RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84-336143-25 (P)
Datum vonnis: 19 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres],
nu verblijvende in P.I. [locatie].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 augustus 2026 en 5 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. W.J. Ausma, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 5 oktober 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2025 opzettelijk ten name van verschillende belastingplichtigen, samen met hen, onjuiste of onvolledige aangiften voor de omzetbelasting heeft gedaan, dan wel telkens die aangiften door die belastingplichtigen onjuist of onvolledig heeft laten doen,
en/of die aangiften samen met die belastingplichtigen valselijk heeft opgemaakt of vervalst dan wel door die belastingplichtigen valselijk heeft doen opmaken of vervalsen;
feit 2: in de periode van 1 januari 2024 tot en met 8 mei 2026 opzettelijk ten name van verschillende belastingplichtigen, samen met hen, onjuiste of onvolledige aangiften voor de inkomstenbelasting heeft gedaan, dan wel telkens die aangiften door die belastingplichtigen onjuist of onvolledig heeft laten doen
en/of die aangiften samen met die belastingplichtigen valselijk heeft opgemaakt of vervalst dan wel door die belastingplichtigen valselijk heeft doen opmaken of vervalsen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2025, in Helden en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, meermalen, althans eenmaal,
opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van
- [naam 1] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-027 en DOC-278-07),
- [naam 2] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-028 en DOC-278-06),
- [naam 3] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-029 en DOC-278-04),
- [naam 4] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-030 en DOC-278-08),
- [naam 5] over het vierde kwartaal van 2024 (AMB-035 en DOC-278-03),
- [naam 6] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-035 en DOC-278-01),
- [naam 7] over het tweede kwartaal van 2025 (AMB-035 en DOC-278-02),
- [naam 8] over het derde kwartaal van 2024 (AMB-035 en DOC-278-05);
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan, door (telkens) op die ingediende aangifte(en) een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en/of voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven en/of te laten opgeven, terwijl dat/die
feit(en)(telkens) ertoe (strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven;
en/of
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2025, in Helden en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van
- [naam 1] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-027 en DOC-278-07),
- [naam 2] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-028 en DOC-278-06),
- [naam 3] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-029 en DOC-278-04),
- [naam 4] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-030 en DOC-278-08),
- [naam 5] over het vierde kwartaal van 2024 (AMB-035 en DOC-278-03),
- [naam 6] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-035 en DOC-278-01),
- [naam 7] over het tweede kwartaal van 2025 (AMB-035 en DOC-278-02),
- [naam 8] over het derde kwartaal van 2024 (AMB-035 en DOC-278-05);
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben doen/laten doen, door (telkens) op die ingediende aangifte(en) een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en/of voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven en/of te doen/laten opgeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe (strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven;
en/of
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2025, in Helden en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, meermalen, althans eenmaal,
(een) geschrift(en), te weten (aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van
- [naam 1] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-027 en DOC-278-07),
- [naam 2] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-028 en DOC-278-06),
- [naam 3] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-029 en DOC-278-04),
- [naam 4] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-030 en DOC-278-08),
- [naam 5] over het vierde kwartaal van 2024 (AMB-035 en DOC-278-03),
- [naam 6] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-035 en DOC-278-01),
- [naam 7] over het tweede kwartaal van 2025 (AMB-035 en DOC-278-02),
- [naam 8] over het derde kwartaal van 2024 (AMB-035 en DOC-278-05);
zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of laten opmaken,
immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s), toen en aldaar, valselijk en/of in strijd met de waarheid een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en/of voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting opgegeven en/of laten opgeven,
zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;
en/of
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2025, in Helden en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
(een) geschrift(en), te weten (aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van
- [naam 1] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-027 en DOC-278-07),
- [naam 2] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-028 en DOC-278-06),
- [naam 3] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-029 en DOC-278-04),
- [naam 4] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-030 en DOC-278-08),
- [naam 5] over het vierde kwartaal van 2024 (AMB-035 en DOC-278-03),
- [naam 6] over het eerste kwartaal van 2025 (AMB-035 en DOC-278-01),
- [naam 7] over het tweede kwartaal van 2025 (AMB-035 en DOC-278-02),
- [naam 8] over het derde kwartaal van 2024 (AMB-035 en DOC-278-05);
zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft/hebben doen opmaken.
immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s), toen en aldaar, valselijk en/of in strijd met de waarheid een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en/of voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting opgeven,
zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;
2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2024 tot en met 8 mei 2026, in Helden en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, meermalen, althans eenmaal,
opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangifte(n) voor de inkomstenbelasting ten name van
- [naam 9] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-10),
- [naam 10] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-09),
- [naam 11] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-15),
- [naam 12] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-15),
- [naam 13] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-11),
- [naam 14] over het jaar 2025 (AMB-033 en DOC-278-16),
- [naam 15] over het jaar 2025 (AMB-033 en DOC-278-13),
- [naam 16] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-12);
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan, door (telkens) op die ingediende aangifte(en) een onjuist bedrag aan resultaat uit overige werkzaamheden op te geven en/of te laten opgeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe (strekte(n) dat te weinig belasting wordt
geheven;
en/of
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2024 tot en met 8 mei 2026, in Helden en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangifte(n) voor de inkomstenbelasting ten name van
- [naam 9] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-10),
- [naam 10] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-09),
- [naam 11] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-15),
- [naam 12] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-15),
- [naam 13] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-11),
- [naam 14] over het jaar 2025 (AMB-033 en DOC-278-16),
- [naam 15] over het jaar 2025 (AMB-033 en DOC-278-13),
- [naam 16] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-12);
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben doen/laten doen, door (telkens) op die ingediende aangifte(en) een onjuist bedrag aan resultaat uit overige werkzaamheden op te geven en/of te doen/laten opgeven,
terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe (strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven;
en/of
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2024 tot en met 8 mei 2026, in Helden en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, meermalen, althans eenmaal,
(een) geschrift(en), te weten (aangifte(n) voor de inkomstenbelasting ten name van
- [naam 9] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-10),
- [naam 10] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-09),
- [naam 11] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-15),
- [naam 12] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-15),
- [naam 13] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-11),
- [naam 14] over het jaar 2025 (AMB-033 en DOC-278-16),
- [naam 15] over het jaar 2025 (AMB-033 en DOC-278-13),
- [naam 16] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-12);
zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of laten opmaken,
immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s), toen en aldaar, valselijk en/of in strijd met de waarheid een onjuist bedrag aan resultaat uit overige werkzaamheden opgegeven en/of laten opgeven, zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;
en/of
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2024 tot en met 8 mei 2026, in Helden en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
(een) geschrift(en), te weten (aangifte(n) voor de inkomstenbelasting ten name van
- [naam 9] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-10),
- [naam 10] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-09),
- [naam 11] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-15),
- [naam 12] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-15),
- [naam 13] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-11),
- [naam 14] over het jaar 2025 (AMB-033 en DOC-278-16),
- [naam 15] over het jaar 2025 (AMB-033 en DOC-278-13),
- [naam 16] over het jaar 2024 (AMB-033 en DOC-278-12);
zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft/hebben doen opmaken.
immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s), toen en aldaar, valselijk en/of in strijd met de waarheid een onjuist bedrag aan resultaat uit overige werkzaamheden doen opgeven,
zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.
3. De procesafspraken
Inleidende opmerkingen
Op 24 september 2026 heeft de officier van justitie de rechtbank geïnformeerd dat het Openbaar Ministerie en de verdediging overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van procesafspraken, waaronder begrepen een afdoeningsvoorstel voor de onderhavige strafzaak. Het afdoeningsvoorstel dat door de officier van justitie en de raadsman aan de rechtbank is voorgelegd, houdt, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, het volgende in:
het Openbaar Ministerie zal rekwireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van, kort gezegd, het medeplegen van het (doen) indienen van onjuiste aangiften omzet- en inkomstenbelasting ten name van verschillende belastingplichtigen;
het Openbaar Ministerie zal rekwireren tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van voorarrest;
verdachte ziet af van het indienen van onderzoekswensen;
door de verdediging worden geen bewijsverweren gevoerd;
door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;
verdachte doet afstand van de in beslag genomen goederen, genoemd op de beslaglijst met parketnummer 84-36143-25 d.d. 8 september 2026, voorwerp 1 tot en met 5 met een totaalbedrag van € 156.127,40;
het Openbaar Ministerie zal geen vordering tot ontneming indienen;
de verdediging zal geen verzoeken doen tot opheffing en/of schorsing van de voorlopige hechtenis tot het moment waarop het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden.
In aanvulling op de procesafspraken hebben de officier van justitie en de raadsman ter terechtzitting desgevraagd naar voren gebracht dat, indien de rechtbank tot een andere kwalificatie van de bewezenverklaarde strafbare feiten komt dan die welke in de procesafspraken zijn vermeld, dit geen gevolgen heeft voor het overeengekomen afdoeningsvoorstel. De gemaakte afspraken blijven in dat geval onverkort van toepassing.
Inhoudelijke behandeling
Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de zitting van 5 oktober 2026 zijn de procesafspraken zoals deze zijn vervat in het afdoeningsvoorstel, indringend met de verdachte besproken. De verdachte heeft gezegd goed te hebben begrepen wat de gemaakte afspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan zijn. Hij heeft verklaard volledig achter die afspraken te staan, deze overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan en op geen enkele wijze onder druk te zijn gezet. Ook is duidelijk geworden dat de verdachte bij het hele proces om tot afspraken te komen, steeds voorzien is geweest van rechtskundige bijstand.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan wat in het afdoeningsvoorstel is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) stelt.
De rechtbank heeft benadrukt dat zij geen partij is bij de gemaakte procesafspraken en daaraan dus ook niet gebonden is. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat bij de behandeling op de zitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) leidend is geweest.
4. De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
5. De bewijsmotivering
Inleiding
Het strafrechtelijke onderzoek “Chatswood” is gestart naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst. Het viel de controleambtenaren van de Belastingdienst op dat voor het vierde kwartaal 2023 en de kwartalen van 2024 aangiften voor de omzetbelasting waren gedaan op naam van verdachte, zijn echtgenote [naam 17], en verschillende familieleden waarbij de aangiften telkens resulteerden in een teruggave van omzetbelasting. Bij nader onderzoek naar deze aangiften kwam naar voren dat alle aangiften vanaf hetzelfde IP-adres waren ingediend. Dit IP-adres bleek in gebruik te zijn bij verdachte. Vervolgens bleek uit onderzoek dat verdachte via zijn social media-accounts diensten als boekhouder aanbood. Daarbij maakte hij onder meer reclame met een zogenoemde “geld-terug-garantie”. Verdachte hield zijn klanten voor dat hij ervoor kon zorgen dat zij belasting zouden terugkrijgen en bracht voor deze werkzaamheden een commissie in rekening. Uit verder onderzoek bleek dat verdachte voor honderden belastingplichtigen de aangiften voor de omzetbelasting over de jaren 2024 en 2025 had verzorgd. In de onderzochte periode ging het in totaal om ruim 1.400 aangiften en suppleties. In een groot aantal van deze aangiften waren onjuiste bedragen aan voorbelasting opgenomen. Als gevolg daarvan werden aan de betreffende belastingplichtigen bedragen aan omzetbelasting teruggegeven waarop zij geen recht hadden. De bedragen varieerden van € 5.000,-- tot € 10.000,-- per aangifte.
Daarnaast kwam naar voren dat verdachte voor een groot aantal personen aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 2024 en 2025 had ingediend. In deze aangiften waren telkens onjuiste bedragen opgenomen in de rubriek “resultaat uit overige werkzaamheden”. Ook deze aangiften leidden tot onterechte belastingteruggaven. Het voorgaande heeft geleid tot de verdenking dat verdachte zich op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude, waarbij in totaal voor honderdduizenden euro’s aan belastingteruggaven ten onrechte aan belastingplichtigen zou zijn uitgekeerd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, onder verwijzing naar het afdoeningsvoorstel, geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:
feiten 1 en 2
het proces-verbaal van het zesde verhoor van verdachte van 20 augustus 2026 (V-001-06);
het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 oktober 2026, voor zover inhoudende, de bekennende verklaring van verdachte;
feit 1
- het proces-verbaal van onderzoek naar transacties, aangiften en IP-adressen van
15 januari 2026 (AMB-009);
het proces-verbaal van bevindingen rondom belastingplichtige [naam 1] van 17 juni 2026 (AMB-027);
het proces-verbaal van bevindingen rondom belastingplichtige [naam 2] van 17 juni 2026 (AMB-028);
het proces-verbaal van bevindingen rondom belastingplichtige [naam 3] van
17 juni 2026 (AMB-029);
het proces-verbaal van bevindingen rondom belastingplichtige [naam 4] van 17 juni 2026 (AMB-030);
het proces-verbaal van bevindingen onjuiste aangiften OB van 20 augustus 2026 (AMB-035);
het proces-verbaal van berekening belastingnadeel omzetbelasting van 20 augustus 2026 (AMB-036);
feit 2
het proces-verbaal van bevindingen onjuiste aangiften IB van 5 augustus 2026 (AMB-033);
het proces-verbaal nadeel aangiften IB van 25 augustus 2026 (AMB-038).
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2025in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting ten name van
- [naam 1] over het eerste kwartaal van 2025,
- [naam 2] over het eerste kwartaal van 2025,
- [naam 5] over het vierde kwartaal van 2024,
- [naam 6] over het eerste kwartaal van 2025,
- [naam 7] over het tweede kwartaal van 2025,
- [naam 8] over het derde kwartaal van 2025;
telkens onjuist en/of onvolledig hebben gedaan, door telkens op die ingediende aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en/of voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven;
en
hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2025 in Nederland,
meermalen,
opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting ten name van
- [naam 3] over het eerste kwartaal van 2025,
- [naam 4] over het eerste kwartaal van 2025,
;
telkens onjuist en/of onvolledig heeft laten doen, door telkens op die ingediende aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en/of voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting te doen/laten opgeven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven;
2
hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2024 tot en met 8 mei 2026 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de inkomstenbelasting ten name van
- [naam 9] over het jaar 2024,
- [naam 10] over het jaar 2024,
- [naam 11] over het jaar 2024,
- [naam 12] over het jaar 2024,
- [naam 13] over het jaar 2024,
- [naam 14] over het jaar 2025,
- [naam 15] over het jaar 2025,
- [naam 16] over het jaar 2024;
telkens onjuist en/of onvolledig hebben gedaan, door telkens op die ingediende aangiften een onjuist bedrag aan resultaat uit overige werkzaamheden op te geven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
en
het misdrijf:
doen plegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
8. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft conform het afdoeningsvoorstel gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de eis van de officier van justitie, die in overeenstemming is met het afdoeningsvoorstel, te volgen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van de gepleegde feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan grootschalige belastingfraude. Verdachte heeft voor honderden belastingplichtigen aangiften voor de omzet- en inkomstenbelasting bij de Belastingdienst ingediend waarin hij opzettelijk onjuiste gegevens heeft opgenomen. Deze aangiften hebben ertoe geleid dat de Belastingdienst belastingteruggaven heeft uitgekeerd waarop de belastingplichtigen geen recht hadden. De FIOD heeft berekend dat de door verdachte gepleegde belastingfraude een nadeel voor de maatschappij heeft veroorzaakt van € 1.653.332,--. Daarbij geldt dat niet alle door verdachte ingediende aangiften op juistheid zijn onderzocht. Aangenomen mag worden dat het daadwerkelijk door verdachte veroorzaakte belastingnadeel aanzienlijk hoger ligt. Met zijn handelwijze heeft verdachte het vertrouwen geschaad dat aan de inhoud van belastingaangiften mag worden ontleend. Door aangiften te doen die niet stroken met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzet- en inkomstenbelasting ondermijnd.
De rechtbank rekent het verdachte bovendien zwaar aan dat hij, nadat hij op 4 februari 2026 in vrijheid was gesteld, is doorgegaan met het indienen van onjuiste belastingaangiften. Kennelijk was verdachte op dat moment nog altijd niet doordrongen van het strafwaardige karakter van zijn handelen. Daarnaast rekent de rechtbank verdachte aan dat hij zich bij het plegen van voormelde feiten kennelijk slechts heeft laten leiden door geldelijk gewin, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen.
De persoon van verdachte
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het advies van Reclassering Nederland van 28 september 2026. In het advies is beschreven dat de leefgebieden dagbesteding, financiën en houding worden gezien als direct delict gerelateerd. Daarnaast is er op meerdere leefgebieden sprake van stabiliteit. Verdachte beschikt over huisvesting, een partnerrelatie en hij heeft een kind. De reclassering ziet geen aanwijzingen voor een negatief sociaal netwerk en schulden- of middelenproblematiek. Het strafrechtelijke ingrijpen lijkt impact op verdachte te hebben en hij lijkt zich nu doordrongen van de consequenties van zijn handelen. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag tot matig. De reclassering adviseert indien een straf wordt opgelegd, het opleggen van een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 3 september 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De op te leggen straf
De rechtbank stelt voorop dat zij haar eigen belangenafweging heeft gemaakt bij de bepaling van de op te leggen straf. Gezien de ernst en omvang van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank ziet na het afwegen van alle relevante factoren en belangen aanleiding om conform het thans voorliggende afdoeningsvoorstel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De inbeslaggenomen voorwerpen
Over de in beslag genomen voorwerpen zal de rechtbank geen beslissing nemen, aangezien in het afdoeningsvoorstel is opgenomen dat verdachte daarvan afstand heeft gedaan.
9. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.
10. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
en
het misdrijf:
doen plegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. H. Stam en mr. W.B. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.N. Esajas, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.