ECLI:NL:RBOVE:2026:6241

ECLI:NL:RBOVE:2026:6241

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 08-10-2026
Datum publicatie 19-10-2026
Zaaknummer 84-125122-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 116.836,70 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische strafkamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84-125122-26 (P)

Datum vonnis: 8 oktober 2026

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige economische kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde bedrijf] ,

gevestigd aan de [adres].

1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 116.836,70.

2. De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 24 september 2026. De heren [naam 1] en [naam 2], beiden maten in de maatschap, zijn op die terechtzitting verschenen en namens de veroordeelde op de vordering gehoord. De veroordeelde werd bijgestaan door raadsvrouw mr. J.M.M. Kroon, advocaat in Utrecht.

Op de terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd.

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de veroordeelde financieel gezien op de afgerond staat. Om die reden heeft zij primair verzocht om de vordering af te wijzen. Subsidiair heeft zij verzocht om de betalingsverplichting op nihil te stellen dan wel deze (gedeeltelijk) voorwaardelijk op te leggen, onder de voorwaarde dat de veroordeelde in 2026 het uitbreidingsverbod als bedoeld in artikel 21b Meststoffenwet niet overtreedt.

3. De beoordeling van de vordering

Veroordeling

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 8 oktober 2026 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten:

feiten 1 en 2, telkens:

het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 21b, eerste lid van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan.

De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank heeft kennisgenomen van het met deze vordering samenhangende strafdossier.

De veroordeelde is veroordeeld voor het in 2024 en 2025 als melkveebedrijf opzettelijk produceren van meer fosfaat dan het op haar bedrijf rustende fosfaatrecht. De veroordeelde had ervoor moeten zorgen dat haar fosfaatproductie overeenkwam met de aan haar toegekende hoeveelheid fosfaatrechten, door fosfaatrechten te leasen of te kopen. Door dat na te laten heeft de veroordeelde kosten bespaard.

In 2024 heeft de veroordeelde 1.433,05 kilogram meer fosfaat geproduceerd dan het in dat jaar op haar bedrijf rustende fosfaatrecht. De berekende afgeroomde leaseprijs is € 11,54 per kilogram fosfaat. Het leasen van de benodigde fosfaatrechten zou de veroordeelde in 2024 dan ook € 16.537,40 hebben gekost.

In 2025 heeft de veroordeelde 1.441,75 kilogram meer fosfaat geproduceerd dan het in dat jaar op haar bedrijf rustende fosfaatrecht. De berekende afgeroomde leaseprijs is € 69,43 per kilogram fosfaat. Het leasen van de benodigde fosfaatrechten zou de veroordeelde in 2025 dan ook € 100.099,30 hebben gekost.

In het geval een landbouwer extra fosfaatrechten verwerft, moet dit gemeld worden aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Hiervoor moet per transactie € 100,-- aan leges worden betaald.

Door na te laten fosfaatrechten te verwerven, heeft de veroordeelde de volgende kosten bespaard:

2024 Leasekosten € 16.537,40Leges € 100,--Totaal 2024 € 16.637,40

2025 Leasekosten € 100.099,30Leges € 100,--Totaal 2025 € 100.199,30

De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 116,836,70.

De vaststelling van de betalingsverplichting

Namens de veroordeelde is gesteld dat er geen financiële middelen zijn waarmee

het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden terugbetaald. Als de ontnemingsvordering wordt toegewezen, zal zij daarvoor aanvullende financiering moeten zoeken.

Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de draagkracht van de betrokkene in beginsel aan de orde komt in de executiefase. De reden daarvoor is dat de rechter in de ontnemings-procedure doorgaans niet met zekerheid zal kunnen vaststellen hoe de draagkracht van de betrokkene zich in de – soms aanzienlijk later plaatsvindende – executiefase zal ontwikkelen, en dat de mogelijkheid om aan de opgelegde betalingsverplichting te voldoen zich dus beter laat beoordelen in de executiefase. In de ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting als aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Het gaat dan om het geval waarin de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat de betrokkene op het moment van de ontnemingsprocedure geen draagkracht heeft en dat het zeer waarschijnlijk is dat daarin in de toekomst geen verandering zal komen.

In deze zaak is niet gebleken dat de door de Hoge Raad genoemde uitzonderingssituatie aan de orde is. Weliswaar heeft de raadsvrouw aangevoerd dat veroordeelde financieel aan de afgrond staat, maar er is geen volledig financieel transparant beeld gegeven van het huidige en toekomstige vermogen, de verdiencapaciteit en liquiditeitspositie of kasstromen. Bij die stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen dat nu en in de toekomst de draagkracht onvoldoende is en zal zijn om aan de betalingsveplichting te voldoen. De rechtbank zal daarom bij het vaststellen van de betalingsverplichting geen rekening houden met de draagkracht van de veroordeelde.

De rechtbank overweegt in dit verband nog dat als sprake is van betalingsonmacht artikel 6.6.26 van het Wetboek van Strafvordering in de mogelijkheid voorziet om de tussenkomst in te roepen van een rechter. Deze procedure heeft als inzet het vastgestelde ontnemingsbedrag te verminderen of kwijt te schelden.

De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 116,836,70.

4. De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5. De beslissing

De rechtbank:

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Manuel, voorzitter, mr. H. Stam en mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Mulder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H. Manuel
  • mr. H. Stam
  • mr. R.P. van Campen

Griffier

  • mr. A.R. Mulder

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand