RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/339903 / HA ZA 25-374
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
FLEUR HAVERS Q.Q.,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1] B.V.,
te Deventer,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. F. Havers,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [woonplaats],
advocaat: mr. J.J. Douwes,2. [gedaagde 2] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
advocaat: mr. J.J. Douwes.
1. De zaak in het kort
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde 1] aansprakelijk is voor het faillissementstekort van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]) wegens een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling die een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Daarnaast twisten partijen of [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf 1].
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] bestuurder is geweest van [bedrijf 1]. [bedrijf 1] heeft niet voldaan aan de wettelijke publicatie- en administratieplicht. [gedaagde 1] is er niet in geslaagd [gedaagde 2] aannemelijk te maken dat er andere oorzaken zijn van het faillissement, waardoor de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor het gehele faillissementstekort van [bedrijf 1]. De rechtbank zal [gedaagde 1] veroordelen tot betaling van het faillissementstekort, zoals dit komt vast te staan na de verificatievergadering. De rechtbank ziet geen aanleiding [gedaagde 2] tot matiging over te gaan. Verder wordt [gedaagde 1] veroordeeld [gedaagde 2] alvast een voorschot op het faillissementstekort te betalen. Ten aanzien van [gedaagde 2] oordeelt de rechtbank anders. De curator heeft onvoldoende gesteld dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank wijst de vorderingen tegen [gedaagde 2] daarom af. De proceskostenveroordeling blijft achterwege. De motivering van deze beslissing volgt hierna.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 oktober 2025 met producties 1 t/m 11,- de conclusie van antwoord van 25 februari 2026,
- aanvullende producties 12 en 13 van de curator,
- aanvullende productie 1 van [gedaagde 1],
- aanvullende productie 14 van de curator,
- de mondelinge behandeling van 12 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en aan de zijde van de curator spreekaantekeningen zijn overgelegd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
[bedrijf 1] exploiteerde een restaurant. [gedaagde 1] stond in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: het Handelsregister) in de periode van 18 september 2023 tot en met 10 maart 2025 als bestuurder van [bedrijf 1] ingeschreven, tezamen met middellijk bestuurder [naam]. [naam] was bestuurder van [bedrijf 3] B.V., die op haar beurt bestuurder was van [bedrijf 2] B.V., die op haar beurt bestuurder was [bedrijf 1].
[gedaagde 1] heeft op 26 september 2023 een geldleningsovereenkomst met [bedrijf 1] gesloten, opgesteld door Save Incasso & Juridisch Advies (hierna: Save). Volgens de geldleningsovereenkomst heeft [gedaagde 1] een bedrag van € 32.625,00 aan [bedrijf 1] geleend. [bedrijf 1] diende deze lening vanaf 1 november 2023 in drie gelijke maandelijkse termijnen terug te betalen, maar heeft dat niet gedaan.
In een koopovereenkomst van 2 januari 2024, wederom opgesteld door Save, staat dat [gedaagde 2] (op dat moment nog in oprichting) het restaurant van [bedrijf 1] heeft gekocht. Volgens de overeenkomst zijn partijen overeengekomen dat het uitstaande geldbedrag van de geldlening van € 32.625,00 wordt aangewend als koopsom ten aanzien van de zeer geringe goodwill die is opgebouwd. [naam] heeft deze overeenkomst getekend namens [bedrijf 1] en [gedaagde 1] namens [gedaagde 2].
Op 11 maart 2024 is [gedaagde 2] opgericht. Bestuurder van [gedaagde 2] is [bedrijf 4] B.V., waarvan [gedaagde 1] de bestuurder is.
Bij vonnis van deze rechtbank van 25 juni 2025 is [bedrijf 1] failliet verklaard, met benoeming van de curator. Eerder zijn [naam], [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 2] B.V. al gefailleerd.
Op 7 juli 2025 heeft de curator een brief ontvangen van Administratiekantoor De Voorwaarts B.V. (hierna: De Voorwaarts), waarin onder meer staat:
“De heer [gedaagde 1], voormalig bestuurder van [bedrijf 1] BV, heeft inderdaad de administratie bij mij ingeleverd.
(…)
De administratie over de betreffende jaren heb ik gevoerd doch nimmer een jaarrekening opgesteld. De aangeleverde administratie en aanvullende informatie waren voor mij onvoldoende [gedaagde 2] een jaarrekening op te stellen.
De heer [naam] heeft medio zomer 2023 afstand genomen van [bedrijf 1] BV. De heer [gedaagde 1] wilde de aandelen van de vennootschap overnemen doch kon de benodigde horecavergunning niet verkrijgen. De levering van aandelen is uitgesteld. Eerst in afwachting van de nieuwe horecavergunning en later toen er sprake was van het faillissement van de heer [naam], heeft de heer [gedaagde 1] ervoor gekozen [gedaagde 2] de activiteiten voort te zetten in een nieuw opgerichte vennootschap (zonder horecavergunning).
Begin 2024 heeft ons kantoor de samenwerking met de heer [gedaagde 1] definitief beëindigd. Wij waren ons vertrouwen verloren in de heer [gedaagde 1]. We hebben nimmer gewerkt voor de nieuwe vennootschap waar de activiteiten van [bedrijf 1] BV in voortgezet werden of voor zijn recentelijk geopende restaurant in [vestigingsplaats 2].”
Bij brief van 22 juli 2025 heeft de curator [gedaagde 1] als oud-bestuurder van [bedrijf 1] persoonlijk aansprakelijk gesteld voor het faillissementstekort in het faillissement van [bedrijf 1] wegens het niet deponeren van jaarrekeningen, het niet voldoen aan de administratieplicht en onrechtmatig handelen.
Bij brief van 5 augustus 2025 is door Save namens [gedaagde 1] aansprakelijkheid van de hand gewezen. Daarin staat dat [naam] verantwoordelijk was voor de administratie en dat [gedaagde 1] niet wist dat er geen jaarrekeningen waren gedeponeerd, dat [gedaagde 1] de Nederlandse taal niet goed machtig is en dat [gedaagde 1] niet wist dat hij nog stond ingeschreven als bestuurder.
De curator heeft op 7 oktober 2025 conservatoir beslag laten leggen op de bankrekening en onroerende zaken van [gedaagde 1].
Bij brief van 13 oktober 2025 heeft de curator [gedaagde 2] aansprakelijk gesteld voor schade die de gezamenlijke schuldeisers zouden hebben geleden door onrechtmatig handelen van [gedaagde 2].
4. Het geschil
Havers q.q. vordert, verkort weergeven, dat de rechtbank voor zover mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] aansprakelijk is op grond van artikel 2:248
Burgerlijk Wetboek (BW), althans artikel 6:162 BW, althans artikel 2:9 BW voor het bedrag van de schulden van [bedrijf 1], voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan;
II. voor recht verklaart dat [gedaagde 2] aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW voor een nader vast te stellen bedrag;
III. [gedaagde 1] op grond van artikel 2:248 BW, althans artikel 2:9 BW, veroordeelt tot betaling van het gehele faillissementstekort van [bedrijf 1], zoals dit zal komen vast te staan na de te houden verificatievergadering in het faillissement van [bedrijf 1], vermeerderd met de boedelschulden, waaronder begrepen het salaris van de curator alsmede de overige faillissementskosten;
IV. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] op grond van artikel 6:162 BW hoofdelijk veroordeelt [gedaagde 2] aan de curator te betalen een schadevergoeding nader op te maken bij staat;
V. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een voorschot van € 32.625,00 op de schade;
VI. de voornoemde vorderingen vermeerdert met wettelijke rente;
VII. [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van de kosten van de conservatoire beslagen;
VIII. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Havers q.q., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Havers q.q., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Havers q.q. in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
De rechtbank zal de diverse vorderingen en hun grondslagen hierna per gedaagde bespreken.
Aansprakelijkheid [gedaagde 1]
De curator stelt allereerst dat [gedaagde 1] aansprakelijk is op grond van artikel 2:248 BW. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 2:248 lid 1 BW het bestuur in geval van het faillissement van een vennootschap tegenover de boedel (hoofdelijk) aansprakelijk voor het boedeltekort is, als het zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat, als het bestuur niet heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 2:10 BW of de publicatieplicht van artikel 2:394 BW, vaststaat dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat wordt vermoed dat deze kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Volgens het zesde lid van dat artikel kan deze vordering slechts worden ingesteld op grond van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaar voorafgaand aan het faillissement. Uitgaande van de faillissementsdatum van 25 juni 2025 van [bedrijf 1], moet de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in dit geval hebben plaatsgevonden op of na 25 juni 2022.
[gedaagde 1] bestuurder van [bedrijf 1]?
[gedaagde 1] heeft in de periode van 18 september 2023 tot en met 10 maart 2025 als bestuurder van [bedrijf 1] in het Handelsregister ingeschreven gestaan. [gedaagde 1] betwist dat hij bestuurder is geweest van [bedrijf 1]. In zijn conclusie van antwoord staat dat hij nooit betrokken is geweest bij de exploitatie en het bestuur van [bedrijf 1] en hij niet heeft geweten dat hij als bestuurder in het Handelsregister stond ingeschreven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] anders verklaard, namelijk dat hij zich op verzoek van [naam] heeft ingeschreven in het Handelsregister. [gedaagde 1] dacht dat dit nodig was [gedaagde 2] inkopen voor het restaurant van [bedrijf 1] te doen. Later kwam hij erachter dat dit niet nodig was, maar heeft hij zich lange tijd niet uitgeschreven als bestuurder omdat hij dacht dat dit ingewikkeld was.
Volgens vaste rechtspraak komt de curator geen beroep toe op de derdenwerking volgend uit artikel 25 Handelsregisterwet, als [gedaagde 1] betwist dat hij bestuurder is. Daarvan is in dit geval sprake, wat betekent dat wat in het Handelsregister staat niet leidend is en de curator feiten en omstandigheden moet stellen waaruit volgt dat [gedaagde 1] wel bestuurder is geweest. In dat kader heeft de curator gewezen op een brief die zij heeft ontvangen van De Voorwaarts (zie rechtsoverweging 3.6). Daarin staat dat de administratie van [bedrijf 1] door [gedaagde 1] bij De Voorwaarts werd ingeleverd, dat [naam] medio zomer 2023 afstand heeft genomen van [bedrijf 1] en [gedaagde 1] aanvankelijk de aandelen wilde overnemen en later ervoor gekozen heeft [gedaagde 2] de activiteiten voort te zetten in een nieuw opgerichte vennootschap. [gedaagde 1] betwist dat wat De Voorwaarts schrijft over hem gaat, maar dit komt min of meer wel overeen met wat [naam], die tijdens de mondelinge behandeling aanwezig was, heeft verklaard. [naam] heeft verklaard dat hij aan [gedaagde 1] gevraagd heeft [gedaagde 2] [bedrijf 1] over te nemen, omdat [naam] geld nodig had. [gedaagde 1] was daartoe volgens [naam] bereid en heeft zich als bestuurder ingeschreven in het Handelsregister. Later heeft hij zich weer uitgeschreven, omdat hij volgens [naam] een eigen vennootschap zonder schulden wilde hebben. [gedaagde 1] heeft dat niet gemotiveerd weersproken. De rechtbank trekt daaruit de conclusie dat het de bedoeling van [gedaagde 1] en [naam] is geweest dat [gedaagde 1] bestuurder werd. Ook Save heeft in haar brief van 5 augustus 2025 aan de curator geschreven dat [gedaagde 1] officieel als bestuurder stond ingeschreven, maar volgens haar lag de feitelijke leiding over [bedrijf 1] bij [naam]. Dat de feitelijke leiding nog bij [naam] lag, doet niet af aan dat [gedaagde 1] formeel als bestuurder kan worden aangemerkt. Daarbij geldt dat uit de brief van De Voorwaarts volgt dat [naam] medio zomer 2023 afstand heeft genomen van [bedrijf 1]. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat [gedaagde 1] van 18 september 2023 tot en met 10 maart 2025 bestuurder van [bedrijf 1] is geweest.
Kennelijk onbehoorlijk bestuur
De curator stelt dat er voor [bedrijf 1] vrijwel geen administratie is gevoerd en dat er nooit een jaarrekening is gepubliceerd. [gedaagde 1] heeft dat niet betwist. Hierdoor staat vast dat de wettelijke administratie- en publicatieplicht zijn geschonden en het bestuur haar taak kennelijk onbehoorlijk heeft verricht. Van een onbelangrijk verzuim is geen sprake. Nu [gedaagde 1] bestuurder is geweest, geldt de conclusie van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling ook voor hem. Dat alleen [naam] volgens [gedaagde 1] inzage had in de boekhouding, doet hier niet aan af. De aansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 BW betreft een zogenaamde collectieve aansprakelijkheid en daarnaast blijkt uit de brief van De Voorwaarts dat [gedaagde 1] de administratie heeft ingeleverd.
Andere belangrijke oorzaak
Op grond van artikel 2:248 lid 2 BW wordt vermoed dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. [gedaagde 1] kan dat vermoeden ontzenuwen door aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement.
[gedaagde 1] heeft betoogd dat het slechte bestuur van [naam] de werkelijke oorzaak van het faillissement van [bedrijf 1] is. [naam] heeft volgens [gedaagde 1] te veel geld onttrokken uit [bedrijf 1] en geschoven met activa. Dit is door de curator betwist. Nu een deugdelijke administratie ontbreekt, is het volgens de curator onduidelijk op welke momenten [naam] welke bedragen met welk doel zou hebben onttrokken uit de vennootschap en hoe dat een oorzaak van het faillissement zou kunnen zijn geweest. Hierdoor kan [gedaagde 1] volgens de curator niet worden gevolgd in zijn stellingen. [gedaagde 1] heeft dat niet gemotiveerd weersproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van [bedrijf 1]. [gedaagde 1] is daarom aansprakelijk op grond van artikel 2:248 BW. De onder I. van rechtsoverweging 4.1 genoemde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Matiging
Aansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 BW leidt tot aansprakelijkheid voor het gehele faillissementstekort. De rechter kan op grond van artikel 2:248 lid 4 BW het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen als dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld. De rechter kan voorts het bedrag van de aansprakelijkheid van een afzonderlijke bestuurder verminderen indien dit bovenmatig voorkomt, gelet op de tijd gedurende welke die bestuurder als zodanig in functie is geweest in de periode waarin de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling plaats vond. Deze matigingsgronden zijn limitatief.
[gedaagde 1] doet een beroep op matiging van het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is. [gedaagde 1] stelt dat [bedrijf 1] verliesgevend was en feitelijk geen bestaansrecht meer had, [gedaagde 1] zonder het te weten door toedoen van [naam] bestuurder is geworden, [gedaagde 1] niet optrad als bestuurder/feitelijk leidinggever, [gedaagde 1] slechts gedurende relatief korte tijd formeel bestuurder was, door de overname van [bedrijf 1] het personeel niet behoefde te worden ontslagen, [gedaagde 2] de huurovereenkomsten heeft voortgezet en door [gedaagde 2] het uiteindelijke boedeltekort van [bedrijf 1] aanzienlijk lager is geworden. De curator heeft daartegen verweer gevoerd.
De rechtbank ziet in de door [gedaagde 1] aangevoerde omstandigheden geen aanleiding voor een vermindering van het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is. Zoals hiervoor al geoordeeld, was [gedaagde 1] bestuurder van [bedrijf 1]. Dat is hij geruime tijd geweest; volgens het Handelsregister in totaal anderhalf jaar (van 18 september 2023 tot en met 10 maart 2025). [bedrijf 1] is op 24 oktober 2022 opgericht en op 25 juni 2025 failliet verklaard. [gedaagde 1] is dus meer dan de helft van de tijd dat [bedrijf 1] heeft bestaan bestuurder geweest. In al die tijd heeft hij niet zorggedragen voor een deugdelijke administratie of het deponeren van de jaarrekeningen. [gedaagde 1] stelt dat [bedrijf 1] verliesgevend was en feitelijk geen bestaansrecht had, maar dat blijkt door het ontbreken van administratie en jaarrekeningen nergens uit. Het restaurant wordt nu succesvol voortgezet vanuit [gedaagde 2]. Niet valt in te zien waarom dat niet vanuit [bedrijf 1] had gekund. Dan had het personeel ook niet ontslagen hoeven te worden en kon de huurovereenkomst ook voortgezet worden. Nergens blijkt uit dat het personeel niet meer betaald kon worden. Daarnaast volgt uit een door de curator in het geding gebrachte vaststellingsovereenkomst van 13 oktober 2025 dat [bedrijf 1] tot 4 april 2024 huurpenningen heeft betaald, wat tot vlak voor de overname van het restaurant door [gedaagde 2] is. Dit wijst erop dat het niet zo slecht met [bedrijf 1] ging als [gedaagde 1] doet voorkomen. [gedaagde 1] heeft verder niet onderbouwd hoe het uiteindelijke boedeltekort van [bedrijf 1] door toedoen van [gedaagde 2] lager is geworden.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] niet matigen en hem veroordelen tot betaling van het faillissementstekort, zoals dit zal komen vast te staan na de te houden verificatievergadering in het faillissement van [bedrijf 1], vermeerderd met de boedelschulden, waaronder begrepen het salaris van de curator alsmede de overige faillissementskosten.
Gelet op het voorgaande kan de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] op grond van artikel 6:162 BW en artikel 2:9 BW onbesproken blijven.
Voorschot en rente
De curator vordert dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van
€ 32.625,00 als een voorschot op de schade. De rechtbank begrijpt dat de curator hiermee een voorschot op het faillissementstekort bedoelt. [gedaagde 1] heeft geen verweer tegen de hoogte van het voorschot gevoerd. De hoogte van het voorschot komt de rechtbank niet onredelijk voor, omdat volgens de in het geding gebrachte crediteurenlijst het faillissementstekort (vooralsnog) op € 207.771,19 wordt begroot. Daar komen nog verschotten en het salaris van de curator bij. De rechtbank zal daarom het gevorderde voorschot toewijzen.
De gevorderde wettelijke rente over het voorschot op het faillissementstekort zal de rechtbank afwijzen. Het faillissementstekort, dat moet worden vastgesteld na de te houden verificatievergadering, bestaat uit het verschil tussen enerzijds het totaal van de boedelschulden en de concurrente en preferente schulden, en anderzijds de baten. Als [gedaagde 1] daarnaast wettelijke rente verschuldigd zou zijn over de periode tot aan de vaststelling van het tekort, dan zou het resultaat kunnen zijn dat hij uiteindelijk méér dan het tekort moet betalen en zou er bij betaling een overschot in het faillissement kunnen resteren. De regeling van artikel 2:248 BW is daar niet voor bedoeld.
Aansprakelijkheid [gedaagde 2]
De curator heeft [gedaagde 2] aansprakelijk gesteld voor schade op grond van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). De curator stelt dat [gedaagde 2] onrechtmatig jegens de schuldeisers van [bedrijf 1] heeft gehandeld doordat zij geen koopprijs aan [bedrijf 1] heeft betaald voor het actief van het restaurant en daarmee heeft meegewerkt aan het leegtrekken van [bedrijf 1], waardoor [bedrijf 1] geen bestaansrecht meer had. [gedaagde 2] betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld.
De curator heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld dat het handelen van [gedaagde 2] onrechtmatig is. [gedaagde 1] heeft op 26 september 2023 € 32.625,00 aan [bedrijf 1] geleend. [bedrijf 1] heeft dat bedrag niet terugbetaald. Vervolgens heeft [gedaagde 2] ingestemd dat de vordering van [gedaagde 1] op [bedrijf 1] uit hoofde van de geldlening wordt verrekend met wat [gedaagde 2] moet betalen voor de overname van het restaurant van [bedrijf 1]. [gedaagde 2] heeft geen directe relatie met [bedrijf 1] en haar schuldeisers, waardoor zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien hoe zij door in te stemmen met de verrekening onrechtmatig jegens de schuldeisers van [bedrijf 1] heeft gehandeld. [gedaagde 2] kan niet vereenzelvigd worden met [gedaagde 1]. De rechtbank wijst de vorderingen van de curator op [gedaagde 2] daarom af.
Proceskosten
De curator heeft gevorderd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld in de proceskosten (waaronder de beslagkosten). De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie volgt dat een op grond van artikel 2:248 BW veroordeelde bestuurder het gehele tekort, inclusief dat deel dat is ontstaan door de kosten van het verhaal van de curator op die bestuurder, moet voldoen. Een kostenveroordeling kan achterwege blijven, omdat de proceskosten al volledig worden meegeteld bij de berekening van het tekort. Dit brengt mee dat de vordering tot vergoeding van de proceskosten, waarin begrepen de kosten voor het gelegde beslag, bij gebrek aan belang zal worden afgewezen. Gelet op de verbondenheid tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ziet de rechtbank geen aanleiding [gedaagde 2] ten gunste van [gedaagde 2] een afzonderlijke proceskostenveroordeling uit te spreken.
6. De beslissing
De rechtbank
verklaart voor recht dat [gedaagde 1] aansprakelijk is op grond van artikel 2:248 BW voor het bedrag van de schulden van [bedrijf 1], voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan,
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van het gehele faillissementstekort van [bedrijf 1], zoals dit zal komen vast te staan na de te houden verificatievergadering in het faillissement van [bedrijf 1], vermeerderd met de boedelschulden, waaronder begrepen het salaris van de curator alsmede de overige faillissementskosten,
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van een voorschot van € 32.625,00,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Egberink en in het openbaar uitgesproken op
14 oktober 2026.