mestproductieplafond werd overschreden. Wanneer ondernemers meer fosfaat produceren dan de hoeveelheid waarvoor zij rechten hebben, komt dat doel in het gedrang. De productie van (te veel) fosfaat brengt schadelijke gevolgen voor het milieu en de biodiversiteit met zich mee. Ook heeft verdachte financieel voordeel gehad ten opzichte van haar collega melkveehouders, die zich wel aan de geldende wet- en regelgeving hebben gehouden.
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden van verdachte, zoals die tijdens de zitting naar voren zijn gebracht. De heren [naam 1] en [naam 2] hebben namens verdachte verklaard dat zij in 2020 met een (financiële) tegenslag te maken hadden; de hypotheek liep af en de bank wilde niet langer met hen in zee. Er ontstond het plan om een andere plek een (nieuwe) ligboxenstal te bouwen. Een andere bank was bereid hiervoor een lening te verstrekken. De nieuwe stal kwam in 2022 en gaf de koeien meer rust en ruimte, wat de melkproductie ten goede kwam. Hierdoor steeg echter ook de fosfaatproductie. De heren [naam 1&2] , voornoemd, hebben verklaard dat er niet voldoende financiële middelen waren om alle benodigde fosfaatrechten bij te kopen. De kosten van de nieuwe stal waren namelijk behoorlijk. Zo moest er extra erfverharding worden aangelegd, omdat [bedrijf] de melk anders niet meer zou ophalen. Op enig moment had verdachte te maken met een crediteurenachterstand van 3,5 ton. Verdachte heeft ervoor gekozen vol in te zetten op het terugdringen van de crediteurenststand door zoveel mogelijk melk te produceren. Het verlagen van het aantal koeien zou weliswaar ertoe leiden dat de fosfaatrechten niet zouden worden overschreden, maar tevens tot lagere productie en dus lagere inkomsten. Bij een andere keuze zou de maatschap afstevenen op een faillissement. De heren [naam 1&2] hebben verklaard dat laatstgenoemde optie hun prioriteit had, omdat ze anders zouden afstevenen op een faillissement.
De rechtbank houdt er verder, in het voordeel van verdachte, rekening mee dat zij inmiddels een adviseur heeft ingeschakeld, zodat er maatregelen kunnen worden getroffen om binnen de regels van het fosfaatrechtstelsel te blijven.
Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 29 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor een soortgelijk strafbaar feit.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie een passende strafeis heeft gedaan en zij zal verdachte dan ook een geheel voorwaardelijke geldboete van
€ 20.000,-- opleggen. De rechtbank bepaalt de duur van de proeftijd op drie jaren.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feiten 1 en 2, telkens:
het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 21b, eerste lid van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 20.000,-- (zegge: twintigduizend euro);
- bepaalt dat deze geldboete in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Manuel, voorzitter, mr. H. Stam en mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Mulder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.