RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummers: 08-096590-25 en 03-102559-25 (gev.) (P)
Datum vonnis: 29 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1987 in [geboorteplaats] ,
nu verblijvende in Justitieel Complex [verblijfplaats] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 1 oktober 2026 en 15 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. S.Ph.Chr. Wester, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door of namens [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , nabestaanden van [slachtoffer 1] , voorgedragen spreekrechtverklaringen en van wat namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] door mr. W. van Egmond, advocaat in Amsterdam, is aangevoerd.
2. De tenlasteleggingen
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
parketnummer 08-096590-25: samen met een ander dan wel alleen [slachtoffer 1] , al dan niet met voorbedachte raad, van het leven heeft beroofd;
parketnummer 03-102559-25, feit 1: heeft geprobeerd zijn partner [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (primair) dan wel dat hij haar heeft mishandeld (subsidiair);
parketnummer 03-102559-25, feit 2: zijn zus, [slachtoffer 3] , heeft mishandeld.
Voluit luiden de tenlasteleggingen aan verdachte, dat:
parketnummer 08-096590-25
hij in of omstreeks de periode van 27 tot en met 28 maart 2025 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer 1] meerdere malen met kracht tegen het hoofd en/of (boven-)lichaam te slaan, te stompen en/of te schoppen en/of anderszins grof geweld toe te passen op het hoofd en/of (boven-)lichaam van die [slachtoffer 1] en/of de nek/hals/keel dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden (verwurging) en/of de mond en/of neus van die [slachtoffer 1] dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden (smoren) en/of die [slachtoffer 1] op haar buik op de grond te leggen/plaatsen en/of haar mond/neus af te dekken met
kledingstukken en/of ander materiaal (plastic) en/of de handen van die [slachtoffer 1] op haar rug vast te binden;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 27 tot en met 28 maart 2025 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] meerdere malen met kracht tegen het hoofd en/of (boven-)lichaam te slaan, te stompen en/of te schoppen en/of anderszins grof geweld toe te passen op het hoofd en/of (boven-)lichaam van die [slachtoffer 1] en/of de nek/hals/keel dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden (verwurging) en/of de mond en/of neus van die [slachtoffer 1] dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden (smoren) en/of die [slachtoffer 1] op haar buik op de grond te leggen/plaatsen en/of haar mond/neus af te dekken met kledingstukken en/of ander materiaal (plastic) en/of de handen van die [slachtoffer 1] op haar rug vast te binden, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.
parketnummer 03-102559-25
1
hij op of omstreeks [geboortedatum 2] 2025, te Heerlen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] , te weten zijn levensgezel, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet
- die [slachtoffer 2] met kracht bij de keel te grijpen en deze dicht te knijpen,
- die [slachtoffer 2] meermaals met gebalde vuist en/of de vlakke hand in het gezicht en op de neus te slaan, en/of
- die [slachtoffer 2] meermaals met gebalde vuist in de nek te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks [geboortedatum 2] 2025 te Heerlen zijn echtgenote/levensgezel, te weten [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door
- die [slachtoffer 2] met kracht bij de keel te grijpen en deze dicht te knijpen,
- die [slachtoffer 2] meermaals met gebalde vuist en/of de vlakke hand in het gezicht en op de neus te slaan, en/of
- die [slachtoffer 2] meermaals met gebalde vuist in de nek te slaan;
2
hij op of omstreeks [geboortedatum 2] 2025 te Heerlen [slachtoffer 3] heeft mishandeld door haar meermaals met gebalde vuist en/of vlakke hand in het gezicht en/of op haar neus, in ieder geval het hoofd te slaan.
3. De bewijsmotivering
Parketnummer 08-096590-25
Inleiding: TGO Idaho
In de nacht van 27 op 28 maart 2025 worden drie verbalisanten op straat aangesproken door [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Hij verklaart ten overstaan van de verbalisanten dat hij in zijn woning in elkaar is geslagen door een man die hij “ [naam 1] ” noemt en een onbekend gebleven persoon. [naam 2] vertelt de agenten dat “ [naam 1] ” en de onbekend gebleven persoon aan de [adres 1] verblijven. De verbalisanten gaan daarop ter plaatse en krijgen van de bewoner van de [adres 1] , [verdachte] (hierna: verdachte of [verdachte] ), toestemming om binnen te treden. In een van de slaapkamers wordt het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) aangetroffen. Daarop wordt [verdachte] door de verbalisanten aangehouden.
Naar aanleiding van deze gebeurtenis is er een onderzoek door Team Grootschalige Opsporing (TGO) opgestart onder de naam Idaho. Vanwege hun aanwezigheid in de woning aan de [adres 1] in de avond van 27 maart 2025 en in de nacht van 27 op 28 maart 2025, worden ook [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) aangemerkt als verdachten in dit onderzoek. Zij hebben zich op 31 maart 2025, na telefonisch contact met het onderzoeksteam, gemeld op het politiebureau alwaar zij zijn aangehouden. De strafzaak tegen [medeverdachte 2] is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. Aan zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] is primair het medeplegen van moord dan wel doodslag ten laste gelegd en subsidiair het medeplegen van de zware mishandeling van [slachtoffer 1] , al dan niet met voorbedachte raad, met de dood ten gevolg. Aan [medeverdachte 1] is meer subsidiair de poging tot zware mishandeling en meest subsidiair de mishandeling van [slachtoffer 1] ten laste gelegd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit – het opzettelijk en met voorbedachte rade doden van [slachtoffer 1] – behoudens het onderdeel medeplegen wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [verdachte] integraal vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, als gevolg van het feit dat er geen doodsoorzaak kan worden vastgesteld en evenmin kan worden uitgesloten dat de gedragingen jegens [slachtoffer 1] door [naam 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) zijn gepleegd. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat [verdachte] vrijgesproken dient te worden van de tenlastegelegde moord dan wel doodslag, omdat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van voorbedachte raad dan wel opzet op de dood van [slachtoffer 1] . De raadsman verzoekt ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde te volstaan met een bewezenverklaring van mishandeling al dan niet de dood ten gevolge hebbende en [verdachte] partieel vrij te spreken van het bestanddeel “zware” en van het medeplegen. Meer subsidiair verzoekt de verdediging te volstaan met de bewezenverklaring van een zware mishandeling, al dan niet de dood ten gevolge hebbende en [verdachte] partieel vrij te spreken van het medeplegen. Meest subsidiair verzoekt de raadsman om te volstaan met een bewezenverklaring van doodslag en [verdachte] daarbij vrij te spreken van het medeplegen.
Het oordeel van de rechtbank
Hierna stelt de rechtbank op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de feiten en omstandigheden vast. De rechtbank overweegt verder, al dan niet in reactie op gevoerde verweren, waarom zij op basis van die feiten en omstandigheden tot conclusies en beantwoording van de bewijsvraag komt.
3.1.4.1 De redengevende feiten en omstandigheden
De tijdlijn van de avond en nacht van 27 maart 2025
Om 19:36 uur komt [medeverdachte 1] met een fiets in zijn hand het portiek van de woning van [verdachte] (hierna: het portiek) binnenlopen. Hij laat de fiets achter in het portiek en gaat de woning van [verdachte] binnen. [slachtoffer 1] en [verdachte] zijn op dat moment al in de woning aanwezig. [medeverdachte 2] komt om 19:48 uur het portiek, en daarna ook de woning van [verdachte] , binnen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verlaten samen om 20:30 uur het portiek en keren om 21:10 uur weer terug. Om 21:21 uur verlaat [medeverdachte 1] nogmaals het portiek. Hij loopt na twee minuten weer naar binnen. Vanaf dat moment zijn [verdachte] , [slachtoffer 1] , [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] aanwezig in de woning. Om 21:28 uur loopt [slachtoffer 1] vanuit de woning het portiek in en verplaatst zij de fiets waarmee [medeverdachte 1] eerder die avond het portiek binnen is gekomen naar een plek buiten het portiek. Om 21:31 uur komt [slachtoffer 1] , nadat zij drieënhalve minuut buiten het portiek is geweest, het portiek weer binnen gelopen. Dit is het moment waarop [slachtoffer 1] voor het laatst in leven op de camerabeelden gezien is. Vlak daarna, om 21:32 uur, rent [medeverdachte 1] het portiek uit. Hij komt na 37 seconden weer het portiek binnen. Nadat [medeverdachte 1] één minuut en veertien seconden in het portiek dan wel in de woning van [verdachte] is geweest, loopt hij samen met [medeverdachte 2] het portiek uit. [medeverdachte 1] verkeert in de veronderstelling dat zijn fiets is gestolen door [naam 2] , met hulp van [slachtoffer 1] . Hij gaat samen met [medeverdachte 2] op zoek naar zijn fiets bij de woning van [naam 2] , gelegen aan de [adres 2] . [medeverdachte 1] is gefrustreerd en boos door de vermeende diefstal van zijn fiets. [verdachte] is intussen nog in de woning. Om 22:08 uur, in de buurt van de [adres 2] , schreeuwt [medeverdachte 1] “hij/zij heeft mijn kankerfiets broer. Ik heb net iemand bijna doodgeslagen”. Om 22:10 uur komt [medeverdachte 1] het portiek weer binnen. Na een minuut en vijftig seconden, om 22:12 uur, loopt hij samen met [verdachte] het portiek uit. [verdachte] loopt om 22:15 uur het portiek weer in. Daarna gaan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opnieuw naar de (omgeving van de) [adres 2] . Om 00:59 uur betreedt [medeverdachte 1] , samen met [medeverdachte 2] , het portiek van de woning van [verdachte] weer. Na zes minuten loopt hij samen met [medeverdachte 2] het portiek weer uit.
Het aantreffen van [slachtoffer 1]
Op 28 maart 2025 om 03:31 uur wordt in de woning van [verdachte] aan de [adres 1] (hierna ook: de woning van [verdachte] ) een overleden vrouw aangetroffen. Het blijkt [slachtoffer 1] te zijn. [slachtoffer 1] ligt op haar buik. Haar handen en voeten zijn aan elkaar vastgebonden op haar rug met schoenveters. Het hoofd, waaronder ook de neus en mond, van [slachtoffer 1] is omwikkeld met meerdere lagen kleding en een plastic zak. Deze kledingstukken zitten dusdanig strak om het hoofd van [slachtoffer 1] geknoopt, dat de verbalisant die [slachtoffer 1] aantreft de knopen niet zelf open krijgt en de kleding ook niet in het geheel van het hoofd van [slachtoffer 1] kan verwijderen.
De uitlatingen van [medeverdachte 1] op 29 maart 2025
Op 29 maart 2025 heeft er een gesprek tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 3] (hierna: [naam 3] ) plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft [medeverdachte 1] aan [naam 3] verteld dat hij [slachtoffer 1] een klap heeft gegeven met zijn onderarm en dat zij “knock-out” is gegaan.
De medische bevindingen
Er heeft lijkschouw, toxicologisch onderzoek en radiologisch onderzoek aan het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] plaatsgevonden. De bevindingen uit die onderzoeken heeft arts en deskundige forensische pathologie P.M.I. van Driessche (hierna: Van Driessche) betrokken bij het pathologisch onderzoek. Uit deze onderzoeken komt, onder meer, het volgende naar voren. Een eenduidig zekere doodsoorzaak is niet gebleken. Er was sprake van uitgebreid letsel aan het hoofd van [slachtoffer 1] . Er waren forse letsels aan het gelaat, bij leven opgelopen, door zeer uitgebreide meervoudig stomp botsende krachtinwerkingen, zoals door geslagen worden (al dan niet met een voorwerp), getrapt worden etcetera, met ook een kleine traumatische beschadiging aan de hersenen. Bij letseldateringsonderzoek toonden de voornoemde letsels, voor zover betrouwbaar te beoordelen, aanwijzingen voor oplopen enkele (tenminste circa twee) uren voor het overlijden. In het bindvlies van de oogleden van het rechteroog waren ‘petechiën’ te zien, die verklaard kunnen worden door directe stomp botsende krachtinwerking(en). Het neusbeen van [slachtoffer 1] was gebroken, hierdoor was er (onder meer) in de luchtwegen bloed aanwezig. Ook rechtsachter aan de rug/rechterflank waren forse letsels, bij leven opgelopen, zichtbaar. Het beeld van dit letsel bij letseldateringsonderzoek was suggestief voor recent bij leven of rondom het overlijden oplopen. Aan de hals en polsen waren lijnvormige huidverkleuringen gezien, mogelijk passend bij het alhier vastgebonden zijn, met aan de rechterpols een geringe aanwijzing dat dit recent bij leven of rondom het overlijden is gebeurd. Het bewustzijn/gedrag van [slachtoffer 1] ten tijde van het overlijden werd beïnvloed door cocaïne en (omzettingsproducten van) diazepam. De aangetoonde stoffen in de gemeten concentraties zijn bij een gewend gebruiker onder een hypothese van een niet-fatale intoxicatie, iets waarschijnlijker dan een fatale intoxicatie met cocaïne, diazepam en desmethyldiazepam. De resultaten van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek geven geen aanwijzing voor een ketoacidose. Een overlijden door belemmering van de ademhaling en longfunctie, door eventuele inademing van bloed na het oplopen van een gebroken neus, beperking van de ademhaling door pijn vanwege opgelopen ribbreuken en/of
eventuele belemmering van de ademwegen of beperking van de in te ademen lucht
indien het bij aantreffen aanwezige plastic aan de mond/het gelaat bij leven aanwezig was dan wel anderszins 'smoren' wordt met name overwogen. Intoxicatie met cocaïne, diazepam en desmethyldiazepam kan, zoals hiervoor reeds benoemd, niet geheel worden uitgesloten als doodsoorzaak.
Het forensisch onderzoek
- Bloedsporen in de slaapkamer
In een van de slaapkamers in de woning van [verdachte] , de vindplaats van [slachtoffer 1] , werden diverse bloedsporen aangetroffen. Deze bloedsporen zijn door de politie bemonsterd. Uit de bemonsteringen met SIN [SIN-code 1] (bloedspat bord 4) en [SIN-code 2] (bloedspat bord 6) zijn DNA-profielen van minimaal één persoon verkregen. Het DNA-profiel van [slachtoffer 1] komt overeen met deze profielen. De DNA-profielen [SIN-code 1] en [SIN-code 2] zijn meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – [slachtoffer 1] de donor is dan wanneer dit niet zo is. Uit de bemonstering met SIN [SIN-code 3] (bloedspat bord 2) is een DNA-mengprofiel van minimaal twee donoren verkregen. De DNA-profielen van [slachtoffer 1] en [verdachte] komen overeen met deze profielen. Het DNA-mengprofiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – [verdachte] de donor is dan wanneer dit niet zo is. Ditzelfde geldt voor [slachtoffer 1] . De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier dat [verdachte] en [slachtoffer 1] de donoren van het celmateriaal in de voornoemde bloedsporen zijn.
De aangetroffen bloedsporen zijn onderworpen aan een bloedspoorpatroonanalyse. Er zijn in totaal negen bloedspoorpatronen onderzocht. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er minimaal vier gebeurtenissen hebben plaatsgevonden waarbij een bloedspoorpatroon als gevolg van een uitgeoefende kracht was ontstaan, waarvan minimaal één van die gebeurtenissen een krachtsinwerking van een object in vloeibaar bloed betrof. Tijdens de genoemde krachtsinwerking(en) in vloeibaar bloed moet de bloedbron zich laag bij de vloer hebben bevonden.
- Aangetroffen plastic tas, kleding, veters en touw op en rondom het lichaam van [slachtoffer 1]
De kledingstukken (een hemd, een T-shirt en twee sjaals) en de plastic zak die verwijderd zijn van het hoofd van [slachtoffer 1] , zijn als één geheel veiliggesteld en voorzien van SIN [SIN-code 4] . Uit de bemonstering van de onderrand van de binnen- en voorzijde van het hemd ( [SIN-code 4] #01) is een mengprofiel van minimaal twee personen verkregen, waarbij is aangenomen dat [slachtoffer 1] één van de donoren is. Het profiel van [verdachte] komt overeen met het profiel. Het DNA-mengprofiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – het DNA afkomstig is van [slachtoffer 1] en [verdachte] , dan wanneer dit van [slachtoffer 1] en een willekeurig onbekend persoon afkomstig is. Uit de bemonsteringen van een deel van het uiteinde van de mouw van het T-shirt ( [SIN-code 4] #05) en de hengels van de plastic zak ( [SIN-code 4] #14) zijn telkens mengprofielen van minimaal vijf personen verkregen. Daarbij is aangenomen dat [slachtoffer 1] een van de donoren is. Het profiel van [verdachte] komt overeen met deze profielen. De DNA-mengprofielen zijn telkens meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer 1] , [verdachte] en drie willekeurige onbekende personen dan wanneer het afkomstig is van [slachtoffer 1] en vier willekeurige onbekende personen.
Tussen de rechterhand en de voeten van [slachtoffer 1] werd een schoenveter aangetroffen ( [SIN-code 5] ). Ook onder de linkerpols van [slachtoffer 1] werden twee veters ( [SIN-code 6] en [SIN-code 7] ) aangetroffen. De enkels van [slachtoffer 1] waren vastgebonden met (minimaal) één veter ( [SIN-code 8] ). Uit de bemonsteringen van [SIN-code 5] #01 (uiteinde 1), [SIN-code 6] #01 (originele uiteinde), [SIN-code 7] #01 (originele uiteinde) en [SIN-code 8] #01 (origineel uiteinde) is telkens een mengprofiel van minimaal drie personen verkregen, waarbij is aangenomen dat [slachtoffer 1] één van de donoren is. De voornoemde DNA-mengprofielen zijn meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – het DNA afkomstig is van [slachtoffer 1] , [verdachte] en één willekeurig onbekend persoon, dan wanneer het afkomstig is van [slachtoffer 1] en twee willekeurige onbekende personen. Over de middel van [slachtoffer 1] werd een los stuk touw aangetroffen ( [SIN-code 9] ). De uiteinden van dit touw zijn bemonsterd en uit de bemonstering van een van de uiteindes ( [SIN-code 9] #01) is een mengprofiel van minimaal twee personen verkregen, waarbij is aangenomen dat [slachtoffer 1] één van de donoren is. Het profiel van [verdachte] komt overeen met het profiel. Het DNA-mengprofiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – het DNA afkomstig is van [slachtoffer 1] en [verdachte] , dan wanneer dit van [slachtoffer 1] en een willekeurig onbekend persoon afkomstig is.
Op de jas die [slachtoffer 1] droeg werd op de achterzijde, ter hoogte van de onderrug, een bloedspoor bemonsterd ( [SIN-code 10] ). Uit de bemonstering van [SIN-code 10] is een mengprofiel van minimaal twee personen verkregen, waarbij is aangenomen dat [slachtoffer 1] één van de donoren is. Het profiel van [verdachte] komt overeen met het profiel. Het DNA-mengprofiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – het DNA afkomstig is van [slachtoffer 1] en [verdachte] , dan wanneer dit van [slachtoffer 1] en een willekeurig onbekend persoon afkomstig is.
De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat [verdachte] en [slachtoffer 1] donoren van het celmateriaal op de plastic zak, de kleding, de veters en het touw zijn.
- Lichaam [slachtoffer 1]
Op de nagelrand van de linker middelvinger van [slachtoffer 1] werd een bloedspoor aangetroffen en bemonsterd ( [SIN-code 11] #01). Uit de bemonstering van [SIN-code 11] #01 werd een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen verkregen. Daarbij is aangenomen dat [slachtoffer 1] een van de donoren is. Het DNA-profiel van [verdachte] komt overeen met het profiel. Het DNA-mengprofiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer 1] en [verdachte] , dan wanneer dit van [slachtoffer 1] en een onbekend gebleven persoon afkomstig is. Door middel van een zedenset zijn er diverse lichaamsbemonsteringen uitgevoerd aan, onder meer aan de binnenzijde van de linkerhand onder de pink van [slachtoffer 1] ( [SIN-code 12] #01). Uit de bemonstering van [SIN-code 12] #01 is een mengprofiel van minimaal twee personen verkregen, waarbij is aangenomen dat [slachtoffer 1] één van de donoren is. Het profiel van [verdachte] komt overeen met het profiel. Het DNA-mengprofiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – het DNA afkomstig is van [slachtoffer 1] en [verdachte] , dan wanneer dit van [slachtoffer 1] en een willekeurig onbekend persoon afkomstig is. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat [verdachte] en [slachtoffer 1] de donoren van het celmateriaal in het bloedspoor op de nagelrand van de linker middelvinger en van het celmateriaal op de pink van de linkerhand van [slachtoffer 1] zijn.
- Lichaam [verdachte]
De nagels van [verdachte] zijn bemonsterd. Uit de nagelbemonstering van de rechter wijsvinger van [verdachte] ( [SIN-code 13] #07) is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen verkregen. Daarbij is aangekomen dat [verdachte] een van de donoren is. Het DNA-profiel van [slachtoffer 1] komt overeen met het profiel. Het DNA-mengprofiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – dat (naast [verdachte] ) [slachtoffer 1] de donor is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier dat [verdachte] en [slachtoffer 1] de donoren zijn van het celmateriaal op de nagel van de rechter wijsvinger van [verdachte] .
- Schoenen [verdachte]
In de slaapkamer waarin [slachtoffer 1] werd aangetroffen zijn diverse schoenen van [verdachte] aangetroffen en bemonsterd. De verbalisanten hebben in de slaapkamer een rechterschoen van het merk “Artelli” ( [SIN-code 14] ) met meerdere bloedsporen, voornamelijk op de rechterzijde en op de neus van de schoen, aangetroffen. Twee van de bloedsporen zijn bemonsterd en veiliggesteld als [SIN-code 14] #02 en #03. Uit de bemonsteringen met SIN [SIN-code 14] #02 is een DNA-profiel van minimaal één persoon verkregen. Het DNA-profiel van [slachtoffer 1] komt overeen met dit profiel. Het DNA-profiel uit de bemonstering is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – [slachtoffer 1] de donor is dan wanneer dit niet zo is. Ook is er in voornoemde slaapkamer een blauw/grijze schoen van het merk “Timberland” aangetroffen ( [SIN-code 15] ), met bloedsporen op de neus, de zijkant van de zool, onder de zool en aan de binnenzijde (ter hoogte van de enkel) en de linkerzijde van de schoen. Er zaten geen veters in de schoen. Drie van de bloedsporen zijn bemonsterd en veiliggesteld met SIN [SIN-code 15] #02 tot en met #04. Uit de bemonsteringen van SIN [SIN-code 15] #02 is een DNA-profiel van minimaal één persoon verkregen. Het profiel van [slachtoffer 1] komt telkens overeen met dit profiel. Het DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – [slachtoffer 1] de donor is dan wanneer dit niet zo is. Daarnaast zijn er in de slaapkamer meerdere schoenen aangetroffen waarvan de schoenveters ontbraken.
De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier dat [verdachte] en [slachtoffer 1] donoren van het celmateriaal op de schoenen van [verdachte] .
- [medeverdachte 1]
In de bemonsteringen van alle veiliggestelde sporen in dit onderzoek zijn geen identificeerbare overeenkomsten met [medeverdachte 1] gerapporteerd.
3.1.4.2 De overwegingen van de rechtbank
Op basis van de hierboven uiteengezette feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat er met kracht tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer 1] is geslagen, gestompt en geschopt, dat [slachtoffer 1] op haar buik op de grond is gelegd, dat haar mond en neus zijn afgedekt met kleding en plastic en dat haar handen op haar rug zijn vastgebonden. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of, en zo ja in welke rol, [verdachte] en [medeverdachte 1] betrokken zijn geweest bij dit tegen [slachtoffer 1] gepleegde geweld.
De betrokkenheid en de rol van [medeverdachte 1]
Op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer 1] . Dat er sprake is geweest van enig geweld tegen [slachtoffer 1] , wordt door [medeverdachte 1] zelf ook niet ontkend. De rechtbank is van oordeel dat er niet slechts sprake is geweest van een “veeg”, zoals door [medeverdachte 1] is verklaard ter terechtzitting, maar van (fors) geweld in de vorm van slaan/stompen tegen het hoofd/gelaat/lichaam van [slachtoffer 1] . De rechtbank neemt daarbij het volgende in overweging. Vanaf het moment dat [medeverdachte 1] in de veronderstelling is dat zijn fiets is gestolen met de hulp van [slachtoffer 1] , is zijn stemming opgewonden, geëmotioneerd en boos. Dit wordt onderschreven door de uitlatingen van [medeverdachte 1] die zijn vastgelegd op de camerabeelden in de buurt van de [adres 2] . [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting ook erkend dat hij boos was op [slachtoffer 1] .
Op de camerabeelden in het dossier is te horen dat [medeverdachte 1] om 22:08 uur schreeuwt dat hij net bijna iemand heeft doodgeslagen. Dit alles past in het beeld dat getuige [naam 3] in zijn verklaring heeft geschetst, te weten dat [medeverdachte 1] tegen [naam 3] heeft gezegd dat hij ( [medeverdachte 1] ) [slachtoffer 1] met zijn onderarm heeft geslagen, waardoor [slachtoffer 1] knock-out is gegaan. Gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] met kracht tegen het hoofd/gelaat/lichaam van [slachtoffer 1] heeft geslagen/gestompt. Uit de camerabeelden volgt dat dit geweld op 27 maart 2025, omstreeks 21:32 uur, binnen een tijdsbestek van een minuut en veertien seconden heeft plaatsgevonden. Op basis van het dossier kan evenwel niet worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] andere geweldshandelingen tegen [slachtoffer 1] heeft verricht.
De betrokkenheid en de rol van [verdachte]
Op basis van de vorenstaande feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [verdachte] vanaf het moment dat [slachtoffer 1] voor het laatst in leven werd gezien, op 27 maart 2025 omstreeks 21:30 uur, en het moment dat zij werd aangetroffen op 28 maart 2025 om 03:31 uur, vrijwel de gehele tijd in zijn woning aanwezig is geweest. De enige uitzondering betreft het moment dat hij om 22:15 uur voor een periode van 2 minuten en 46 seconden zijn woning verlaat. Er is uitgebreid forensisch onderzoek verricht in de woning van [verdachte] . Alle in de woning aangetroffen sporen wijzen in de richting van [verdachte] . Op de kledingstukken en de plastic zak waarmee het hoofd van [slachtoffer 1] was omwikkeld en de veters en het touw die zijn gebruikt om haar benen en armen vast te binden is het DNA-profiel van [verdachte] aangetroffen. In bloedsporen in de slaapkamer en op de jas van [slachtoffer 1] is, naast het DNA-profiel van [slachtoffer 1] , ook het DNA-profiel van [verdachte] aangetroffen. In bloedsporen op twee paar verschillende schoenen van [verdachte] , die in de slaapkamer waarin [slachtoffer 1] is aangetroffen zijn gevonden, is het DNA-profiel van [slachtoffer 1] aangetroffen. Onder de nagels van [slachtoffer 1] is het DNA-profiel van [verdachte] aangetroffen, en onder de nagels van [verdachte] het DNA-profiel van [slachtoffer 1] . De aangetroffen sporen zijn naar het oordeel van de rechtbank redengevend voor het bewijs dat [verdachte] als dader betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer 1] .
Van [verdachte] mag bij deze stand van zaken worden verwacht dat hij met een concrete en aannemelijke verklaring komt die deze conclusie ontzenuwt. De rechtbank overweegt daarover als volgt. [verdachte] heeft in eerste instantie, tegen de verbalisanten ter plaatse, op vragen wie de persoon in zijn woning was, gezegd: “[slachtoffer 1] , she was beat up on the street and I took here inside” of woorden van gelijke strekking. Tijdens het eerste verhoor heeft hij vervolgens verklaard dat hij in zijn woning werd aangevallen door een persoon met een bedekt gezicht. Hij heeft verklaard dat hij met deze person heeft gevochten en dat hij deze persoon heeft vastgebonden, waarna hij om 23:30 uur besefte dat deze persoon niet meer in leven was. Hij wist niet wat hij moest doen en was bang om de politie te bellen. In de verhoren die hierop volgden heeft [verdachte] veelal gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Op
1 september 2026 heeft [verdachte] een nieuwe verklaring afgelegd. Deze verklaring komt er in de kern op neer dat hij op 27 maart 2025 de stad was ingegaan en daar twee Arubaanse vrienden heeft gesproken. Rond het einde van de middag werd [verdachte] gebeld door [medeverdachte 1] met de boodschap dat hij snel naar huis moest komen. In de woning trof hij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] was op dat moment al overleden en lag er op dat moment net zo bij zoals ze door de politie was aangetroffen. [verdachte] had [slachtoffer 1] niet aangeraakt. [verdachte] heeft verklaard dat hij, na ruim anderhalf jaar, met deze verklaring is gekomen omdat hij wordt bedreigd door middel van briefjes. De verdediging zou het onderzoeksteam van informatie over deze bedreigingen voorzien, maar heeft dit niet gedaan. Deze verklaring van [verdachte] acht de rechtbank ongeloofwaardig. De rechtbank overweegt daartoe dat [verdachte] ’ verklaring onder meer wordt weerlegd door de camerabeelden in het portiek van zijn woning. Bovendien past zijn verklaring niet het aangetroffen sporenbeeld. Er is geen enkel ander belastend forensisch spoor van een ander dan [verdachte] – of meer specifiek: [medeverdachte 1] – in de woning aangetroffen, terwijl hier wel onderzoek naar is gedaan. Aldus heeft [verdachte] voor de aangetroffen sporen in de woning, op zijn lichaam en het lichaam van [slachtoffer 1] , die redengevend zijn voor het bewijs dat hij betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer 1] , geen verklaring gegeven die dat ontzenuwt. Sterker nog, [verdachte] heeft gedurende het onderzoek in een afgeluisterd telefoongesprek en een opgenomen gesprek tijdens een bezoek in de penitentiaire inrichting met zijn moeder en zus een min of meer bekennende verklaring afgelegd. Hoewel er, bij gebrek aan een vertaling door een gecertifieerde tolk, behoedzaam om moet worden gegaan met deze verklaringen, wordt de rechtbank hierdoor wel gesterkt in haar overtuiging.
Daar komt bij dat, naar het oordeel van de rechtbank, niemand anders dan [verdachte] (zoveel) gelegenheid heeft gehad om het zeer uitgebreide (aanvullende) geweld, waaronder begrepen het vastbinden en het afdekken van de neus en mond met kleding en een plastic tas, te kunnen plegen. De tijdspannes waarin [medeverdachte 1] in, dan wel in de buurt van, de woning van [verdachte] was zijn daartoe naar alle waarschijnlijkheid niet lang genoeg geweest.
De rechtbank stelt, op basis van al het voorgaande, vast dat [verdachte] de persoon is die – op enig moment na het een of meermaals slaan/stompen door [medeverdachte 1] – met kracht tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer 1] heeft geslagen, gestompt en geschopt, [slachtoffer 1] met haar buik op de grond heeft gelegd, haar mond en neus heeft afgedekt met kleding en plastic en haar handen op haar rug heeft vastgebonden. De rechtbank kan op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet vaststellen dat [verdachte] de nek, hals, keel of mond van [slachtoffer 1] heeft dichtgedrukt en zal hem van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
De juridische kwalificatie van de rol van [verdachte]
De vraag die moet worden beantwoord is of dit handelen van [verdachte] gekwalificeerd kan worden als het plegen dan wel medeplegen van moord dan wel doodslag (primair) of
zware mishandeling met voorbedachte raad met de dood ten gevolg (subsidiair).
- Plegen en/of medeplegen
Op grond van het hiervoor overwogene concludeert de rechtbank dat [verdachte] geweldshandelingen heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en daartoe kan worden aangemerkt als pleger. De rechtbank acht op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] bij de door ieder van hen gepleegde geweldshandelingen zoals hiervoor uiteengezet. De rechtbank beschouwt het deel van het geweld dat [medeverdachte 1] , omstreeks 21:30 uur, heeft gepleegd en het (aanvullende) geweld dat [verdachte] daarna heeft gepleegd, als twee separate momenten binnen hetzelfde tenlastegelegde feitencomplex. Niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het door [medeverdachte 1] gepleegde geweld of andersom. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.
- Causaal verband Om tot een bewezenverklaring van moord dan wel doodslag (primair) of zware mishandeling met de dood ten gevolg (subsidiair) te kunnen komen, moet worden vastgesteld dat een causaal verband bestaat tussen het door [verdachte] gepleegde geweld en het overlijden van [slachtoffer 1] .
Of er sprake is van een causaal verband wordt beoordeeld aan de hand van de vraag of het gevolg (de dood van [slachtoffer 1] ) redelijkerwijs als het gevolg van het handelen van [verdachte] (het geweld) aan verdachte kan worden toegerekend. Voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan de gedragingen van [verdachte] is ten minste vereist dat:
wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, en;
dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid is veroorzaakt door de gedragingen van de verdachte.
Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van [verdachte] naar zijn aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat die gedraging het vermoeden wettigt dat die heeft geleid tot het intreden van het gevolg.
De rechtbank overweegt in dit verband het volgende. Er zijn forse letsels aan het gelaat en aan de rug/rechterflank geconstateerd, die bij leven zijn opgelopen door (zeer) uitgebreid stomp botsende krachtsinwerking, zoals door geslagen worden of getrapt worden. Door Van Driessche wordt met name een overlijden door belemmering van de ademhaling en longfunctie, door eventuele inademing van bloed na het oplopen van een gebroken neus, beperking van de ademhaling door pijn vanwege opgelopen ribbreuken en/of eventuele belemmering van de ademweging of beperking van de in te ademen lucht door het aanwezige plastic aan de mond/het gelaat of anderszins smoren overwogen. Uit de bevindingen van het forensisch onderzoek ter plaatse, aan het lichaam van [slachtoffer 1] , aan het lichaam van [verdachte] en uit de bevindingen van het sporenonderzoek op de schoenen van [verdachte] volgt, zoals eerder is overwogen, dat door [verdachte] jegens [slachtoffer 1] geweldshandelingen met dergelijke krachtinwerking(en) zijn gepleegd en dat hij de kledingstukken en het plastic om het hoofd van [slachtoffer 1] heeft gebonden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze geweldshandelingen naar hun aard geschikt om de dood teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard dat zij het vermoeden rechtvaardigen dat deze hebben geleid tot het intreden van de dood. De rechtbank concludeert op basis van het vorenstaande dat het door [verdachte] op [slachtoffer 1] uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of aannemelijk is dat de dood van [slachtoffer 1] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedragingen van [verdachte] is veroorzaakt. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daarover het volgende. Door Van Driessche is weliswaar niet uitgesloten dat [slachtoffer 1] door intoxicatie met diverse middelen om het leven is gekomen, maar de hypothese van een niet-fatale intoxicatie is – gelet op de bekendheid van [slachtoffer 1] met cocaïnegebruik – iets waarschijnlijker. De rechtbank acht het gelet op het al het voorgaande aannemelijk dat het overlijden van [slachtoffer 1] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het door [verdachte] gepleegde geweld is veroorzaakt.
Gelet op het feit dat het door [verdachte] op [slachtoffer 1] uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid, en nu aannemelijk is dat de dood met aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het geweld is veroorzaakt, is de rechtbank van oordeel dat de dood van [slachtoffer 1] in redelijkheid aan [verdachte] kan worden toegerekend.
- Opzet op de dood
De vraag die vervolgens door de rechtbank moet worden beantwoord, is of [verdachte] opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende. [verdachte] heeft [slachtoffer 1] geslagen, gestompt en getrapt tegen haar hoofd en lichaam. Op basis van de bevindingen uit het bloedspatpatroononderzoek kan worden vastgesteld dat ten minste een gedeelte van dit geweld heeft plaatsgevonden op het moment dat [slachtoffer 1] al op de grond lag, althans al dichtbij de grond was. De hevigheid van het geweld wordt weerspiegeld in de aard en het aantal van de aan [slachtoffer 1] toegebrachte letsels. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar deel van het lichaam is met een vitale levensfunctie. Dat geldt ook voor de organen achter de ribbenkast. Bij toepassing van langdurig geweld tegen het hoofd en de rug, alsmede het afdekken van de mond en neus, kan onder omstandigheden de dood van het slachtoffer een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid zijn. Het samenstel van gedragingen van [verdachte] roept naar het oordeel van de rechtbank de naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk te achten kans in het leven, dat [slachtoffer 1] daardoor zou komen te overlijden. Die gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm ook zozeer op de dood van [slachtoffer 1] gericht dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] de aanmerkelijke kans daarop ook bewust heeft aanvaard. Dat geldt temeer nu [slachtoffer 1] een vrouw van ‘slechts’ circa 168 centimeter en 43 kilogram, oftewel met ernstig ondergewicht, was. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de [verdachte] – minst genomen – voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] .
- Voorbedachte raad
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] tevoren daadwerkelijk het plan had opgevat om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is, of [verdachte] voorafgaand aan het gewelddadig handelen of tussen de elkaar opvolgende geweldshandelingen voldoende tijd voor beraad en gelegenheid voor bezinning heeft gehad. De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld in welke exacte volgorde de geweldshandelingen hebben plaatsgevonden en op welk moment tijdens deze geweldshandelingen de dood van [slachtoffer 1] is ingetreden. Zo kan de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gerequireerd, op basis van het dossier niet vaststellen dat [slachtoffer 1] bij leven is vastgebonden. De enkele vaststelling dat [verdachte] [slachtoffer 1] fors geweld tegen [slachtoffer 1] heeft gebezigd, acht de rechtbank voorts onvoldoende om tot bewezenverklaring van voorbedachte raad te komen, nu ondanks de aard en ernst van het geweld niet is uitgesloten dat [verdachte] heeft gehandeld in een plotselinge gemoedsopwelling. Ook is er evenmin ander (technisch) bewijs voorhanden in het strafdossier waaruit de voorbedachte raad met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van dit bestanddeel en daarmee ook van de impliciet primair ten laste gelegde moord.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] [slachtoffer 1] opzettelijk om het leven heeft gebracht op de wijze zoals hierna bewezen is verklaard en zich derhalve schuldig heeft gemaakt aan doodslag.
Parketnummer 03-102559-25
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Dit betekent dat [verdachte] van het onder feit 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] vrijgesproken dient te worden van het onder feit 1 ten laste gelegde, bij gebrek aan overtuigend bewijs, althans bij gebrek aan pijn en letsel. Subsidiair verzoekt de verdediging om ten aanzien van feit 1 te volstaan met een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde. De verdediging heeft aangevoerd dat het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
3.2.3.1 Feit 1
De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op [geboortedatum 2] 2025 wordt de verjaardag van de dochter van [verdachte] gevierd in de woning van zijn partner [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), gelegen aan de [adres 3] . Daar zijn onder andere [verdachte] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ), de zus van [verdachte] , aanwezig. Op enig moment ontstaat er een ruzie tussen [verdachte] en [slachtoffer 2] . [verdachte] heeft [slachtoffer 2] geslagen tegen haar gezicht en tegen haar nek. Ook heeft [verdachte] haar bij de keel gegrepen en haar keel dichtgeknepen.
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde geweldshandelingen heeft gepleegd tegen zijn levensgezel [slachtoffer 2] . Haar verklaringen hierover worden ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 3] . [verdachte] ’ ontkenning dat hij [slachtoffer 2] niet heeft aangeraakt acht de rechtbank niet aannemelijk en vindt zijn weerlegging in de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde feit in zijn geheel bewezen zal verklaren. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat [verdachte] met deze geweldshandelingen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Het dossier bevat daartoe onvoldoende informatie over de omstandigheden waaronder deze geweldshandelingen zijn verricht, zoals over de kracht, duur en gerichtheid.
De rechtbank acht daarom, evenals de officier van justitie en de verdediging, niet bewezen wat aan [verdachte] onder 1 primair ten laste is gelegd, zodat zij hem van dit feit zal vrijspreken. De rechtbank acht het subsidiair ten laste feit gelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.2.3.2 Feit 2
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu [verdachte] dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
parketnummer 08-096590-25, primair
hij in de periode van 27 tot en met 28 maart 2025 te Enschede [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd door [slachtoffer 1] meerdere malen met kracht tegen het hoofd en (boven)lichaam te slaan, te stompen en te schoppen en/of anderszins grof geweld toe te passen op het hoofd en/of (boven-)lichaam van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] op haar buik op de grond te leggen/plaatsen en haar mond/neus af te dekken met kledingstukken en ander materiaal (plastic) en de handen van [slachtoffer 1] op haar rug vast te binden;
parketnummer 03-102559-25
1 subsidiair
hij op [geboortedatum 2] 2025 te Heerlen zijn levensgezel, te weten [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door:
- [slachtoffer 2] met kracht bij de keel te grijpen en deze dicht te knijpen,
- [slachtoffer 2] meermaals met gebalde vuist of de vlakke hand in het gezicht en op de neus te slaan, en
- [slachtoffer 2] meermaals met gebalde vuist in de nek te slaan;
2
hij op [geboortedatum 2] 2025 te Heerlen [slachtoffer 3] heeft mishandeld door
haar meermaals met gebalde vuist in het gezicht en op haar neus te slaan.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
parketnummer 08-096590-25, primair
het misdrijf: doodslag;
03-102559-25 feit 1 subsidiair
het misdrijf: mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;
03-102559-25 feit 2
het misdrijf: mishandeling.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, wordt opgelegd, waarbij het zwaartepunt ligt bij de moord op [slachtoffer 1] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de door hem aangehaalde uitspraken, waarin voor doodslag gevangenisstraffen binnen de bandbreedte van zeven tot negen jaren zijn opgelegd. De strafeis van de officier van justitie acht de raadsman niet passend bij de context van de onderhavige strafzaak. Voorts heeft de raadsman verzocht om de zaken af te doen met de oplegging van een straf en geen maatregel (van terbeschikkingstelling) aan verdachte op te leggen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft [slachtoffer 1] , een kwetsbare met verslaving(en) kampende vrouw, met fors geweld en op brute wijze om het leven gebracht. Hij heeft haar daarbij op mensonterende wijze vastgebonden met veters en haar hoofd omwikkeld met kleding en plastic. Hij heeft haar vervolgens in zijn woning laten liggen zonder de hulpdiensten in te schakelen. Door zijn handelen heeft verdachte het meest fundamentele recht van [slachtoffer 1] , het recht om te leven, ontnomen. Deze handelwijze getuigt naar het oordeel van de rechtbank van een onwaarschijnlijke koelbloedigheid en van een diepe minachting jegens [slachtoffer 1] . Het is op louter toeval gebaseerd dat [slachtoffer 1] die nacht is gevonden in de woning. Zonder het toevallige binnentreden van de verbalisanten in de woning van verdachte, was mogelijk nooit aan het licht gekomen wat er met [slachtoffer 1] is gebeurd. Op de zitting hebben de dochter en broer van [slachtoffer 1] gebruik gemaakt van hun spreekrecht. Zij hebben op invoelbare wijze naar voren gebracht hoe geliefd [slachtoffer 1] was en hoe moeilijk zij het met dit abrupte verlies hebben. Aan [slachtoffer 1] is de kans ontnomen om haar leven op orde te brengen en het contact met haar familie te herstellen. [slachtoffer 1] heeft slechts 43 jaar oud mogen worden. Verdachte heeft gedurende het onderzoek geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en ter terechtzitting ook geen enkel berouw getoond ten overstaan van de verschenen nabestaanden. Hij heeft zich in afgeluisterde gesprekken laatdunkend en laconiek uitgelaten over zijn handelen en het slachtoffer. Tijdens een gesprek met zijn zus en zijn moeder spreekt verdachte in dit kader over “garbage” en ter zitting is namens hem in twijfel getrokken of de dochter en zoons daadwerkelijk de kinderen van [slachtoffer 1] zijn. Verdachtes minachting jegens [slachtoffer 1] is weloverwogen, onnodig en zeer kwetsend. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn partner en zijn zus, waar zijn op dat moment nog zeer jonge dochter bij aanwezig was. Hoewel dit ook ernstige feiten zijn, gericht tegen vrouwen die zich op dat moment en op die plek veilig hadden moeten kunnen voelen, ligt het zwaartepunt in deze zaak onmiskenbaar bij het van het leven beroven van [slachtoffer 1] . De rechtbank rekent de verdachte dit alles zeer zwaar aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op uittreksels uit de Nederlandse en Arubaanse Justitiële Documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte in Aruba meermaals tot langdurige gevangenisstraffen is veroordeeld voor gewelddadige strafbare feiten. In Nederland is verdachte niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit.
Verdachte is ter observatie opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum (PBC). In de daarvan opgemaakte rapportage door G.A. van den Nagel, klinisch psycholoog, en
S. Kapitein-de Haan, psychiater, van 5 maart 2026 staat onder meer het volgende. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek. Tijdens de klinische observatie zijn er geen aanwijzingen gevonden voor een ernstige psychiatrische stoornis en evenmin voor een neurobiologische ontwikkelingsstoornis. Uit het gelimiteerde milieuonderzoek is naar voren gekomen dat verdachte sinds de late tienerjaren een zorgelijke ontwikkeling doormaakt. Gelet op de weigerende houding van verdachte is er onvoldoende zicht gekregen op de agressieregulatie, de verhouding van controle-impulsiviteit en de eventuele (ontremmende) rol van middelengebruik. Alles overziend is het allerminst uit te sluiten dat er bij verdachte sprake is van in de persoonlijkheid verankerde antisociale cognities. Er kan echter geen definitieve uitspraak worden gedaan over het al dan niet aanwezig zijn van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dit alles leidt tot de conclusie dat het de klinisch psycholoog en de psychiater niet duidelijk is geworden of er sprake is van een psychische stoornis en of eventuele psychische beperkingen een rol hebben gespeeld in het onder parketnummer 08-096590-25 ten laste gelegde. Op basis van het verleden van verdachte is er sprake van een zorgelijk risicoprofiel, maar vragen met betrekking tot het recidiverisico kunnen door onderzoekers niet worden beantwoord.
De reclassering heeft op 9 maart 2026 een rapport over verdachte opgemaakt. Het rapport houdt onder meer het volgende in. Gelet op de bevindingen van de klinisch psycholoog en de psychiater naar aanleiding van de opname ter observatie van verdachte in het PBC, kan door de reclassering geen plan van aanpak worden opgesteld. De reclassering acht reclasseringsinterventies op dit moment niet geïndiceerd en ook niet passend bij de strafverwachting.
De op te leggen straf
De ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en het feit dat verdachte in het verleden al meermalen is veroordeeld voor ernstige strafbare feiten met een geweldscomponent, brengen de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van lange duur met zich brengt. De rechtbank zal evenwel een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd omdat zij komt tot een bewezenverklaring van doodslag in plaats van moord. De rechtbank acht het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren passend en geboden. Die straf zal de rechtbank dan ook opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De voorlopige hechtenis
De raadsman van verdachte heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. De rechtbank wijst dit verzoek af, gelet op de bewezenverklaring, de overige inhoud van dit vonnis en de hoogte van de opgelegde vrijheidsstraf.
7. De schade van benadeelden
De vorderingen van de benadeelde partijen
[benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] en [naam 4] , wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [benadeelde partij 3] , hebben zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij worden bijgestaan door mr. W. van Egmond.
Affectieschade
[benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] vorderen elk een bedrag van
€ 17.500,-- per persoon ter vergoeding van affectieschade. [naam 4] vordert na wijziging van de vordering ter terechtzitting door mr. W. van Egmond, als vertegenwoordiger van de minderjarige [benadeelde partij 3] , een bedrag van € 20.000,-- ter vergoeding van affectieschade.
Materiële schade
[benadeelde partij 6] vordert een bedrag van € 610,-- ter vergoeding van materiële schade, bestaande uit de volgende posten:
- vliegreis heen € 143,62
- vliegreis terug € 119,88
- taxi naar uitvaartlocatie € 346,50.
[benadeelde partij 7] vordert een bedrag van € 1.806,70 ter vergoeding van materiële schade, bestaande uit de volgende posten:
- vliegreis retour € 777,70
- Airbnb-accommodatie € 1.029,--.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen toewijsbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering van [benadeelde partij 7] , voor zover deze ziet op de gevorderde vergoeding van materiële schade, afgewezen moet worden – dan wel dat [benadeelde partij 7] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in dit deel van de vordering – omdat op de facturen van de vluchten en de Airbnb-accommodatie andere namen vermeld staan, zodat deze kosten niet ten laste zijn gekomen van [benadeelde partij 7] . De vordering van [benadeelde partij 6] dient, voor zover deze ziet op de taxirit naar de uitvaartlocatie, gematigd te worden, omdat er ook met het openbaar vervoer kon worden gereisd.
Het oordeel van de rechtbank
Affectieschade
Op grond van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben naasten van slachtoffers recht op vergoeding van affectieschade (voor pijn en verdriet) die zij lijden doordat het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit is overleden. De rechtbank benadrukt dat deze vergoeding uit de aard daarvan een symbolisch karakter heeft, omdat zij geen volledige compensatie kan bieden voor het verdriet van de naasten. Een beperkte kring van personen kan voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. Zij hebben recht op affectieschade zonder dat zij verplicht zijn om de aard en de ernst van hun schade nader te motiveren. De hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald op basis van standaardbedragen die zijn vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade. [slachtoffer 1] is overleden ten gevolge van het onder parketnummer 08-096590-25 primair bewezen verklaarde feit. De rechtbank stelt vast dat de vorderingen zijn ingediend door (of namens) de ouders ( [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] ) en de kinderen van [slachtoffer 1] ( [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] ). Zij vallen onder de beperkte kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. De rechtbank stelt vast dat de gevorderde schadebedragen overeenkomen met de bedragen die volgens het Besluit vergoeding affectieschade voor vergoeding in aanmerking komen voor de ouders en kinderen van het slachtoffer.
De rechtbank zal de vorderingen van [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] en
[benadeelde partij 7] daarom in hun geheel toewijzen, telkens tot een bedrag van € 17.500,--, en de vordering van [naam 4] – wettelijk vertegenwoordiger van [benadeelde partij 3] – tot een bedrag van
€ 20.000,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, zijnde 28 maart 2025.
BEM-clausule
Omdat [benadeelde partij 3] minderjarig is, zal de rechtbank bepalen dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule dient ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
Materiële schade
De rechtbank overweegt dat, hoewel begrijpelijk dat de begrafenis is bezocht, er geen wettelijke grondslag voor toewijzing van de door [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] gevorderde bedragen ter vergoeding van die daarmee gemoeide materiële schade is aangevoerd. Voor zover bedoeld is om kosten van lijkbezorging te vorderen op grond van
artikel 6:108, tweede lid, BW, overweegt de rechtbank dat de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partijen om deze schadeposten alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] daarom in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat zij de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder parketnummer 08-096590-25 bewezenverklaarde feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met het in het dictum genoemde aantal dagen gijzeling (gemaximeerd tot een jaar), waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 57 en 60 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder parketnummer 03-102559-25 feit 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 08-096590-25 primair en het onder parketnummer 03-102559-25 feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
parketnummer 08-096590-25, primair
het misdrijf: doodslag;
parketnummer 03-102559-25 feit 1 subsidiair
het misdrijf: mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;
parketnummer 03-102559-25 feit 2
het misdrijf: mishandeling;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding (parketnummer 08-096590-25 primair)
de vordering van [benadeelde partij 2]
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 17.500,-- (bestaande uit immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
€ 17.500,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 17.500,--, (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 60 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
de vordering van [benadeelde partij 4]
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 17.500,-- (bestaande uit immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 17.500,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 17.500,--, (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 60 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
de vordering van [benadeelde partij 5]
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 17.500,-- (bestaande uit immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 17.500,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 17.500,--, (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 60 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
de vordering van [benadeelde partij 6]
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 17.500,-- (bestaande uit immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 17.500,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 17.500,--, (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 60 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 610,-- (bestaande uit materiële schade) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
de vordering van [benadeelde partij 7]
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 17.500,-- (bestaande uit immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 17.500,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 17.500,--, (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 60 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 1.806,70 (bestaande uit materiële schade) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
de vordering van [benadeelde partij 3]
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 20.000,-- (bestaande uit immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 20.000,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 20.000,--, (zegge: twintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 65 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;
verzoek tot opheffing bevel voorlopige hechtenis
- wijst het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijink, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en mr. P.A.M. Miltenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Kleinlugtenbeld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2026.
Buiten staat
Mr. Jordaans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen. Voor zover de bewijsmiddelen conclusies van verbalisanten bevatten, neemt de rechtbank die over en maakt deze tot de hare.
Parketnummer 08-096590-25
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer IDAHO/ONRAB25004. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 oktober 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Als er schoenen in mijn huis zijn aangetroffen, dan zijn het mijn schoenen.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen van 28 maart 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 73 (ZD01) e.v.:
Op 28 maart 2025 belde ik aan bij perceelnummer [adres 1] (de rechtbank begrijpt: van de [adres 1] ). Op dat moment kwam er een persoon aanlopen die ik
herkende als [verdachte] . Ik hoorde [verdachte] zeggen hij aan de [adres 1] woonde. Ik zag dat [verdachte] voor een deur stond van een kamer op de begane grond welke ik nog
niet gecontroleerd had. Deze kamer bevond zich bij binnenkomst aan de linkerkant van
de woning. Ik zag toen ik naar de grond keek zag ik dat er een persoon vastgebonden op de grond lag. Dit was om 03:31 uur. Ik zag dat het ging om [slachtoffer 1] . Ik zag dat het hoofd van het slachtoffer ingewikkeld was met stof. Ik zag dat het slachtoffer vastgebonden was met de armen en benen aan elkaar op de rug. Dit was gedaan met een schoenveter. Ik heb een deel van de stof weggehaald om haar hoofd met mijn zakmes. Dit om te kijken of het slachtoffer nog zou leven en om eventueel de adem weg vrij te kunnen maken. Ik voelde en zag dat het slachtoffer geen ademhaling meer had. Ik heb toen de handen losgemaakt van het slachtoffer om de reanimatie te starten. Ik zag dat het lichaam al lijk stijf was.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen van 30 maart 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 77 (ZD01) e.v.:
Ik zag dat het hoofd van [slachtoffer 1] ingewikkeld was met meerdere kledingstukken. Ik heb een
kledingstuk weggehaald om de adem weg vrij te maken. Dit kledingstuk bleek een wit
hemd te zijn, het hemd was besmeurd met bloed. Dit zat bovenop haar hoofd
vastgemaakt. Ik zag dat er meerdere lagen kleding om haar hoofd gewikkeld zaten. Ik zag dat er een plastic zak om het hoofd van [slachtoffer 1] was gewikkeld, de plastic zak was tot boven haar ogen om het hoofd heen gewikkeld. Ditzelfde geldt ook voor de andere kledingstukken. Ik zag dat het alle kledingstukken strak waren vastgeknoopt, ik kreeg het zelf niet open en zag ook geen mogelijkheid om het in zijn geheel van het hoofd van [slachtoffer 1] af te halen.
4.
Het proces-verbaal van bevindingen van bevindingen van 4 augustus 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 799 (ZD02) e.v.:
Vanuit het onderzoeksteam heb ik, verbalisant, de vraag gekregen om inzicht te geven in de tijdlijn van de avond en nacht waarin [slachtoffer 1] om het leven is gekomen.
19:36:11 uur
Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 1] is te zien dat [medeverdachte 1] het
portiek binnenloopt met een fiets aan zijn hand. De telefoon van met telefoon nummer [telefoonnummer] maakt om 19:37:46 uur verbinding met het Wifi-netwerk van [adres 1]
119.
20:30 uur
Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 1] is te zien dat [medeverdachte 1] (na 54 minuten 'binnen’ te zijn geweest) en [medeverdachte 2] (na 42 minuten ‘binnen' te zijn geweest) het portiek verlaten.
21:10:17 uur
Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 1] is te zien dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het portiek lopend binnenkomen. De telefoon van [medeverdachte 1] met
telefoonnummer [telefoonnummer] maakt om 21:10:47 uur verbinding met het Wifi-netwerk van
[adres 1] .
21:21:38 uur
Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 1] is te zien dat [medeverdachte 1]
Het portiek lopend verlaat.
21:23:37 uur
Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 1] is te zien dat [medeverdachte 1] het
portiek lopend binnenkomt. Hij is dan 2 minuten buiten geweest.
21:28:02 uur
Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 1] is te zien dat [slachtoffer 1] de fiets,
waarmee [medeverdachte 1] om 19:36 uur het portiek binnenkomt, aan de achterkant optilt en mee naar buiten neemt.
21:31:29 uur
Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 1] is te zien dat [slachtoffer 1] het portiek binnen komt.
21:32:09 uur
Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 1] is te zien dat [medeverdachte 1] rennend het portiek verlaat.
21:32:46 uur
Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 1] is te zien dat [medeverdachte 1] het
portiek binnenkomt. [medeverdachte 1] is dan 37 seconden buiten geweest.
21:34:00 uur
Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 1] is te zien dat [medeverdachte 1] en
[medeverdachte 2] het portiek verlaten.
22:08:32 uur
Op camerabeelden van [adres 4] is het volgende geluidsfragment te horen:
A: Schreeuwt: Ik heb net iemand bijna doodgeslagen.
De stem die hier aangeduid wordt met ‘A’ wordt herkend als de stem van [medeverdachte 1] .
22:12:15 uur
Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 1] is te zien dat [medeverdachte 1] (1 min 50 sec ‘binnen' geweest) en [verdachte] het portiek lopend verlaten
22:15:13 uur
Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 1] is te zien dat [verdachte] het portiek in loopt. [verdachte] is dan 2 min 46 sec buiten geweest.
00:59:11 uur
Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 1] is te zien dat [medeverdachte 1] en
[medeverdachte 2] het portiek binnenkomen.
01:05:12 uur
Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 1] is te zien dat [medeverdachte 1] en
[medeverdachte 2] het portiek verlaten.
5.
Een geschrift als bedoeld in artikel 344 eerste lid, onder 4 Sv, toxicologisch onderzoek in
lichaamsmateriaal van [slachtoffer 1] , opgesteld door dr. J. Roosendaal, forensisch toxicoloog, van 28 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina (ZD- FO) 1066 e.v.:
7. Conclusie
1. In het lichaamsmateriaal van [slachtoffer 1] zijn de volgende stoffen aangetoond:
• Stimulantia: cocaïne en de omzettingsproducten methylecgonine en benzoylecgonine
• Benzodiazepinen: diazepam en de omzettingsproducten desmethyldiazepam, temazepam en oxazepam
• Opioïden: desmethyloxycodon (omzettingsproduct van oxyocodon)
• Cannabinoïden: THC en het omzettingsproduct THC-COOH
2 Het bewustzijn/gedrag van [slachtoffer 1] was ten tijde van het overlijden beïnvloed door cocaïne, diazepam en desmethyldiazepam. De effecten zijn afhankelijk van de mate van gewenning aan stimulantia en benzodiazepinen.
3 De aangetoonde stoffen in de gemeten concentraties kunnen een bijdrage hebben geleverd aan het overlijden van [slachtoffer 1] en het overlijden verklaren, met name door het optreden van nadelige effecten op het hart. Indien [slachtoffer 1] een gewend gebruiker was van cocaïne en diazepam zijn de resultaten van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek iets waarschijnlijker onder de hypothese van een niet-fatale intoxicatie met cocaïne, diazepam en
desmethyldiazepam dan onder de hypothese van een fatale intoxicatie met deze stoffen.
4 De resultaten van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek geven geen aanwijzing
voor een ketoacidose ten tijde van het overlijden.
[afbeelding]
6.
Een geschrift als bedoeld in artikel 344 eerste lid, onder 4 Sv, definitief sturingsverslag Maastricht UMC+ Forensische Radiologie, opgesteld door drs. E.D. Roele, radioloog, C.A.S. Gregoie, forensisch radiologisch consulente, van 24 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina (ZD- FO) 1029 e.v.:
Conclusie/bevindingen:
Onderhuidse zwellingen:
o Over het verloop van de rechterschedelhelft is er een schil vocht zichtbaar rondom de schedel
o Hoog aan de voorzijde van het hoofd
o Aan de linkerzijde van het hoofd
o Ter plaatse van het voorhoofd, hetgeen in verbinding staat met zwelling ter plaatse aan de buitenzijde van de oogkas beiderzijds en zwelling rondom de neus
o Aan de binnenzijde van de rechteroogkas en rechterwang
o Hoog op de borst rechts van het borstbeen
o In de rechterflank ter hoogte van de 9e-12e rib
Fracturen:
o Fractuur van de arcus zygomaticus (jukbeen) rechts
o Fractuur van het os nasale (neusbeen) rechts
o Multipele ribfracturen (zie tabel)
o Fractuur van de processus transversus (dwarsuitsteeksel) van de 2de lendenwervel aan de rechterzijde
Brein:
o Subarachnoïdaal bloed (tussen het spinnenwebvlies en zachte hersenvlies) beiderzijds rondom de hersenen met name frontaal
o Bloed in de zijventrikels (hersenkamers)
Longen:
o Toegenomen vochtgehalte in beide longen in wisselende mate
7.
Een geschrift als bedoeld in artikel 344 eerste lid, onder 4 Sv, forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden opgesteld door drs. P.M.I. Van Driessche, arts en deskundige forensische pathologie van 13 augustus 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 1033 (ZD- FO) e.v.:
B. Uit- en inwendige schouwing
3. Rechts, links en voor aan het gelaat (voorhoofd, beide oren, beide ogen, beide wangen en jukbeenderen, de mond en de kin) waren grote, grotendeels samenvloeiende gebieden van onderhuidse bloeduitstorting en oppervlakkige huidbeschadiging (schaafletsel), met aan de rechterwenkbrauw en rechts aan de bovenlip ook ruwrandige huid- en slijmvliesdefecten (scheurletsels) (letsels A, B en C).
- Letseldateringsonderzoek van letsels A en B (respectievelijk rechts en links aan het gelaat) toonde een beeld suggestief voor bij leven oplopen, met (voor zover betrouwbaar te beoordelen) aanwijzingen voor oplopen enkele (tenminste circa 2) uren vóór het overlijden.
- De oppervlakkige huidbeschadigingen aan de rechterwang/het rechterjukbeen toonden een mogelijk patroon met schaafletsels (waarvan twee deels lijnvormig) met een reguliere tussenafstand van circa 2,5 cm (zie fotodocumentatie letsel A).
- In het bindvlies van de oogleden van beide ogen was bloeduitstorting, met aan het rechteroog ook bijhorende stipvormige bloeduitstortingen ('petechiën').
- Er was een breuk van het neusbeen, met in de neus, de mond en de luchtwegen bloed. Er waren tekenen van inloop dan wel inademing van bloed in beide longen (zogenaamde 'pantervlekken' in het longweefsel). Er was mogelijk een geringe breuk van het oogkasdak van het rechteroog.
6. Aan de achter- tot zijkant van de rechterflank/rug was een groot gebied van onderhuidse bloeduitstorting (letsel M). Letseldateringsonderzoek toonde een beeld suggestief voor recent bij leven of rondom het overlijden oplopen. Er waren geen aanwijzingen voor oplopen tientallen minuten (of meer) vóór het overlijden.
- Onderliggend waren breuken van de 8ste t/m de 12de rechterrib en het dwarsuitsteeksel van de 2de lendenwervel, met omgevend bloeduitstorting.
7. Aan de voorzijde van de hals (beiderzijds oplopend naar de oren) (letsel D) en
aan de buigzijde van beide polsen (letsel G en I) waren grijs-paarse lijnvormige
verkleuringen, hoofdzakelijk bestaand uit twee evenwijdige lijnen dwars op de
hals en de polsen verlopend, met een tussenafstand van veelal circa 0,8 cm.
Ten aanzien van de doodsoorzaak
Met name wordt een overlijden overwogen door belemmering van de ademhaling en
longfunctie door (individueel of een combinatie van):
- eventuele inademing van bloed na het oplopen van een gebroken neus,
- door pijn beperking van de ademhaling door opgelopen ribbreuken,
- eventuele belemmering van de ademwegen of beperking van de in te
- ademen lucht indien het bij aantreffen aanwezige plastic aan de mond/het gelaat daar bij leven aanwezig was dan wel anderszins 'smoren .
Ten aanzien van de letsels
Er waren forse letsels aan het gelaat bij leven opgelopen door zeer uitgebreide
meervoudige stomp botsende (en deels schavende) krachtsinwerkingen (sub A en
B3) met ook kleine traumatische beschadiging aan de hersenen (sub A en B5), zoals
door geslagen worden (al dan niet met een voorwerp), getrapt worden, etc. Er
waren geen breuken van de hersenschedel of schedelbasis (sub A en B4). In het
bindvlies van de oogleden van het rechteroog waren 'petechiën', welke geheel
verklaard kunnen worden door directe stomp botsende krachtsinwerking(en) rond-
om het rechteroog. Er waren geen aanwijzingen voor samendrukkende krachts-
inwerking aan de hals (zoals door verwurging of strangulatie) (sub B8). Het neus-
been was gebroken, met hierdoor in (onder meer) de luchtwegen aanwezigheid van
bloed. Gezien het aanvankelijk aantreffen in buikligging en daarna draaien naar rug-
ligging kan niet met zekerheid gesteld worden of de bevindingen van bloed in de longen ten gevolge van inademing van bloed geweest zijn, dan wel passieve inloop
van bloed betreffen. Er waren rechtsachter aan de rug/rechterflank forse letsels bij leven opgelopen door uitgebreid stomp botsende krachtsinwerking (sub A en B6), zoals door geslagen worden (al dan niet met een voorwerp), getrapt worden, etc. Bij letseldateringsonderzoek toonden letsels rechts en links aan het gelaat een beeld met, voor zover betrouwbaar te beoordelen, aanwijzingen voor oplopen enkele (tenminste circa 2) uren vóór het overlijden. Het beeld van het letsel aan de rechterflank/rug was suggestief voor recent bij leven of rondom het overlijden oplopen. Aan de hals en de polsen waren lijnvormige huidverkleuringen (sub B7), zoals mogelijk passend bij het alhier vastgebonden zijn zoals vermeld in de aangeleverde informatie.
8.
Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 1] ) van 25 juli 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 876 (ZD- FO) e.v.:
Op 29 maart 2025 kwamen wij, naar aanleiding van een overlijdensonderzoek, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 1] .
Bevindingen
Onderzoek slaapkamer voor (vindplaats slachtoffer)
Gezien vanuit de slaapkamer naar de hal van de woning zagen wij op de muur, rechts vanuit de deuropening, meerdere bloedsporen. Door mij, verbalisant, werden meerdere bloedsporen voorzien van de sporenbordjes 2, 3, 4, 5 en 6. Door mij, verbalisant, werden deze bloedsporen bemonsterd ten behoeve van een eventueel nader DNA-onderzoek . Door mij, verbalisant, werden de volgende SIN's aan de bemonsteringen gegeven:
- bemonstering sporenbordje 2: [SIN-code 3] ;
- bemonstering sporenbordje 4: [SIN-code 1] ;
- bemonstering sporenbordje 6: [SIN-code 2] .
Wij zagen, gezien vanaf de slaapkamer naar de hal, tegen de linker muur een open kast
staan. Wij zagen op deze kast, op de kopse kant van de rechter kastwand, een bloedspoor. Wij zagen onder in de kast een tas van het merk "Action". Wij zagen op deze tas een bloedspoor. Wij zagen voor de kast, welke tegen de rechterwand stond, een linker blauw/grijze schoen liggen. Wij zagen dat de schoen niet voorzien was van veters. Wij zagen meerdere bloedsporen op de schoen. Wij zagen één groter bloedspoor op de neus van de schoen. Wij zagen op de zijkant van de zool, onder op de zool en aan de binnenzijde, ter hoogte van de enkel, van de schoen ook bloedsporen. Tevens zagen wij bloedsporen aan de linkerzijde van de schoen. Wij zagen wij de schoen voorzien was van het merk "Timberland”. Door mij, verbalisant, werd de schoen voorzien van SIN [SIN-code 15] . Wij zagen een rode rechterschoen. Wij zagen dat deze schoen vetergaten had. Wij zagen dat de schoen niet voorzien was van veters. Wij zagen een rode linkerschoen. Wij zagen dat deze schoen vetergaten had. Wij zagen dat de schoen niet voorzien was van veters. Wij zagen naast deze rode schoen één paar zwart/bruine schoenen. Wij zagen dat deze schoenen metalen ringetjes hadden waarin veters kunnen. Wij zagen geen veters in de veterringetjes. Wij zagen dat beide schoenen voorzien waren van het merk "Artelli". Wij zagen op de rechterschoen meerdere bloedsporen, voornamelijk aan de rechterzijde en op de neus van de schoen. Door mij, verbalisant, werd de rechterschoen veiliggesteld en in beslag genomen. Door mij, verbalisant, werd de rechterschoen voorzien van SIN [SIN-code 14] .
9.
Het proces-verbaal van forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [adres 1] van 15 augustus 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 859 (ZD- FO) e.v.:
Onderzoek slachtoffer
Wij zagen op de vloer tussen de rechterhand en de voeten een blauw/grijs kleurige (schoen)veter liggen. Door mij, verbalisant, werd de veter veiliggesteld en in beslag genomen. Door mij, verbalisant, werd de veter voorzien van SIN [SIN-code 5] . Wij zagen onder de linkerpols een blauw/grijs kleurige veter liggen, Wij zagen tevens onder de linkerpols een stuk zwarte veter. Ik, verbalisant, constateerde dat de zwarte veter nergens aan vastgebonden zat en dus los onder de pols lag. Door mij, verbalisant, werd de zwarte veter veiliggesteld en in beslag genomen. Door mij, verbalisant, werd de veter voorzien van SIN [SIN-code 6] . Door mij, verbalisant, werd de blauw/grijze veter veiliggesteld en in beslag genomen. Door mij, verbalisant , werd de veter voorzien van SIN [SIN-code 7] .
Wij zagen dat er over de middel van het slachtoffer een blauw/grijze veter (los) lag. Door mij, verbalisant, werd deze blauw/grijze veter veiliggesteld en in beslag genomen. Door mij, verbalisant, werd de veter voorzien van SIN [SIN-code 9] . Wij zagen dat de enkels van het slachtoffer bij elkaar waren gebonden met minimaal één zwarte veter. Wij zagen dat deze veter meerdere malen om de enkels van het slachtoffer gewikkeld zaten. Door mij, verbalisant, werd de veter veiliggesteld en in beslag
genomen. Door mij, verbalisant, werd deze veter voorzien van SIN [SIN-code 8] . Wij zagen op de nagelrand van de linker middelvinger een bloedspoor. Door mij, verbalisant, werd dit bloedspoor bemonsterd ten behoeve van een eventueel DNA-onderzoek . Door mij, verbalisant, werd de bemonstering voorzien van SIN [SIN-code 11] . Door mij, verbalisant, werden de nagels van het slachtoffer bemonsterd ten behoeve van een eventueel DNA-onderzoek. Door mij, verbalisant, werden de nagelbemonsteringen voorzien van SIN [SIN-code 16] . Wij zagen op de achterzijde van de jas, ter hoogte van de onderrug, een bloedspoor. Door mij, verbalisant, werd dit bloedspoor bemonsterd ten behoeve van een eventueel DNA-onderzoek. Door mij, verbalisant, werd deze bemonstering voorzien van SIN [SIN-code 10] . Tevens werden de volgende lichaamsbemonsteringen, door mij verbalisant, middels een zedenset uitgevoerd:
- linkerhand binnenzijde, nat (nummer: [nummer 1] ) en droog (nummer: [nummer 2] );
- bloedspoor binnenzijde, linkerhand onder de pink (nummer: [nummer 3] ),
- rechterhand binnenzijde, nat (nummer: [nummer 4] ) en droog (nummer: [nummer 5] );
Door mij, verbalisant, werden de bovengenoemde bemonsteringen veiliggesteld en voorzien van SIN [SIN-code 12] .
10.
Het proces-verbaal forensisch onderzoek persoon van 11 mei 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 988 (ZD- FO) e.v.:
Betrokkene
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Biologische sporen
SIN: [SIN-code 13]
Wijze veiligstellen: Bemonsterset
Plaats veiligstellen: Nagelbemonsteringset
11.
Een geschrift als bedoeld in artikel 344 eerste lid, onder 4 Sv, rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] in [plaats] op 28 maart 2025, opgesteld door Y. Hoiting BSc, van 12 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven op pagina (ZD01- FO) 1098 e.v.:
5. Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
6. Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
[SIN-code 17] #Q1 (bloed; nagelrand linker middel vinger slachtoffer)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer 1] één van de donoren is. DNA-mengprofiel [SIN-code 11] #01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en een willekeurige onbekende persoon.
[SIN-code 10] #01 (bloed: achterzijde tas onderrug slachtoffer)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer 1] één van de donoren is. DNA-mengprofiel [SIN-code 10] #01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en één willekeurige onbekende persoon.
[SIN-code 3] #01 (bloedspat slpk brd 2)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer 1] en verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen.
Ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer 1]
DNA-mengprofiel [SIN-code 3] #01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van twee willekeurige onbekende personen.
Ten aanzien van verdachte [verdachte]
DNA-mengprofiel [SIN-code 18] #01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van twee willekeurige onbekende personen.
[SIN-code 1] #01 (bloedspat slpk brd 4)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer 1] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon.
DNA-profiel [SIN-code 1] #01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.
[SIN-code 2] #01 (bloedspat brd 6)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer 1] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon. DNA-profiel [SIN-code 19] #01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.
12.
Een geschrift als bedoeld in artikel 344 eerste lid, onder 4 Sv, rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] in [SIN-code 19] op 28 maart 2025, opgesteld door Y. Hoiting BSc, van 1 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven op pagina (ZD- FO) 1142 e.v.:
3. Onderzoek naar biologische sporen
Meerdere kledingstukken en plastic zak om hals slachtoffer [slachtoffer 1] [SIN-code 4]
Het onderzoeksmateriaal betreft meerdere kledingstukken en een plastic zak. Deze zijn gezamenlijk in één stuk aangeleverd. Het betreft een hemd, een T-shirt, twee sjaals en een plastic zak. Deze bemonsteringen zijn als [SIN-code 20] #01 t/m #04 veiliggesteld.
7. Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[SIN-code 4] #Q1 (binnenzijde hemd onderrand voorzijde )
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer 1] één van de donoren is.
DNA-mengprofiel [SIN-code 20] #01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en een willekeurige onbekende persoon.
[SIN-code 4] #05 (deel uiteinde mouw t-shirt)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van vijf personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer 1] één van de donoren is.
DNA-mengprofiel [SIN-code 4] #05 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] , verdachte [verdachte] en drie willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en vier willekeurige onbekende personen.
[SIN-code 4] #14 (hengsels plastic zak)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van vijf personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer 1] één van de donoren is.
DNA-mengprofiel [SIN-code 4] # 14 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] , verdachte [verdachte] en drie willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en vier willekeurige onbekende personen.
[SIN-code 5] #01 (uiteinde 1)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van drie personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer 1] één van de donoren is.
DNA-mengprofiel [SIN-code 5] #01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] , verdachte [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en twee willekeurige onbekende personen.
[SIN-code 6] #01 (originele uiteinde)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van drie personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer 1] één van de donoren is.
DNA-mengprofiel [SIN-code 6] #01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] , verdachte [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en twee willekeurige onbekende personen.
[SIN-code 7] #01 (originele uiteinde)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van drie personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer 1] één van de donoren is.
DNA-mengprofiel [SIN-code 7] #01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] , verdachte [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en twee willekeurige onbekende personen.
[SIN-code 9] #01 (uiteinde 1)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer 1] één van de donoren is.
DNA-mengprofiel [SIN-code 9] #01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en één willekeurige onbekende persoon.
[SIN-code 8] #01 (origineel uiteinde)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van drie personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer 1] één van de donoren is.
DNA-mengprofiel [SIN-code 8] #01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] , verdachte [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en twee willekeurige onbekende personen.
[SIN-code 14] #02 (bloedspoor zijkant schoen)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer 1] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon.
DNA-profiel [SIN-code 14] #02 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.
[SIN-code 15] #02 (bloedspoor neus schoen)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer 1] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon.
DNA-profiel [SIN-code 15] #02 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.
[SIN-code 13] #07 (na gelbemonstering rechterwijsvinger)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer 1] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen. Tevens is aangenomen dat verdachte [verdachte] één van de donoren is.
DNA-mengprofiel [SIN-code 13] #07 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] en slachtoffer [slachtoffer 1] , dan wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon.
[SIN-code 16] #03 (nageldeel linker middelvinger)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer 1] één van de donoren is.
DNA-mengprofiel [SIN-code 16] #03 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en een willekeurige onbekende persoon.
[SIN-code 12] #01 (linkerhand pink muis - nat)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen. Tevens is aangenomen dat slachtoffer [slachtoffer 1] één van de donoren is.
DNA-mengprofiel [SIN-code 12] #01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en een willekeurige onbekende persoon.
13.
Een geschrift, te weten een tapgesprek (taplijn TA015) van 29 mei 2025 om 15:42 uur, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina (ZD02) 750:
[verdachte] zegt:
Ik sloeg haar in elkaar. Bond haar vast, checkte haar en 5 minuten later was ze dood, (lacht hard) Het was gebeurd en dan komt de politie, zo bij mijn huis om te controleren, zo uit het niets. Ik dacht ze was knock out, maar ze was dood.
14.
Het proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina (ZD02) 694 e.v.:
De bezoekerslijst van de Penitentiaire Inrichting [locatie] is door het onderzoeksteam opgevraagd en daaruit bleek dat verdachte [verdachte] op 16 april 2025 van 15:30 tot 16:30 uur bezoek gepland had staan van:
- [naam 5] , geboren op [geboortedatum 3] 1971
- [naam 6] , geboren op [geboortedatum 4] 1997
Het gesprek dat tijdens dit bezoek is gevoerd tussen [verdachte] en zijn bezoek, is met behulp van een technisch hulpmiddel opgenomen.
[verdachte] is wat geluidsniveau betreft redelijk goed te verstaan. Ik heb de fragmenten die ik wel redelijk kon verstaan in dit proces-verbaal zo letterlijk mogelijk uitgewerkt.
5:18 .. Fuck you up in this case man..Because I had the body tied up tied up in a sack already to throw away in the garbage you know..
5:40 .. Roll her up in a bag, tie her up like a mummy man, put her in a sack, waiting for three o'clock to put her in the garbage..
6:38 ..I kill a person ten o’clock. Ten o'clock .. Body., wrap it up, hit a spin? come back.
7:50 .. I wrapped her like a mummy and put her in the sack? .. put in the garbage..
12:32 ..You got to have the body prepped..
12:52 .. I tie her up with my s.. like a mummy.. I feel her body were cold..
Parketnummer 03-102559-25
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL2431-2025036904. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
- Feit 1 subsidiair
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 oktober 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
[slachtoffer 2] was op [geboortedatum 2] 2025 mijn partner.
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 6 maart 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 22:
Op [geboortedatum 2] 2025 waren we in mijn woning aan de [adres 3] . Hier was mijn schoonzus [slachtoffer 3] en mijn partner [verdachte] bij aanwezig. Toen sloeg hij (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) me een stuk of drie keer met de buitenkant van zijn hand tegen mijn gezicht aan. Hij heeft van die hele grote ringen zijn aan zijn vingers. Toen hij mij sloeg deed dat pijn. Hij sloeg me best hard. Ik voelde dat [verdachte] mij een paar keer met een vuist achter in mijn nek sloeg. Dat deed echt pijn. Vervolgens zag ik dat [verdachte] voor mij kwam staan. Ik zag en voelde toen dat hij mij twee keer hard met zijn vuist tegen mijn gezicht aan sloeg. Ik voelde dat hij me op mijn neus raakte. Toen hij mij raakte deed dat pijn. Ik voelde vervolgens dat [verdachte] mij bij de keel vastpakte. Ik voelde dat hij kracht zette en mijn keel dicht kneep. Ik merkte dat ik toen geen lucht meer kreeg. Ik raakte in paniek het duurde een paar seconden lang.
3.
Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris in strafzaken, zittingsplaats Roermond, van 18 september 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:
U heeft op 6 maart 2025 aangifte gedaan van mishandeling tegen [verdachte] . U heeft
verklaard dat u op vrijdag [geboortedatum 2] 2025 bij u thuis aan de [adres 3]
door hem bent mishandeld.
Klopt die aangifte?
Ja. Wat ik heb verteld dat klopt.
U bent bij de keel gegrepen?
Ja.
U bent met gebalde vuist geslagen?
Ja tegen mijn gezicht ben ik met de buitenkant van de hand van [verdachte] geslagen.
U zegt dat u in uw nek bent geslagen, hoe weet u of dat met gebalde vuist is gebeurd?
Dat voel je.
Hij sloeg mij. Daarna heeft hij mij bij de keel gegrepen en toen is hij opgestaan en heeft hij mij nog een klap in mijn nek gegeven.
4.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van [geboortedatum 2] 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 39:
Op [geboortedatum 2] ging ik naar de woning van [slachtoffer 2] . Ik zag dat [verdachte] haar meermaals sloeg met een platte hand in haar gezicht. Ik zag dat [verdachte] ook meermaals met zijn handen gebald tot vuisten in het gezicht van [slachtoffer 2] sloeg. Ik zag ook dat [verdachte] [slachtoffer 2] bij haar keel pakte.
- Feit 2