RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84-089557-22 (P)
Datum vonnis: 26 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1975 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres 1] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 11 april 2023, 23 januari 2024, 18 juni 2024, 14 september 2026 en 26 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman raadsvrouw mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat in Tilburg, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
4 jo. artikel 41 lid 1 Uitvoeringsbesluit meststoffenwet);
1 en Bijlage E, onderdeel B van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, die zodanig
1 en Bijlage E, onderdeel B van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, die zodanig
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 1 januari 2017 tot en met 14 augustus 2018 samen met [medeverdachte bedrijf] B.V. opzettelijk de administratie van deze onderneming niet naar waarheid heeft bijgehouden;
feit 2: in de periode van 3 januari 2017 tot en met 14 augustus 2018 samen met anderen of alleen opzettelijk de door het bevoegd gezag aangebrachte zegels van een groot aantal met meststoffen gevulde sealbags heeft verbroken.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 14 augustus 2018 te
Haaksbergen en/of Gramsbergen en/of te Bergentheim, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met [medeverdachte bedrijf] B.V., zijnde deze
een rechtspersoon die dierlijke meststoffen verhandelde in de zin van artikel 1 lid 1
aanhef en onder e van de Meststoffenwet en/of met (een) ander(en),
opzettelijk,
niet steeds kon verantwoorden dat de op de eigen onderneming van [medeverdachte bedrijf]
B.V. aangevoerde dierlijke meststoffen waren afgevoerd,
immers werd haar administratie niet naar waarheid bijgehouden (artikel 39 lid 1 en
2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 januari 2017 tot en
met 27 december 2017 te Bergentheim en/of te Haaksbergen en/of te Gramsbergen,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
opzettelijk
een groot aantal zegels waarmede voorwerpen door of vanwege het bevoegd gezag
verzegeld waren,
te weten met meststoffen gevulde zogeheten VMA sealbags, zijnde deze VMA
sealbags met meststoffen gevulde monsterverpakkingen als bedoeld in artikel 79 lid
waren gesloten dat deze niet zonder herkenbare beschadiging konden worden
geopend, en/of aan de inhoud ervan zonder herkenbare beschadiging niets
toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd kon worden,
heeft verbroken en/of opgeheven en/of beschadigd,
door deze VMA sealbags met een schaar open te knippen,
in elk geval,
opzettelijk een groot aantal afsluitingen die werden bewerkt door zegels waarmede
voorwerpen door of vanwege het bevoegd openbaar gezag verzegeld waren,
te weten met meststoffen gevulde zogeheten VMA sealbags, zijnde deze VMA
sealbags met meststoffen gevulde monsterverpakkingen als bedoeld in artikel 79 lid
waren gesloten dat deze niet zonder herkenbare beschadiging konden worden
geopend, en/of aan de inhoud ervan zonder herkenbare beschadiging niets
toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd kon worden,
heeft verijdeld,
door deze VMA sealbags met een schaar open te knippen.
3. De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. De bewijsoverwegingen
Inleiding
Op 25 februari 2018 zag een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (verder: NVWA) in het digitale dossier met betrekking tot zogenoemde AGR/GPS-meldingen dat in de maand februari 2018 door verschillende tankopleggers die geregistreerd stonden bij de intermediair [medeverdachte bedrijf] B.V. (verder: [medeverdachte bedrijf] B.V.) meermalen binnen een zeer kort tijdsbestek – variërend van drie tot negentien minuten – los- en laadmeldingen waren gedaan bij een mestbassin gelegen aan de [adres 2] . De korte tijdspanne tussen het lossen en het vervolgens laden van dierlijke meststoffen riep bij de toezichthouder het vermoeden op dat deze handelingen in werkelijkheid niet hadden plaatsgevonden, dat wil zeggen dat het zou gaan om zogenoemde “klik-klakmeldingen”, waarbij een laadmelding kort na een losmelding volgt, zonder dat daadwerkelijk een lossing en belading had kunnen plaatsvinden.
Dit vermoeden leek bevestiging te vinden in de bevindingen van twee toezichthouders van de NVWA bij een bezoek op 26 februari 2018 aan het betreffende mestbassin, dat bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (verder: RVO) geregistreerd stond op naam van het bedrijf [bedrijf 1] BV. Zij troffen een vrachtwagencombinatie aan die in gebruik was bij [medeverdachte bedrijf] BV en die een los- en laadmelding had gedaan, terwijl er zichtbaar geen vulslang aan de vrachtwagen was bevestigd.
Gelet op deze bevindingen werd het digitale dossier met betrekking tot de door [medeverdachte bedrijf] B.V. verrichte AGR/GPS-meldingen nader onderzocht. Daaruit kwam een groot aantal andere mogelijke “klik-klakvrachten” naar voren. Tijdens het verdere onderzoek ontstond daarnaast het vermoeden dat de automatisch gegenereerde mestmonsters handmatig werden gemanipuleerd voordat deze voor monsteronderzoek werden verzonden naar een erkend laboratorium. Naar aanleiding hiervan is het strafrechtelijk onderzoek “Glassnijder” gestart.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van het 1 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Nu niet kan worden vastgesteld dat de in de administratie van [medeverdachte bedrijf] B.V. opgenomen VDM’s vals zijn, kan evenmin worden vastgesteld dat [medeverdachte bedrijf] B.V. de administratie niet naar waarheid heeft bijgehouden.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde kan niet worden vastgesteld dat mestmonsters zijn gemanipuleerd. Voor zover van manipulatie van de mestmonsters kan worden uitgegaan, blijkt uit het dossier onvoldoende dat verdachte hierbij betrokken is geweest.
Het oordeel van de rechtbank
Wettelijk kader en regelgeving
Ingevolge de Meststoffenwet rust op een veehouder die meer dierlijke meststoffen produceert dan hij op zijn bedrijf voor bemesting mag gebruiken, de verplichting om het bedrijfsoverschot te laten verwerken. Aan deze verwerkingsverplichting kan onder meer worden voldaan door de dierlijke meststoffen door een intermediaire onderneming te laten afvoeren. Een intermediaire onderneming is een onderneming, niet zijnde een bedrijf, in het kader waarvan al dan niet uitsluitend dierlijke meststoffen worden verhandeld of worden gebruikt. Een intermediaire onderneming dient afzonderlijk te zijn geregistreerd bij de RVO. Indien de dierlijke meststoffen door een intermediair worden afgevoerd, komt de verantwoordelijkheid voor de verdere verwerking en de verantwoording van de afgevoerde meststoffen bij de intermediair te liggen.
Het vervoer van dierlijke meststoffen wordt geregistreerd door middel van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen (VDM). Wanneer de meststoffen door een intermediair worden afgevoerd, wordt dit op het VDM onder meer door middel van “opmerkingscode 61” kenbaar gemaakt. De intermediair is in dat geval gehouden de gegevens die betrekking hebben op de vracht dierlijke meststoffen (elektronisch) in te dienen bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Deze gegevens worden bij de RVO geregistreerd.
De voertuigen waarmee dierlijke meststoffen worden vervoerd, dienen te zijn uitgerust met AGR/GPS-apparatuur en bemonsterings- en verpakkingsapparatuur. De vervoerder, doorgaans de chauffeur, draagt ervoor zorg dat op het tijdstip van lossen en laden van een vracht dierlijke mest de door de AGR/GPS-apparatuur gegenereerde gegevens inzake de laad- of loslocatie, de datum en het tijdstip van het lossen of laden van het transportmiddel, automatisch worden vastgelegd en elektronisch aan de RVO worden verzonden. De mestmonsters worden automatisch genomen bij het laden van een vracht dierlijke mest in een tankwagen. Deze mestmonsters zijn automatisch verpakt en de met mest gevulde monsterverpakkingen zijn automatisch gesloten door het op de vervoermiddelen aanwezige verpakkingsapparatuur. De mestmonsters zijn verpakt in monsterverpakkingen van VMA en worden aangeduid als “VMA-sealzakken” of “VMA-sealbags”. Ingevolge de Meststoffenwet dienen de mestmonsters te worden verzonden naar een erkend laboratorium alwaar het stikstof- en fosfaatgehalte wordt vastgesteld. De monsteruitslagen zijn vervolgens van belang voor de verantwoordingsplicht met betrekking tot de verwerkte hoeveelheden stikstof en fosfaat.
Overwegingen van de rechtbank
Voor de leesbaarheid van het vonnis bespreekt de rechtbank de aan verdachte ten laste gelegde feiten in chronologische volgorde. Dat betekent dat de rechtbank eerst feit 2 zal bespreken en vervolgens feit 1.
4.4.2.1 Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
Aan verdachte wordt onder 2 verweten dat hij een groot aantal door of vanwege het bevoegd gezag aangebrachte zegels, te weten VMA-sealbags, heeft verbroken door deze open te knippen.
Op grond van het dossier bestaan er sterke aanwijzingen dat mestmonsters zijn bewerkt voordat deze ter analyse aan [bedrijf 2] werden aangeboden. Bij een groot aantal onderzochte mestmonsters zijn immers afwijkingen vastgesteld tussen de gehalten aan fosfaat en stikstof. Daarnaast zijn bij verschillende VMA-sealbags bijzonderheden aan de afsluiting vastgesteld die passen bij het openen en vervolgens opnieuw sluiten van de zakken. Daarnaast is op het erf van medeverdachte [medeverdachte] een ruimte aangetroffen die als ‘mestwerkplaats’ of ‘mestlaboratorium’ kon worden gebruikt. Aldaar zijn een VMA-sealapparaat, mestmonsters en verschillende voorwerpen en stoffen voor het bewerken van mestmonsters aangetroffen, zoals bijvoorbeeld emmers met meststoffen, aantekeningen omtrent de samenstelling daarvan, die mogelijk gebruikt konden worden voor de aanpassing van mestmonsters.
De voorliggende (juridische) vraag is echter of met het openknippen van de VMA-sealbags een verzegeling is verbroken die door of vanwege het bevoegd gezag is aangebracht, zoals bedoeld in het hier tenlastegelegde artikel 199 Wetboek van Strafrecht (Sr).
De Meststoffenwet schrijft voor dat de verpakking van een mestmonster zodanig moet worden gesloten dat deze niet kan worden geopend zonder dat dit leidt tot een herkenbare beschadiging en aan de inhoud ervan zonder herkenbare beschadiging niets kan worden toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd. Het sluiten van de monsterverpakking is daarmee een handeling die de intermediair zelf, op grond van een wettelijke verplichting, moet verrichten. De VMA-sealbag wordt dus niet door of vanwege het bevoegd gezag verzegeld. Het is de intermediair dat de monsterverpakking overeenkomstig het wettelijk voorschrift afsluit voordat deze ter analyse wordt ingezonden. Dat deze wijze van afsluiten rechtstreeks voortvloeit uit de Meststoffenwet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, maakt niet dat de aldus aangebrachte afsluiting kan worden aangemerkt als een door of vanwege het bevoegd gezag aangebrachte verzegeling. Het enkele feit dat de wetgever de wijze voorschrijft waaraan een verpakking van een mestmonster moet voldoen, is daarvoor onvoldoende. Het wettelijk voorschrift verplicht de intermediair tot het zelf aanbrengen van de afsluiting. Het bevoegd gezag brengt daarmee niet zelf, ook niet door tussenkomst van een ander namens hem, een zegel aan. Hoewel de hiervoor besproken feiten en omstandigheden sterke aanwijzingen opleveren dat mestmonsters zijn gemanipuleerd, kan niet worden bewezen dat daarbij een door of vanwege het bevoegd gezag aangebrachte verzegeling is verbroken door het openknippen van een VMA-sealbag. Bovendien bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat verdachte überhaupt bij de gestelde manipulatie betrokken zou zijn geweest. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde.
4.4.2.2 Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in strijd met de Meststoffenwet de administratie van [medeverdachte bedrijf] B.V. niet naar waarheid heeft bijgehouden, aangezien daarin VDM’s waren opgenomen die geen juiste weergave vormden van de daadwerkelijk verrichtte mesttransporten. De rechtbank kan op grond va de inhoud van het dossier niet vaststellen dat de in de administratie van [medeverdachte bedrijf] B.V. opgenomen VDM’s valselijk zijn opgemaakt. Hoewel er zeker vraagtekens gesteld kunnen worden bij sommige los- en laadmeldingen die elkaar in een zeer kort tijdsbestek opvolgen, betekent het enkele feit dat bij meerdere VDM’s sprake is geweest van transporten waarbij minder dan 4 minuten en eenendertig seconden een los- en laadmelding is gegenereerd, dus nog niet dat in elk van die gevallen per definitie sprake is geweest van fictieve meldingen of (daarmee) van vals opgemaakte VDM’s.
Daarmee kan evenmin worden vastgesteld dat [medeverdachte bedrijf] B.V. haar administratie niet naar waarheid heeft bijgehouden. Daar komt bij dat bij dat uit het dossier niet blijkt van enig concrete betrokkenheid van verdachte bij het voeren van de administratie van [medeverdachte bedrijf] B.V. De rechtbank spreekt verdachte ook vrij van het onder 1 ten laste gelegde.
4.4.2.3 Conclusie
De rechtbank spreekt verdachte integraal vrij van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
5. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. H. Manuel en mr. J. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.N. Esajas, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026.