RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.294533.24 (P)
Datum vonnis: 20 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats],
nu verblijvende in de P.I. [locatie].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 17 december 2024, 4 maart 2025, 14 mei 2025, 8 juli 2025, 23 september 2025, 4 november 2025, 27 januari 2026, 21 april 2026, 30 juni 2026, 1 september 2026 en 6 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. Y. Moszkowicz, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. D.H. van Bommel, advocaat in Arnhem, is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 8 juli 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: op 13 september 2024 al dan niet met voorbedachten rade heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden door met een automatisch vuurwapen meermalen op die [slachtoffer] te schieten;
feit 2: op 13 september 2024 al dan niet met voorbedachten rade heeft geprobeerd om meerdere personen te doden door met een automatisch vuurwapen meermalen op de kantine van [sportclub] te schieten terwijl hij wist dat daar personen aanwezig waren;
feit 3: van 13 tot en met 14 september 2024 een automatisch vuurwapen van het merk Crvena Zastava, een pistool van het merk Pietro Beretta, een pistool van het merk Makarov en munitie voorhanden heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 13 september 2024 te Zwolle
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk en met voorbedachten rade,
althans opzettelijk,
van het leven te beroven,
meermalen op en/of in de richting van die [slachtoffer] heeft geschoten met
een (automatisch) vuurwapen, waardoor [slachtoffer] letsel heeft bekomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 13 september 2024 te Zwolle
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
de personen die op dat moment aanwezig waren in de kantine van [sportclub]
opzettelijk en met voorbedachten rade,
althans opzettelijk,
van het leven te beroven,
meermalen op de kantine van [sportclub], waarvan hij wist dat er op
dat moment meerdere personen aanwezig waren, heeft geschoten met
een (automatisch) vuurwapen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij in of omstreeks de periode van 13 tot en met 14 september 2024 te
Zwolle
- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet Wapens en
Munitie, te weten een automatisch geweer van het merk Crvena
Zastava, model M70, kaliber 7.62x39 mm en voorzien van
serienummer [nummer 1], zijnde een vuurwapen geschikt om
automatisch te vuren en/of
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en
Munitie, te weten een pistool van het merk Pietro Beretta, model
70, in het kaliber 7.65 mm met serienummer [nummer 2], zijnde een
vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
en/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
7 kogelpatronen in het kaliber 7.65 mm, met op de hulsbodem
van de kogelpatronen de tekst "G.F.L. 7.65mm" en/of
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en
Munitie, te weten een pistool van het merk Makarov, model 59, in
het kaliber 9x17 mm met serienummer [nummer 3], zijnde een
vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
en/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
7 kogelpatronen in het kaliber 9x17 mm, met op de hulsbodem
van de kogelpatronen de tekst "S&B 9mm M" en/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
1. kogelpatroon in het kaliber 7,62x39, met op de hulsbodem van
de kogelpatronen de tekst "S&B 7,62x39"
voorhanden heeft gehad.
3. De voorvragen
Geldigheid van de dagvaarding
De raadsman heeft verzocht om de dagvaarding wat betreft het onder 2 ten laste gelegde nietig te verklaren, omdat de ten laste gelegde handelingen onvoldoende feitelijk zijn omschreven.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde feit, gezien in samenhang met het dossier, voldoende duidelijk is omgeschreven.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de feitelijke omschrijving van de aan verdachte ten laste gelegde handelingen in samenhang bezien met de inhoud van het dossier voldoende duidelijk is wat verdachte wordt verweten en waartegen hij zich dient te verdedigen. Gelet hierop verwerpt de rechtbank het beroep op nietigheid van de dagvaarding. De dagvaarding is dan ook geldig.
Overige voorvragen
De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. De bewijsmotivering
Inleiding
Op 13 september 2024 heeft verdachte met een automatisch wapen geschoten bij de voetbalkantine van [sportclub] in Zwolle. Daarbij is [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) geraakt door drie kogels.
Na de aanhouding van verdachte werden op zijn aanwijzen een automatisch vuurwapen, twee pistolen en munitie aangetroffen in de auto waarvan hij gebruikmaakte.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair (poging tot moord), 2 primair (poging tot moord) en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, omdat verdachte bewust richting de (onder)benen van [slachtoffer] heeft geschoten en aldus vanwege die ‘lage schotrichting’ geen voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] noch op de dood van in de kantine aanwezige personen. Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bepleit dat de strafverzwarende omstandigheid voorbedachte raad niet kan worden bewezen, omdat verdachte in paniek was en heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden feit 1 en feit 2
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte heeft op 13 september 2024 een gesprek gevoerd met [slachtoffer] en een aantal andere betrokkenen bij de voetbalkantine van [sportclub] in Zwolle. Dit gesprek ging over de vraag wie de auto van de vader van [slachtoffer] in brand had gestoken. Na het gesprek is verdachte door zijn neef [naam 1] teruggebracht naar zijn woning. Hier kwam hij rond 23:45 uur aan. Verdachte is vervolgens met zijn eigen auto teruggegaan naar [sportclub], met een tas met vuurwapens en munitie die hij onderweg om 23:51 uur heeft opgehaald uit een berging aan de [adres 1]. Verdachte is rond 23:55 uur met een automatisch wapen naar binnen gegaan bij het kantinegebouw van [sportclub] op zoek naar [slachtoffer]. Toen [slachtoffer] lucht kreeg van het feit dat verdachte gewapend in de kantine was en [slachtoffer] door een geopend raam probeerde te vluchten, werd hij van buiten de kantine beschoten door de inmiddels naar buiten gelopen verdachte. Vanaf het voor de kantine gelegen voetpad heeft verdachte (in een tweetal salvo’s van respectievelijk 3 en 22 kogels) in totaal 25 kogels afgevuurd in de richting van [slachtoffer]. [slachtoffer] is door twee kogels van het eerste salvo geraakt toen hij uit het raam sprong. Een kogel uit het tweede (lange) salvo raakte hem toen hij op de grond achter de zich voor de ramen van de kantine bevindende heg lag.
Na de schietpartij is [slachtoffer] aangetroffen bij die heg. Tussen de gevel van het kantinegebouw en de heg lag een bloedspoor van [slachtoffer]. Aan de andere kant van de heg, op en rondom het voetpad, lagen 25 kogelhulzen. [slachtoffer] heeft schotwonden opgelopen in zijn rechterbovenbeen, in zijn linkeronderbeen en in zijn rechterpols.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte de 25 schoten heeft gelost vanaf het voetpad op een paar meter afstand van [slachtoffer]. Het eerste (korte) salvo is daarbij gelost toen [slachtoffer] zich uit het raam richting de grond liet vallen en het tweede (lange) salvo toen [slachtoffer] zich op de grond achter de tussen verdachte en hem instaande heg bevond.
In de houtcomposiet gevel van het kantinegebouw zijn vier schotbeschadigingen aangetroffen waarvan de baan van buiten naar binnen liep. De schotbeschadigingen zijn veroorzaakt door kogels uit het automatische wapen van verdachte. Twee van de kogels zijn tegengehouden door de radiatoren. Twee andere kogels zijn terechtgekomen in de grote ruimte achter de gevel. De schoten zijn op 11 respectievelijk 61 centimeter hoogte door de gevel gegaan. In de ruimte achter de gevel bevond zich op dat moment (nog) getuige [getuige 1] samen met twee andere personen. Zij zaten te schuilen op de grond achter een tafel.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank het door verdachte geschetste scenario, dat hij enkel heeft gericht op de (onder)benen van een op dat moment pal voor hem staande [slachtoffer] omdat hij [slachtoffer] niet dodelijk wilde treffen, niet.
Overwegingen feit 1
Gelet op de hierboven geschetste feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een automatisch wapen 25 kogels heeft afgevuurd in de richting van het lichaam van [slachtoffer], terwijl die [slachtoffer] zich op korte afstand van hem bevond. Het op zoek gaan naar [slachtoffer] en vervolgens vanaf een vaste positie lossen van een tweetal salvo’s op de wijze zoals hierboven weergegeven kan – ook naar uiterlijke verschijningsvorm – niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte [slachtoffer] heeft beschoten met de intentie (doelopzet) om hem te doden.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meermalen met een automatisch wapen in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven.
Overwegingen feit 2
De rechtbank heeft op grond van het dossier niet kunnen vaststellen dat sprake is geweest van vol opzet op de dood van de in de kantine aanwezige personen. Dit neemt niet weg dat sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet, indien moet worden geoordeeld dat hij met zijn hierboven omschreven handelwijze de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid heeft aanvaard dat niet alleen [slachtoffer] maar ook eventueel in de kantine aanwezige personen zouden komen te overlijden. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste het geval is.
Verdachte heeft met een automatisch wapen 25 kogels afgeschoten in de richting van [slachtoffer] en daarmee tevens in de richting van het raam en de gevel van een tweetal ruimtes van een houten gebouw waar zich op dat moment in ieder geval nog een drietal personen bevond, en kort daarvoor meer personen aanwezig waren die aan tafels zaten. Verdachte is, vlak voordat hij schoot, in het kantinegebouw geweest en heeft in ieder geval gezien dat zich in ‘de rummikub ruimte’ meerdere personen bevonden. Twee kogels zijn daadwerkelijk door de gevel gegaan op een hoogte van 11 en 61 centimeter, terwijl in die ruimte achter de gevel drie personen op de vloer zaten te schuilen. De kans dat zowel de nog in die ruimte aanwezig personen alsook de personen die de ruimte zijn ontvlucht op het moment dat verdachte met zijn wapen de kantine binnenging dodelijk zouden worden geraakt, is dan ook een reële en zeker niet onwaarschijnlijke kans geweest.
Dat verdachte voornoemde kans ook heeft aanvaard, leidt de rechtbank af uit de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder zij is verricht. Het lossen van een dermate groot aantal schoten om een zich voor een ruimte van een kantine bevindende persoon te doden in de wetenschap dat eventuele ‘missers’ zeer wel kunnen inslaan in die ruimte van de kantine waarvan verdachte weet dat zich daarin even tevoren een relatief groot aantal personen bevond dat aan tafels zat, kan niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte de eventuele dood van de in die ruimte aanwezige personen ‘op de koop heeft toegenomen’. Dat de schotrichting daarbij niet op ‘romphoogte’ was, vormt daarvoor geen contra-indicatie, nu die personen aan tafels zaten en verdachte dit ook wist.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meermalen op de kantine van [sportclub] heeft geschoten ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om de personen die op dat moment daar aanwezig waren van het leven te beroven.
Voorbedachte raad
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte bij de feiten 1 en 2 heeft gehandeld met voorbedachte raad.
De rechtbank stelt in dat verband, deels als herhaling van wat hiervoor al is vastgesteld, de volgende redengevende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte heeft op 13 september 2024 een gesprek gevoerd met [slachtoffer] en een aantal andere betrokkenen bij de voetbalkantine. Dit gesprek ging over de vraag wie de auto van de vader van [slachtoffer] in brand had gestoken. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het geen goed gesprek was, dat hij zich gekleineerd voelde en dat hij boos was. Na het gesprek is verdachte door zijn neef teruggebracht naar zijn woning. De vriend van verdachte [naam 2], die ook in de auto zat, verklaart bij de politie dat verdachte in de auto erg boos werd omdat hij vond dat hij in een val gelokt was. Bij de woning kwam hij rond 23:45 uur aan. Verdachte is vervolgens met zijn eigen auto teruggegaan naar de kantine, met een tas met vuurwapens en munitie die hij om 23:51 uur heeft opgehaald uit een berging elders in Zwolle. Verdachte arriveerde enkele minuten later bij [sportclub]. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij boos was op [slachtoffer]. Dit blijkt ook wel uit het dossier, nu verdachte zijn oom [naam 3], die probeerde om verdachte tegen te houden, omver duwde en de hal van het kantinegebouw binnenliep. Toen verdachte werd opgemerkt door de aanwezigen en [slachtoffer] naar buiten vluchtte via het raam, is verdachte naar buiten gelopen en heeft hij doelgericht op [slachtoffer] geschoten.
Niet ter discussie staat dat verdachte – gelet op de tijdsspanne tussen het na het ‘bemiddelingsgesprek’ vertrekken bij [sportclub] en het daar weer arriveren met het automatische wapen – in ieder geval de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. In beginsel is het dan ook redelijk aan te nemen dat verdachte ook gebruik heeft gemaakt
van die gelegenheid en dus ook daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dit neemt uiteraard niet weg dat aan een indicatie dat er is gehandeld in een hevige gemoedsopwelling een dermate groot gewicht dient te worden toegekend dat toch niet kan worden aangenomen dat de gelegenheid is benut voor reflectie. Die indicatie zou hier kunnen worden gevonden in de boze en ‘vernederde’ toestand waarin verdachte leek te hebben verkeerd direct na het ‘bemiddelingsgesprek’ op de parkeerplaats van [sportclub]. De tijdsspanne tussen het vertrek van de parkeerplaats bij [sportclub] en het gewapend binnenlopen van de kantine is echter dermate lang (in ieder geval ruim 10 minuten) en de door verdachte in de tussentijd verrichte gedragingen dusdanig gecoördineerd en planmatig (thuis in eigen auto stappen, rijden naar ‘wapenstash’, met tag deur openen, wapen(s) pakken, terugrijden naar [sportclub]), dat de rechtbank van oordeel is dat niet kan worden gezegd dat verdachte de schoten in een hevige gemoedsopwelling heeft gelost. Het is hier aldus redelijk om aan te nemen dat de gelegenheid die er voor verdachte was om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad om [slachtoffer] van het leven te beroven op enig moment ook daadwerkelijk daarvoor is benut door hem. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten sprake geweest van voorbedachte raad.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan.
Met betrekking tot het door de raadsman gedane beroep op vrijwillige terugtred overweegt de rechtbank nog het volgende. Verdachte heeft verklaard dat hij de kantine is binnengestapt met het plan om [slachtoffer] enkel ‘bang te maken’ door hem het automatische wapen te tonen. Eenmaal in de kantine zou hij dit plan hebben laten varen en de kantine weer uit zijn gelopen in de richting van zijn auto. Toen hoorde en zag hij echter dat [slachtoffer] uit het raam van de kantine sprong en zich in zijn richting begaf. Omdat verdachte dit interpreteerde als een aanval op zijn persoon heeft uit zelfverdediging de beide salvo’s gelost in de richting van (het onderlichaam) van [slachtoffer]. Nu de rechtbank uitgaat van een andere feitelijke gang van zaken en een ander daadplan (niet bang maken maar doden), kan dit beroep op vrijwillige terugtred reeds daarom niet slagen.
Feit 3
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:
de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting op 6 oktober 2026;
het proces-verbaal onderzoek wapen van 10 oktober 2024, pagina 471;
het proces-verbaal onderzoek wapen van 10 oktober 2024, pagina 479;
het proces-verbaal onderzoek wapen van 10 oktober 2024, pagina 484;
het proces-verbaal onderzoek munitie van 11 oktober 2024, pagina 489.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij op 13 september 2024 te Zwolle
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, meermalen op en/of in de richting van die [slachtoffer] heeft geschoten met een (automatisch) vuurwapen, waardoor [slachtoffer] letsel heeft bekomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 13 september 2024 te Zwolle
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om de personen die op dat moment aanwezig waren in de kantine van [sportclub] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, meermalen op de kantine van [sportclub], waarvan hij wist dat er op dat moment meerdere personen aanwezig waren, heeft geschoten met een (automatisch) vuurwapen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij in de periode van 13 tot en met 14 september 2024 te Zwolle
- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een automatisch geweer van het merk Crvena Zastava, model M70, kaliber 7.62x39 mm en voorzien van serienummer [nummer 1], zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistool van het merk Pietro Beretta, model 70, in het kaliber 7.65 mm met serienummer [nummer 2], zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 7 kogelpatronen in het kaliber 7.65 mm, met op de hulsbodem van de kogelpatronen de tekst "G.F.L. 7.65mm" en
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistool van het merk Makarov, model 59, in het kaliber 9x17 mm met serienummer [nummer 3], zijnde een vuurwapen in de vorm van pistool en
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 7 kogelpatronen in het kaliber 9x17 mm, met op de hulsbodem van de kogelpatronen de tekst "S&B 9mm M" en
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 1 kogelpatroon in het kaliber 7,62x39, met op de hulsbodem van de kogelpatronen de tekst "S&B 7,62x39"
voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie (WWM). Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: poging tot moord;
feit 2
het misdrijf: poging tot moord, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II, onderdeel 2°,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
6. De strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege een geslaagd beroep op psychische overmacht, noodweer, noodweerexces of putatief noodweer. Gelet op de inhoud van de verweren begrijpt de rechtbank deze aldus dat zij – met uitzondering van het beroep op psychische overmacht – enkel zien op feit 1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen geslaagd beroep kan doen op noodweer(exces), omdat geen sprake was van een noodweersituatie. Voor zover verdachte zich daarin heeft vergist, is dat niet verschoonbaar en slaagt daarom het beroep op putatief noodweer(exces) ook niet.
Wat betreft het beroep op psychische overmacht heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte weliswaar langere tijd onder druk heeft gestaan van bedreigingen door [slachtoffer], maar dat niet aannemelijk is geworden dat die drang voorafgaand aan het moment waarop verdachte heeft geschoten zodanig acuut en onweerstaanbaar was dat niet van verdachte kon worden gevergd dat hij daar weerstand tegen bood.
Het oordeel van de rechtbank
Psychische overmacht
De rechtbank stelt voorop dat aan een beroep op psychische overmacht hoge eisen worden gesteld. Daarvoor moet sprake zijn van een van buiten komende druk waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. Het moet daarbij gaan om een zodanige druk die op de verdachte is uitgeoefend, dat zijn wilsvrijheid is aangetast en onder die omstandigheden niet van hem kon worden gevergd dat hij daar weerstand aan kon bieden. Zeker daar waar het gaat om het nemen van een mensenleven dient sprake te zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden.
De rechtbank overweegt dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten langere tijd dreiging bestond van [slachtoffer] richting verdachte en zijn omgeving. Dat betekent echter niet dat verdachte daardoor dusdanig ‘met de rug tegen de muur stond’ dat voor hem geen andere reële optie bestond dan de bron van die dreiging dan maar te liquideren. Nog los van het feit dat de dreiging op het bewuste moment niet acuut was en het beschieten van [slachtoffer] onder de gegeven omstandigheden volstrekt disproportioneel was, omdat hij daardoor ook de levens van een aantal van de zich in de kantine aanwezige mensen in gevaar heeft gebracht, had verdachte voor een andere uitweg dienen te kiezen. Verdachte had aan die dreiging dan ook weerstand kunnen en moeten bieden. Verdachte had contact kunnen opnemen met de politie nadat hij was vertrokken bij de voetbalkantine waar hij naar eigen zeggen met een wapen was bedreigd door [slachtoffer]. Ook had verdachte het contact met [slachtoffer] uit de weg kunnen gaan of zich onvindbaar kunnen maken voor [slachtoffer].
Dat een en ander zich heeft afgespeeld binnen het criminele milieu maakt dit niet anders. Het beroep op psychische overmacht wordt dan ook verworpen.
Noodweer(exces) en putatief noodweer(exces)
Voor aanvaarding van het beroep op noodweer(exces) is onder meer vereist dat de rechtbank de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Nu de rechtbank uitgaat van een andere gang van zaken dan de verdediging (geen aanval van [slachtoffer] op verdachte maar het aanvallend lossen van 25 schoten op [slachtoffer] door verdachte met de intentie om te doden), is de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer niet aannemelijk geworden. Dit betekent dat de rechtbank de beroepen op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer(exces) verwerpt.
Het vorenstaande maakt dat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten of die van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat de bewezen verklaarde feiten strafbaar zijn en verdachte strafbaar is voor die feiten.
7. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om een straf op te leggen van niet langere duur dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om een lagere straf op te leggen dan gevorderd door de officier van justitie en een deels voorwaardelijke straf, gelet op de maandenlange bedreiging van verdachte door [slachtoffer], de jonge leeftijd van verdachte en het beperkte letsel bij [slachtoffer].
De verdediging heeft bepleit dat in de strafmaat bovendien rekening moet worden gehouden met het feit dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, zoals bedoeld in artikel 359a Sv, nu de telefoon van verdachte zonder voorafgaande machtiging van de rechtercommissaris is onderzocht.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord op [slachtoffer] door hem met een automatisch wapen te beschieten. Verdachte heeft in totaal 25 kogels afgevuurd. Daarbij heeft verdachte het risico aanvaard dat ook willekeurig aanwezige personen in de voetbalkantine zouden worden geraakt door kogels die de gevel van de kantine hebben doorboord. Dat het letsel van [slachtoffer] relatief beperkt is gebleven en er ook verder geen dodelijke slachtoffers zijn gevallen, is niet aan verdachte te danken. De feiten hebben niet alleen impact gehad op [slachtoffer] en de andere aanwezigen, maar een dergelijk schietincident in de openbare ruimte zorgt ook voor maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Bovendien had verdachte naast het automatische vuurwapen en munitie ook twee pistolen met bijbehorende munitie voorhanden. Het ongecontroleerde bezit van wapens veroorzaakt een risico voor de veiligheid van personen en versterkt de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Ook in deze zaak is gebleken dat het bezit van een vuurwapen leidt tot het gebruik daarvan, met alle schadelijke gevolgen van dien. De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk.
De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat de feiten zich hebben afgespeeld tegen de achtergrond van een conflict in het criminele milieu, waarbij verdachte het recht in eigen hand heeft genomen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 13 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor wapenbezit. De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 14 september 2026. Daaruit blijkt dat het recidiverisico wordt ingeschat als hoog en dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om aan gedragsverandering bij verdachte of risicobeheersing te werken.
Vormverzuim
De rechtbank overweegt dat uit het zogenoemde Landeck-arrest het volgende volgt. Indien onderzoek naar gegevens op een elektronische gegevensdrager een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt, is voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan vereist. Van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is al geen sprake meer als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan een smartphone inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens. Als politie en justitie in zo’n geval onderzoek willen verrichten aan in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, is voor dat onderzoek – behalve in spoedeisende gevallen – een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist.
Het onderzoek in de telefoon van verdachte naar gebruikersgegevens, afbeeldingen en chatgesprekken is zo breed geweest (de telefoon is tot een jaar terug onderzocht) dat naar het oordeel van de rechtbank naar de maatstaven van het Landeck-arrest een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist was. Deze toetsing is achterwege gebleven en dit levert een onherstelbaar vormverzuim op. De rechtbank zal evenwel volstaan met de vaststelling van dit vormverzuim en dus daaraan geen rechtsgevolg verbinden. Daarbij is van belang dat ten tijde van het onderzoek aan de telefoon van verdachte het hiervoor genoemde Landeck-arrest nog niet was gewezen en de betekenis van het overtreden vormvoorschrift nog niet (algemeen) bekend was. Bovendien zou een rechter-commissaris – indien om toestemming zou zijn gevraagd voor onderzoek aan de telefoon zoals dat heeft plaatsgevonden – naar redelijke verwachting die toestemming zonder nadere beperkingen hebben gegeven. Het gaat immers om verdenking van meermalen poging tot moord en wapenbezit. Verdachte is daarom door het vormverzuim niet in relevante mate in zijn belangen geschaad en de rechtbank zal volstaan met de vaststelling van dit vormverzuim.
De strafoplegging
Gezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
De in beslag genomen voorwerpen
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de in beslag genomen sleutelbos, computer en telefoon moeten worden teruggegeven aan verdachte en dat de in beslag genomen auto moet worden teruggegeven aan de rechthebbende.
De verdediging heeft verzocht om teruggave van de in beslag genomen auto aan de rechthebbende.
De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de aan verdachte toebehorende op de beslaglijst vermelde sleutelbos, computer en telefoon, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
De rechtbank zal de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de op de beslaglijst vermelde auto, aangezien deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
8. De schade van benadeelde
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 68.291,38 (achtenzestigduizendtweehonderdeenennegentig euro en achtendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- eigen risico zorgverzekering: € 291,38;
- kleding: € 500,--;
- toekomstige schade: € 20.000,--.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 47.500,-- gevorderd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij nietontvankelijk moet worden verklaard in de vordering vanwege de bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering moet worden afgewezen dan wel aanzienlijk worden gematigd vanwege eigen schuld van [slachtoffer].
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank kan de vordering van de benadeelde partij niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Gelet op artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek kan de schadevergoedingsverplichting van de verdachte worden verminderd als sprake is van eigen schuld (medeschuld) van de benadeelde partij. Als sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij, kan de schade worden verdeeld over de benadeelde partij en de verdachte, evenredig aan de mate waarin zij hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade.
De rechtbank kan op grond van het procesdossier en het onderzoek op de zitting op dit moment niet afdoende beoordelen in hoeverre de benadeelde partij een aandeel heeft gehad in het strafbare feit waarbij hij is beschoten door verdachte. Om dit te kunnen beoordelen is een uitgebreide nadere behandeling en standpuntuitwisseling tussen de benadeelde partij en verdachte nodig. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van het strafproces. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij nietontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
9. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikelen 57 en 63 Sr.
10. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, het misdrijf: poging tot moord
feit 2, het misdrijf: poging tot moord, meermalen gepleegd;
feit 3, het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II, onderdeel 2°,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] (feit 1): in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;
de in beslag genomen voorwerpen
- gelast de teruggave van de in beslag genomen telefoon (goednummer 3290461), computer (goednummer 3290504) en sleutelbos (goednummer 3343963) aan verdachte;
- gelast de teruggave van de in beslag genomen auto (kenteken PT-857-H, goednummer 3107660) aan de rechthebbende.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Lautenbag, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland, district IJsselland, met nummer 2024431126 (onderzoek Lykoi). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Feit 1
1.
Het procesverbaal van aangifte van [slachtoffer] van 14 september 2024, pagina’s 196-197, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Pleegdatum/tijd 13 september 2024
Ik doe aangifte van poging doodslag, dan wel moord. Ik was vanavond bij [sportclub]. Ik hoorde het geluid van iemand die een wapen trok, dit geluid kwam uit de gang. Ik ben toen met een snelle move uit het raam gesprongen. Er op mij gevuurd, ik hoorde een reeks schoten. Ik hoorde dit al gelijk toen uit ik het raam ging. Ik ben toen in en hoekje bij de bosjes gaan liggen en daar bleef ik stil liggen maar het vuren ging door.
V: Hoe ver was hij bij je vandaan toen hij op je schoot?
A: Er zaten alleen bosjes tussen dus ik denk niet meer dan anderhalve meter.
V: Waar ben je geraakt?
A: Een keer in mijn rechterbovenbeen, linker onderbeen bij mijn enkel ergens en mijn rechter pols.
2.
Het proces-verbaal van de rechter-commissaris van verhoor getuige [slachtoffer] van 16 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Toen [verdachte] de gang in kwam lopen, schreeuwde [naam 1]: “[slachtoffer] ren weg”. Ik stond in de hoek. [naam 4] deed het raam open en toen zag ik [verdachte] staan gericht op de ramen. Ik sprong en ik werd twee keer geraakt tijdens het springen. Toen ik op de grond lag werd ik de derde keer geraakt.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen van 14 september 2024, pagina 266, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Omstreeks 00.00 op 14 september 2024 ontvingen wij de melding dat er in de Aalanden schoten waren gehoord. Bij aankomst op de parkeerplaats aan de [adres 2] zagen wij een man naar ons gebaren en wijzen naar de kantine van voetbalvereniging [sportclub]. Ik hoorde de man roepen: "Hij ligt in de bosjes." Ik zag enkele mensen in de struiken direct rechts naast het kantinegebouw staan. Ik ben onmiddellijk naar hen toegelopen en ontdekte een man op de grond. Een andere man had een riem om het rechterbovenbeen van het slachtoffer geplaatst, die als een tourniquet diende. Ik zag dat het slachtoffer gewond was aan zijn rechteronderarm, zijn rechterbovenbeen en zijn linker enkel.
4.
Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ([adres 2]) van 12 oktober 2024, pagina’s 440-441, 443 en 460-461, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Wij zagen dat bij de opening in de heg, ter hoogte van een openstaand raam, diverse bloedsporen zichtbaar waren.
Door ons werden alle aangetroffen hulzen gemarkeerd met de sporenbordjes 1 t/m 25. Wij constateerden dat alle hulzen redelijk gegroepeerd rondom de T-splitsing van het straatwerk lagen, passend bij een redelijk statisch gepositioneerde schutter.
Door ons werd het voornoemde bloedspoor (fotobordje 26, zie foto's 36 en 37) bemonsterd. De locatie van dit bloedspoor was conform de positie van aantreffen van het slachtoffer.
[Afbeelding]
[Afbeelding]
[Afbeelding]
5.
Het proces-verbaal van bevindingen route verdachte van 23 oktober 2024, pagina’s 375, 376 en 380, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Bij de aanhouding werd onder verdachte [verdachte] een mobiele telefoon van het merk Apple en type iPhone 15 Pro in beslag werd genomen. De locatiegegevens van de gebruiker van het snapchataccount [account] tot vijf dagen voor het incident werden geleverd.
[Afbeelding]
Opvallend was dat [verdachte] na het bezoek aan de parkeerplaatsop de [adres 2] in de richting van zijn woning leek te verplaatsen. Echter werden na ongeveer 3 minuten ook drie locaties in de nabijheid van de [adres 1] weergegeven. Dit terwijl de snelste en kortste route vanuit de [adres 3] naar [sportclub] via de [adres 4] was. Dus de andere kant op. Het vermoeden rees dat [verdachte] eerst de vuurwapens ergens anders had opgehaald voordat hij terug naar de [adres 2] reed.
6.
Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden van 6 april 2025, pagina 281, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[adres 5]. De getoonde tijd loopt een paar seconden voor met de atoomtijd.
Op de locatie [adres 5] werd een woning aangetroffen met een camera. Bij de beelden is om 23.55.22 uur te horen dat er eerst drie schoten in een kort salvo worden gelost met gelijk daarop 22 schoten in één salvo. Circa 10 seconden daarna is nog 1 enkel schot te horen.
7.
Het proces-verbaal gegevens tag berging van 9 januari 2025, pagina’s 386 en 387, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Er staan 5 tags geregistreerd op het adres [adres 1] (...)
De tag met nummer [nummer 4] werd op de volgende data en locatie geregistreerd:
-13-9-2024 23:51 uur Berging Binnen
Bij navraag bleek er in de fouillering van [verdachte] een sleutelbos te zitten met daaraan 3 sleutels en 1 tag voorzien van het nummer [nummer 4]. Deze sleutels bleek [verdachte] tijdens zijn aanhouding al in zijn bezit te hebben.
8.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] van 17 september 2024, pagina 230, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik hoorde dat het een paar salvo’s waren. Ik hoorde dat dit langere salvo’s waren. Ik denk dat [verdachte] schoot in de richting van de bosjes aan de zijkant van de kantine. De bosjes, of heg, loopt evenwijdig met de kantine. Hij stond zelf op het grasveld en schoot in de richting van de kantine van [sportclub]. Ik hoorde paniek en geschreeuw uit de kantine, maar wist niet of er iemand in de bosjes zat waar hij naar schoot.
9.
Het proces-verbaal van de rechtercommissaris van verhoor getuige [naam 3] van 9 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag hem rommelen in zijn auto. Ik vroeg wat hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) aan het doen was en hij duwde me aan de kant en toen viel ik op de grond. [verdachte] liep door naar [sportclub] en schreeuwde. Ik probeerde er achter aan te gaan. Voordat ik bij de deur was, had hij al geschoten.
Waar was hij toen hij schoot?
Ik zag hem achteruitlopen uit [sportclub]. Ik schreeuwde toen “[verdachte] stop stop stop". Op dat moment was er nog niet geschoten. Toen er schoten waren, stond hij aan de zijkant. Hij schoot richting het raam.
10.
Het proces-verbaal van bevindingen samenvatting verhoor getuige [naam 2] van 25 september 2024, pagina 247, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Eenmaal bij [sportclub] aangekomen blijkt dat [naam 3], [slachtoffer] en [naam 5] daar op de parkeerplaats staan. [slachtoffer] beschuldigde [verdachte] van het brand steken van de auto van zijn vader. Vervolgens stappen ze (de rechtbank begrijpt: [naam 2], [naam 1] en verdachte) in de auto van [naam 1] om [verdachte] naar huis te brengen. In de auto werd [verdachte] boos en vond dat [naam 1] en getuige hem in de val hadden gelokt omdat [slachtoffer] en [naam 5] daar ook waren.
11.
Het proces-verbaal onderzoek wapen van 10 oktober 2024, pagina 471, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het inbeslaggenomen voorwerp betreft een automatisch geweer van het merk Crvena Zastava, model M70, in het kaliber 7.62x39 mm en voorzien van serienummer [nummer 1].
Feit 2
1.
Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ([adres 2]) van 13 oktober 2024, pagina’s 394-396, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De gevel waarin de schotbeschadigingen aanwezig waren, bestond uit gevelplanken, gezien het door mij waargenomen materiaal van deze planken waarschijnlijk samengesteld uit een combinatie van houtvezel en kunststof, een zogenaamd composiet. Ik zag dat de binnenzijde van de gevel was voorzien van geschilderde panelen van houtvezel.
Ik zag in de buitenzijde van de gevel meerdere vermoedelijke schotbeschadigingen. Ik zag in het raamkozijn van het vijfde kozijn, gezien vanaf de linkerzijde, een vermoedelijke schotbeschadiging.
De hoogte van schotbeschadiging 2 heb ik opgemeten en ik zag dat deze ongeveer 61 centimeter hoog was, gerekend vanaf de vloer.
De hoogte van beschadiging 3 heb ik opgemeten en ik zag dat de hoogte ongeveer 11 centimeter bedroeg gerekend vanaf de vloer.
In de gevel van dit pand zijn door mij 4 beschadigingen aangetroffen waarvan de baan door de gehele gevel en gezien de beschadigingen, van buiten naar binnen verliep. Gezien de vorm en de lengte van deze beschadigingen betroffen het schotbeschadigingen. Twee kogels die deze beschadigingen (kogelbanen 1 en 4) veroorzaakt hebben, zijn door de in het pand aanwezige radiatoren van het centrale verwarmingssysteem tegengehouden. Twee kogels c.q. kogeldelen passend bij de schotbanen 2 en 3 zijn in ruimtes terecht gekomen waar bezoekers of medewerkers verbleven.
Gezien de opstelling van de aangetroffen tafels en stoelen hebben meerdere bezoekers en medewerkers ernstig gevaar op zwaar lichamelijk letsel of dodelijk letsel gelopen.
2.
Het procesverbaal van de rechter-commissaris van verhoor getuige [getuige 2] van 16 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Er was paniek in de kantine. Ik ben naar de ruimte gegaan bij de ingang. Toen ik [verdachte] zo zag, zei ik “rustig aan”.
Ik heb iedereen de opdracht gegeven om op de grond te gaan liggen. Ik weet niet meer precies hoeveel keer er is geschoten. Ik zag dat kogels door de radiatoren naar binnen kwamen.
3.
Het proces-verbaal van de rechter-commissaris van verhoor getuige [getuige 1] van 22 juni 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Was u in de kantine?
Er zijn meerdere ruimtes, maar waar je zit is één grotere ruimte en iedereen zat daar binnen. Ik zat daar ook.
Wat hoorde u en zag u?
Ik hoorde dat iemand anders zei “pistool” en iedereen rende weg. Ik duwde de tafel opzij en we zijn op onze knieën gaan schuilen bij de muur in die grote ruimte, waar ik toen aan tafel zat. We zijn naast die deur op de grond achter de tafel gaan zitten. Ik heb [slachtoffer] uit het raam zien springen. Er zijn toen allemaal schoten gelost, dat hoorde ik.
Hoeveel mensen waren er in de ruimte aanwezig toen er geschoten werd?
Ik denk zeker 12 of 13 in de ruimte waar ik zat. Er gingen mensen naar waar de “echte” kantine was en er zijn in paniek ook mensen bij mij in de ruimte gebleven.
Met hoeveel mensen zat u achter de tafel te schuilen?
Volgens mij zaten [naam 6] en [naam 7] daar met mij. Wij bleven op onze knieën achter die tafel.