RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84-262830-25 (P)
Datum vonnis: 19 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] ,
wonende aan het [adres] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
5 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie. Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 21 december 2016 tot en met 10 mei 2019 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die oplichting en witwassen als oogmerk had.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij in of omstreeks de periode van 21 december 2016 tot en met 10 mei 2019, in de gemeente Arnhem, in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie zijnde een samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 1] , en/of [medeverdachte 2] , en/of [medeverdachte 3] , en/of [medeverdachte 4] , en/of [medeverdachte 5] , en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of (een) ander(en) - natuurlijke en/of rechtspersonen - al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten: het oplichten van natuurlijke en rechtspersonen en/of het plegen van gewoonte witwassen.
3. De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. De bewijsmotivering
Inleiding
Deze zaak maakt deel uit van het strafrechtelijke onderzoek “Barracuda”, een onderzoek naar grootschalige oplichting, gepleegd in de periode van oktober 2016 tot eind 2019. Aanleiding voor dit strafrechtelijke onderzoek waren de onderzoeken “Berry” en “Barst”, waarin een vergelijkbare werkwijze naar voren kwam. Potentiële slachtoffers, vaak ondernemers, werden gebeld door een persoon die zich voordeed als medewerker van de Belastingdienst. De potentiële slachtoffers werd voorgehouden dat zij een belastingschuld hadden en dat ze het verschuldigde bedrag dienden over te maken naar een rekening van de Belastingdienst. In werkelijkheid kwam het geld terecht op bankrekeningen die door zogenoemde “geldezels” ter beschikking waren gesteld en waarover de fraudeurs konden beschikken. Het door de slachtoffers overgemaakte geld werd vervolgens zo snel mogelijk door een zogenoemde “kassier” contant opgenomen. Ook werden grote geldbedragen overgeboekt naar bankrekeningen in Turkije.
Het dossier maakt melding van 194 aangiftes uit het hele land van (pogingen tot) oplichting en bedreiging/afpersing. Het daarmee samenhangende financiële nadeel wordt geschat op minimaal € 2.200.000,--.
In het onderzoek zijn meerdere personen als verdachten aangemerkt. Volgens het onderzoek hebben zij – in meer of mindere mate – met elkaar samengewerkt en daarbij een rol vervuld als organisator of beller teneinde mensen hun bankrekening en/of bankpas met pincode ter beschikking te laten stellen. Een aantal verdachten zou daarbij mensen hebben bedreigd. Daarnaast waren er geldezels en kassiers actief. Deze personen lieten geld op hun rekening storten en/of pinden het geld van de bankrekening. Verdachte wordt verweten een crimineel samenwerkingsverband te hebben gevormd met de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] ,
[medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] . Deze verdachten zijn in 2022 al veroordeeld.
Verdachte was aanvankelijk voortvluchtig. Hij is in 2024 aangehouden en staat in deze zaak terecht voor zijn betrokkenheid bij het vermeende criminele samenwerkingsverband.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.
Het oordeel van de rechtbank
Het juridische kader
De rechtbank stelt voorop dat voor “deelneming” aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is vereist dat de verdachte behoort tot een samenwerkingsverband, waarbinnen gedragingen plaatsvinden die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk en dat de verdachte een aandeel heeft in deze gedragingen, dan wel deze gedragingen ondersteunt. Van “ondersteunen” is sprake als de verdachte met zijn handelen de bedoelde gedragingen bevordert of makkelijker maakt. Dit handelen moet niet in een te ver verwijderd verband staan tot de verwezenlijking van het hiervoor bedoelde oogmerk.
Modus operandi
Uit de aangiftes blijkt dat de modus operandi in veel gevallen op essentiële punten overeenkomsten vertoont. De beller benaderde, veelal aan de hand van een vast belscript, bedrijven – veelal kleine ondernemers – verspreid over het hele land. De beller sprak Nederlands en stelde zich voor als een medewerker van de Belastingdienst of een incassobureau. Daarbij werd gebruikgemaakt van valse namen, onder meer [bijnaam 2] of [bijnaam 3] en [bijnaam 4] . Op deze wijze werd het vertrouwen van de aangevers gewekt. Vervolgens vertelde de beller dat hun onderneming een belastingaanslag niet had betaald en dat om die reden beslag was of zou worden gelegd op hun bankrekening. De beller hield de aangevers voor dat zij, als niet onmiddellijk tot betaling werd overgegaan, rekening moesten houden met een boete, beslaglegging of het bevriezen van hun bankrekening. Daarbij werd op indringende en intimiderende wijze druk uitgeoefend. De beller vertelde dat deze beslaglegging en de daaropvolgende gerechtelijke procedure kon worden afgewend als het bedrijf direct geld zou overboeken. De aangever werd aan de lijn gehouden totdat het geld was overgeboekt naar de bankrekening van een geldezel. Voorts stond een kassier klaar bij een pinautomaat die vervolgens het geld van de rekening pinde. In een aantal gevallen werd met het overgemaakte geldbedrag goederen aangekocht, waarna deze goederen kort daarna werden geretourneerd en het geld contant werd ontvangen. Hoewel van de aangevers de nodige omzichtigheid mag worden verwacht bij dergelijke overboekingen, maakt dat het aantal, de indringendheid en de opeenstapeling van de hiervoor genoemde leugens in deze context telkens sprake is van een samenweefsel van verdichtsels.
Criminele organisatie
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een organisatie die het oogmerk had om strafbare feiten te plegen. Uit de hiervoor geschetste modus operandi blijkt dat een vrijwel vaste werkwijze werd gehanteerd. De aangevers werden gebeld aan de hand van een belscript en bewogen tot het overboeken van geld. Daarbij werden geldezels ingezet die hun bankrekening en/of bankpas ter beschikking stelden en stonden kassiers klaar om de ontvangen bedragen kort na de overboeking contant op te nemen. Dit vereist samenwerking en communicatie tussen de beller, de geldezel en de kassier. Immers, de beller wist op welke bankrekening het geld moest worden overgemaakt, en een kassier beschikbaar moest zijn om op korte termijn het geld op te nemen. De organisatiestructuur is getracht zo diffuus mogelijk te maken door gebruik te maken van wisselende geldezels en kassiers. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband, dat uit wisselende samenstellingen bestond, waarbij altijd sprake was van één kern: [naam 1] , die handelde vanuit Turkije en samenwerkte met telkens één of meerdere personen in Nederland. De handelingen van de organisatie, die als planmatig en stelselmatig zijn aan te merken, waren erop gericht om personen geld afhandig te maken en het geld contant te innen en te verdelen onder de deelnemers van de organisatie, waardoor sprake is van een criminele organisatie met als oogmerk de misdrijven oplichting en witwassen.
Betrokkenheid verdachte [verdachte]
Uit het dossier komt naar voren dat verdachte, die binnen het samenwerkingsverband bekend stond onder de bijnaam “ [bijnaam 1] ”, zich bezighield met het ronselen van geldezels, het beheren van bankpassen en pincodes van geldezels en het begeleiden van kassiers bij het opnemen van de door de aangevers overgemaakte geldbedragen. Daarnaast trad hij zelf in eerste instantie op als geldezel door zijn eigen bankrekening en bankpas ter beschikking te stellen. Later trad hij ook op als kassier.
In het dossier komt naar voren dat verdachte als geldezel betrokken is geweest bij de oplichting van [naam 2] en [naam 3] . Zij verklaarden namens hun ondernemingen [bedrijf 1] vof [bedrijf 2] op 21 december 2016 € 7.000,--, respectievelijk op 23 mei 2017 € 7.734,-- te hebben overgemaakt naar een bankrekening die op naam stond van verdachte. Uit de aangifte van [naam 4] volgt dat er op 27 februari 2017 € 7.020,-- is overgemaakt naar de bankrekening van de voormalige echtgenote van verdachte, [naam 5] . [naam 5] heeft verklaard dat zij de rekening heeft geopend op instructie van verdachte en dat zij het geldbedrag aan verdachte heeft afgegeven.
Ook uit de aangiften van [naam 6] en [naam 7] komt betrokkenheid van verdachte naar voren. [naam 6] en [naam 7] verklaarden dat zij op 17 januari 2019 namens hun ondernemingen € 19.944,--, respectievelijk € 3.800,-- hadden overgemaakt naar bankrekeningen die op naam stonden van [naam 8] , [naam 9] en [naam 10] . De daarop ontvangen geldbedragen zijn vervolgens op verschillende momenten contant opgenomen. Op de beschikbare camerabeelden is te zien dat een man deze geldbedragen bij een geldautomaten in Den Haag en Rotterdam opneemt. Op basis van gezichtsvergelijkend onderzoek is vastgesteld dat deze man verdachte is.
Voorts blijkt uit een observatie van 29 november 2017 dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 11] telefoons hebben aangeschaft en dat geldbedragen werden gestort op een bankrekening van een geldezel. Voorts is medeverdachte [medeverdachte 2] door verdachte afgezet bij een geldautomaat. Uit onderzoek is gebleken dat dit dezelfde dag was waarop [medeverdachte 2] een door aangever [naam 12] overgemaakt geldbedrag contant heeft opgenomen.
Uit onderzoek aan de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] volgt dat verdachte veelvuldig contact met hem had over het pinnen van geldbedragen en het ronselen van geldezels. In de berichten werden onder meer foto’s van bankpassen en bankrekeningnummers uitgewisseld. Ook blijkt uit de communicatie dat verdachte aan [medeverdachte 2] heeft opgedragen om standby te staan in de buurt van een geldautomaat.
Verdachte heeft verklaard dat hij in de beginperiode als geldezel heeft gefungeerd en zijn bankpas en pincode voor oplichting ter beschikking heeft gesteld. Verdachte heeft verklaard dat hij, via contacten met personen van Turkse afkomst, verder bij deze activiteiten betrokken is geraakt en er zo steeds verder is ingerold. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij daarvan veel spijt heeft.
Conclusie
Door voornoemde handelingen te verrichten, heeft verdachte in de periode van 21 december 2016 tot en met 10 mei 2019 een wezenlijke bijdrage geleverd aan de criminele organisatie. Verdachte heeft verschillende werkzaamheden verricht. Hij heeft als geldezel zijn bankrekening en bankpas ter beschikking gesteld. Daarnaast heeft hij zich beziggehouden met het ronselen van geldezels, het beheren van bankpassen en pincodes en het begeleiden van kassiers. Ook heeft verdachte meerdere keren als kassier de door de aangevers overgemaakte geldbedragen contant opgenomen.
Uit deze gang van zaken blijkt dat sprake was van een georganiseerd samenwerkingsverband, dat verdachte willens en wetens onderdeel heeft uitgemaakt van de criminele organisatie en daaraan bijdragen heeft geleverd die rechtstreeks verband houden met het oogmerk van de organisatie.
Uit de gang van zaken en de omstandigheden waaronder verdachte zijn gedragingen heeft verricht, leidt de rechtbank af dat hij wist dat hij zijn feiten pleegde binnen het kader van die criminele organisatie en daartoe ook het oogmerk had.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 21 december 2016 tot en met 10 mei 2019, in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie zijnde een samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 1] , en [medeverdachte 2] , en [medeverdachte 3] , en [medeverdachte 4] , en [medeverdachte 5] , en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en andere - natuurlijke personen - al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten: het oplichten van natuurlijke en rechtspersonen en het plegen van witwassen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 140 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van he feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek van voorarrest. Hierbij is rekening gehouden met een korting van drie maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van de gepleegde feiten
Verdachte heeft onderdeel uitgemaakt van een criminele organisatie die het plegen van oplichting en witwassen als oogmerk had. Slechts door ingrijpen van justitie is daaraan een einde gekomen. De organisatie heeft op structurele en georganiseerde wijze een groot aantal personen, voornamelijk ondernemers, opgelicht. In totaal is door toedoen van de organisatie waarvan verdachte als onderdeel van de wisselende samenstellingen op enig moment deel heeft uitgemaakt, in totaal ruim 2,2 miljoen euro overgeboekt op betaalrekeningen van geldezels en zijn de betaalde bedragen veelal kort nadien contant opgenomen of op andere wijze weggesluisd. Er is gebruik gemaakt van een netwerk van geldezels, tussenpersonen en ondersteuners om te bewerkstelligen dat het afhandig gemaakte geld feitelijk in bezit van de organisatie kwam. De rechtbank rekent het verdachte aan dat sprake is geweest van een bijzonder doortrapte en ingrijpende vorm van fraude. Daarbij werd schaamteloos misbruik gemaakt van het vertrouwen dat mensen in een overheidsinstantie als de Belastingdienst mogen hebben. Bij zijn handelen heeft verdachte zich kennelijk uitsluitend laten leiden door zijn eigen financiële gewin.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 3 juni 2026. Hieruit blijkt dat hij niet recentelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Wel is verdachte eerder veroordeeld wegens afpersing tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De redelijke termijn
Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn overweegt de rechtbank het volgende.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden van het geval.
Het strafrechtelijke onderzoek “Barracuda” is in 2017 gestart. Verdachte is echter tot eind oktober 2024 voortvluchtig geweest. Gedurende deze periode heeft de politie verdachte niet kunnen horen, omdat hij zich schuilhield. Ondanks een toezegging daartoe op 9 februari 2018 heeft verdachte zich niet vrijwillig bij de politie gemeld. Oproepen via sms, verzoeken via zijn raadsman om zich te melden en bezoeken aan zijn huisadres en ouders hadden geen resultaat. Op 20 oktober 2024 is verdachte aangehouden ter zake van een melding van huiselijk geweld. Op dat moment bleek dat hij internationaal gesignaleerd stond. Op 7 november 2024 is verdachte vervolgens in de onderhavige zaak door de opsporingsinstanties gehoord.
De rechtbank is van oordeel dat niet eerder dan op 7 november 2024 jegens verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank stelt aldus vast dat op deze datum de redelijke termijn is aangevangen waarbinnen verdachte dient te worden berecht. Het vonnis wordt op 19 oktober 2026 uitgesproken. De redelijke termijn is aldus slechts met bijna drie weken overschreden. De rechtbank zal volstaan met deze constatering.
De op te leggen straf
Gezien de ernst van het gepleegde feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De schade van benadeelden
De vordering van de benadeelde partijen
[bedrijf 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 19.422,50 [negentienduizend vierhonderdtweeëntwintig euro en vijftig eurocent], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Dit bedrag betreft vergoeding van materiële schade.
[naam 13] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 19.944,-- [negentienduizend negenhonderdvierenveertig euro], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Dit bedrag betreft vergoeding van materiële schade.
[naam 14] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 15.000,-- [vijftienduizend euro], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Dit bedrag betreft vergoeding van materiële schade.
[bedrijf 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 8.234,-- [achtduizend tweehonderdvierendertig euro], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Dit bedrag bestaat uit € 7.734,-- [zevenduizend zevenhonderdvierendertig euro] voor vergoeding van materiële schade en € 500,-- [vijfhonderd euro] voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
[naam 15] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.800,-- [drieduizend achthonderd euro], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Dit bedrag betreft vergoeding van materiële schade.
[bedrijf 3] B.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 9.996,-- [negenduizend negenhonderdzesennegentig euro], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Dit bedrag betreft vergoeding van materiële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
Met betrekking tot de vordering van [naam 14] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 7.020,-- kan worden toegewezen. De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat alle andere vorderingen geheel kunnen worden toegewezen.
De officier van justitie heeft daarbij verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de vorderingen hoofdelijk toe te wijzen.
Het oordeel van de rechtbank
Met betrekking tot de vordering van [bedrijf 1]
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Met betrekking tot de vordering van [naam 13]
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Met betrekking tot de vordering van [naam 14]
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de overboeking ter hoogte van € 7.020,-- op de bankrekening van de ex-vrouw van verdachte is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering niet is onderbouwd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat zou leiden tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Met betrekking tot de vordering van [bedrijf 2]
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de materiële schade is voldoende onderbouwd en door verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering niet is onderbouwd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat zou leiden tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Met betrekking tot de vordering van [naam 15]
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Met betrekking tot de vordering van [bedrijf 3] B.V.
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met het nader aan te geven aantal dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 36f Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 1] : van een bedrag van € 19.422,50 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2016) met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 19,422,50, (zegge: negentienduizend vierhonderdtweeëntwintig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2016 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 132 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 13]: van een bedrag van € 19.944,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019) met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 19,944,--, (zegge: negentienduizend negenhonderdvierenveertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 134 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 14]: van een bedrag van € 7.020,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2017) met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 7.020,--, (zegge: zevenduizendtwintig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2017 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 70 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 2]: van een bedrag van € 7.734,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2017) met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 7.734,-- (zegge: zevenduizend zevenhonderdvierendertig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2017 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 73 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor de immateriële schade niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 15]: van een bedrag van € 3.800,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019) met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.800,--, (zegge: drieduizend achthonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf januari 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 48 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 4] B.V.: van een bedrag van € 9.996,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2019) met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 9.996,-- (zegge: negenduizend negenhonderdzesennegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 84 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.B. Bruins, voorzitter, mr. H. Stam en mr. D. ten Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.N. Esajas, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.