RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Familie en Jeugd
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummers: 08.141485.26 en 10.167791-25 (vnvv) (P)
Datum vonnis: 26 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] ,
1. Korte uitleg van het vonnis
De officier van justitie heeft verdachte (hierna: [verdachte] ) opgeroepen om op 12 oktober 2026 voor de rechtbank te verschijnen. Deze oproep wordt een dagvaarding genoemd. In de dagvaarding staat de tenlastelegging. In de tenlastelegging staan de beschuldigingen, dus een beschrijving van de strafbare feiten die [verdachte] zou hebben gepleegd.
Op 12 oktober 2026 hebben de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsman J. de Haan, advocaat in Zwolle, tijdens een zitting achter gesloten deuren gezegd wat zij van de beschuldigingen vinden. De rechtbank heeft daar naar geluisterd.
De rechtbank schrijft in dit vonnis wat zij van de beschuldigingen vindt. Dit doet zij aan de hand van verschillende stappen in een bepaalde volgorde, zoals de wet die voorschrijft.
De rechtbank komt in dit vonnis tot de conclusie dat dat de beschuldigingen kunnen worden bewezen.
[verdachte] heeft samen met anderen de 99-jarige [slachtoffer] opgelicht door te doen alsof hij van de politie was waardoor zij haar sieraden en pinpas heeft afgegeven. Daarnaast heeft hij samen met anderen kort daarna € 250,-- van [slachtoffer] gestolen door met haar bankpas te pinnen. [verdachte] krijgt daarom een straf opgelegd: 184 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Dit betekent dat [verdachte] niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis, op voorwaarde dat hij binnen twee jaren niet weer een strafbaar feit pleegt en dat hij zich ook houdt aan de andere voorwaarden die de rechtbank aan het einde van dit vonnis heeft opgeschreven.
Daarnaast bepaalt de rechtbank dat de eerder aan [verdachte] voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer gelegd moet worden. Omdat de rechtbank vooral de hulpverlening voor [verdachte] erg belangrijk vindt, net als zijn schoolgang en zijn bijbaan, zal de rechtbank bepalen dat [verdachte] in plaats van 60 dagen jeugddetentie een werkstraf van 120 uren moet verrichten. [verdachte] zal dus 120 uren moeten werken zonder dat hij daar geld voor krijgt.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat verdachte:
feit 1: op 15 mei 2026 samen met anderen [slachtoffer] heeft opgelicht door zich voor te doen als politieambtenaar en/of elektricien en haar heeft bewogen tot de afgifte van haar sieraden en pinpas;
feit 2: op diezelfde datum samen met anderen € 250,-- van [slachtoffer] heeft gestolen door onbevoegd met haar bankpas te pinnen.
feit 1
hij op of omstreeks 15 mei 2026 te Dalfsen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig(e) goed(eren), het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een of meer gouden ringen en/of een kralenketting en/of kettingen en/of armbandjes, althans een hoeveelheid sieraden en/of een pinpas, door - die [slachtoffer] te bellen en/of in strijd met de waarheid zich uit te geven voor politieambtenaar en/of - die [slachtoffer] te vragen of er camera's in huis zijn en/of - bij de woning van die [slachtoffer] langs te gaan en/of zich daar voor te doen als politieambtenaar en/of elektriciën en/of - tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij, verdachten, in de meterkast willen kijken omdat er iets is gebeurd in de buurt en/of - de woning van die [slachtoffer] te betreden en/of - die [slachtoffer] te helpen bij het afdoen van haar ringen en/of - met voornoemde sieraden en/of de pinpas die woning te verlaten;
feit 2
hij op of omstreeks 15 mei 2026 te Zwolle tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bedrag van 250 euro, in elk geval enig geldbedrag, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van een pinpas toebehorend aan die [slachtoffer].
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging vindt dat [verdachte] gedeeltelijk moet worden vrijgesproken van de onder feit 1 ten laste gelegde gedachtestreepjes “die [slachtoffer] te vragen of er camera’s in huis zijn” en “die [slachtoffer] te helpen bij het afdoen van haar ringen” omdat er geen bewijs voor is dat [verdachte] dat heeft gezegd of gedaan. Verder heeft de verdediging geen opmerkingen gemaakt over het bewijs. [verdachte] heeft op zitting immers toegegeven dat hij betrokken was bij de oplichting en dat hij later gepind heeft met de weggenomen pinpas.
Het oordeel van de rechtbank
Voor de leesbaarheid van dit vonnis worden de verdachten bij de bespreking van het bewijs met hun voor- en achternaam aangeduid.
Bewijs
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde op grond van de hierna genoemde bewijsmiddelen.
[slachtoffer] verklaart op 15 mei 2026 in haar aangifte dat zij die dag om 17:50 uur is gebeld door een man die zei dat hij van de politie was en vroeg of zij camera’s in huis had. [slachtoffer] antwoordde daarop dat zij dat niet heeft. Tussen 18:15 uur en 18:30 uur ging de deurbel. [slachtoffer] deed de deur open en de personen aan de deur gaven aan dat ze bij de elektriciteit wilden kijken, omdat er in de buurt wat zou zijn gebeurd. [slachtoffer] verklaart dat één van de mannen smoesjes had en dat zij haar ringen moest afdoen. De man heeft haar geholpen met het afdoen van haar ringen, omdat deze strak om haar vingers zaten. [slachtoffer] verklaart dat haar tas met pinpas op tafel stond. Zij gaf haar pincode. Volgens [slachtoffer] zijn meerdere sieraden weggenomen en is ook nog € 25,-- uit haar tas weggenomen. Als de zoon van [slachtoffer] de bankrekening van zijn moeder checkt, dan blijkt dat om 19:18 uur € 250,-- is gepind bij de Geldmaat aan de [adres 2] .
Van laatstgenoemde pintransactie zijn camerabeelden. [verdachte] wordt door meerdere verbalisanten op die beelden herkend als de pinner.
Omstreeks 19:33 krijgen verbalisanten het verzoek om een grijze Volvo V40 met kenteken [kenteken] te controleren. Dit voertuig was in het ANRP-systeem geplaatst met als doel het voertuig te controleren wegens betrokkenheid van het voertuig eerder bij oplichting. Een ANPR-melding in Heino volgde. Omstreeks 19:38 uur zien de verbalisanten genoemd voertuig op het kruispunt van de N35 met de N348. Nadat een stopteken wordt gegeven, stopt het voertuig aan de [adres 6] in Mariënheem. In het voertuig zitten twee personen: [medeverdachte] , als bestuurder, en [verdachte] , als passagier. Als een van de verbalisanten met toestemming van [verdachte] in zijn iPhone 13 kijkt, dan ziet hij in Apple Maps dat om 18:10 uur het adres [adres 3] is opgezocht. [medeverdachte] en [verdachte] worden aangehouden. Bij het fouilleren van [verdachte] worden twee trouwringen aangetroffen die bij [slachtoffer] , woonachtig aan het [adres 4] , zijn weggenomen.
De telefoons van [medeverdachte] en [verdachte] worden nader onderzocht.
Uit het onderzoek aan de iPhone Air van [medeverdachte] volgt dat deze telefoon op 15 mei 2026 in de omgeving van de plaats delict ( [adres 4] ) is geweest. Om 17:24:32 uur is met deze telefoon een selfie gemaakt, een selfie van [medeverdachte] , met de [adres 5] als locatie. Het is van deze locatie twee minuten lopen naar de plaats delict. Om 18:49:39 uur is met de iPhone Air ook nog een foto gemaakt van een politievoertuig, gemaakt in Mariënheem, waar [medeverdachte] is aangehouden.
Onder [medeverdachte] is ook een iPhone XS in beslag genomen. [medeverdachte] heeft over deze iPhone XS, die volgens zijn eigen verklaring in het middenconsole van de auto lag, aan de politie verklaard dat dit zijn ‘extra telefoon’ is. In deze iPhone XS wordt een Snapchat-gesprek van 15 mei 2026 aangetroffen, waar verschillende Snapchat-gebruikers aan deelnemen, waaronder de gebruiker van de telefoon en ene [gebruikersnaam] . In dit chatgesprek deelt [gebruikersnaam] om 17:52:06 uur via een afbeelding het adres “ [adres 4] ”. Daarnaast deelt [gebruikersnaam] in de chat een afbeelding met de tekst “Goedemiddag mijn naam is [bijnaam] van de politie ICT dienst. Ik heb een dossiernummer voor u dat is: [nummer] ”. Verder schrijft [gebruikersnaam] in de chat: “Je komt voor de malware virus je bent een techneut van de politie ict dienst”. “Alle vragen die mevrouw heeft moet zij aan de rechercheur stellen aan de telefoon. Jij beantwoord”. Ook wordt door [gebruikersnaam] een afbeelding gedeeld met de tekst “3 goude ringen, goude kettingen, 1 goude armband, 1 Baro pas”. Omstreeks 18:15 uur schrijft puntjee.5 in de chat “hij is er”. Even later wordt door een onbekend gebleven Snapchat-gebruiker gezegd “als je naar binne gaat gelijk camera aan”, waarna [gebruikersnaam] schrijft “bel maar aan”. Om 18:34:51 uur deelt [gebruikersnaam] een afbeelding met de tekst “kk domme bitch zegt goud haar kk ma snel ringen af pas mee door zwaaien dan next man dit zoek ik niet wa”. Omstreeks 19:19 uur schrijft [gebruikersnaam] ten slotte in de groepschat: “Iedereen GG verlaten a.u.b. Door next”.
Uit onderzoek aan de iPhone XS van [medeverdachte] volgt verder dat ook deze telefoon op 15 mei 2026 in de omgeving van de plaats delict is geweest. Om 18:15:18 uur zijn de coördinatoren van de [adres 5] als locatie in de telefoon opgeslagen. Hiervoor is reeds beschreven dat het van deze locatie twee minuten lopen is naar de plaats delict. Ook zijn om 19:17:20 uur de coördinaten van de [adres 7] als locatie in de telefoon opgeslagen. Het is van deze locatie één minuut lopen naar de [adres 2] alwaar om 19:18 uur met de pinpas van [slachtoffer] is gepind.
In de iPhone 13 van [verdachte] wordt een screenshot van een afbeelding aangetroffen dat [gebruikersnaam] op Snapchat heeft gedeeld. Dit screenshot is op 15 mei 2026 om 17:59:54 door de telefoon van [verdachte] ontvangen of gemaakt. Het betreft de afbeelding met de tekst: “Goedemiddag mijn naam is [bijnaam] van de politie ICT dienst. Ik heb een dossiernummer voor u dat is: [nummer] ”. De iPhone 13 van [verdachte] betreft overigens ook de telefoon waarop in Apple Maps naar het adres [adres 3] is gezocht.
Op het politiebureau blijkt dat [verdachte] geld en meerdere sieraden in zijn onderbroek heeft verstopt. Het gaat om meerdere biljetten van € 50,-- en een biljet van € 20,--. In totaal betreft het een bedrag van € 270,--. De sieraden blijken van aangeefster [slachtoffer] te zijn.
Op de zitting bekent [verdachte] dat hij de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Het was naar zijn zeggen een opdrachtje, ook wel “een ophaaltje” genoemd. Hier zou [verdachte] geld voor krijgen. [verdachte] verklaart in de woning van [slachtoffer] te zijn geweest. Hij zegt niet alleen te zijn geweest die dag. [verdachte] verklaart dat hij met [medeverdachte] in de auto heeft gezeten. Verdere vragen wil hij niet beantwoorden. Over de in beslag genomen sieraden verklaart [verdachte] dat hij deze had meegenomen en dat deze allemaal van [slachtoffer] zijn. Dit geldt ook voor het in beslag genomen geldbedrag van € 270,--. [verdachte] verklaart dat hij € 250,-- met de pinpas van [slachtoffer] heeft gepind. Hij wist de pincode, omdat [slachtoffer] dit tegen hem had gezegd.
Overwegingen en oordeel
De rechtbank komt, op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel dat [verdachte] op 15 mei 2026 samen met anderen [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van haar sieraden en pinpas. Door [verdachte] en/of zijn mededader(s) is daartoe gebruikgemaakt van een valse hoedanigheid door zich in strijd met de waarheid voor te doen als politieambtenaar en/of elektricien. Met de afgegeven pinpas is kort daarna € 250,-- gepind. Omdat onbevoegd gebruik is gemaakt van de pincode, is deze sleutel vals. [verdachte] en zijn mededaders hebben een valse hoedanigheid aangenomen en bij aangeefster een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen waardoor zij er toe bewogen werd om de goederen aan hen af te geven. Er is dus sprake geweest van een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen. Dit handelen kan daarom als oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) worden gekwalificeerd.
De rechtbank is van oordeel dat tussen [verdachte] , [medeverdachte] en in ieder geval één onbekend gebleven ander persoon sprake is geweest van een voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering.
De wijze waarop aangeefster is opgelicht, die zich kenmerkt door een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen in ieder geval drie personen, blijkt uit de bevindingen van het onderzoek aan de onder [medeverdachte] en [verdachte] in beslag genomen telefoons, in het bijzonder de daarin aangetroffen chats en locatiegegevens. De rechtbank merkt in dit verband op dat naar haar oordeel buiten redelijke twijfel vaststaat dat de iPhone XS die in de middenconsole van de auto is aangetroffen, toebehoort aan [medeverdachte] . Hoewel hij dat later ontkend heeft, heeft hij immers direct na de staandehouding verklaard dat dit zijn telefoon was. Het Snapchat-gesprek van 15 mei 2026 laat zien dat sprake is geweest van een vooropgezet plan om de bewoonster aan het [adres 4] op te lichten en te bestelen. In dit gesprek wordt tevens besproken hoe dit plan moet worden uitgevoerd. De uitvoerders moeten zich voordoen als een medewerker van de politie. Binnen dit samenwerkingsverband van in ieder geval drie personen, is de gebruiker van het account [gebruikersnaam] de opdrachtgever en zijn [medeverdachte] en [verdachte] de twee personen die ter plaatse zijn gegaan. [medeverdachte] en [verdachte] wisten dus van het plan en de uitvoering ervan en zij waren zowel vóór als ná het incident samen. Ook hebben zij na het feit samen ‘de buit’ vervoerd. [verdachte] heeft aldus actief aan het samenwerkingsverband deelgenomen en daaraan een wezenlijke bijdrage geleverd. Daarmee is sprake van medeplegen. Aan dat oordeel doet niet af dat de rechtbank niet met zekerheid kan vaststellen wie welke handelingen in de woning van [slachtoffer] heeft verricht en ook niet of [medeverdachte] daar wel binnen is geweest. Ook het feit dat alleen [verdachte] (voor zover op de beelden te zien is) later met de weggenomen pinpas gepind heeft maakt dit niet anders.
De rechtbank acht het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:
feit 1 primair
hij op 15 mei 2026 te Dalfsen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van goederen, te weten een hoeveelheid sieraden en een pinpas, door - die [slachtoffer] te bellen en in strijd met de waarheid zich uit te geven voor politieambtenaar en - die [slachtoffer] te vragen of er camera's in huis zijn en - bij de woning van die [slachtoffer] langs te gaan en zich daar voor te doen als politieambtenaar en/of elektricien en - tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij, verdachten, in de meterkast willen kijken omdat er iets is gebeurd in de buurt en - de woning van die [slachtoffer] te betreden en - die [slachtoffer] te helpen bij het afdoen van haar ringen en - met voornoemde sieraden en de pinpas die woning te verlaten;
feit 2
hij op 15 mei 2026 te Zwolle tezamen en in vereniging met anderen, een bedrag van 250 euro, dat geheel aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders dat weg te nemen geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van een pinpas toebehorend aan die [slachtoffer].
De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikelen 47, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van oplichting;
feit 2
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.
5. De strafbaarheid van [verdachte]
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
6. De motivering van de straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie wil dat [verdachte] wordt veroordeeld tot 124 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie eist dat aan het voorwaardelijk strafdeel de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de jeugdreclassering geadviseerde voorwaarden worden gekoppeld.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt te volstaan met de oplegging van 90 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest, waarvan 55 dagen voorwaardelijk. De verdediging kan zich voor het overige vinden in de strafeis van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf weegt de rechtbank een aantal punten mee: het soort feit dat is gepleegd, hoe zwaar dat feit is, hoe het is gebeurd en wat voor persoon [verdachte] is. De rechtbank kijkt daarbij naar het dossier en wat er tijdens de behandeling op de zitting naar voren is gekomen. De rechtbank vindt daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van de gepleegde feiten
[verdachte] heeft samen met anderen de 99-jarige [slachtoffer] opgelicht door zich voor te doen als politieambtenaar en/of elektricien en haar bewogen tot de afgifte van haar sieraden en pinpas. Daarnaast heeft hij samen met anderen kort daarna € 250,-- van [slachtoffer] gestolen door met haar bankpas te pinnen. Wat door [verdachte] en zijn mededaders wordt gezien als ergens in het land “een ophaaltje” doen, heeft het vertrouwen dat [slachtoffer] in haar medemens en in het bijzonder in de politie mag hebben op grove wijze geschaad. De rechtbank rekent het [verdachte] zwaar aan dat hij samen met zijn mededaders op doortrapte en slinkse wijze te werk is gegaan. [slachtoffer] lijkt niet willekeurig, maar op basis van haar hoge leeftijd uitgekozen. Zij dacht dat een politieagent haar kwam helpen omdat er iets zou zijn gebeurd in de buurt, maar in plaats daarvan werd zij op brutale wijze van haar sieraden en pinpas beroofd. In haar woning, een plek waar zij zich veilig zou moeten voelen, is zij zelfs geholpen met het afdoen van haar sieraden. De sieraden die zijn meegenomen hebben naast financiële waarde ook een grote emotionele waarde voor [slachtoffer] . Het betreft immers onder meer een trouwring van haar overleden echtgenoot. Dat [slachtoffer] na het incident in chats wordt aangeduid als “kk bitch” is bovendien niet alleen grof maar laat ook de respectloosheid aan de kant van [verdachte] en zijn mededaders zien. Het respect voor de eigendom en de gevoelens van een ander is ver te zoeken. Iedereen snapt hoe kwetsbaar een hoogbejaarde vrouw van 99 jaar is en wat de impact is van de actie van [verdachte] en zijn mededaders. Maar [verdachte] en zijn mededaders hebben alleen maar gedacht aan geld. De rechtbank neemt dit [verdachte] zeer kwalijk. Bovendien leiden strafbare feiten als deze tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving in het algemeen.
De persoon van [verdachte]
Wat betreft de persoon van [verdachte] heeft de rechtbank gekeken naar zijn strafblad van
14 september 2026. Hieruit volgt dat hij vorig jaar ook al voor vermogensdelicten is veroordeeld. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het adviesrapport van de Raad van 6 oktober 2026 en het briefrapport van de jeugdreclassering van 7 oktober 2026 en geluisterd naar de toelichting die de jeugdreclasseringswerker en de vertegenwoordiger van de Raad op de zitting hebben gegeven. Ook heeft de rechtbank het pro Justitia-rapport van 20 augustus 2026 gelezen, waarin over [verdachte] is gerapporteerd door GZ-psycholoog L. Aa. Bovendien heeft de rechtbank geluisterd naar wat [verdachte] en zijn moeder op de zitting over zijn persoonlijke omstandigheden hebben verteld.
[verdachte] , een nu 18-jarige jongen, woont bij zijn ouders, volgt de mbo-opleiding retail medewerker en heeft een bijbaan als bezorger. In zijn vrije tijd doet hij aan kickboksen. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft [verdachte] positieve stappen gezet in zijn leven. Hij komt zijn afspraken na. [verdachte] lijkt zijn leven nu op orde te hebben, maar hij is wel erg beïnvloedbaar, laat zich snel door anderen gebruiken en heeft weinig besef van verantwoordelijkheid. Hij kan de gevolgen van de dingen die hij doet van te voren niet inschatten. De Raad en de jeugdreclassering vinden het daarom belangrijk dat de begeleiding in de komende periode wordt voortgezet en dat [verdachte] verder aan zichzelf kan werken. Om toezicht op [verdachte] te kunnen houden en hem waar nodig te begrenzen, is een langere periode jeugdreclassering aangewezen. In de behandeling bij Fivoor kan verder gewerkt worden aan het probleemoplossend vermogen van [verdachte] , zijn weerbaarheid ten opzichte van antisociale leeftijdsgenoten en zijn communicatievaardigheden. De Raad en de jeugdreclassering adviseren daarom een deels voorwaardelijke straf, waarbij aan het voorwaardelijk strafdeel verschillende bijzondere voorwaarden worden gekoppeld om zoveel mogelijk te voorkomen dat [verdachte] in de toekomst weer de fout ingaat. [verdachte] en zijn moeder kunnen zich vinden in dit advies.
De straf
Omdat [verdachte] ten tijde van het plegen van de strafbare feiten minderjarig was, past de rechtbank het jeugdstrafrecht toe. De rechtbank houdt vervolgens bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. De rechtbank vindt het positief dat [verdachte] op de zitting zijn excuses heeft aangeboden voor zijn brutale gedrag, maar de door [verdachte] gepleegde feiten zijn naar het oordeel van de rechtbank zo ernstig dat de rechtbank een hogere straf zal opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd. Deze zaak draait om het misbruik van de kwetsbaarheid van mensen op hoge leeftijd. Het moet voor iedereen duidelijk zijn dat feiten als deze niet worden getolereerd. De rechtbank weegt bovendien in strafverzwarende zin mee dat sprake is van een situatie waarin daders zich als politiemedewerker hebben voorgedaan. Men hoort immers te kunnen vertrouwen op de politie.
Hier past dus een fikse straf. [verdachte] heeft al voorarrest gezeten in de jeugdgevangenis. De rechtbank zal [verdachte] niet terugsturen naar de jeugdgevangenis. De rechtbank vindt het passender om in te zetten op strakke begeleiding. [verdachte] is een meeloper, die zich door anderen laat gebruiken. Het is belangrijk dat hij leert hoe hij hier niet meer in meegaat.
Om zoveel mogelijk te voorkomen dat [verdachte] in de toekomst weer de fout in gaat en hem daar de benodigde hulp voor te geven, zal de rechtbank een forse voorwaardelijke jeugddetentie opleggen met daaraan gekoppeld de door de Raad en de jeugdreclassering geadviseerde voorwaarden. De rechtbank hoopt dat [verdachte] deze kans met beide handen aanpakt en zich niet opnieuw laat verleiden of overhalen tot het plegen van strafbare feiten, want het is nu nog niet te laat om iets van zijn leven te maken.
De rechtbank vindt het, alles afwegend, passend en geboden om aan [verdachte] op te leggen een jeugddetentie van 184 dagen met aftrek van het voorarrest (34 dagen), waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Dit betekent dat [verdachte] niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis, als hij zich aan de voorwaarden houdt. Als [verdachte] tijdens de proeftijd van twee jaren een strafbaar feit pleegt of een van de bijzondere voorwaarden niet naleeft, moet hij alsnog naar de jeugdgevangenis. De rechtbank zal de jeugdreclassering de opdracht geven toezicht te houden op de naleving door [verdachte] van de opgelegde bijzondere voorwaarden en hem ten behoeve daarvan te begeleiden.
7. De vordering van de benadeelde partij
[naam] , de zoon van [slachtoffer] , heeft zich namens zijn moeder als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd. Hij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen. De gevorderde materiële schade betreft het bedrag dat met de pinpas van [slachtoffer] is gepind en het geld dat uit de tas van [slachtoffer] is weggenomen. Uit het strafdossier volgt dat onder [verdachte] een geldbedrag van € 270,-- in beslag is genomen. [verdachte] heeft op de zitting verklaard dat dit geld van [slachtoffer] is en dat dit geld aan haar kan worden teruggeven. In samenspraak met de zoon van [slachtoffer] is op de zitting aldus afgesproken dat de vordering met het beslag kan worden verrekend en daarmee geen sprake meer is van overgebleven materiële schade. Dit brengt met zich dat de rechtbank de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.
8. De vordering tot tenuitvoerlegging (met parketnummer 10.167791-25)
De standpunten van partijen
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van een eerdere aan [verdachte] opgelegde voorwaardelijk straf. Het gaat om een voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen die de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 21 oktober 2025 aan [verdachte] heeft opgelegd. In plaats van jeugddetentie wil de officier van justitie dat [verdachte] een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren uitvoert. De verdediging kan zich hier in vinden.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie toewijzen. [verdachte] heeft zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan strafbare feiten (vermogensdelicten) schuldig gemaakt. Het gevolg daarvan is dat een voorwaardelijke straf ten uitvoer wordt gelegd. De rechtbank zal er rekening mee houden dat het hulpverleningstraject rondom [verdachte] nu niet moet worden doorkruist, net als zijn schoolgang en werk. De rechtbank legt daarom in plaats van 60 dagen jeugddetentie aan [verdachte] op een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren.
9. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311 en 326 Sr.
10. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van oplichting;
feit 2
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 184 (honderdvierentachtig) dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie in mindering wordt gebracht;
- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 150 (honderdvijftig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de volgende voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte (zich) gedurende de proeftijd (of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt):
- draagt aan Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, met als verantwoordelijke gemeente Rotterdam (AST102), een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:
de vordering van de benadeelde partij
- bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering;
- bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen, die ten aanzien van deze vordering zijn gemaakt;
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (met parketnummer 10.167791-25)
- bepaalt dat – in plaats van de voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen die de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 21 oktober 2025 aan verdachte heeft opgelegd – verdachte een taakstraf verricht, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf moet bestaan;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;
opheffing (geschorste) bevel voorlopige hechtenis
- heft het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Bruggen, voorzitter, mr. J. van Bruggen en
mr. D.E. Schaap, allen ook kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026.
Buiten staat
Mr. Schaap en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.