ECLI:NL:RBOVE:2026:6544

ECLI:NL:RBOVE:2026:6544

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 29-10-2026
Datum publicatie 29-10-2026
Zaaknummer 08.077521.24 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van 268 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, het betalen van een schadevergoeding en stelt dat zij zich meldt bij de Reclassering. De verdachte is schuldig bevonden aan diefstal met geweld en bedreiging, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familie en Jeugd

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.077521.24 (P)

Datum vonnis: 29 oktober 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats],

wonende aan de [woonplaats],

hierna te noemen: de verdachte of [verdachte].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de met gesloten deuren gehouden terechtzitting van 15 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. J. Bouwhuis is aangevoerd.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen met geweld en bedreiging met geweld goederen, drugs en geld heeft gestolen uit de woning van [slachtoffer] (hierna [slachtoffer]).

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

zij op of omstreeks 30 januari 2024 te [plaats]tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,in een woning, te weten de [adres], alwaar verdachte en/ofhaar mededader(s) zich tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),meerdere kledingstukken, een portemonnee met pasjes, meerdere sieraden,meerdere telefoons, meerdere schoenen, contant geld, een tas, meerderehoeveelheden drugs, een luchtbuks en/of meerdere (vuur)wapens,in elk geval enig goed,dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aanverdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/ofbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om diediefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping opheterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vluchtmogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:- die [slachtoffer] vast te houden,- die [slachtoffer] meermalen te slaan/stompen tegen zijn hoofd en/of in zijngezicht,- die [slachtoffer] meermalen met een pijp te slaan tegen zijn hoofd, inzijn gezicht en/of tegen zijn bovenlichaam, en/of- een mes te tonen aan die [slachtoffer] en te zeggen dat die [slachtoffer]neergestoken zou worden als hij hen zou volgen.

3. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat de bijdrage van [verdachte] geen medeplegen maar slechts medeplichtigheid oplevert en dit niet is ten laste gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Dat [slachtoffer] volgens een vooropgezet plan door meerdere verdachten in zijn eigen woning met geweld en bedreiging met geweld is beroofd van goederen, geld en drugs, staat niet ter discussie.

De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is hoe de rol die [verdachte] in het geheel heeft vervuld, moet worden gezien. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard, wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Het plan voor de overval op [slachtoffer] is niet gesmeed door [verdachte]. [verdachte] is door [medeverdachte 1] (hierna [medeverdachte 1]) gevraagd om te helpen. Voorafgaand aan de diefstal is afgesproken dat [verdachte] met [medeverdachte 2] (hierna [medeverdachte 2]) de woning van [slachtoffer] in zou gaan, waarna [verdachte] na een teken van [medeverdachte 2] zou vragen of ze naar de WC mocht, zodat ze stiekem de toegangsdeur kon openen voor [medeverdachte 1] en de andere jongen. Dit heeft [verdachte] ook gedaan. Na de overval is [verdachte] er samen met de anderen vandoor gegaan. Ook heeft zij gedeeld in de buit.

Naar het oordeel van de rechtbank was [verdachte] onderdeel van de uitvoering. Haar bijdrage was zelfs essentieel voor het doen slagen van de roof. Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten. De rechtbank is van oordeel dat de bijdrage van [verdachte] ook voldoende significant en wezenlijk is geweest om haar te betitelen als medepleger. Dat [verdachte] na het openen van de toegangsdeur op de gang is blijven wachten in plaats van te helpen met het pakken van spullen, doet hieraan niet af. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op of omstreeks 30 januari 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning, te weten de [adres], alwaar verdachte en/of haar mededader(s) zich tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), meerdere kledingstukken, een portemonnee met pasjes, meerdere sieraden, meerdere telefoons, meerdere schoenen, contant geld, een tas, meerdere hoeveelheden drugs, een luchtbuks en/of meerdere (vuur)wapens, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:- die [slachtoffer] vast te houden,- die [slachtoffer] meermalen te slaan/stompen tegen zijn hoofd en/of in zijn gezicht,- die [slachtoffer] meermalen met een pijp te slaan tegen zijn hoofd, in zijn gezicht en/of tegen zijn bovenlichaam, en/of- een mes te tonen aan die [slachtoffer] en te zeggen dat die [slachtoffer] neergestoken zou worden als hij hen zou volgen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf:

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft oplegging gevorderd van een werkstraf van 80 uren en daarnaast een jeugddetentie van 268 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft gezeten, te weten 88 dagen. De officier van justitie heeft verzocht het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de beperkte rol van [verdachte] en de omstandigheid dat het een oud feit betreft. De raadsman heeft verzocht te volstaan met oplegging van een jeugddetentie waarvan de duur gelijk is aan de duur van het voorarrest en een voorwaardelijke werkstraf waaraan de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld in het reclasseringsadvies zijn gekoppeld, onder referte van het aantal uren. De raadsman verzoekt het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Het feit

[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en bedreiging met geweld. Nadat [medeverdachte 2] en [verdachte] onder het mom van de verkoop van vapes in de woning van [slachtoffer] zaten, wisten zij op een slinkse, vooraf besproken wijze ook de twee andere verdachten, onder wie [medeverdachte 1], de woning van [slachtoffer] binnen te krijgen. [slachtoffer] werd door [medeverdachte 1] en de onbekende jongen, beiden voorzien van een vooraf meegebrachte bivakmuts, met een mes en stalen buis mishandeld en bedreigd. [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en de andere verdachte hebben verschillende (luxe)goederen, geld en drugs weggegrist. De vier medeverdachten zijn er vervolgens met de gestolen voorwerpen gezamenlijk vandoor gegaan. [verdachte] heeft met haar handelen een bijdrage geleverd aan deze gewelddadige overval. Door de toegangsdeur van het pand waar [slachtoffer] woonde te openen voor de gereedstaande [medeverdachte 1] en de onbekende jongen heeft zij de overval mogelijk gemaakt. De verdachten hebben op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en [slachtoffer] heeft bij het voorval ook lichamelijk letsel opgelopen. [verdachte] heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de impact van dit gebeuren op [slachtoffer]. Dat [slachtoffer] tot op de dag van vandaag last heeft van de gevolgen van de overval, die bovendien plaatsvond in zijn eigen woning, blijkt ook uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring. Niet alleen is [slachtoffer] na de overval verhuisd, ook ervaart hij nog steeds gevoelens van angst en onveiligheid. Dit neemt de rechtbank [verdachte] kwalijk.

Documentatie

De rechtbank heeft gekeken naar een uittreksel uit de justitiële documentatie over [verdachte] van 18 maart 2026. Hieruit blijkt dat zij eerder met justitie in aanraking is geweest, maar niet is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank houdt, gelet op het bepaalde in artikel 63 Sr, rekening met eerdere veroordelingen van [verdachte], namelijk de strafbeschikkingen van 27 augustus 2024, 5 januari 2026, 23 juni 2026 en 10 september 2026, waarbij [verdachte] is veroordeeld tot geldboetes van resp. € 450,00, € 300,00, € 320,00 en € 300,00 wegens overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994 en het opgeven van een valse naam of titel.

De rapportage

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft op 9 oktober 2026 een adviesrapport uitgebracht. Hieruit volgt kort weergegeven het volgende.

[verdachte] bevond zich ten tijde van het delict in een fase van veel onrust in haar leven en wisselingen in haar woonsituatie. Hoewel [verdachte] in haar persoonlijke omstandigheden nog winst kan behalen, heeft zij stappen gemaakt en is er meer stabiliteit in haar leven gekomen.

[verdachte] heeft fulltime werk en dat verloopt goed. Zij wordt hier gewaardeerd en het werk geeft haar voldoening, structuur en sociale contacten. Dit is een belangrijke beschermende factor in haar leven.

[verdachte] is niet altijd afsprakentrouw richting haar begeleiding in de instelling waar zij verblijft. Hiervan is zij zich bewust. Wel verzet zij op eigen initiatief soms afspraken wanneer zij deze niet kan nakomen. Ook toont zij motivatie richting begeleiding en heeft zij zicht op haar eigen valkuilen en op de punten waar zij aan wil werken. [verdachte] kent een lang traject vanuit de jeugdzorg, heeft veel hulpverlening gehad en heeft nu het gevoel dat zij het zelfstandig zou moeten kunnen. Daarnaast beseft zij ook dat zij nog enige tijd begeleiding nodig heeft, omdat er risicofactoren zijn binnen de domeinen vaardigheden, geestelijke gezondheid, netwerk en vrijetijdsbesteding. [verdachte] heeft de consequenties van het gepleegde feit ervaren nu zij tweemaal een periode in jeugddetentie heeft gezeten.

Vanuit Jeugdbescherming Overijssel is de informatie gekomen dat [verdachte] een goede klik heeft met haar huidige begeleider in de instelling waar zij nu verblijft. Deze plek is gekoppeld aan het jeugdreclasseringstoezicht. [verdachte] wil graag op zichzelf wonen maar daarvoor vindt Jeugdbescherming Overijssel het nog te vroeg. [verdachte] heeft een intake gehad voor een kickboksprogramma (3 x 3 uur per week) waarin ze leert om met haar grenzen om te gaan, om te gaan met agressie, de juiste keuzes te maken. Door haar volle werkschema is dit programma nog niet opgepakt. Ook kan [verdachte] nog leren om beter om te gaan met haar geld. Jeugdbescherming Overijssel acht voortzetting van het toezicht en de begeleiding met laagdrempelige voorwaarden zoals het meewerken aan passende hulpverlening belangrijk voor een rustige overstap naar een nieuwe plek.

De Raad stelt dat een onvoorwaardelijke werkstraf als strafafdoening haar huidige werk in de weg zou kunnen staan en te belastend zou zijn, nu [verdachte] al veel uren werkt. Een leerstraf zou ook te veel zijn. Een hulpvorm in het vrijwillig kader in overleg met de jeugdreclassering zou beter bij haar aansluiten (zoals het kickboksen maar dan met een lagere frequentie). Een voorwaardelijke werkstraf wordt gezien als de best passende pedagogische afdoening. Geadviseerd wordt jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest met een voorwaardelijke jeugddetentie waaraan de bijzondere voorwaarden van meldplicht en het meewerken aan nodig geachte ondersteuning of begeleiding door andere hulpverleningsinstanties worden gekoppeld.

De deskundigen ter zitting

[naam 1], reclasseringswerker bij Jeugdbescherming Overijssel, heeft aangevoerd dat [verdachte] de kans moet krijgen om het zelf te doen maar dat in geval van tegenslag het kunnen terugvallen op professionele steun en begeleiding van belang is. Volwassenenreclassering is niet passend.

De redelijke termijn

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

[verdachte] is op 5 maart 2024 aangehouden en in verzekering gesteld. De rechtbank merkt die datum daarom aan als begin van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn.

Binnen het jeugdstrafrecht geldt als uitgangspunt dat het geding met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is gaan lopen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan worden gedacht aan de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Deze zaak heeft voor het eerst op zitting gestaan op 15 oktober 2026 en is toen ook inhoudelijk behandeld. Op 29 oktober 2026 wordt uitspraak gedaan. In dit geval heeft de behandeling van de zaak langer dan 16 maanden geduurd, namelijk twee jaren en ruim zeven maanden. De redelijke termijn is dan ook met ruim 14 maanden overschreden. De oorzaak voor de duur van dit strafproces lag buiten de invloedssfeer van [verdachte]. De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding in dit geval een strafvermindering rechtvaardigt.

Overige strafmaatoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie van aanzienlijke duur rechtvaardigt. De binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting in jeugdstrafzaken geven als uitgangspunt van denken voor een diefstal met geweld in geval van een overval op een woning een onvoorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden. In deze zaak weegt daarnaast in strafverzwarende zin mee dat sprake is geweest van het gebruik van een slagwapen en een mes en dat het feit in vereniging is gepleegd. Dit zou in beginsel betekenen dat [verdachte], die in deze zaak al 88 dagen heeft vastgezeten, opnieuw de jeugdinrichting in zou moeten. Vanwege de forse overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank hiervan af.

De kleinere rol van [verdachte] in het geheel, als ook de omstandigheden dat zij al een flinke periode gedetineerd heeft gezeten, met vallen en opstaan inmiddels een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, een fulltimebaan heeft en bezig is met de opbouw van haar toekomst, maken dat de rechtbank geen onvoorwaardelijke werkstraf zal opleggen.

De rechtbank is, gelet op alles dat hiervoor is uiteengezet, van oordeel dat kan worden volstaan met een voorwaardelijk strafdeel. Anders dan de Raad ziet de rechtbank in de aard en ernst van het feit reden om dit een voorwaardelijke jeugddetentie te laten zijn. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] de hulp en steun van de reclassering nog goed kan gebruiken en acht daarom van belang dat de reclassering de komende tijd betrokken blijft bij haar leven. De rechtbank zal daarom, naast een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 88 dagen, welke duur gelijk is aan de tijd die [verdachte] al in voorarrest heeft vastgezeten, als stok achter de deur, een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen van 180 dagen. Hieraan koppelt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn uiteengezet in het advies van de Raad van 9 oktober 2026, namelijk een meldplicht en het meewerken aan hulp en begeleiding door andere instanties als de jeugdreclassering dat nodig vindt.

7. De schade van benadeelde

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer], bijgestaan door mr. J. Bouwhuis, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 16.270,74 [zestienduizend tweehonderdzeventig euro en vierenzeventig eurocent], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- vernielde goederen € 1.220,30;

- borg huur woning € 470,00;

- eigen risico € 385,00;

- gestolen goederen € 7.195,44.

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 7.000,00 gevorderd.

Verzocht is om de medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk te stellen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vordering geheel voor toewijzing vatbaar is, hoofdelijk moet worden opgelegd, met toewijzing van de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat een bedrag van € 60,00 voor toewijzing vatbaar is nu dit het bedrag is dat [verdachte] heeft gekregen en zij verder geen geweldshandelingen heeft verricht.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De rechtbank zal de opgevoerde materiële schadeposten hieronder afzonderlijk bespreken.

- vernielde goederen en gestolen goederen

De onder de posten vernielde en gestolen goederen opgenomen schadeposten zijn onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat de aanschafprijs een billijke vergoeding betreft zonder enig inzicht te verschaffen in de afschrijvingskosten is daartoe niet alleen onvoldoende maar maakt ook dat niet zonder meer een goede schatting kan worden gedaan. Voor een nadere onderbouwing op dit punt is in de strafprocedure geen plaats omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.

- borg huur woning

Het gedeelte van de vordering dat ziet op borg voor de woning, te weten een bedrag van

€ 470,00, is voldoende onderbouwd en door of namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.

- eigen risico

Het gedeelte van de vordering dat ziet op eigen risico, te weten een bedrag van € 385,00, is voldoende onderbouwd en door of namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.

Immateriële schade

- Het kader voor toewijzing immateriële schade

De rechtbank stelt voorop dat artikel 6:106 aanhef en sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) drie categorieën geeft waarin een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen smartengeldvergoeding, namelijk indien verdachte het oogmerk had tot toebrengen van de schade (a), indien sprake is van aantasting in de persoon (b) of indien sprake is van aantasting van de nagedachtenis van een overledene (c). Onder sub b vallen drie verschijningsvormen; lichamelijk letsel (1), aantasting van eer en goede naam (2) en aantasting in de persoon op andere wijze (3).

- De overwegingen van de rechtbank

Namens de benadeelde is aangevoerd dat [slachtoffer] nadelige fysieke gevolgen heeft ondervonden, te weten lichamelijk letsel en daarnaast nadelige psychische gevolgen. In deze zaak is aldus sprake van aantasting in de persoon in de verschijningsvorm lichamelijk letsel en van aantasting in de persoon op andere wijze. In dit geval staat vast dat de benadeelde [slachtoffer] lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Dit deel van de vordering is aldus voor toewijzing vatbaar. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en daarbij de Rotterdamse schaal in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 7.000,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.

- wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 30 januari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

- proceskosten

Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door haar gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt te weten een bedrag van € 1.306,00.

- hoofdelijke aansprakelijkheid

Omdat verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal ten aanzien van voornoemde vordering de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien [verdachte] jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit aan de benadeelde is toegebracht.

De rechtbank bepaalt op grond van artikel 36f lid 5 Sr dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan worden toegepast, op 0 (nul) dagen wordt gesteld.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa Sr.

9. De beslissing

2.

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 268 (tweehonderdachtenzestig) dagen;

- bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte van 180 (honderdtachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de

proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de door de gecertificeerde Jeugdbescherming Overijssel, afdeling jeugdreclassering te stellen termijn (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd), en op de door jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- meewerkt aan de door jeugdreclassering noodzakelijk geachte ondersteuning of verwijzing naar andere hulpverleningsinstanties, indien en zolang die gedurende de begeleiding door de jeugdreclassering noodzakelijk wordt geacht;

- draagt de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel, afd. jeugdreclassering (instantiecode AST 106), op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. De verantwoordelijke gemeente is Enschede;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77a, eerste lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van

€ 7.855,00 (zegge: zevenduizend achthonderdvijfenvijftig euro) bestaande uit materiële schade en immateriële schade;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 7.855,00 (zegge: zevenduizend achthonderdvijfenvijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2024, met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 1.306,00, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering, met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 7.855,00 (zegge: zevenduizend achthonderdvijfenvijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 0 (nul) dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor een deel van € 8.415,74 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. P.M.F. Schreurs en mr. A.B. de Wit, kinderrechters, in tegenwoordigheid van

D.A.C. Brockotter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2026.

Mr. Jordaans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie-eenheid Oost-Nederland Onderzoek Aisne24 ON2R024006 met nummer 2024047070, gesloten op 26 juni 2024. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 30 januari 2024, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven op pagina 27 ev.

Op 30 januari 2024 was ik in mijn woning aan de [adres] in [plaats]. Ik woon daar in een studio. De studio bevindt zich op de eerste verdieping. De buitendeur van het pand is een deur die vanzelf in het slot valt. In mijn woning heb ik veel waardevolle kleding en sieraden. Op die avond kwam ene [medeverdachte 2] bij mij in de woning. Zij kwam bij mij om een vape te verkopen. Ze had een voor mij onbekende vriendin met zich mee.Op die avond vroeg de onbekende vrouw of ze naar de WC mocht. Ik legde aan haar uit waar de WC was, dit is een gedeelde WC met ander studio's. Enkele ogenblikken later kwamen er twee mannen mijn studio instormen. Ik kan hen als volgt omschrijven:Dader 1:- geslacht: Man;- huidskleur: Donker;Hij droeg een bivakmuts waardoor in zijn gezicht alleen zijn ogen en mond zichtbaar waren. Dader 2:- geslacht: Man;Ook hij droeg een bivakmuts. Hij was vanaf zijn ogen tot zijn mond zichtbaar. De twee manspersonen stormden op mij af. De donkere jongen gaf mij klappen. Hij had ook een mes vast. Ik werd vastgehouden door middel van een houtgreep. De dader zonder de donkere huidskleur had een stalen pijp mee van ongeveer anderhalf centimeter dik. Daar werd ik ook door geslagen. Ik ben in totaal wel 50 keer met kracht geslagen op mijn hoofd en in mijn gezicht. [medeverdachte 2], waar ik de vape van had gekocht, moest van de twee mannen spullen pakken uit mijn woning. Ze pakte wat ze volgens de mannen moest pakken, maar ze pakte ook andere spullen. Ik hoorde ze zeggen dat ze specifiek mijn Prada-tas wilde hebben. Ik zag dat ze alle vier in een Volkswagen Polo wegreden. Ze dreigden mij neer te steken als ik ze zou volgen. Ik heb gezien dat ze de volgende goederen mee hebben genomen: Twee jassen van Moncler, een Prada tas, een Louis Vuitton portemonnee met pinpas, ID-kaart en paspoort, 1200 euro aan 50 euro biljetten, een garantiebewijs van een Moncler jas, 2 gouden kettingen, een set van 2 gouden oorbellen, en drie paar schoenen van verschillende merken.

Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] van 3 juni 2024, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven op pagina 41 ev.

(opmerking griffier: V: = vraag verbalisant, A: = antwoord aangever)

V: Wat is er nu daadwerkelijk weggenomen uit jouw woning?A: Kleding, hasj en pillen en die harddrugs.

O: Wij willen jou ook een aantal foto's laten zien die jij wellicht al gezien hebt van de overval van jouw woning.

V: Wat zie je hier op bijlage 10, herken je spullen?

A: ja Het is een luchtbuks. Die is van [naam 2]. Ik heb de luchtbuks mee naar binnen genomen, Ik deed hem eerst in de hoes en nam hem toen mee naar binnen.

V; Lagen er naast de luchtbuks nog andere wapens in jouw woning?

A: Ja, één alarmpistool.

3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 oktober 2026, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven als verklaring van verdachte.

Ik ben op 30 januari 2024 samen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en een mij onbekende donkere jongen naar de woning van [slachtoffer] gegaan aan de [adres] in [plaats]. [medeverdachte 1] vroeg mij om mee te gaan. In de auto is afgesproken wat de bedoeling was. We zouden geld pakken van [slachtoffer]. Zoals vooraf afgesproken ben ik met [medeverdachte 2] de woning ingegaan. Nadat [medeverdachte 2] als teken een sigaret opstak, moest ik aan [slachtoffer] vragen of ik naar de WC mocht en dan moest ik de deur opendoen voor [medeverdachte 1] en die andere jongen. Dat heb ik gedaan. Ik moest terug naar binnen daarna maar dat heb ik niet gedaan. Ik heb gewacht op de gang. Ik ben samen met de anderen vertrokken. Ik heb in de auto wel een bivakmuts gezien. Ik heb de meegenomen spullen gezien. Die spullen zaten in tassen. Ik zag schoenen en schoenendozen, kleding, meerdere wapens, sieraden, geld, tasjes en drugs. Ik heb € 40,- tot € 60,- gekregen van de buit.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand