ECLI:NL:RBOVE:2026:6246

ECLI:NL:RBOVE:2026:6246

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 19-10-2026
Datum publicatie 19-10-2026
Zaaknummer 84-118099-25 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 32-jarige man tot een gevangenisstraf van 23 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke leiding geven aan het opzettelijk plegen van belastingfraude. Daarnaast heeft verdachte feitelijk leiding gegeven aan het door B.V, tezamen met een andere rechtspersoon, voorhanden hebben van een grote hoeveelheid bier zonder dat over dat bier accijns was betaald.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84-118099-25 (P)

Datum vonnis: 19 oktober 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] .

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. B.M.C.F. de Groen, advocaat in Breda, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: feitelijke leiding of opdracht heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] B.V. al dan niet samen met een ander opzettelijk doen van onjuiste of onvolledige aangiften voor de omzetbelasting over het derde en vierde kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal van 2020;

feit 2: feitelijke leiding of opdracht heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] B.V. al dan niet samen met een ander opzettelijk niet doen van een aangifte voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2020;

feit 3: feitelijke leiding of opdracht geven aan het door [bedrijf 1] B.V al dan niet samen met een ander opzettelijk voorhanden hebben van een (grote) hoeveelheid accijnsgoederen (bier), terwijl over deze goederen geen accijns was betaald.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

[bedrijf 1] B.V. op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 15 oktober 2019 tot en met 23 april 2020 te Deventer en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) of meer anderen), en/of alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (of meer) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] B.V., over (DOC-059, p. 201 procesdossier en DOC-137, p. 684 procesdossier):

- het derde kwartaal van 2019;

- het vierde kwartaal van 2019, en/of

- het eerste kwartaal van 2020;

onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben doen/laten doen, door op/in die het/de ingeleverde/ingediende aangifte(n) een onjuist bedrag aan voorbelasting, omzet en/of te betalen belasting op te geven en/of te doen/laten opgeven en/of vermelden,

terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekt(en) dat te weinig belasting wordt geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[bedrijf 1] B.V. op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 maart 2020 tot en met 31 juli 2020 te Deventer en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) of meer anderen), en/of alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (of meer) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] B.V., over:

- het tweede kwartaal van 2020,

(telkens) niet of niet binnen de gestelde termijn heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben doen/laten doen,

terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

tot het plegen van welk(e) boven omschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

[bedrijf 1] B.V. op of omstreeks 15 september 2019 tot en met 27 mei 2020 te Deventer, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen,

opzettelijk (een) grote hoeveelheid accijnsgoed(eren), te weten (ongeveer) 36.791 hectoliter bier (DOC-153, p. 685 en 697 procesdossier), althans een (grote) hoeveelheid bier, voorhanden heeft/hebben gehad,

terwijl die/dat accijnsgoed(eren) niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken,

tot het plegen van welk(e) boven omschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft hij, zakelijk weergegeven, betoogd dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de door [bedrijf 1] B.V. gepleegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank

De redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van het dossier en van hetgeen ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.

Uit een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [bedrijf 1] B.V. (verder: [bedrijf 1] B.V.) is opgericht op 5 juni 2018 en is gevestigd op het adres [adres 2] . De bedrijfsactiviteiten zijn beschreven als “groothandel in dranken”, “gespecialiseerde groothandel in overige voedings- en genotmiddelen” en “handelsbemiddeling in voedings- en genotmiddelen”. De bestuurder van [bedrijf 1] B.V. was [bedrijf 2] B.V.

[bedrijf 2] B.V. was tot 31 maart 2020 de enig aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. Verdachte was bestuurder van [bedrijf 2] B.V. en hield samen met zijn broer [naam 1] , ieder voor vijftig procent, de aandelen van [bedrijf 2] B.V. In het Handelsregister werd op 9 april 2020 geregistreerd dat de [bedrijf 3] B.V. met ingang van 3 augustus 2019 was aangetreden als enig aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. Uit het Handelsregister blijkt verder dat de heer [naam 2] vanaf diezelfde datum bestuurder van de [bedrijf 3] B.V. was geworden. Verdachte werd diezelfde dag uitgeschreven als bestuurder van de [bedrijf 3] B.V. Deze wijzigingen werden geregistreerd op 28 april 2020.

Op 11 mei 2021 werd geregistreerd dat de [bedrijf 3] B.V. met ingang van 31 maart 2020 als bestuurder van [bedrijf 1] B.V. optrad.

De Belastingdienst heeft bij [bedrijf 1] B.V. een boekenonderzoek uitgevoerd naar de aanvaard-baarheid van de aangiften voor de omzetbelasting over de tijdvakken in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 30 juni 2020. Uit de gegevens van de Belastingdienst bleek dat de aangiften voor de omzetbelasting van [bedrijf 1] B.V. over het derde en vierde kwartaal 2019 en het eerste kwartaal van 2020 nihilaangiften waren. Over het tweede kwartaal van 2020 heeft [bedrijf 1] B.V. geen aangifte voor de omzetbelasting gedaan. In het kader van het onderzoek van de Belastingdienst zijn de bankafschriften van de zakelijke bankrekening van [bedrijf 1] B.V. met het IBAN-nummer [rekeningnummer] opgevraagd. Uit de analyse van de saldo- en transactiegegevens kwam naar voren dat [bedrijf 1] B.V. in de periode van

15 september 2019 tot en met 14 juni 2020 grote hoeveelheden bier had ingekocht bij het Duitse bedrijf [bedrijf 4] GmbH voor een totaalbedrag van € 4.087.089,21.

Vervolgens bleek dat [bedrijf 1] B.V. dit bier heeft doorverkocht aan de onderneming [bedrijf 5] B.V. voor een totaalbedrag van € 4.230.374,62.

Naar aanleiding hiervan heeft de Belastingdienst een derdenonderzoek ingesteld bij [bedrijf 5] B.V. Uit de aangetroffen facturen en vrachtbrieven bleek dat het bier door [bedrijf 4] GmbH was verkocht aan [bedrijf 1] B.V., waarna [bedrijf 1] B.V. het bier aan [bedrijf 5] B.V. door factureerde. De feitelijke levering vond echter rechtstreeks plaats van [bedrijf 4] GmbH aan [bedrijf 5] B.V. Op de facturen van [bedrijf 1] B.V. aan [bedrijf 5] B.V. was telkens 9% of 21% omzetbelasting in rekening gebracht.

Uit het onderzoek is gebleken dat [bedrijf 1] B.V. over het derde en vierde kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal van 2020 in totaal € 531.802,-- te weinig omzetbelasting afgedragen heeft.

Doordat [bedrijf 1] B.V. over het tweede kwartaal van 2020 geen aangifte omzetbelasting heeft gedaan, is daarnaast € 215.207,-- aan omzetbelasting ten onrechte niet afgedragen.

Naast het onderzoek naar de omzetbelasting heeft de Douane onderzocht of [bedrijf 1] B.V. de over het ingekochte bier verschuldigde accijns heeft afgedragen. Uit dit onderzoek bleek dat [bedrijf 1] B.V. over in totaal 36.791 hectoliter bier geen accijns afgedragen heeft. De Douane heeft berekend dat het bedrag aan niet-afgedragen accijns in totaal € 1.396.585,-- bedraagt.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank zal het onder 1 en 2 ten laste gelegde, gelet op de onderlinge samenhang tussen beide feiten, gezamenlijk bespreken. Vervolgens wordt het onder 3 ten laste gelegde besproken.

4.3.2.1 Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

Verdachte wordt verweten feitelijk leiding te hebben gegeven aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting (feit 1) en het opzettelijk niet doen van een aangifte omzetbelasting (feit 2) door [bedrijf 1] B.V.

Bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijk leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, dient eerst te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft gepleegd of daaraan heeft deelgenomen. Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist (zoals hier het geval is), dient ook dat opzet van de rechtspersoon te worden vastgesteld. Als die vragen bevestigend worden beantwoord, komt de vraag aan de orde of bewezen kan worden dat verdachte aan die gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven.

4.3.2.1.1 Onjuiste aangiften omzetbelasting over het derde en vierde kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal van 2020 en het niet doen van aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2020

[bedrijf 1] B.V. is op 31 maart 2019 respectievelijk 31 maart 2020 uitgenodigd tot het doen van aangifte omzetbelasting over de tijdvakken in de jaren 2019 en 2020. Naar aanleiding daarvan heeft [bedrijf 1] B.V. (nihil)aangiften omzetbelasting over het derde en vierde kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal van 2020 ingediend. In deze aangiften is onder het onderdeel “verschuldigde omzetbelasting” telkens “€ 0,--” ingevuld. De aangiften zijn ingediend door de heer [naam 3] , werkzaam bij [bedrijf 6] B.V., die de boekhouding van [bedrijf 1] B.V. verzorgde.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat [bedrijf 1] B.V. in de periode van 15 september 2019 tot en met 14 juni 2020 grote hoeveelheden bier heeft ingekocht en vervolgens heeft verkocht. In de administratie van [bedrijf 5] B.V. zijn facturen van [bedrijf 1] B.V. aangetroffen die betrekking hebben op deze transacties. Voorts is op de bankrekening van [bedrijf 1] B.V. te zien dat er in het derde en vierde kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal van 2020 in totaal € 3.063.395,14 is ontvangen van [bedrijf 5] B.V.

De rechtbank stelt vast dat [bedrijf 1] B.V. in de betreffende tijdvakken omzet heeft gegenereerd waarover zij omzetbelasting diende aan te geven en af te dragen. Deze omzet is niet aangegeven in de betreffende aangiften omzetbelasting. De aangiften omzetbelasting zijn dus onjuist. Deze feiten hebben er toe gestrekt dat telkens te weinig belasting werd geheven. Immers, uit een ambtsedige verklaring van de Belastingdienst blijkt dat er door de onjuiste aangiften van [bedrijf 1] B.V. € 531.802,-- te weinig aan omzetbelasting werd geheven.

Ten aanzien van het tweede kwartaal van 2020 stelt de rechtbank vast dat [bedrijf 1] B.V. geen aangifte omzetbelasting heeft gedaan. In de administratie van [bedrijf 5] B.V. zijn facturen aangetroffen waaruit blijkt dat [bedrijf 1] B.V. ook in dit kwartaal bier heeft verkocht en daarbij omzetbelasting in rekening heeft gebracht. Uit de bankgegevens blijkt dat [bedrijf 1] B.V. in de periode van 1 april 2020 tot en met 4 juni 2020 in totaal € 1.240.005,31 heeft ontvangen van [bedrijf 5] B.V. Ook over dit tijdvak heeft [bedrijf 1] B.V. dus omzet gegenereerd waarover zij omzetbelasting verschuldigd was. Doordat [bedrijf 1] B.V. geen aangifte omzetbelasting heeft gedaan, is de verschuldigde omzetbelasting niet aangegeven en is over deze periode € 215.207,-- te weinig omzetbelasting afgedragen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat [bedrijf 1] B.V. over het derde en vierde kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal van 2020 onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend en over het tweede kwartaal van 2020 geen aangifte voor de omzetbelasting heeft gedaan.

4.3.2.1.2 Daderschap [bedrijf 1] B.V.

De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon.

De hiervoor genoemde gedragingen houden verband met een of meer wettelijke verplichtingen op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (verder: AWR) en de Wet op de omzetbelasting 1968 (verder: Wet OB 1968) en hebben naar het oordeel van de rechtbank telkens plaatsgevonden binnen de sfeer van de rechtspersoon en kunnen aan haar worden toegerekend.

4.3.2.1.3 Opzet [bedrijf 1] B.V.

Naast het daderschap van de rechtspersoon dient ook opzet te kunnen worden vastgesteld bij de rechtspersoon. In het algemeen zal opzet van een leidinggevende functionaris steeds kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon.

De rechtbank zal voor de beoordeling daarvan ingaan op de rol van verdachte binnen [bedrijf 1] B.V.

Verdachte is tijdens het strafrechtelijke onderzoek meerdere keren door de FIOD verhoord. Bij die verhoren heeft hij zich telkens op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting heeft verdachte wel een verklaring afgelegd en een alternatief scenario geschetst. Verdachte heeft verklaard dat hij [bedrijf 1] B.V. – via de [bedrijf 3] B.V – met ingang van 3 augustus 2019 aan [naam 2] heeft overgedragen. Verdachte heeft verklaard dat hij zich vanaf dat moment niet meer met de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] B.V. heeft bemoeid en dat hij niet betrokken is geweest bij de in- en verkoop van bier. Verdachte heeft verder verklaard dat hij niet meer weet voor welk bedrag hij [bedrijf 1] B.V. aan [naam 2] heeft overgedragen, maar dat zij een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Dat de wijzigingen niet tijdig in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel zijn verwerkt, komt volgens verdachte niet voor zijn rekening, maar is de verantwoordelijkheid van [naam 2] .

De rechtbank acht het door verdachte geschetste alternatieve scenario op basis van de volgende feiten en omstandigheden uitgesloten.

Uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel volgt dat verdachte middellijk bestuurder was van [bedrijf 1] B.V. via [bedrijf 2] B.V. Op 9 april 2020 is geregistreerd dat de [bedrijf 3] B.V. met ingang van 3 augustus 2019 enig aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. was geworden en dat [bedrijf 2] B.V. per 31 maart 2020 als aandeelhouder was uitgeschreven. Op 28 april 2020 is geregistreerd dat [naam 2] met ingang van 3 augustus 2019 bestuurder van de [bedrijf 3] B.V. was geworden. Op diezelfde datum is verdachte uitgeschreven als bestuurder van de [bedrijf 3] B.V. Vervolgens is op 11 mei 2020 geregistreerd dat de [bedrijf 3] B.V. met ingang van 31 maart 2020 bestuurder is geworden van [bedrijf 1] B.V.

De rechtbank stelt op grond van deze feiten vast dat verdachte in ieder geval tot 31 maart 2020 middellijk bestuurder van [bedrijf 1] B.V. is gebleven. Van een volledige overdracht van het bestuur van [bedrijf 1] B.V. aan [naam 2] op 3 augustus 2019, zoals door verdachte gesteld en door hem onderbouwd door verwijzing naar de vaststellingsovereenkomst, is dus geen sprake geweest.

Ook de volgende omstandigheden bieden geen steun aan de verklaring van verdachte dat hij het bestuur van [bedrijf 1] B.V. al op een eerder moment aan [naam 2] had overgedragen, maar wijzen juist op het feit dat verdachte voortdurend betrokken is geweest bij [bedrijf 1] B.V.

[naam 3] heeft verklaard dat hij uitsluitend contact had met verdachte en diens broer en dat de beperkte administratie die hij ontving, door hen werd aangeleverd. [naam 3] verzorgde de aangiften omzetbelasting voor [bedrijf 1] B.V. en hij heeft de nihilaangiften over het derde en vierde kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal van 2020 ingediend om boetes te voorkomen. [naam 3] heeft verder verklaard dat hij [naam 2] niet kent en deze persoon nooit heeft gezien of gesproken. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier op geen enkele andere wijze blijkt van enige betrokkenheid van [naam 2] bij [bedrijf 1] B.V.

Daarnaast stonden [bedrijf 1] B.V., de [bedrijf 3] B.V.

en [bedrijf 7] B.V. gedurende de gehele periode van 19 maart 2019 tot en met

30 mei 2020 bij de Belastingdienst en de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het woonadres van verdachte aan de [adres 2] . Dat inschrijvingsadres is niet aangepast naar aanleiding van de gestelde bestuursoverdracht aan [naam 2] op 3 augustus 2019.

Verder blijkt uit het dossier dat op een factuur van [bedrijf 4] GmbH aan [bedrijf 1] B.V. en op de bijbehorende pakbon en vrachtbrief het adres van verdachte stond vermeld. Dat geldt ook voor de facturen van [bedrijf 1] B.V. aan [bedrijf 5] B.V.

Bovendien stond verdachte nog tot 29 mei 2020 als gemachtigde geregistreerd bij de zakelijke bankrekening van [bedrijf 1] B.V. Op deze bankrekening maakte [bedrijf 5] B.V. de door haar aan [bedrijf 1] B.V. verschuldigde bedragen over.

Uit het dossier blijkt dat [bedrijf 1] B.V. over de in- en verkoop van het bier een winst heeft gerealiseerd van € 142.809,11. Deze winst is als volgt besteed:

- [bedrijf 2] B.V. € 116.093,11

- contanten opnamen € 22.400,--

- [verdachte] € 4.316,--.

Een klein deel van de winst is dus bij verdachte terecht gekomen. Dit past niet in zijn verklaring dat hij [bedrijf 1] B.V. op 3 augustus 2019 aan [naam 2] heeft overgedragen en daarna niet meer bij de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] B.V. betrokken is geweest.

Het door verdachte geschetste alternatieve scenario vindt aldus naar het oordeel van de rechtbank zijn weerlegging in de weergegeven feiten en omstandigheden. Uit die feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte (ook na 3 augustus 20219) feitelijk bestuurder is gebleven van [bedrijf 1] B.V.

[bedrijf 1] B.V. heeft grote hoeveelheden bier in- en verkocht, terwijl de omzet die met deze transacties werd gegenereerd niet in de aangiften omzetbelasting zijn verwerkt. Verdachte was degene die ervoor moest zorgen dat de voor de belastingaangiften benodigde gegevens bij de boekhouder terechtkwamen. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte door het niet aanleveren van de in- en verkoopfacturen wist dat er door [bedrijf 1] B.V. onjuiste aangiften voor de omzetbelasting werden ingediend over het derde en vierde kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal van 2020. Hetzelfde geldt voor het niet indienen van de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2020. Verdachte wist dat [bedrijf 1] B.V. in die periode omzet had behaald waarover omzetbelasting verschuldigd was. Nu verdachte de voor het doen van aangifte benodigde gegevens niet aan de boekhouder verstrekte, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat over dat kwartaal geen aangifte omzetbelasting zou worden gedaan.

Uit het opzet van verdachte die – zoals hiervoor vastgesteld – namens [bedrijf 1] B.V. handelde, kan het opzet van [bedrijf 1] B.V. op het doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting over het derde en vierde kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal van 2020 en het niet doen van aangifte omzetbelasting over tweede kwartaal 2020 worden afgeleid en aan haar worden toegerekend.

4.3.2.1.5 Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat in dit verband sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van [bedrijf 1] B.V. met anderen.

4.3.2.1.6 Feitelijk leidinggeven

Feitelijk leidinggeven

Zoals eerder vermeld, stelt de rechtbank voorop dat pas nadat is vastgesteld dat een verboden gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend en de rechtspersoon opzet heeft gehad, de vraag aan de orde komt of kan worden bewezen dat de verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Bij de beoordeling daarvan dient niet uitsluitend de juridische positie betrokken te worden, maar ook de feitelijke positie van de verdachte bij de rechtspersoon en het gedrag dat de verdachte heeft vertoond of nagelaten op grond waarvan hij geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijk leiding te hebben gegeven.

Bij het gedrag dat de verdachte heeft vertoond, kan worden gedacht aan actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijk leiding geven valt, maar ook het algemene door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid waarvan de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is dan wel het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven.

De rechtbank acht bewezen – gelet ook op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het (aan [bedrijf 1] B.V. toegerekende) opzet van verdachte – dat verdachte feitelijk heeft leidinggegeven aan de door [bedrijf 1] B.V. gepleegde verboden gedragingen.

De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

4.3.2.2 Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Onder 3 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] B.V. bij het, samen met een of meer anderen, opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen, te weten 36.791 hectoliter bier, terwijl die accijnsgoederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken.

In de tenlastelegging wordt onder de tekst van dit feit verwezen naar art 5 lid 1 onder b Wet op de accijns, art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht en art 97 Wet op de accijns.

4.3.2.2.1 Voorhanden hebben van een accijnsgoed

Juridisch kader

In zijn arrest van 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1619, heeft de Hoge Raad beslist dat met de term ‘voorhanden hebben’ in artikel 5 lid 1, aanhef en onder b, Wet op de accijns hetzelfde is bedoeld als met de term ‘voorhanden hebben’ in artikel 2 lid 1, onder b, Wet op de accijns en dat laatstbedoelde bepaling niet de term ‘betrokken zijn bij het voorhanden hebben’ omvat.

Met artikel 97 Wet op de accijns wordt dus niet strafbaar gesteld ‘het betrokken zijn bij het voorhanden hebben’ van accijnsgoederen die niet overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken, maar (voor zover in dit verband van belang) uitsluitend het ‘voorhanden hebben’ van die accijnsgoederen. Verder heeft de Hoge Raad in genoemd arrest bepaald dat het begrip ‘de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft’ uitgelegd moet worden zoals dit begrip in het gewone spraakgebruik gebruikt wordt, te weten een persoon die deze goederen fysiek tot zijn beschikking heeft.

Oordeel van de rechtbank m.b.t. het daderschap van [bedrijf 1] B.V.

Hiervoor is vastgesteld dat [bedrijf 1] B.V. in de periode van 15 september 2019 tot en met 14 juni 2020 grote hoeveelheden bier heeft ingekocht bij het Duitse bedrijf [bedrijf 4] GmbH voor een totaalbedrag van € 4.087.089,21.

Vervolgens heeft [bedrijf 1] B.V. dit bier doorverkocht aan het Nederlandse bedrijf [bedrijf 5] B.V. voor een totaalbedrag van € 4.230.374,62. Het bier is vanuit Duitsland voor rekening van [bedrijf 1] B.V. door een Pools transportbedrijf naar het bedrijfsadres van [bedrijf 5] B.V. aan de [adres 3] getransporteerd.

Het bier is daarop van het bedrijfsadres van [bedrijf 5] B.V. overgebracht naar de [bedrijf 8] B.V., [adres 4] .

Uit het onderzoek van de Douane is gebleken dat over de in totaal 36.791 hectoliter bier geen accijns is afgedragen. Het bedrag aan niet-afgedragen accijns bedraagt € 1.396.585,--.

De rechtbank stelt vast dat:

- op de door [bedrijf 4] GmbH in verband met de verkoop van het bier opgemaakte facturen [bedrijf 1] B.V., [adres 2] als ‘Empfänger / Koper’ is vermeld;

- op de bijbehorende pakbon als ‘Ort der Lieferung’ (plaats van levering) is vermeld: [bedrijf 1] B.V., [adres 3];

- op de internationale vrachtbrief in vak 24 ‘Gut Empfangen / Receipt of Goods’ een bedrijfsstempel staat van [bedrijf 1] B.V., [adres 2] (inclusief KvK-nummer en BTW-nummer van [bedrijf 1] B.V.);

- de facturen voor het transport van het bier van [vestigingsplaats 1] ( [bedrijf 5] B.V.) naar [vestigingsplaats 2] ( [bedrijf 8] B.V.) gericht zijn aan [bedrijf 1] B.V., [adres 2].

Uit de weergegeven gang van zaken en de hiervoor genoemde documenten – in onderling verband en samenhang bezien – leidt de rechtbank af dat [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 5] B.V. het van [bedrijf 4] GmbH afkomstige bier tezamen en in vereniging voorhanden hebben gehad, als bedoeld in artikel 5 lid 1 onder b van de Wet op de accijns.

Er is tussen [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 5] B.V. een nauwe en bewuste samenwerking geweest met als doel het importeren van een grote hoeveelheid bier uit Duitsland zonder de daarover verschuldigde accijns af te dragen.

Zoals hiervoor vastgesteld, bestaan de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] B.V. onder meer uit het handelen in dranken. De hiervoor beschreven gedragingen passen in de normale bedrijfsvoering en hebben aldus plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen daarom worden toegerekend aan [bedrijf 1] B.V.

4.3.2.2.2 Opzet [bedrijf 1] B.V. en het feitelijk leidinggeven door verdachte

Ten aanzien van het opzet van [bedrijf 1] B.V. en het feitelijk leidinggeven door verdachte verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor onder 4.3.2.1.3 en 4.3.2.1.6 heeft overwogen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aan de verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven.

De rechtbank acht daarom ook het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

[bedrijf 1] B.V. op tijdstippen in de periode 15 oktober 2019 tot en met 23 april 2020 in Nederland,

opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (digitale) aangiften voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] B.V., over :

- het derde kwartaal van 2019;

- het vierde kwartaal van 2019, en

- het eerste kwartaal van 2020;

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, door op/in de ingeleverde/ingediende aangiften een onjuist bedrag aan omzet en te betalen belasting op te geven,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[bedrijf 1] B.V. op tijdstippen in de periode 1 maart 2020 tot en met 31 juli 2020 in Nederland,

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (digitale) aangifte voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] B.V., over:

- het tweede kwartaal van 2020,

niet heeft gedaan,

terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven,

aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

[bedrijf 1] B.V. in de periode van 15 september 2019 tot en met 27 mei 2020 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een grote hoeveelheid accijnsgoederen, te weten (ongeveer) 36.791 hectoliter bier voorhanden heeft gehad,

terwijl die accijnsgoederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 AWR en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: feitelijke leiding geven aan het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: feitelijke leiding geven aan het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon;

feit 3

het misdrijf: feitelijke leiding geven aan het medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met aftrek van voorarrest, waarbij hij een korting heeft toegepast van één maand wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De aard en ernst van de gepleegde feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude door feitelijk leiding te geven aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting door [bedrijf 1] B.V. over het derde en vierde kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal van 2020 en het opzettelijk niet doen van aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2020. Het gevolg hiervan was dat [bedrijf 1] B.V. niet de door haar verschuldigde omzetbelasting aan de Belastingdienst heeft afgedragen. Dit heeft een nadeel voor de maatschappij veroorzaakt van ruim € 747.000,--. Het systeem van omzetbelasting is mede gebaseerd op het vertrouwen dat een (rechts)persoon een juiste belastingaangifte doet. Door aangiften te doen die niet stroken met de werkelijkheid, en door geen aangifte te doen, wordt het systeem van de belastingheffing ondermijnd.

Daarnaast heeft verdachte feitelijk leiding gegeven aan het door [bedrijf 1] B.V, tezamen met een andere rechtspersoon, voorhanden hebben van een grote hoeveelheid bier zonder dat over dat bier accijns was betaald. Door het handelen van verdachte is de Nederlandse staat een bedrag van € 1.396.585,-- aan accijns misgelopen. Bovendien verstoort het handelen van verdachte de reguliere markt voor bier. Op deze wijze wordt aan bonafide bedrijven die wel aan de accijnsrechtelijke verplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie aangedaan. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.

De rechtbank heeft bij het bepalen van (de hoogte van) de straf eveneens acht geslagen op de oriëntatiepunten voor fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarbij het benadelingsbedrag in grote mate bepalend is. Deze oriëntatiepunten geven een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van minimaal 24 maanden in overweging bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,-- en hoger.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 23 juli 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor fraudedelicten. Wel is hem op 1 maart 2022 een strafbeschikking opgelegd ter zake van een geweldsdelict. Artikel 63 Sr is daarom van toepassing. Voorts blijkt uit de justitiële documentatie dat verdachte in een andere zaak wordt verdacht van belastingfraude, waarvoor hij zich nog voor de rechter moet verantwoorden.

De redelijke termijn

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

Op 10 juni 2024 is verdachte aangehouden. In deze zaak is op dat moment jegens verdachte een handeling verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank stelt aldus vast dat op 10 juni 2024 de redelijke termijn is aangevangen waarbinnen verdachte dient te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

De datum van dit vonnis is 19 oktober 2026 wat een overschrijding van de redelijke termijn betekent van ruim vier maanden. De rechtbank zal deze overschrijding compenseren door een kortere vrijheidsstraf op te leggen dan die op grond van de feiten en omstandigheden passend zou zijn geweest bij berechting binnen redelijke termijn.

De op te leggen straf

Gelet op de ernst en omvang van de bewezenverklaarde feiten is naar het oordeel van de rechtbank geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Door het handelen van verdachte zijn aanzienlijke bedragen aan belasting en accijns onbetaald gebleven. Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. In plaats daarvan heeft hij geprobeerd de verantwoordelijkheid bij een ander neer te leggen. De rechtbank neemt hem dit alles hoogst kwalijk en acht daarom de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden.

De rechtbank zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met aftrek van de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het voorwaardelijk strafdeel beoogt verdachte te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteerd in de strafmaat door de gevangenisstraf met één maand te verminderen.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: feitelijke leiding geven aan het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: feitelijke leiding geven aan het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon;

feit 3

het misdrijf: feitelijke leiding geven aan het medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 (drieëntwintig) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. D. ten Boer en mr. W.B. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.N. Esajas, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand